DE FAMILIE STASTOK (4)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (17)
EERDERE AFLEVERINGEN

Hildebrand ziet de stad,
en Pieter verstout zich pot te spelen (1)

Ik werd des anderen daags om zeven uren wakker, en toen ik de groene saaien gordijnen openschoof om te zien wat voor weer het was, – welke was mijne ontzetting, te bemerken dat (wij sliepen op dezelfde kamer) Pieter zich reeds geperpendiculariseerd had en bezig was om, met de bril op, een paar schone kousen aan te trekken, waarin zijn moeder de vorige avond plichtmatig hieltjes gemaakt had.

De oudere Stastok was een man van de klok en stond diensvolgens om zes uren op, ten einde om half acht aan het ontbijt te zijn; en daar hij volstrekt niets te doen had, vulde hij die tussentijd met pijpjes roken aan. Opmerkelijk is het, dat naarmate men minder bezigheid heeft, men des te bekrompener over de tijd denkt. Indien men de goede Pieter Stastok Senior het moeilijke vraagstuk omtrent de zetelplaats van de wil had voorgelegd, zou hij, indien hij daartoe genoegzame tegenwoordigheid van geest had gehad, zijn wijsvinger op twee duim afstand van zijn maag hebben moeten leggen, door die beweging datgene zijner ingewanden aanwijzende, ’t welk hij zijn ‘goud horloge’ noemde. En inderdaad, indien ik mij door een goud horloge moest laten regeren, ik zou van zulk een geregeerd willen worden; want een goed, groot, dik en vet uurwerk was het, met twee kasten over elkaar; en daar het iedere morgen, klokke negen, met de torenklok werd gelijkgezet, liep het doorgaans volmaakt.

Stastok - 3 pot spelen aIk vond mijn oom in de voorkamer (die zulk een heiligdom niet scheen te wezen als ik mij wel voorgesteld had) juist daar hij van onder de handen van zijn barbier kwam. Hij had zijn slaapmuts nog op het kale hoofd, daar hij gewoon was die niet vóór elf uren voor zijn pruik te verwisselen.
‘Mooi weertje, neef Hildebrand,’ riep hij mij toe; ‘mooi weertje, al zeg ik ’t zelf.’
Tante, die reeds zat te breien, zette, tengevolge van een zeer oneigenaardige gewoonte, haar bril af, om te beter mijne robe de chambre te bekijken, en na een ‘heeremijntijd! zijn die dingen weer in de mode?’ (het was in 1836) begon zij een optelling van al de japonnen met sjerpen, die haar vader en haar man in vroeger eeuwen gedragen hadden en die, naar haar voorgeven, nog boven in een kast hingen.
Oom vond dat het veel te gemakkelijk was voor een jong mens, en in de ogen van Petrus geleek ik in dit ochtendgewaad zo volmaakt op de grootste Jannen der Utrechtse academie, dat hij mij, geloof ik, voor een overgegeven lichtmis begon te houden. De bijbel werd opengeslagen, en mijn oom las er uit voor. Eerwaardige gewoonte! Waarom is zij zo bijna uitsluitend tot de burgerlijke huishoudens bepaald, en raakt zij ook zelfs daar meer en meer in onbruik? Mijn oom las niet welsprekend, niet mooi, zelfs niet goed op sommige plaatsen – maar het was stichtelijk, want hij las de bijbel; het was goed, want hij las met eenvoudigheid; het was schoon, want het was hem aan te zien dat hij geloofde. Hij las Luc. X, en bijzonder trof mij, in deze kring en uit die mond, het 21ste vers: ‘Ik danke u, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze de kinderkens geopenbaard.’

Na den ontbijt ging Pieter ‘aan zijn examen werken’, ’t welk bestond in zeer breedvoerige tabellen van de Instituten te fabriceren, met rode, blauwe en zwarte inkt geschreven, en ik volgde hem naar zijn kamer, waar ik mij tot koffietijd met een paar boeken bezighield.
En nu was het ogenblik daar, dat mijn neef mij aan de stad en de stad aan mij vertonen zou. Wij gingen dus samen uit, en daar hij een rotting had, liet ik de mijne thuis. Wij zagen dan: eerst de gracht, daarna de korenbeurs, en vervolgens twee kerken, waarin praalgraven en kosters die een fooi begeerden, als ook in een dier kerken een orgel dat, op het Haarlemse na, het mooiste der wereld was; een eer, die ik te Gouda, aan het Goudse, te Leiden, aan het Leidse, te Alkmaar, aan het Alkmaarse, en nu weer te D. aan het Dese hoorde toeëigenen; zodat het de zaak van de 4de klasse des Koninklijken Nederlandse Instituut worden zal, daaromtrent een prijsvraag uit te schrijven. Wij beklommen zelfs met levensgevaar de toren van een van die kerken, en maakten de opmerking dat het er woei, en dat er rondom de stad veel weiland, veel water, en veel molens waren. Daarop begaven wij ons naar het stadhuis, en bevonden dat onze voorvaderen nòg beter schilderden en er nòg gezonder uitzagen dan wij; ook had ik tegelijk gelegenheid het manlijk voorkomen der Dese dienders te bewonderen. In zijn ijver om mij alles te laten zien, bracht Pieter mij zelfs naar de vleeshal, en over de vismarkt, en eindelijk aan een grote vierkante eendekom, die hij ‘de haven’ noemde. Al voortgaande informeerde hij zich zeer sterk, hoeveel colleges de juristen te Leiden op één dag hadden en of het bij prof. A. fideel was op de thé’s; als ook welke colleges gemelde hooggeleerde in ’t Hollands gaf en hoeveel prof. B. dicteerde; of iedereen bij prof. C. zo maar een testimonium krijgen kon; of prof. D. liefhebberij-colleges hield; en of ik Smallenburg wel eens gezien had; tegen welke berichten hij de zijne omtrent de Uitertsche Juris professores met een eerlijkheid inwisselde, een betere zaak waardig. Hij verzuimde niet den billijke Utrechtse trots op prof. van Heusde en op de moeilijkheid van een mathesis-examen in ’t Latijn te pas te brengen; en toen ik ’t gesprek voor de afwisseling op lichtvaardiger onderwerpen wendde, kwam het uit, dat hij, Pieter Stastok, zonder evenwel hartstocht voor die spelen te koesteren, wel eens domino speelde, ja zelfs wel eens biljartte, en daar wij juist vóór een koffiehuis stonden, nodigde ik hem uit zich in laatstgenoemde kunst met mij te meten.
Pieter Stastok had noch de moed, noch de slag mij iets aan te bieden, daarom bestelde ik een bittertje voor mijzelf, en hij insgelijks voor zich. Op dat ogenblik sloeg de klok boven ’t buffet twee uren, en zag ik aan de overkant van de straat de diligence afrijden, die mijn oom in staat zou stellen ons voorbeeld te volgen.
Er waren vrij wat mensen in het koffiehuis, maar daar wij met niemand dan met het biljart te maken hadden en geen hunner speelde, hinderden zij ons volstrekt niet. Pieter sloeg de mouwen van zijn sluitjas op, en vertoonde de grote gesteven boorden van wat zijn moeder, hoe algemeen Europees die dracht ook geworden was, nog altijd een Engels hemd noemde; daarop verzocht hij de jongen zeer beleefd om een ‘goede keu’. De jongen gaf hem natuurlijk de beste die in het rek was, en wij trokken wie vóór zou spelen. Die eer viel mij te beurt, en de partij begon.
Wij hadden evenwel nog nauwelijks enige punten gemaakt, toen een luidruchtig geroep van ‘pot, jongen!’ al onze zaligheden verstoorde. Het geroep kwam van een winderige jongen advocaat, die pas voor de studentensociëteit te Utrecht bedankt had, en nu nog voorhing op de particuliere sociëteit te D., en van dit interregnum gebruik maakte, om alledag in het koffiehuis ‘de Noordstar’ pot te maken.
‘Vierentwintig uit, menheeren!’ riep de jongen ons toe, en tegelijk het korfje schuddende, waarin hij de potballen had, bood hij ze ons aan. Ik trok er een; en met een gezicht waarover een kleine stuiptrekking scheen te gaan, stak Pieter, dien ik ondertussen als geen grote Mingaud had leren kennen, zijn hand almede manmoedig in den korf. Daarop kwamen al de habitués van de pot uit hun hoeken en vroegen dopjes voor hun pijpen; de jongen deelde eigen keuen rond, en de jonge advocaat nam in persoon het krijt om op te schrijven.
‘Wie van de heren heeft het aas?’
‘Ik,’ riep een barse stem, die aan niemand anders toebehoorde dan aan de heer met de twee jassen over elkaar, dien ik in de diligence voor een commissaris van politie gehouden had; het bleek mij echter dat hij volstrekt geen commissaris van politie was, maar wel pikeur der kleine manege, die te D. aanwezig was, en tevens eigenaar van de kleine comedie, die aldaar insgelijks bestond.
‘Wie van de heren de twee?’
Pieter Stastok ging zelf naar de lei om de jonge advocaat in te fluisteren dat hij het was.
‘Zoo! zal jij ook pot spelen?’ vroeg de jonge advocaat, die als stadgenoot mijn neef wel kende.
Pieter werd bleek.
De drie had ik. De vier had een bejaard tweede luitenant van de infanterie, met de medaille van twaalfjarige dienst. De vijf had een chirurgijnsleerling, die te veel tijd had. De zes, een kort, dik man met stoppelig grijs haar, die een graankoper scheen te zijn. De zeven, een jong mens van drieëntwintig jaar, die student geweest was, maar om slecht gedrag thuisgehaald, voor wie Pieter bang was, te meer daar hij hem zeer gemeenzaam behandelde. Deze scheen de boezemvriend van de bejaarden luitenant der infanterie met de medaille van twaalfjarige dienst te wezen. De advocaat zelf had de acht, en de negen was in handen van een jongeling van drieëndertig jaren, in een leverkleurige pantalon, die op zijn moeders zak leefde, een hond hield, nooit iets had uitgevoerd, en in grote achting stond bij den kastelein van het koffiehuis ‘de Noordstar’.
Toen de jonge advocaat de namen van al deze heren netjes had opgeschreven, nam de biljartjongen het krijt in de ene en de kleine bok in de andere hand, en gilde met al de kracht, die een kind van veertien jaren over kan houden, als hij de gehele dag en de halve nacht op één been staat, te midden van de uitwaseming van mensen en pijpen: ‘Aas acquit, twee speelt!’

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: