PAUL CELAN – CORONA

Paul Celan was een Roemeense dichter, het enig kind van Duitstalige joodse ouders. Hij leefde ook in Oostenrijk en lange tijd in Frankrijk. Zijn ouders werden door de nazi’s vermoord, hijzelf ontsnapte in een werkkamp ternauwernood aan de dood. In 1950 trouwde hij met Gisèle Lestrange, met wie hij twee kinderen kreeg, waarin een kort na de geboorte overleed. Celan schreef zijn hele leven in het Duits, zijn moedertaal maar ook de taal van de moordenaars van zijn ouders en het Joodse volk. Door gedichten in deze taal te schrijven herdacht hij zijn moeder. Naast zijn werk als dichter bezorgde hij de Duitse literatuur ook een groot aantal vertalingen van poëzie uit het Frans, Engels, Russisch, Italiaans, Roemeens, Portugees en Hebreeuws. Paul Celan wordt algemeen beschouwd als een der grootste dichters van de tweede helft van de twintigste eeuw. Hij schreef, beïnvloed door het symbolisme en het surrealisme, gedichten waarin hij op zijn eigen wijze zijn ervaringen met de Holocaust verwerkte. Eén van zijn bekende gedichten is Todesfuge, waarin hij bezwerend het lot van de Joden in de Tweede Wereldoorlog oproept en zijn moeder herdenkt. Rond 1960 werden door Claire Goll, de weduwe van de Joodse dichter Yvan Goll, zware en ongegronde plagiaatbeschuldigingen geuit. Deze onterechte beschuldigingen beïnvloedde Celan erg en hebben waarschijnlijk bijgedragen aan zin zelfmoord in 1970. (Een uitgebreidere biografie is hieronder opgenomen).

In 1952 schreef Celan het gedicht ‘Corona’ dat is opgenomen in zijn bundel Mohn und Gedächtnis, waarvan de titel is ontleend aan een van de regels uit dit gedicht. De oorspronkelijke Duitse versie en de vertaling van Ton Naaijkens is op het dicht-weblog Bitterkoekjes te vinden. Op YouTube is een filmpje te vinden waar Paul Celan zelf het gedicht voorleest. ‘Corona’ heeft de wondermooie slotregels ‘Het is tijd dat het tijd wordt. Het is tijd.’ Op het gratis digitale tijdschrift iFilosofie schrijft Dirk De Schutter met verwijzing naar de huidige coronacrisis: ‘Dit gedicht stapelt de sterke beelden op, maar toch vind ik vooral de laatste verzen beklijvend. Het is tijd: het is tijd voor besef. Het is tijd dat we beseffen wat echt op het spel staat, dat we het ware leren onderscheiden van het valse, het betekenisvolle van het onbenullige. Dan zal onrust het hart treffen: onrust om wat er wezenlijk toedoet. Tegelijk weet Paul Celan dat dit uiterst moeilijk is, om niet te zeggen: onmogelijk, zoals het hoogst onwaarschijnlijk is dat een steen begint te bloeien. Het is tijd dat het tijd wordt: tijd dat we ertoe komen om zinvolle daden te stellen en gepaste woorden te spreken. Het is tijd dat we iets begrijpen van waar het tijd voor is. Zal de ‘pandemie’ ons dát leren: … dat het tijd is?’ Diezelfde link tussen pandemie en noodzaak tot besef vindt ook Anna Tilroe is deze slotregels van Celan. Tilroe haalde de regels recent aan haar pleidooi aan minister-president Mark Rutte om alle kunstenaars uit alle disciplines, theatermakers, ontwerpers, schrijvers en al die honderdduizenden anderen die de creatieve sector vormen ook een deugdelijke ondersteuning in coronatijden te geven. Een warm pleidooi dat van harte ondersteund kan worden, maar hoewel de titel en de slotregel goed toepasbaar zijn voor Tilroe (het is echt de hoogte tijd dat de subsidiekraan voor de culturele sector weer wat wordt opengedraaid), het gedicht heeft een andere strekking dan over waardering die wordt omgezet in financiële ondersteuning.

Een betekenis van ‘corona’ en tegenwoordig ook de meest gebruikte betekenis is die van de allerbuitenste laag van de zon, die maar heel weinig licht uitstraalt. Daardoor is de corona bijna nooit te zien. Het oppervlak van de zon zelf is namelijk veel te licht. Slechts bij een totale zonsverduistering is de corona zichtbaar want dan houdt de maan het felle zonlicht tegen. De corona is bij zo’n verduistering als een prachtige stralenkrans te zien. In een artikel in Die Welt van 11 april 2020zei onder verwijzing naar Petris Fremdwörterbuch (1889) dat het woord corona daar betekenissen (Krone, Kranz, Tonsur, Mannschaft, Sippschaft, syphilitischer Ausschlag) had die geen enkele relatie met het gedicht hadden.  Die Welt bracht de titel van het gedicht in verband met het sterrenbeeld Corona. Een sterrenbeeld is een verzameling sterren die ogenschijnlijk een figuur vormen wanneer we deze sterren met denkbeeldige lijnen verbinden. Deze sterrenbeelden hebben een rijke geschiedenis en hebben veelal namen gekregen die afkomstig zijn uit de Griekse of Romeinse mythologie of van dieren. Een ervan is het sterrenbeeld Noorderkroon ofwel Corona Borealis. Volgens de Griekse Mythe behoorde deze kroon tot Ariadne, de dochter van Minos, koning van Kreta. Ariadne wilde een huwelijksaanzoek van Dionysus niet aanvaarden omdat ze niet met een sterveling wilde trouwen nadat Theseus haar verlaten had. Om te bewijzen dat hij een god was, nam Dionysus zijn kroon af en wierp die de hemel in als een hulde aan haar. Ariadne was tevreden en huwde Dionysus en zo werd Ariadne zelf onsterfelijk. Na haar dood leefde ze verder in het sterrenbeeld Corona. In het gedicht is dan een poging om luister, een bladerkrans, te verlenen aan de kortstondige liefde die zich afspeelt in de tijd die ook nog eens een neergang beleeft in de herfst. Het gedicht zou dan verwijzen naar de korte en stormachtige relatie die Celan in de herfst van 1951 met de dichteres Ingeborg Bachman, die voor beide eindigde in een pijnlijke scheiding.

Bachmann was de dochter van een officier van de Wehrmacht, Celan een overlevende van de Shoah. Uit de biografie over het leven van Ingeborg Bachman blijkt dat Paul Celan haar grote liefde moet zijn geweest. Ze ontmoetten elkaar in de lente van 1948, tijdens een feestje in de woning van surrealistisch kunstenaar Edgar Jené. De 21-jarige Bachmann was op dat moment druk met de afronding van haar thesis over Martin Heidegger. Celan probeerde zijn ervaringen in een Roemeens concentratiekamp en het feit dat zijn ouders de oorlog niet hadden overleefd te verwerken. Het was een getroebleerde verhouding. Bachmann maakte geen geheim van haar promiscue levenswandel en berichtte Celan in haar brieven dat ze hun tijdelijke scheiding – hij woonde in Parijs, zij bleef in Wenen – ‘nicht ohne Beziehungen zu Männern’ had doorgebracht. Toen Bachmann in 1950 uiteindelijk bij Celan introk, typeerde ze het samenleven als “Strindbergisch”; ze hebben elkaar „gegenseitig die Luft genommen”. In 1952, Celan was inmiddels getrouwd met Gisèle Lestrange wier financiële onafhankelijkheid ook hem in staat stelde zich volledig aan het schrijven te wijden, werden Bachmann en Celan door de Gruppe 47 uitgenodigd om hun werk voor te dragen. Bachmann zou uitgroeien uit tot het boegbeeld van de literaire beweging, die een frisse wind door de naoorlogse Duitse literatuur wilde doen waaien. De voordracht van Paul Celan werd afgedaan als ‘ärgerliches Pathos eines jüdischen Lyrikers’. Het werk in kwestie betrof Todesfuge, het gedicht dat uitgegroeid is tot één van de meest hartverscheurende literaire getuigenissen van de Shoah. Walter Jens, een boegbeeld van de Gruppe, herinnert zich dat er nogal lacherig werd gedaan over de ‘Goebbels-Ton’ van het gedicht  Teleurgesteld keerde Celan het gezelschap de rug toe. Bachmann en Celan leefde inmiddels gescheiden van elkaar. Tijdens een van haar literaire tournees ontmoette Bachmann per toeval haar voormalige minnaar. De verhouding werd hervat, evenals de destructieve aspecten ervan. Het ging daarna bergafwaarts met Bachmann. Verslaafd aan barbituraten, pleegde ze roofbouw op haar lichaam. Die levenswijze werd haar fataal in de nacht van 25 op 26 september 1973, toen ze in slaap viel met een brandende sigaret in haar hand. Drie weken later bezweek Ingeborg Bachmann aan haar verwondingen.

In de tijd dat Celan het gedicht in Parijs schreef, woonde bij hem en zijn vrouw de Weense au-pair Brigitta Eisenreich in, waarin Celan ook een kortstondige affaire zou hebben, die later het verhaal ‘Celans Kreidestern’ publiceerde waarin ze beschreef dat Celan als hij alleen thuis was vaak met krijt op de deur een ster tekende die zowel betrekking had op het sterrenbeeld corona als op de joodse ster die in de oorlog moest worden gedragen. Het gedicht kent dus allerlei lagen. Het is deze veelvuldigheid van het gedicht die ervoor zorgt dat het op allerlei kritische momenten met gemak naar kan worden verwezen.

De poëzie van Paul Celan
Paul Celan is zowel één van de meest intrigerende als één van de minst toegankelijke dichters die de Duitse literatuur van na 1945 heeft voortgebracht. Vanuit een uitzonderlijke en daarbij onmiskenbaar tragische achtergrond geschreven, neemt zijn werk een geïsoleerde plaats in binnen het kader van de naoorlogse Duitstalige poëzie. Dat isolement is in de eerste plaats een gevolg van het feit dat hij buiten de grenzen van het Duitse taalgebied is opgegroeid, maar ook van zijn eigenzinnige streven om steeds weer tot de uiterste grenzen van zowel zijn eigen bevattingsvermogen als van dat van zijn lezers te gaan.

Paul Celan (een anagram van zijn werkelijke naam) werd als Paul Anczel geboren op 23 november 1920 in Czernowitz, de hoofdstad van de Bukowina, uit Duitstalige joodse ouders. De Bukowina was destijds een meertalig gebied dat na het uiteenvallen van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk bij Roemenië werd gevoegd. Celan studeerde Romaanse taal- en letterkunde aan de Universiteit van zijn geboorteplaats toen in 1941 Duitse troepen de Bukowina binnenvielen. Een jaar later werden zijn ouders naar een Vernichtungslager gedeporteerd en daar door de nazi’s vermoord. Andere familieleden en vele vrienden ondergingen hetzelfde lot, maar Celan zelf wist, na een kort verblijf in een werkkamp, naar Russische troepen te vluchten (bij wie hij als medische hulp werd ingezet) en keerde in ’44 mèt zijn Russische bevrijders in Czernowitz terug. Hetzelfde jaar hervatte hij zijn studie en het jaar daarop vestigde hij zich als vertaler in Boekarest. Paradoxaal genoeg was hij al die tijd in het Duits, zijn moedertaal en tegelijkertijd de taal van de moordenaars van zijn moeder, blijven schrijven, hoewel hij ook het Roemeens en het Russisch beheerste. In Roemenië kon hij deze Duitstalige gedichten zo vlak na de oorlog niet publiceren, en in ’47 vertrok hij naar Wenen met in z’n koffer zijn eerste dichtbundel, Der Sand aus der Urnen, die in ’48 door een Weense uitgever werd gepubliceerd. Deze bundel liet Celan later terugtrekken vanwege de abominabele kwaliteit van papier en omslag, en de vele storende drukfouten. Juli 1948 reisde hij ten slotte naar Parijs, waar hij zijn hele verdere leven heeft gewoond. Eerst studeerde hij Duitse taal- en letterkunde aan de Sorbonne, en vanaf ’50 gaf hij les aan de École Normale Supérieur.
In het voorjaar van 1952 volgde de eerste erkenning van zijn dichterschap in West-Duitsland toen hij werd uitgenodigd om een lezing te houden voor de Gruppe 47 en bij die gelegenheid ook een uitgever vond voor wat hij als zijn eigenlijke eerste bundel beschouwde: Mohn und Gedächtnis.
Hoewel hij nog zeven dichtbundels en een groot aantal vertalingen (onder andere van Blok, Jessenin, Mandelstam, Char en Rimbaud) in de Bondsrepubliek zou publiceren, heeft hij er nooit willen wonen en verbleef hij z’n hele leven in vrijwillige ballingschap in Parijs. Wel bleef hij in het Duits schrijven en de gedachte dringt zich op dat hij de door de nazi’s besmette taal, via zijn vernieuwende poëzie, wilde zuiveren. Zo schreef hij in 1958, als antwoord op een enquête, dat de Duitse dichter van na ’45 zich gedwongen zag geheel met het verleden te breken: ‘De Duitse poëzie… kan niet meer in een taal spreken die velen nog altijd van haar verwachten. Haar taal is nuchterder en feitelijker geworden, zij wantrouwt “het mooie” en probeert waar te zijn.’ Verschillende literaire prijzen vielen hem ten deel, waarvan de Georg Büchner-prijs (1960) wel de belangrijkste was. In april 1970 pleegde hij zelfmoord (of koos hij de Freitod zoals het in ’t Duits heet) door in de Seine te springen.

Paul Celan heeft de oorlog en z’n verschrikkingen weliswaar overleefd, maar de gruwelijke dood van zijn ouders en de genocide op het joodse volk is hij geestelijk eigenlijk nooit meer te boven gekomen. Zijn hele verdere leven bleef hij lijden aan hevige depressies en dwangneuroses, die hun sporen ook in zijn gedichten hebben achtergelaten. De specifieke bezwerende toon en de bijna alchemistische woordverbindingen zijn hierop terug te voeren. Celan was (door zijn oorlogservaringen) gedoemd om ‘tegen de dood in te schrijven’, om te proberen de scheiding tussen dood en leven op te heffen. In die zin is hij wel te vergelijken met een dichter als Gerrit Achterberg die, vanuit een heel andere achtergrond, een verzoening met de dood heeft nagestreefd.
Zo het al mogelijk is om een vijfentwintig jaren omvattend dichterschap een centraal thema te ontfutselen, dan is het wel dit verzoenende en taalzuiverende karakter dat ons in Celans poëzie opvalt. Als dichter heeft Celan geprobeerd het gruwelijke van het verleden te verzoenen met het esthetische heden van het woord. Zijn gedichten zijn stuk voor stuk pogingen in de richting van een dergelijke verzoening (en de totale verzoening van tegengestelden zou dan het ‘absolute gedicht’, een utopie, opleveren) die niet kon plaatsvinden. Toch bleef hij volharden in dit, wat hij noemde, ‘opmeten van het bereik van het gegevene en het mogelijke’, bleef hij proberen niet de innerlijke, maar de uiterlijke wereld te bezweren en binnen het eigen ‘ik’ te trekken.
Opvallend is ook de ontwikkeling die Celans poëzie van begin tot eind heeft doorgemaakt. Zijn vroegste gedichten werden nog gekenmerkt door de in die tijd heersende conventies als streng metrische regels en beeldrijkheid, en een aanleunen tegen het surrealisme en het symbolisme. Al was het verschil met bij voorbeeld de surrealisten dat Celan z’n spontaniteit eerder controleerde en z’n taal koeler en preciezer gebruikte. Vandaar dat hij onder de surrealistische dichters zich het meest verwant voelde met een Char en een Eluard.
Vanaf Sprachgitter (1959) werd het wrikken aan de spreektralies steeds heftiger. Celan begon in te zien dat een verzoening van tegengestelden zich ook in de taal zelf zou moeten manifesteren en liet zijn gedichten meer en meer ‘verdingen’: de woorden werden gelijkwaardig aan elkaar en de verwijzingsfunctie van de taal werd opgegeven om diezelfde taal geschikt te maken als medium tussen deze en gene zijde. De Engführung (zoals ook één van de gedichten uit Sprachgitter heet) nam een aanvang en zou tot het eind toe blijven doorzetten. En vanaf de aanvankelijk nogal bekritiseerde bundel Atemwende (1967) werden de gedichten nog compacter, pregnanter en fragmentarischer.
Vooral bij deze laatste gedichten ziet de lezer zich geconfronteerd met zogenaamde ‘woordlandschappen’ (een term van Beda Allemann), waarin de woorden, letters enzovoort, bestanddelen zijn van het door het gedicht opgeroepen landschap. Het afzonderlijke woord heeft een explosiviteit gekregen die het door z’n begrenzingen wil doen heenbreken en tot het zwijgen doen terugkeren. Deze ‘woordlandschappen’ hebben de functie ‘een werkelijkheid te veroveren’. Verschillende keren heeft Celan er namelijk op gewezen dat het gedicht voor hem ‘een gesprek met de ander’ was: ‘Gedichten zijn onderweg: zij koersen ergens heen. Waarheen? Naar iets dat openstaat, naar iets dat ingevuld kan worden, naar een aanspreekbaar Jij misschien, naar een aanspreekbare werkelijkheid.’ En elders heet het: ‘De werkelijkheid bestaat niet, de werkelijkheid wil gezocht en veroverd worden.’ We staan hier voor het merkwaardige feit dat een dichter die is opgegroeid in een Duitstalige enclave in Roemenië, uit een orthodox joods gezin is voortgekomen en bijna de helft van z’n leven in Parijs heeft gewoond, de grote taalvernieuwer van de naoorlogse poëzie is geworden. Zijn purisme lijkt dan ook eerder geworteld in de hedendaagse Franse dan in de Duitse poëzie, hoewel er wel een lijn terug te trekken is naar Rilke en nog verder terug, naar Hölderlin. Celan behoorde, evenals Nelly Sachs, tot de feitelijke slachtoffers van de tweede wereldoorlog en dichtte uit een andere bron dan de meeste van zijn Duitstalige collega’s.

(Artikel van Peter Nijmeijer in De Gids, Jaargang 139(1976)

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: