DE FAMILIE STASTOK (9)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (22)
EERDERE AFLEVERINGEN

Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren (1)

Des zondagavonds was de tuinkamer in haar schitterendste pracht. Ik zal pogen er u een flauw denkbeeld van te geven. Verbeeld u een ruim vierkant vertrek, met een vierkante tafel in het midden, waar het vierkante groene kleed van is afgenomen en vervangen door een vierkant zilveren theeblad, waarop een degelijk ouderwets porselein theeservies prijkt, lange lijzen met zes merken. Daaromheen staan vijf stoelen geschikt met hoge ruggen en zittingen van groen gebloemd trijp. Men maakt dat tegenwoordig zoo goed niet meer. Als men onder de tafel kijkt, ziet men als twintig vurige ogen, vanwege vier stoven; de vijfde vonkelt niet, het is een stenen. Daaraan, en aan de plaatsing van het theegoed, en aan den verlakten ketel, die naast den stoel staat, ken ik de plaats van mijn eerzame moei. Midden op de tafel staat een dierbaar pronkstuk. Het is een verbazend grote bronzen lamp, die door een olifant getorst wordt, in wiens voetstuk een speelwerk verborgen zit. Bij deze bijzondere gelegenheid ligt er, reeds vóór November, een netgebouwd turfvuurtje in de helder gepolijste haard; het is alleen maar opdat er met schik stoelen omheen zouden kunnen worden gezet, voor de heren. De smalle marmeren schoorsteenmantel is versierd met een pendule, voorstellende een negerslaaf met witte ogen, rode neusgaten, en gouden voorschoot, die op een ongedwongen wijze den arm om een wijzerplaat slaat; en aan de beide kanten, met twee vaasjes met gekleurde bloempjes onder stolpjes, zo poppigjes en zo kleintjes, dat men ze voor de pasgeboren kindertjes houden zou van die grote stolp met opgezette vogels, die tegenover den schoorsteen, op een bruinhouten tafeltje met één lade, pronkt. Het schoorsteenstuk vertoont in stukadoorswerk van een aangename partij weverskammen, weversspoelen en weversklossen, in een luchtige strik bijeengehouden en half begraven onder witsellagen van onderscheidene formatie.
Maar wat de feestelijke zaal, niet alleen nu, maar altijd de meeste luister bijzet, is zonder twijfel, boven een hoge grijze lambrizeering, op snee verguld, het prachtig behangsel, beschilderd met niet onaardige bergachtige landschappen, met op- en ondergaande zonnen, zandwegen met diepe sporen, en waterplassen met riet en zwanen; voorts gestoffeerd met vrouwen met manden op de rug, waar boven uit een bos stro steekt; mannen aan den waterkant, die aan lange hengels vissen opslaan; kinderen met blote hoofden en blote voeten, die bij een geit in ’t gras liggen; reizigers op bruine paarden, met den rug naar u toe om het valies te laten zien, en op witte paarden, die een dunne rijzweep zeer rechtop houden; wandelaars met enorme wandelstokken en driekante… Wat ga ik zeggen? Ja, zij hadden driekante hoeden opgehad, maar die tijd was voorbij; de kamer was voor een paar jaar ‘opgeknapt’, en de heer Petrus Stastokius Sen., hoe ouderwets ook in vele opzichten, had in deze gemeend een proeve te moeten geven, dat hij met zijn tijd was vooruitgegaan. Hij had al wat kledij was laten modernizeren. Een geestig schilder had op zijn gebod al de hoeden veranderd, naar het toen nieuwste model, bij de hoedemaker gehaald, en
al de wandelaars hadden bruine, gele of gestreepte pantalons aangekregen met souspieds en naar de nieuwste snede. Al de pruiken waren verbannen. De dames, die tot hiertoe de openlijke bewijzen hadden gegeven dat onze grootmoeders veel meer gedecolleteerd waren op hare wandelingen dan onze zusters op hare bals, hadden hoge japonnen met stukken, wijde mouwen, en lange lijven ontvangen, en zelfs het haar der halfnaakte kinderen was in naam der beschaving geknipt.
’t Is waar, dat deze vernieuwerwetsing in vele opzichten nog veel te wensen overliet, vooral ten opzichte van de rottingen, regen- en zonneschermen, die hunne vorige gestalte hadden behouden; maar de waaiers waren allen in bloemruikers veranderd, en dus bestond er van dien kant volstrekt geen tijdsverwarring meer.
Toen mijn oom en tante dit alzo met wijsheid hadden laten in orde brengen, meenden zij zich van hun plicht gekweten te hebben, en een offer aan den Moloch der negentiende eeuw te hebben gebracht, groot genoeg om hun te vergunnen, voor hun persoon, die eeuw op velerlei wijze te honen en weg te cijferen; want om de waarheid te zeggen: de heren en dames op ’t behangsel waren mijnheer en juffrouw Stastok een goed eind vooruit; en daar zij op deze heuglijke avond op hun mooist gekleed zijn, vooreerst omdat het zondag is, en ten anderen omdat zij ‘mensen wachten’, wil ik deze gelegenheid waarnemen om u een tot hiertoe verzuimde beschrijving van hun persoon en voorkomen te geven.
Stastok 5 - kopje thee - aHet is nog doodstil in de tuinkamer; ‘diezelfde tuinkamer’ zou een redenaar zeggen, ‘die zoo aanstonds weergalmen zal van het luidruchtig gesnap van een vrolijke menigte!’ Ik verneem er niets dan het gezellig gezang van het theewater, dat door de tuit stoomt, en het spinnen van de cyprische poes, die voor den haard zit, verwonderd van hier zoo vroeg in ’t jaar vuur aan te zien. Ik ruik er niets dan den theeketel, die nog lang niet dikwijls genoeg gebruikt is om niet te stinken, en ik zie er, behalve de voormelde poes, niemand anders dan mijn deftige oom, die met den rug naar het vuur gekeerd, en met de handen op dien rug, beschenen wordt door de vier waskaarsen op de vergulde lustres aan zijn schoorsteen, en wiens beeld zich weerkaatst in de spiegel tegenover hem. Een heerlijk ogenblik om zijn portret te maken! Mijn oom, schoon in de zestig jaren oud, is hetgeen men voor dien ouderdom, nog ‘een kras ventje’ noemt. Hij heeft geen grijs hoofd, vermits hij een bruine pruik draagt, die over zijn oren gaat, en waar hij bijgevolg door heen moet horen; hij heeft een rond, blozend gezicht, volstrekt geen bakkebaarden, een niet onaardig bruin oog, en een onderkin. Hij is niet groot van postuur, en heeft, om hem recht te doen, geen ander lichaamsgebrek dan zijn hoge linnen halsboorden. Deze zijn heden, wegens het feest van de dag, nog ééns zoo hoog, zodat ze zelfs de uiteinden van zijne oren in enige ongelegenheid brengen. Voor het overige draagt hij een wit stropje, een overhemd met jabot, een wijde zwarte rok, die van achteren gezien wel wat van een jas heeft, en nog altijd een korte broek, zodat men in de gelegenheid is de welgevormde kuiten te bewonderen, die in fijne floretten kousen steken. Op dit ogenblik treedt mijne tante binnen, die het toilet van mijn oom volmaakt, door hem een grote, schone linnen zakdoek met brede zoomen aan te bieden. Gij hebt lang gemerkt dat zij een neepjes-mutsje draagt. Zij heeft van avond het beste op, met een net wit satijn lintje met tandjes; – het heugt mij hoe ik mijn grootmoeder zulke lintjes op haar verjaardag gaf! – Zij draagt het haar gepoeierd, althans er komt een weinigje van dat wit, met een mesje gelijk gestreken, op haar voorhoofd; en dat staat heel wel bij haar helder, welgedaan gezicht, en bij de goelijke kuilen, die, als zij spreekt, in haar wangen komen. Zij heeft om haar hals een aardig snoertje kleine paarlen met een juwelen bootje, en een hoge dikgeplooide kamerijksen doek in haar lage japon van weerschijnende zijde met ruim lijf.

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: