DE FAMILIE STASTOK (5)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (18)
EERDERE AFLEVERINGEN

Hildebrand ziet de stad,
en Pieter verstout zich pot te spelen (2)

Petrus Stastokius Junior moest alzo op het acquit spelen, en hij maakte zich werkelijk tot die arbeid gereed. Te dien einde lei Petrus Stastokius Junior zijn pijp neer; maakte de punt van zijn keu wel een halve voet ver wit; plaatste zijn bal met de linkerhand op drie vierden; drukte de vier vingers van zijn linkerhand op een handbreed afstands van dezelve bal op ’t biljart; krulde de duim bevallig om, zodat hij aan ’t gehele gezelschap zijn tot op ’t leven afgesneden nagel vertoonde, en begon met de rechterhand de keu tussen duim en vinger heen en weder te bewegen op een wijze, die deskundigen ‘zagen’ noemen.
Tot zover ging Petri Stastokiï wetenschap om op het acquit te spelen. Ja, hij had zelfs een flauwe notie van de theorie van halfbal raken; maar daar het hem aan praktijk in het edele potspel haperde, was hij bijna zo wit als zijn bal, en stiet hem eindelijk krampachtig er op los, met dit gevolg dat hij klotste en ‘à faire’ lag voor de rechter hoekzak.
Het zou onmenselijk geweest zijn hem ‘te maken’ en daarom, mijn eigen bal stevig ‘houdende’, bracht ik de zijnen naar onderen, een goed eind voorbij de millieu. Daarop nam de bejaarde luitenant der infanterie zijn pijp tussen zijn grauwe knevels en speelde met de linkerhand op goedaf, maar werd niettemin met ‘een beest’ gesneden door den chirurgijnsleerling; waarop de verlopen student, die onder ons gezegd een grappenmaker was, zei dat die chirurgijns niet leefden of zij moesten wat te snijden hebben. De graankoper verzocht daarop de jongen om acquit voor hem te zetten en bleef met een wijs gezicht en onder het genot van zeker mengsel geestrijk vocht en suiker, ’t welk in ’t gemene leven een sneeuwballetje genoemd wordt, in ’t Handelsblad turen, en de verlopen student, zijn sigaar op den rand van ’t biljart neergelegd hebbende, stiet met veel nonchalance en verschrikkelijk hard op ’t acquit, welk voorbeeld van spelen door de advocaat met gelijke woede werd opgevolgd. Nu was de beurt aan de jongeling van drieëndertig jaren met de leverkleurige pantalon, die, van het beginsel uitgaande dat hij zijn bal voordelig moest trachten te verkopen, nooit op goedaf speelde, als hij zeker wist dat hij een bal maken kon. Hij maakte; en zo gebeurde het dat Petrus Stastokius andermaal op het acquit spelen moest.

Stastok - 3 pot spelen bHij was nu zo ver dat het zweet hem in grote parels op het voorhoofd stond.
‘Dat wordt een collé, mijnheer;’ riep de barse stem van den pikeur.
Pieter sprak niet, maar in zijn desperate poging om de geduchte spreker eens niet te logenstraffen, en in een van die dwaze inblazingen van hoop, waaraan slechte spelers somtijds gehoor geven, dat namelijk het goed geluk voor hen zal doen wat hun kunst niet vermag, raakte hij de acquitbal zo fijn, dat hij hem, tegen alle etiquette aan, in de linker hoekzak ‘sneed’.
‘Dat doet men niet, mijnheer!’ riep de pikeur, hevig met de keu op de grond stampende.
‘Het was een ongeluk;’ stamelde Pieter, die nu zodanig transpireerde, dat ik vreesde dat zijn bril op de vloed zou afdrijven.
‘Het was een lompigheid,’ brulde de pikeur.
‘Leve het snijen!’ riep de chirurgijnsleerling.
‘Die menheer is gevaarlijk!’ schertste de bejaarde luitenant.
‘Aas één appèl, drie acquit, vier speelt!’ riep de biljartjongen.
Ik geloof dat mijn neef poogde in een onverschillige houding zijn neus te snuiten, maar het had er niets van.
Het derde toertje liep goed voor Petrus af, maar het vierde was geschikt om hem er gans onder te werken. De pikeur lag voor den middelzak; het was een gemakkelijke bal; een kind kon hem maken.
‘Je kunt hem best sauveeren,’ zei de pikeur, ‘en goed afkomen ook.’
Dit was volmaakt overeenkomstig de gezindheden van Pieter, die, uit aanmerking van de snijbal, voor geen geld ter wereld hem maken wilde, zelfs al moest hij er slecht op afkomen. Maar daar de pikeur een gevaarlijk
potspeler was en, sedert onheuglijke jaren, van de drie potjes die gespeeld werden, er twee in zijn zak stak, riepen natuurlijk al de anderen: ‘Stop weg; stop weg!’
Pieter stootte niettemin met het voornemen om hem stellig niet weg te stoppen; en toch scheelde het zo weinig of hij had hem weggestopt, dat de winderige advocaat, die in ’t gewoel was opgestaan, uitriep: ‘Hij zit!’ waarop de verlopen student, die als gezegd is, een grappenmaker was, geestig antwoordde: ‘Als hij een stoel had;’ waarop allen lachten.
‘Wacht wat!’ riep de chirurgijnsleerling, die voor ’t snijen was; ‘hier is nòg een zak!’
En inderdaad! Petrus Stastokius had geheel buiten zijn eigen voorkennis of medeweten een doublé gemaakt, waarop allen juichten, behalve de pikeur, die op een grimmige wijze nog een glas bitter bestelde en de Goudse courant opnam, alleen om haar hard weer neer te smijten.
Men speelde voort en, na al de wederwaardigheden die hij had doorgestaan, werd mijn vriend Pieter weder vrij kalm, waartoe vooral machtig medewerkte dat hij een paar malen acquit moest leggen. Maar op eens werd zijn rust akelig verstoord door den uitroep van den jongen: ‘Vier driemaal, zes acquit, zeven speelt! mijnheer Hastok (de St was onduidelijk geschreven) de Vlag!’
Stastok - 3 pot spelen cNu was er geen eind aan de kortswijl en de grappen van de chirurgijns-leerling, en de verlopen student, en de advocaat, en de jongeling van drieëndertig jaren met de leverkleurige pantalon. De een noemde hem een Mingaud, de ander een blauwbaard, de derde een boa constrictor, allen te zamen: ‘de mijnheer van de vlag’. De bejaarde luitenant, die op drie stond en met de verlopen student geassureerd was, wilde zich doodstoten en hem voor een daalder kopen; de graankoper, die tegen die manoeuvre was, zei dat Pieter veel te sterk speelde om het aan te nemen; de chirurgijnsleerling bestelde de bokaal voor mijnheer ‘Hastok’, die de pot ‘op schoon dacht te winnen’; – het was een leven als een oordeel. En onder dit alles stond, met verwilderde blik, het onschuldig voorwerp van al dit rumoer altijd maar krijt aan zijn keu te strijken. De beurt kwam weer aan hem.
‘Welke bal?’ vroeg hij verlegen.
‘Die witte!’ riep de verlopen student, die een grappenmaker was.
‘Die ronde!’ zei de chirurgijnsleerling, niet minder aardig.
‘De beste,’ zei de leverkleurige pantalon, die ook iets zeggen wou.
‘De benedenste,’ zei de dikke graankoper, die medelijden kreeg.
Nu was het zoo gelegen, dat het vrij onverschillig was met welke bal de arme Pieter, die geen droge draad meer aan ’t lijf had, op dat merkwaardig ogenblik spelen zou, aangezien beide ballen, de een boven, de ander
beneden, stijf en allerstijfst collé lagen; ik herinner mij niet in al de tijd dat ik mee gebiljart heb – nu slaapt mijn keu voor immer in haar zelfkanten graf – ooit zulk een stijve collé gezien te hebben. De verlopen student bood mijn neef de bok aan. Pieter zag hem aan met een blik van machteloze haat en stootte een voet of drie mis.
‘Strijk de vlag!’ riep de chirurgijnsleerling.
Zij was alrede gestreken. De pikeur had zich bij voorbaat gewroken.
Van dat ogenblik aan bood de luitenant Pieter een gulden; maar hij was te zeer van zijn stuk om te verkopen. In de volgenden toer maakte ik hem, uit medelijden; de daarop volgende verliep hij en smaakte de voldoening dat de luitenant hem een beschuitje voor zijn bal bood; met een mispunt besloot hij, in de voor hem laatste toer, zijn carrière in het edele ballenspel; en daar hij zeer veel haast scheen te hebben om te vertrekken, brak ik, die nog een enkel appèl te verliezen had, mijn bal op, vooral ook om een einde te maken aan de dringende aanzoeken van de jongeling met de leverkleurige pantalon, die nu zichzelf voor een achtentwintig aan ‘Hastok’ verkopen wilde, in welk aanbod hem al de vrolijke jongelui ondersteunden.
Op straat gekomen scheen de frisse octoberlucht Pieter weer moed en verwaandheid toe te waaien.
‘Daar zijn goede spelers onder,’ zei hij, ‘maar toch waaràtje geen een, die eigenlijk uitmunt. Ik had een kromme keu,’ voegde hij er bij; ‘en heb je wel gezien hoe de hoekzakken trokken?’
Ik had alles gezien, en wist dat de graankoper het potje zou gewonnen hebben eer wij thuis waren.
Het eten stond reeds op tafel. Pieter had geen honger.

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: