FOLKERT POSTHUMA 2

53e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Folkert Evert Posthuma (Leeuwarden, 20 mei 1874 – Vorden, 3 juni 1943) was nadat het het kabinet-Cort van der Linden op 9 september 1918 was afgetreden, als president-directeur teruggekeerd bij ‘Centraal Beheer’; een functie die hij tot zijn pensionering in 1939 aanhield. Waarschijnlijk op dat moment even blij weer snel de politiek te kunnen verlaten na de stortvloed van kritiek en dreigbrieven die hij in die periode en zeker tijdens het Aardappeloproer over zich heen kreeg. Samen met Evert Kupers, de secretaris van het Nederlands Verbond van Vakvereenigingen (NVV), lid van de Tweede Kamer en een vooraanstaand man in de sociaaldemocratische beweging in het midden van de twintigste eeuw, zorgde Posthuma zorgde de verdere uitbouw van de Land- en Tuinbouwongevallenwet, die in 1922 was ingevoerd. Posthuma wist echter ook dat het hoogtepunt van zijn carrière voorbij was. Hij voelde zich miskend, omdat hij na zijn ministerschap niet opnieuw voor een ministerschap werd gevraagd. In de loop der jaren werd hij daar steeds gefrustreerder over en ging hij zich steeds meer overal afficheren de oud-minister van Landbouw. Hij had weliswaar tientallen nevenfuncties om zijn grote werkkracht te kunnen botvieren en talrijke binnen- en buitenlandse onderscheidingen om mee te pronken, maar het gevoel van miskenning bleef. Hij was onder meer voorzitter van de FNZ (1921 – 1933), de Maatschappij voor Nijverheid en Handel (1919-1927), de Nijverheidsraad (1921-1933), het Nationaal Technisch Scheepvaartkundig Museum (1925-1931), van verschillende instellingen op omroepgebied, de voorbereidingscommissie van een Economische Voorlichtingsdienst (1928-1931) en van het Landbouwcrisiscomité (1930-1933). In de jaren dertig was hij vooral werkzaam als lid van Nederlandse delegaties en instellingen op het gebied van het internationale handelsverkeer.

In 1933 legde Folkert Posthuma tegelijkertijd 24 bestuursfuncties neer. Enerzijds omdat de cumulatie van nevenactiviteiten hem belette zijn werk naar behoren te vervullen, maar vermoedelijk speelde een grotere rol dat hij het oneens was met de crisispolitiek van de regering en hij zich wilde vrijmaken om deze te bestrijden. Posthuma was altijd al afkerig geweest van partijpolitiek en liet zich dan ook herhaaldelijk kritisch uit over het politieke bestel. Zijn opvattingen en frustraties pasten prima bij de algemeen heersende onlustgevoelens en antidemocratische opstelling. In 1932 werd hem dan ook het leiderschap aangeboden van een fascistische beweging. Hij liet weten veel te voelen voor de fascistische gedachte te voelen, maar nog niet toe te zijn aan een ‘profetenmantel’. Hij legde dus wel vele functies neer om de vrijheid te hebben wel ‘profeet’ te gaan worden. In 1934 en 1935 hield hij een aantal lezingen voor landbouworganisaties, waarin hij felle kritiek spuide op de gevoerde landbouw- en crisispolitiek en op Kamerleden, die hij als ondeskundige baantjesjagers afschilderde. Hij waarschuwde voor een afglijden naar de chaos. Het was aanleiding voor mensen vanuit de NSB hem te laten weten dat er een grootse taak voor hem zou zijn weggelegd. Dat was bij Posthuma niet aan dovemansoren gericht, maar hij ging pas in op de uitnodiging nadat Mussert hem hoogstpersoonlijk voor een gesprek uitnodigde.

Zijn sympathie voor het nazisme was echter maar beperkt bekend. Nog in 1938 werd hij ter gelegenheid van het regeringsjubileum van koningin Wilhelmina bevorderd tot commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Pas na de Nederlandse capitulatie n mei 1940 kwam hij openlijk voor zijn nationaalsocialistische opvattingen uit. Lid worden van de NSB deed hij echter niet, want hij onderschreef niet op voorhand het gehele partijprogramma. Zo had hij als oprecht gelovig man veel wantrouwen tegen de opvattingen van de NSB op godsdienstig gebied. Op 25 mei 1940 bood hij Mussert zijn diensten aan en al enkele dagen daarna ontmoetten zij elkaar voor het eerst. Het duurde niet lang voor Mussert meer vertrouwen in Posthuma stelde dan in de boerenleider Evert Roskam. Roskam was een van de vroege leden van de NSB, gold binnen de beweging als de landbouwspecialist en was een vroege voorvechter van het Germaans racisme en hun Blut-und-Boden-ideologie. Posthuma was weliswaar pro-Duits, maar weer wel sterk gekant tegen Duitse inmenging in Nederlandse zaken. In zijn typerende zelfoverschatting en eerzucht dacht Posthuma dat hij de aangewezen man was om, zoals hij dat in de vorige wereldoorlog had gedaan, ook nu leiding te geven aan de landbouw en voedselvoorziening, die uit handen van de bezetter moest worden gehouden. Hij werd echter door de Duitsers volledig buitenspel gezet en speelde vanaf het begin geen enkele rol van betekenis. Hij broedde echter nog wel op plannen en in zijn grenzeloze naïviteit wilde hij die persoonlijk aan Hitler voorleggen tijdens een ‘zeer gemoedelijk, maar van hart tot hart sprekend praatje’. Hij boekte een paar kleine succesjes. Zo wist hij te voorkomen dat de Duitsers de bibliotheek van de Landbouwhogeschool leegroofden en wist Rost van Tonningen te verhinderen de verzekeringsmaatschappijen onder te brengen bij een Duitse herverzekeringsmaatschappij. In 1943 scheen hij eindelijk de kans te krijgen waarop hij altijd was blijven hopen, toen Mussert hem benoemde tot gevolmachtigde voor Landbouw en Visserij in zijn schaduwkabinet. Deze benoeming was voor een verzetsgroep aanleiding hem te liquideren. Noch Posthuma, noch de verzetsgroep bleek te beseffen dat dit ‘ministerschap’ geen enkele inhoud zou krijgen. Met de moord zou Posthuma de twijfelachtige eer hebben het slachtoffer te zijn van de eerste politiek moord in Nederland sinds de dood van de gebroeders De Witt in 1672 (en dus niet Pim Fortuijn in mei 2002).

De website Old Hengel schreef over de moord:
‘Verantwoordelijk voor de moord was CS-6, een communistische verzetsgroep. Behalve de kleinere groepen waren het vooral de Raad van Verzet (RVV) en de Landelijke Knokploegen die zich het uitvoeren van georganiseerde zware sabotage ten doel stelden. Deze twee vormden het guerilla-element in het georganiseerde verzet. De Raad van Verzet werd kort na de April-Meistakingen van 1943 opgericht. Jan Thijssen was de belangrijkste figuur. Najaar 1943 sloot zich ook Gerrit Jan van der Veen zich bij de RVV aan, waardoor er een relatie ontstond tussen de RVV en de persoonsbewijzencentrale (PBC). Een van de bekendste leden was Hannie Schaft, “het meisje met het rode haar”. In totaal telde de RVV zo’n 1000 leden. Reina Prinsen Geerligs was lid van verzetsgroep CS-6, genoemd naar haar eerste adres: Corellistraat 6 in Amsterdam. Het was een jonge groep mensen, meest studenten, ontstaan in de loop van 1942. De groep kreeg contact met het Militair Contact en de communistische arts dr. Gerrit Kastein, die al voor de oorlog communisten had geholpen uit Duitsland te ontkomen. CS-6 pleegde onder meer aanslagen op depots van in beslag genomen radio’s, spoorlijnen waarop joden werden gedeporteerd, de Hollandse Schouwburg in Amsterdam, waar gearresteerde joden moesten wachten op hun deportatie naar Westerbork en het NSB-studentenhuis in Amsterdam.
CS-6 heeft ook grote activiteit ontplooid bij het liquideren van Nederlandse nazi’s (of aanhangers) wier daden direct gevaar opleverden voor het verzet of bepaalde groepen Nederlanders. In de periode februari – augustus 1943 pleegde de groep zeven aanslagen. De belangrijkste was generaal H.A. Seyffardt, neergeschoten op 5 februari 1943 door Jan Verleun. Seyffardt, van 1929 tot 1934 chef van de generale staf van het Nederlandse leger, was commandant van het Nederlandse Vrijwilligerslegioen, dat troepen aan Hitler leverde voor het Oostfront. Op 1 februari had Mussert een soort schaduwkabinet samengesteld. Daarin had Seyffardt ook zitting, en velen waren bevreesd dat hij in een toekomstige regering-Mussert de algemene dienstplicht voor de Duitse oorlogsvoering zou invoeren. Seyffardt stierf 6 februari en kreeg een pompeuze begrafenis. De Duitsers lieten als represaille 600 studenten oppakken. De reeds genoemde Kastein schoot op 9 februari de secretaris-generaal van het departement van volksvoorlichting, mr. H. Reydon met zijn vrouw neer. Reydon overleed enkele maanden later. Gerrit-Willem Kastein werd gegrepen, maar pleegde zelfmoord.
Het was deze CS-6 groep die verantwoordelijk was voor de moord op Posthuma. Hij had al vaak het advies gekregen om een lijfwacht in te huren, maar daar wilde hij niets van weten. Op de avond van donderdag 3 juni 1943 zat hij met zijn vrouw in de serre. Rond 20.00 uur kwam Jan Verleun op de fiets bij de Schuttestraat aan, waar hij zijn vervoermiddel tegen een telefoonpaal plaatste. Hij voerde deze eenmansactie uit in opdracht van Hans Katan, een van de leiders van CS-6. Bij de telefoonpaal knipte hij de draad door, zodat er vanuit de villa niet meer gebeld kon worden. Vervolgens zocht hij een weg door de rododendrons naar de villa. De nietsvermoedende Posthuma heeft de verzetsman zien staan, maar toen was het al te laat. Verleun schoot met een revolver op de borstkas van Posthuma die vervolgens opstond om naar de telefoon te lopen. Hierop volgde een tweede schot dat hem in de rug raakte. Hij overleed kort na de aanslag. Verleun vluchtte na de aanslag op zijn fiets richting Ruurlo. Hij gooide de revolver weg ter hoogte van de boerderijen van de families Kleine en Zieverink. Waarom CS-6 Posthuma op de lijst had gezet, is nooit helemaal duidelijk geworden. De voormalige minister was niet zo’n belangrijk figuur. Het illegale blad Het Parool dacht daar anders over: ‘Deze aartsschurk, die zijn gezworen trouw aan de Koningin voor een dik salaris aan de dijk zette, heeft zijn loon te pakken. Mogen anderen zijn lot spoedig delen!’
Na de aanslag werd er gedurende twee dagen honderd man politiepersoneel ingezet voor surveillance en huiszoeking in boerderijen in een gebied met een straal van 10 km rond De Viersprong. Dit onderzoek leverde niets op. Onderduikers bij nabijgelegen boerderijen wisten tijdig te ontkomen. Mussert stuurde nog zijn lijfwacht naar Vorden om de dader op te sporen, maar ook deze slaagde daar niet in. De Duitsers hebben niet al te veel werk van de moord gemaakt. Ook niet toen men er niet in slaagde om de dader te pakken te krijgen. Er zijn geen represailles gevolgd en geen mensen gegijzeld uit wraak om deze aanslag, zoals wel vaker gebeurde. Posthuma was geen Duitser en voor hen niet bijzonder interessant. Alleen in NSB-kring werd getreurd om de dood van ‘kameraad’ Posthuma. Mussert stuurde als blijk van medeleven een krans, maar daar was mevrouw Posthuma niet erg mee vereerd. Hij werd ter aarde besteld op de Algemene Begraafplaats in Ruurlo. Tijdens de begrafenis liet zij de kist ook niet dragen door NSB-ers, maar door buurtgenoten. Mevrouw Posthuma vertrok kort na de begrafenis naar de eerste woning in Den Haag, op De Viersprong werden SS-ers ingekwartierd. De meeste leden van de CS-6 groep waren al in de loop van 1943 opgepakt en op 30 september 1943 gefusilleerd. De 24-jarige Johannes Adrianus Joseph Verleun werd op 4 november 1944 gearresteerd en op 6 januari 1945 ter dood veroordeeld. Het vonnis werd de volgende ochtend voltrokken.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: