DE SLANG VAN LOUISA EN DOMINÉ VALENTIJN

Verhaal van de schrijfster Maria Dermoût
Eerder verscheen hier van haar: Het kopje koffie

Wij wonen in Ambon, en ik heb Valentijn cadeau gekregen, drie dikke delen in een geel papieren omslag met zwarte ouderwetse letters en krullen bedrukt – Oud en Nieuw Oost Indien. – Ik lees er veel in, vooral Beschrijving der Molucco’s, en Moluksche zaken, en leg het weg omdat hij me zo ergert – zo eigengereid! huichelachtig! en hij heeft zoveel van Rumphius gestolen! – ik neem het weer op, omdat hij goed opgelet heeft, en vertellen kan. Wij wonen hier al lange jaren, en deze kant van het eiland – het schiereiland Leytimor – doorkruisten wij aan alle kanten, de buitenbaai, de binnenbaai, de smalle landengte van Passo – dat zeiden de Portugezen al – waar de prauwen op een weggetje van boomstammen overheen getrokken worden, de bergen van Soya achter de stad, de punt uitstekende in volle zee, die Noessa-Nivé heet. Maar het andere schiereiland, Hitoe, kennen we niet – de Driehuizen aan de overkant van de baai nog wel – maar niet de buitenkant, Hitoe’s Noordkust en Hila.
– Hier op dit Hila schijnen mij de eerste Hollanders ten anker te zijn gekomen – zegt Valentijn – dit is het vermakelijkst land van gansch Amboina, zoowel wegens de schoonen vlakten en de heerlijke rivier, waar men zich wasschen kan, als wegens de vermakelijke heuvels, die men daar rondom heeft, op welk men gewoon is te paard op de hertejacht te gaan. Een ongemeen vermaak en de grootste verlustiging geeft ook een zeer schoon en groot mangga’s-bosch. –
Ik vind dat wij eens naar Hila moeten gaan. De twee oudste kinderen vinden het ook. Zij hebben van Domingoes, de oude oppasser van de landraad, die dikwijls een beetje dronken is – maar niet erg! zeggen zij – die alle liederen kent, ook dat mooie van de koning van het Westerstrand; en dat van de moord, waarin driemaal met een kapmes wordt geslagen; dat klinkt zo – tók-tók-tók-; toevallig juist het lied geleerd van Hila, waarop geschept wordt in de prauwen. En ook hoe zij met twee handen de trommen en de gong kunnen nabootsen erbij: de linker de trommen aan één stuk door, de rechter de gong, alleen op de voorlaatste lettergreep. En als de een zingt, kan de ander de stormwind zijn, zo sissende tussen de tanden – de Zuidenwind, de Westenwind, en de fluitende rukwind, die Baradajat heet, en die van overal tegelijk komt.

Tikke tikke plóng -è-
Kom, schep de cora-córa
Vanwaar de cora-córa?
De cora komt van Híla
Wat brengt de cora-córa?
De cora die brengt mángga’s
Voor wie zijn al die mángga’s?
Die mangga’s zijn voor Miéntje
Hoe ziet z’er uit die Miéntje?
Haar haar zit in een toétje
Een heel vet, heel glad toétje
Tikke tikke plóng -è-

Domingoes heeft hun maar dit ene couplet geleerd, in de andere zullen Mientjes verdere bekoorlijkheden wel te zeer in bijzonderheden bezongen worden; maar de mangga’s van Hila, begeleid door trommen en gong, en fluitende stormwind, zijn de twee oudste kinderen erg vertrouwd. Hoe zouden zij niet mee naar Hila willen? Onze jongste, onze lieve Slaapmuts wil, als zij wakker is met iedereen en overal heen, mee. Maar onze man en vader wil niet mee, en zegt, ‘wat zoeken jullie in Hila, er is niets meer in Hila’. Zo is hij! Hij gelooft aan de wet en de geboden en ‘niets dan de waarheid’, wij doen eerlijk ons best niet te jokken, maar wij geloven toch in verhalen, en Domingoes’ dronken liedjes. En zo gaan wij dus zonder hem. Hij geeft ons Domingoes mee om op ons te passen; die trekt er zijn statiepak voor aan, iets dat donkerblauw is geweest met koperen knopen, hij houdt een venijnige roggestaart met een kleine zilveren knop eraan in de hand; het staat zwierig en dreigend tegelijkertijd. Hij heeft beloofd geen sagoeweer te drinken – teminste niet veel – toch vindt hij het een ‘feest’ om te gaan, zegt hij. Jacomina, de dikke kokkin moet ook mee om te koken. Zij is erg boos, en pakt al mopperende, blikken en zakken en manden vol etenswaren, alsof wij voor altijd naar een onbewoond eiland toe gaan – een mand met mangga’s moet ook mee. De kinderen roepen, ‘maar Jacomina, in Hila is een heel manggabos!’
‘Ach wat!’ zegt Jacomina woedend. En Louïsa de naaister gaat mee, slank en donker in haar rechte zwarte kleren; zij zegt nooit veel.
Er is een pasangrahan waar we logeren kunnen, en een motorboot zal ons brengen, en over twee weken weer terug komen halen. De kinderen vinden het maar half, een motorboot zonder roeiers, zonder trommen, en een gong. Onze man en vader, die ons plechtig uitgeleide doet tot de pier achter het oude Kasteel Victoria, zegt, ‘o, jullie komen binnen een week wel terug, in een prauw, heus!’ en ‘heb maar veel plezier!’ en ‘let wel op het drinkwater, zul je!’ Hij wuift, wij wuiven terug…

De baai is zo blauw en ruist, de lucht is blauw, en de zon schijnt. De boot gaat zo vlug, er zijn geen trommen, en geen gong, maar de motor zoemt een deuntje; soms zingt Domingoes er boven uit, de twee oudste kinderen hangen aan zijn lippen, zoals altijd; de kleine Slaapmuts zit op mijn schoot met een duim in haar mond, weltevreden. Haar ogen – zolang zij openblijven – zijn zo blauw als baai en hemel. De twee kuststroken, links en rechts, buigen langzaam uiteen, de deining wordt langer – daar voor ons is open zee. – Maar wij houden rechts aan, niet zo ver van de kust af, gaan een kaap om.
‘Die van Alang, de kinderen van de Zee-alen.’ zegt Louïsa met haar zachte stem; Domingoes houdt op met zingen, en kijkt.
Hij komt uit Ambon de stad, hij weet welke liederen er op de prauwen gezongen worden, en op de dansi-dansi’s; maar Louïsa is het hele land doorgetrokken, en zij kent alle verhalen. Hij zingt zo vanzelf, vooral als hij een beetje dronken is, maar Louïsa is zwijgzaam, en vertelt alleen maar soms – heel heel soms. – Na een tocht van uren lang zijn wij er: een verzakt stenen piertje aan een verlaten strand bij de zeestraat tussen de kust van Hitoe en Ceram, het land aan de overkant.
‘Ceram is er niet!’ zegt onze oudste jongen verontrust; want er is niets dan een heiigheid aan de overkant.
Het smalle strand zakt dadelijk weg, de zee ziet erg groen. Een eindje verderop komt in een vreemde draaiende beweging, nat en glimmend, telkens een zwarte vin boven water, en nog een, en nog een.
‘Kijk eens, wat veel haaien!’ zegt Jacomina ineens opgeruimd.
Het strand is leeg onder de bomen; er is niemand gekomen om ons te verwelkomen op Hila. Wij gaan op weg. Domingoes met de roggestaart met zilver, voorop. De mannen van de motorboot helpen de niet te tellen vele blikken, zakken, manden te dragen. Slaapmutsje is wakker, en loopt vrolijk aan Louïsa’s hand; dikke Jacomina naast hen, zij draagt de grote groene waterketel, en een zak met eieren. Onderweg blijft zij ineens staan, ‘o, o, lucifers! helemaal vergeten! Heeft Domingoes lucifers?’ – Neen, Domingoes heeft geen lucifers voor Jacomina – zegt hij knorrig. Wij komen langs een brede rivierbedding met fijn wit zand tussen kleine keien; er is bijna geen water, een smal stroompje in het midden. Slaapmuts zou er overheen kunnen stappen. – Het is niet ver, en dan, zomaar onder de bomen, een stenen gebouw: de pasangrahan. Een voorgalerij met brede stenen trappen, en pilaren, vorstelijk! De oudste kinderen en ik kijken elkaar aan – zie je nu wel! – en wij lopen vlug de trappen op, en het huis binnen. Het is een groot huis; maar er staat niet veel in; een paar zwartijzeren bedden met gescheurde klamboe’s in de kamers, in de binnengalerij een tafel met zes kapotte schommelstoelen er omheen, en vuil! en vuil! Een brommerige huisbewaarder houdt zich in de bijgebouwen verstopt, als Jacomina hem ontdekt heeft, en hem meteen een emmer en dweil in de handen duwt en zegt ‘haal water, gauw!’ verdwijnt hij, komt voorlopig niet meer terug. Jacomina staat in de keuken met haar handen in de zijden – er is niets in de keuken, geen ijzeren comfoor, geen stukje houtskool, of zelfs maar een takkebos! Er is buiten wel een put, dat is teminste water. ‘Kijk er maar eens in!’ zegt Jacomina.
Domingoes legt zijn roggestaart neer; hij zal mee moeten helpen, daar heeft hij een hekel aan. Hij dweilen zeker! waar zijn de vrouwen voor? Alleen Louïsa gaat rustig haar gang, zij heeft een van de grote bedden, waarin Slaapmuts en ik samen zullen slapen, uitgehaald en weer opgemaakt, keurig netjes met schoon linenngoed, en staat op haar tenen de gaten in de klamboe dicht te naaien. Daarna veegt zij Slaapmutsjes gezicht en handen en voeten schoon met een grote zakdoek met eau de cologne, geeft haar Mariebeschuitjes en een kroesje blikkenmelk, en stopt haar in bed. Na een tijd eten wij ook, iets uit een blikje – het is niet erg lekker – en een meegebrachte mangga toe.
‘Wacht maar, vanmiddag gaan wij het manggabos zoeken!’ zeggen de kinderen.
Als de ergste warmte voorbij is, en Slaapmutsje uitgeslapen, sluiten wij de kamers zoveel mogelijk af, en gaan met ons allen op weg. Jacomina wil niet mee, maar zij wil ook niet alleen achter blijven – zij is veel te bang – zegt zij, en sjokt achteraan. Wij lopen een eind de smalle stoffige weg langs de rivier; tussen de bomen is soms nog een stuk blauw van de zee. Dan slaan we een zijpad in naar de heuvels. Het wordt dadelijk erg steil, en we komen niet in een vriendelijk manggabos, waar het zonlicht vrolijk lichtgroen en geel door de bladeren schijnt, en lieve hertebeesten rondkuieren (zo hebben wij het ons voorgesteld), maar in een vochtig onbegaanbaar oerbos, donker en somber en stil. Slaapmuts huilt ineens, dat doet zij nooit. Maar voordat iemand het merkt, hebben de grote rode mieren haar in haar dikke beentjes gebeten. Domingoes zal haar dragen, zegt hij; en de jongen houdt trots en voorzichtig de roggestaart zolang voor hem vast. Soms horen wij geritsel in de bladeren op de grond, in de donkerte tussen de bomen. ‘Vol leguanen en slangen!’ zegt Jacomina zo verzekerd alsof zij ze ziet met haar ogen. Wij zien niets. Maar na een tijd schiet zij haar laatste pijl af, ‘de grote rode mieren, die het kleine kind gebeten hebben’ zegt zij gewichtig alsof zij voor een klasse les staat te geven, ‘die eten iemand op, alles van buiten, maar ook van binnen, alles, tot “hart- en lever” toe, alleen de botjes niet!’
‘Hart en lever’ dat is het leven zelf. Het helpt. Wij kijken allen naar Slaapmuts, die zo vergenoegd op Domingoes’ schouder zit, en de pijntjes alweer vergeten is, en zien tegelijkertijd, hoe reuzachtig grote rode mieren met wrede kaken, en tangen als van een kreeft, een klein ‘hart- en lever’ uit elkaar trekken. Het grote meisje houdt mij vast aan mijn arm, ‘je gaat toch niet verder!’ fluistert zij verontwaardigd. Wij geven het op, en gaan terug. Het is laat geworden, wij lopen nog even door naar het strandje om de zon te zien ondergaan: De zeestraat ligt open en stil. Er zijn niet veel golven; en het water ziet zo wonderlijk bleekgroen, met paarlemoerachtige reflexen van de blauw en rood en geel vlammende hemel, eroverheen. De haaien zijn gaan slapen. En Ceram is er weer, aan de overkant, donkerblauw en dichtbij. Louïsa en de jongen staan vlak aan de waterkant.
‘Zullen wij naar Ceram gaan, Louïsa?’ vraagt de jongen.
‘Ja goed,’ zegt Louïsa.
Maar na een tijd wil Domingoes ons naar binnen hebben, ‘kwaad volk hier!’ zegt hij, de hemel mag weten waarom. Hij zal sluiten, en dan moeten wij maar meteen naar bed toegaan, vindt hij. De kinderen zijn zo teleurgesteld, dat Jacomina toch nog iets lekkers voor na de boterham maakt, van jong cocosvlees en gesuikerde blikkenmelk, en Louïsa belooft te zullen vertellen.
In de holle lege kamer met het grote zwartijzeren bed, waarin Slaapmuts al op een oor ligt, gaan de twee grote kinderen en Jacomina en ik om Louïsa heen zitten. Een kleine muurlamp brandt, en geeft maar weinig licht tussen de kale witte muren.
Louïsa zit rechtop in haar donkere kleren op een klein kistje. Zij heeft een zwarte rok aan en een zwarte kabaai met lange mouwen, die met een rij knoopjes nauw om haar polsen gesloten zijn. Haar handen zijn tenger en lenig, met lange vingers en toegespitste nagels – mooie handen, heel donkerbruin. Zij houdt haar donker gezicht met het kroezende zwarte haar omhoog, sluit soms even de ogen, alsof zij alle aandacht, alle spanning in zichzelf besloten wil houden; opent de ogen, kijkt strak voor zich uit naar iets dat zij voor zich ziet, en beschrijft het in korte woorden – telkens afgebroken – zinnen zijn het nauwelijks – maar nooit meer zullen wij horen vertellen zoals Louïsa die avond op Hila vertelt – over de slang – de slang met de karbonkelsteen – de goede slang –
Zo begint zij: ‘In de wildernis’ zegt zij ‘in het bos – de zon is weggegaan – de maan is niet gekomen – de sterren ook niet – donker, veel te donker’ en rilt even in haar schouders, en zwijgt. Lange tijd zwijgt zij. Dan heft zij haar handen op, soms de linker, soms de rechter, soms beide tegelijk; en begint langzaam de vier vingers, niet de duim, van iedere hand te bewegen, op en neer, zoals iemand die piano speelt. De spieren gespannen, langzaam, vinger voor vinger – dat alleen. – Voetjes die neergezet worden. Hoe zij het doet, weet ik niet – telkens andere – of verbeelden wij het ons maar? Kleine scherpe klauwen, bredere pootjes die vaster en zwaarder aan komen stappen, of stijve rechte hoefjes, of schuifelende, of aansluipende voetjes… voetjes van wie? …voorzichtig… doodvoorzichtig… Eerst zien wij het alleen, dan horen wij het ook, ritselende in de ondergrond van het stille bos, blaadjes die er door bewogen worden, een takje dat verschuift, kraakt. Sssst! pas toch op! …voorzichtig…En dan komt haar stem donker en zacht er bovenuit, en zij noemt ze op, één voor één, die daar lopen. Eerst de vogels:
‘De Woudduif – roekoe –
De vogel Kakatoea.
De vogel Bètèt.
De vogel Loerie.’

Soms beschrijft zij er een: ‘De kleine zwarte Loerie – glanzende als zwart satijn, met een bekje en pootjes van saffraan. De vogel Papoea (dat is de paradijsvogel) – zijn staart is zo mooi, zo als stromend water van goud. De vogel Kroonduif heeft witte sterren op zijn kop. De Jaarvogel is moe, zijn snavel is veel te groot’ en zij sleept met haar vingers. En nog meer, nog meer…
Dan komen de andere dieren: ‘Het Dwerghertje – o zo slim!’ – en haar vingers stappen nog stijver, nog omzichtiger dan tevoren. ‘Het Civetkatje, de Mungo, – zo’n lange pluimstaart – zijn oogjes zien lichtrood’ – zegt zij, en snuift even door haar neus; en wij ruiken de vreemde doordringende muskuslucht in de kamer… meteen weer vervlogen… Zo gaat zij verder – één voor één – langzaam – en noemt de kleine dieren van de wildernis. ‘De Leguaan, als een klein groen draakje… Het Honingbeertje, zachtjes grommende… De Boskat, vals, met zijn gele ogen… De kleine Luiaard, te lui om hard te lopen…
Wanneer zij zegt – Bottol-muntji – (dat zijn de dwergen) breekt ineens de jongen de ban, de bijna te grote spanning.
“Hoe zien z’er uit Louïsa?”
Het is jammer, ook Louïsa is gestoord, zij kijkt om zich heen.
“Ach” zegt zij ongeduldig, “dat weet je toch wel, met rood haar, en vooruitstekende tanden, net als een eekhoorn, maar dan zonder staart, en ze lopen rechtop!” De jongen en het meisje kijken elkaar even aan – natuurlijk! – en zij zullen nog jaren daarna volhouden dat zij op Ambon dwergen gezien hebben.
“Je moet stil zijn” fluister ik. “luister toch.”
Louïsa sluit haar ogen, spreekt niet, en dan – langzaam – heft zij haar ene hand weer op, de andere, beweegt de vingers op en neer, gespannen, gespannen… klauwtjes-pootjes – voetjes… en zij neemt ons weer mee terug in de wildernis, in het duistere stille bos, met de vogels, de dieren, al de anderen, die aan komen lopen, trippelen, springen, schuifelen, sluipen, – er is ook een klein bosspookje met groene oogjes, waarvan de voetjes achterste voren staan, en dat met scheve sprongetjes lopen moet… zij zijn voorzichtig, o zo voorzichtig, omdat zij bang zijn, bang voor elkaar, voor het donker, voor honger en pijn en dood, voor onnoembare dingen.
Onze harten kloppen, en wij houden de adem in.
Louïsa beweegt de vingers niet langer op en neer; zij heeft haar ene hand neergelegd op de andere, en zwijgt, en het is stil, niets beweegt.
“De slang komt” zegt zij fluisterende’ – de Slang met de karbonkelsteen op het voorhoofd – rood, zó-als een rood lichtje, – zó-als een kleine lamp in het donker. – Hij komt dichterbij, en gaat zitten, op een steen, in het bos. Hij zit rechtop – in statie – de anderen mogen ook zitten, om hem heen.’
– ‘Het is niet meer donker’ – zegt zij – ‘zij zijn niet bang’ –
Louïsa zwijgt een tijdlang. Zij heeft haar beide handen omgekeerd; haar handen liggen de palmen opwaarts nu, in elkaar op haar schoot; en langzaam komt in onze harten een onzegbaar iets, een goedheid, een stilte, van alle vrees verlost. ‘De vogels gaan zingen in de nacht’ fluistert Louïsa. ‘De vlinders komen, die grote, die blauwe, die dansen kunnen…’ Zij heft nu beide handen op, en beweegt de lange lenige vingers als met een kwijnende vleugelslag.
– Stil – stil –
De jongen zucht, het meisje staart in een verte. Het verhaal is uit, en wij gaan slapen op Hila.
De volgende morgen is alles in rep en roer. Er is uit de keuken gestolen – een mes en een lepel – beweert Jacomina; en de naaidoos van Louïsa; de mierenbeten op Slaapmutsjes benen zijn ontstoken, en het grote meisje heeft verhoging; en wat het ergste van alles is: de roggestaart met zilveren knop van Domingoes is spoorloos verdwenen. Zou Domingoes zijn roggestaart verbrast hebben?
‘Nou’ zegt Jacomina ‘als je blieft!’
Er is niets aan te doen. Domingoes gaat een prauw bestellen, en wij pakken, en de volgende morgen heel vroeg gaan wij terug, in een lekke prauw met roeiers en een gong en trommen, eerst nog een eind verder langs de kust tot het dorp Hitoe, en dan met een draagstoel voor de zieke kinderen over de bergpas, en langs het ‘bittere water’. Ergens onderweg vraagt de jongen ineens, ‘heb je zo’n slang wel eens gezien Louïsa?’ en kijkt haar strak aan. Zij kijkt hem ook aan, ‘neen’ zegt zij rustig, ‘gezien? neen’ en dan peinzende ‘eenmaal bijna’. Dat heeft Valentijn ook gezegd. Terwijl wij bij de buitenbaai wachten om overgezet te worden, vraagt hij nog, ‘geeft de slang de steen wel eens weg aan iemand?’
‘Neen’ zegt Louïsa weer, ‘aan een gewoon mens vanzelf niet; aan een van de vier koningen misschien, je weet de vier koningen toch nog wel!’ Hoe zou hij de vier koningen niet meer weten? – die van de Molucco’s – die van de Bocht – de Bergkoning – die aan het Einde – de koningen van Ternate, Gilolo, Tidore, Batsjaan, geboren uit de eieren van de draak.
Wij gaan de buitenbaai over in twee vlerkprauwen. Middenin komen wij in een rukwind met stortregens terecht, de Baradajat, die zo fluit: niemand bootst hem na. Onze man en vader komt al gauw bij de pier; hij zegt nooit ‘zie je nu wel’.
‘En hoe was het op Hila?’ vraagt hij opgewekt aan de kinderen. Het meisje en Slaapmuts zijn te naar om veel te zeggen; ‘O fijn!’ zegt de jongen ‘Louïsa heeft van de slang met de karbonkelsteen verteld.’ Ik zie onze man en vader denken, ‘dat had zij goedkoper hier thuis kunnen doen’, maar hij zegt het niet.
Wij gaan van de pier, door het aardige laantje langs het Kasteel Victoria. Domingoes loopt met de jongen achteraan, hij ziet er uit als een oude vogelverschrikker; het mooie pak van donkerblauw en koper, is nat en vuil geworden, en slobbert om hem heen. Met de roggestaart is alle glorie verdwenen.
‘Ik wist ook nog wel een mooi lied’ zegt hij spijtig, ‘van Toeban-Besi uit Hitoe, en zijn knods, waarmee hij zijn vijanden de beenderen brak, dat klinkt zo – krák – krák – krák – neen! nou zing ik niet!’
Het is een zielige thuiskomst; de twee meisjes moeten naar bed; Domingoes verdwijnt meteen; Louïsa treurt om haar naaidoos; alleen Jacomina, die in de keuken uitpakt, roept van tijd tot tijd, alsof haar dat het grootste plezier doet, dat dit of dat ook nog zoek en weg is.
‘Wie is Toeban-Besi?’ vraagt de jongen landerig; en om hem te troosten haal ik Valentijn, en zoek het op. Van Toeban-Besi, de held van Hitoe’s kust, aan wie de koning van Batsjaan – dat is de koning aan het Einde – de karbonkelsteen van de slang stuurde; en hoe een latere koning een gezantschap zond om die steen weer terug te gaan halen. Hoe zij, aan dezelfde pier als wij zoëven, aankwamen met de sloep ‘Larike’, en door het aardige laantje gelopen hadden naar het Kasteel Victoria.
– Eerst ’s konings brief in een zilveren schotel met een geelzijden neusdoek bedekt, onder een geel zonnescherm door een korporaal blootshoofds gedragen.
Dan de eerste gezant, de prins van Batsjaan, de ‘kleine heer’ Mansoer genaamd en – geenszins de vetste – (zegt Valentijn) in een taffata geel en rood gebloemd kleed en rooden tulband met groote zilveren kwasten met loovers, een grooten rooden en gelen neusdoek over zijn schouder en een schoonen kris met een heft van uitnemend rood en wit koraal op zijn zijde.
Dan de tweede gezant Doebo-doebo genaamd, een opperrechter, een lijvig heer in een sitzen rok en een enkel rooden tulband met loovers op het hoofd en ook een schoonen kris opzijde.
Nog een, mede in het wit, een priester. Zes oppassers van hen met snaphanen, die achter hen gingen. –
Ik laat de jongen de brief zien, waarin de koning van Batsjaan den goeverneur van der Stel op Amboina vraagt hem te helpen degene te zoeken die dezen steen bewaart en die Toeban-Besi heet. De brief die begint – een waar woord is de zinspreuk der gerechtigheid – en eindigt – ik heb niets ter wereld dat waardig is u aan te bieden dan deze twee stuks Paradijsvogels. – De jongen moet er om lachen. ‘Hebben ze de karbonkelsteen van de slang gevonden?’ vraagt hij.
‘Neen, Valentijn schrijft later – de prins zeide mij ook, dat die man aan welken de karbonkelsteen was gegeven allang overleden en dat die steen bij zijn erfgenamen niet te vinden was. De heer landvoogd van der Stel, die nevens mij oordeelde dat die steen bij de nazaten maar geloochend werd om ze niet te moeten overgeven, heeft veel moeite gedaan om hem voor den dag te doen komen, doch alles vergeefsch…’
‘Wie is Valentijn?’ vraagt de jongen.
‘Een dominé.’
Hij is er stil van, hij heeft groot ontzag voor dominé’s, en denkt na. ‘Maar dan…’ zegt hij ineens, ‘als Louïsa het zegt, en dominé Valentijn zegt het ook – allebei – dan bestaat de slang met de karbonkelsteen wel degelijk!’

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: