DE FAMILIE STASTOK (8)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (21)
EERDERE AFLEVERINGEN

Het diakenhuismannetje vertelt zijn historie (3)

‘Neen!’ – zei hij, uit het droef gepeins, waarin zijn eigen laatste woord hem gestort had, oplevende: ‘maar hij is er achter gekommen dat ik et had. Zijn kreb staat naast mijn kreb. Of ie et gezien het as ik me uitkleedde, of as ik me ankleedde, of toen ik ziek was, of dat ik er hardop van gedroomd heb, ik weet et niet. Ik zou wel haast zeggen dat ik er van gedroomd had; want ik denk er altijd om. – Verleden dinsdag had et de hele voormiddag geregend, as meheer wel weten zel. Klaas had geen cent opgedaan. Het was te slecht weer; de jongens hielden zich niet met hem op. Zen zakduiten waren ook weg, en hij had razenden trek om na de Vette Vadoek te gaan. “Kees,” zeid’ie na den eten, “leen me zes centen.” “Klaas,” zeg ik “dat doei ik niet; want je verzuipt ze toch maar.” “Kees,” zeid’ie, “ik mot ze hebben,” zeid’ie. Ik zeg: “Nou je krijgt ze niet, hoor!” “Weetje wat,” zeid’ie, “Kees,” zeid’ie, “as je ze me niet geeft, zei ik an de’ Vader zeggen, wat je onder je hemd hebt,hoor!” Ik besturf as ‘en doek, en gaf ‘em de zes centen. Maar ik zeid’er bij: “Klaas, je bent een schurk!” Dat zei ik. Of ie daar toen toch kwaad om geworden is, kan ik niet zeggen; maar gisteren mot ie dronken geweest zijn, en toen de suppoosten ‘em ’t blok andoen lieten, het ie as ‘en gek geschreeuwd en gezongen: “Kees het geld! Kees het geld! Onder zen hemmetje het ie geld!” de broers vertelden ’t me, toen ik in ’t Huis kwam. Ik was as ‘en dooie. We gingen na’ de mannezaal en kleedden ons uit. Klaas lag er al en snurkte as ‘en os. Toen ze allemaal sliepen, stak ik me hand onder me hemd om et zakkie weg te nemen en, as ik kon, in ’t strooi van me bulster te verstoppen. Maar eer ik et los had, daar ging de deur ope’, en de Vader kwam op de zaal met ‘en lantaren. Ik viel achterover op me kussen met et geld in me hand, en tuurde as ‘en gek mens na’ de lantaren. Ieder stap, die de Vader dee, voelde ik op me hart. “Kees,” zeid’ie, over me heen bukkend: “je heb geld; je weet wel dat je dat hier in ’t Huis niet verstoppen mag;” en meteen trok ie ’t uit me hand. – “’t Is voor een doodhemd,” stotterde ik, en viel op me knieën in de krib – maar ’t holp niet. “We zellen ’t voor je bewaren,” zei de Vader, en maakte het zakkie ope’, en telde het geld bedaard. Mijn eigen ogen hadden et niet gezien sunt ik et er in genaaid had; dat was dertig jaar geleden; et was mijn, eigen, lief, begrafenisgeldje. “Ik zweer je dat ik er niets voor doen zel,” huilde ik, “dan me eerlek laten begraven.” – “Daar zellen we zelf wel voor zorgen,” zei de Vader; en weg ging ie met et geld en met de lantaren. “Klaas,” riep ik hem na, “het et je verteld, omdat ie…” maar wat holp het of ik gezeid had, omdat ie ‘en lap is! wat holp et of ik hem verteld had dat Klaas alle dag na’ de Vette Vadoek ging? Ik had er me geld niet mee weerom. Den hele nacht heb ik geen oog toegedaan. – Et is wat te zeggen!’

Stastok - 4 diakenhuismannetje c‘Zou er bij de Regenten niets aan te doen zijn, Keesje?’ vroeg ik vertroostend.
‘Neen! neen!’ snikte hij, de hand op zijn borst rondwrijvende, als zocht hij er het geld nog; ‘het geld most weg; dat is ‘en wet zoo oud as et Huis, en et Huis is zo oud – zo oud as de wereld!’
‘Dat’s wat kras, Keesje,’ zei ik; ‘en wanneer…’
Hij liet mij niet uitspreken.
‘Wat kras? Het is niemendal kras. Zijn er dan niet altijd armelui geweest zo as ik, die an de Diakenie kwammen, en van de Diakenie mosten eten en drinken, en bed en leger hebben, en begraven worden? – Maar ik wou begraven worden van mijn, eigen, geld, – en ik wou zeker weten dat ik van mijn, eigen, geld begraven zou worden; en dat was mijn grootste troost; en daarom droeg ik et vlak op me hart. – O, as Klaas kon weten dat ie me dood maakte!’
‘Hoor eens, Keesje,’ zei ik, ‘je zult en moet je geld weerom hebben; ik beloof het je: ik zal mijn oom er over spreken; hij kent zeker de Regenten wel; wij zullen zien of zij de wet, voor een oud, braaf, oppassend man, als gij zijt, niet eens zullen willen overtreden. Maak er staat op, Kees, je zult je geld weerom hebben.’
‘Zel ik?’ zei de arme man, door mijn stellige toon bemoedigd. ‘Zel ik wezenlijk?’
En zijn ogen afvegende met een blij gelaat, gaf hij mij de hand. In zijn behoefte om ook mij iets aangenaams te zeggen vroeg hij: ‘Smeer ik uw laarzen netjes genoeg?’
‘Overheerlijk,’ was mijn antwoord.
‘En is uw jassie goed genoeg geborsteld?’ vroeg hij verder; ‘as er ies an mankeert, mot meheer ’t maar zeggen.’
Dat beloofde ik hem en ging in huis. Maar hij kwam mij achterop, met de linkerarm in een laars van Pieter en de schoenborstel in de rechterhand. ‘Vraag escuus, meheer, dat ik zo vrijpostig ben,’ zei hij, ‘maar mag ik u nog wel iets verzoeken?’
‘Wel ja Kees!’
‘As meheer na’ de Regenten gaat,’ hernam hij, ‘mot meheer maar net doen as of ie van nies weet.’
‘Ik beloof het u, Keesje!’
Ik ging naar mijn oom en wist dien te bewegen naar de Regenten te gaan. De president liet de Vader bij zich komen, en daarna den Vader rondgaan bij de andere Regenten, om ze tot een extra vergadering te convoceren. Op die vergadering moest eerst Keesje binnenkomen, en vervolgens buitenstaan; daarna moest ook de Vader binnenkomen, en vervolgens buitenstaan. Daarop werd een uur gedelibereerd, hetwelk hoofdzakelijk daarmee werd doorgebracht dat de president gedurig zei dat hij de zaak aan de heren overliet, en de heren gedurig zeiden dat zij de zaak aan de president overlieten.
Stastok - 4 diakenhuismannetje dDaar het zó niet blijven kon, bracht eindelijk de president het advies uit, ‘dat het, aan den enn kant, wel doenlijk was Keesje zijn geld terug te geven, daar Keesje een man was van voorbeeldig gedrag, die het geld zeker tot aan zijn dood toe zo goed bewaren zou als de ijverige thesaurierzelve’, – waarop de ‘ijverige thesaurierzelve’ boog – ‘maar dat, aan de andere kant, de ijverige thesaurier het weer even zo goed bewaren zou als Keesje, en dat het dus volstrekt niet nodig was Keesje in het vooroordeel te stijven dat zijn geld beter bewaard zou worden en zekerder tot deszelfs, d.i. Keesjes, doel zou worden aangewend, indien hij, Keesje, het zelf bewaarde, dan indien de ijverige thesaurier het bewaarde; en dat dit zijn advies was.’
De secretaris meende echter met enig recht dat dit advies de knoop niet genoeg doorhakte, en stelde dus onder verbetering voor, tot een van de beide maatregelen over te gaan; – waarop ‘de ijverige thesaurierzelve’ de edelmoedigheid had afstand te doen van het ‘custodiëeren der penningen in quaestie’, en men eenparig besloot aan Keesje zijn twaalf gulden, weder behoorlijk in een zeemlederen zakje vastgenaaid, terug te geven.
Keesje heeft nog twee jaren zijn geld ‘vlak op zijn hart’ gedragen. En toen ik in ’t verleden jaar het kerkhof te D. zag, was ’t mij zoet te mogen denken, dat aldaar in het algemene graf der armen één man sluimerde, die er eerbiedig was heengedragen door twaalf broeders van zijne eigene keuze, na dat hij, ook enigszins door mijn toedoen, in de gerustheid was ontslapen dat hij in zijn eigen doodskleed zou worden gewikkeld. Had hij misschien in zijn laatste ogenblikken nog aan Hildebrand gedacht?

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: