DE FAMILIE STASTOK (10)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (23)
EERDERE AFLEVERINGEN

Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren (2)

Wij laten haar, enigszins vermoeid van al de bereddering, plaats nemen om thee te zetten, en slaan terwijl onze ogen op Pieter Jr., die juist binnentreedt. Ook hij ligt onder zijn, wat de zeelieden noemen, beste tuig. Hij is (ik moet het zeggen) volmaakt naar de mode gekleed; een zwarte pantalon met souspieds, een zwart satijn vest, een blauwe rok met glimmende knopen; en toch ziet hij er infaam ouderwets uit. Want de pantalon is zo kort, en de souspieds zijn zo lang, en het vest is zoo laag uitgesneden, en zoo wijd om het midden; en de rok is zoo smal van kraag en zoo breed van rug; en waarom verstokt hij zich nu om zich met een bruine stropdas te willen uitzonderen, in plaats van een zwarte om te hebben, als alle fatsoenlijke mensen?
Oom kijkt een paar malen op zijn horloge, om aan te merken dat Ds. S. het geweldig lang moet maken. Dit is, in ’t voorbijgaan gezegd, de enige reden, waarom Petrus Stastokius Sen. nooit diaken of ouderling heeft willen worden, omdat hij alsdan genoodzaakt zou zijn geweest, op zijn beurt, ook bij de predikanten te kerk te gaan, die niet als hij, lieden van de klok waren.
Het duurt evenwel niet lang of een bescheiden belletje kondigt de aankomst van de eerst verschijnende gast aan. Wij zullen hem en al de verdere hun jassen en mantels laten afdoen en in handen stellen van Keesje, die van avond bijzonder verlof heeft om later in ’t Huis te komen; hun vervolgens pijpen laten stoppen, en complimenten maken over ‘de zorg’; hen daarna een uurtje laten praten over ’t weer, over de kou in de kerk, over het verkieselijke van een open haard boven een ‘toe kachel’, over den stand der fondsen, over het werk van de dames, en over de laatste verkoping van huizen en het laatste plan van de stedelijke raad om een brug te leggen over een water, waarover reeds voor tien jaren een brug is nodig geweest; om u daarna op eens midden in ’t gezelschap binnen te leiden en u al zijne leden in hunne grootheid te laten aanschouwen. Gij kunt ondertussen zelf een verse pijp stoppen.
De man, dien gij bij den haard ziet, met mijn oom in druk gesprek gewikkeld over de meerdere voortreffelijkheid van de inrichting der gilden, zo als die vroeger bestond, boven die van de patenten, onder het ministerie Gogel ingevoerd, is een oude kennis, en niemand anders dan de zilveren man uit de diligence. Hij is evenwel zoo min een zilversmid, als de pikeur een commissaris van politie was. Ik ben ongelukkig in mijne waanwijze gissingen geweest. Hij is alleen maar oudste commies ter secretarie van de stad D. Hij behoort tot die mensen, die jaar en dag in Wagenaar en in de Vervolgen op Wagenaar, alsmede in de boeken van Le Francq van Berkhey, en in Tuinmans ‘Nederduytsche Spreekwoorden’ studeren, terwijl hun verdere lectuur bestaat in onbeschrijfelijk veel Preeken, en Reizen rondom de wereld. Hij kan met wijsheid op zijn snuifdoos kloppen, en verklaren hoe een snuiter heette in den tijd, toen de kaarsen nog niet gesnoten werden, en voor hoeveel geld men een huis kon huren, in een jaar, waarvan hij in de stoffige papieren der secretarie een rekening gezien heeft. Hij heeft groot gezag in het beoordelen der talenten aller predikanten; en in ’t geheel, als er iets is in de familie dat duister voorkomt, richt men zich tot den heer van Naslaan, ‘die onbegrijpelijk veel gelezen’ heeft. Het is echter waar, dat in de laatste jaren de hoge wijsheid van den jongen Pieter ’s mans gezag veel kwaad heeft gedaan, vooral omdat gemelde Pieter het alle voorrechten verzekerend Latijn verstaat.
Stastok 5 - kopje thee - bPieter en ik worden beziggehouden door een langwerpig man van een grote dertig jaren, met een kaalachtig hoofd en in een langen sluitjas, die den naam draagt van de heer Dorbeen, en den naam heeft van droogkomiek te zijn. Behalve dit, oefent hij het ambt van makelaar uit. Hij vraagt ons naar studentengrappen, die sedert de oprichting der academiën, aan alle academiën eenmaal ’s jaars gebeurd moeten zijn, die hij gehoord heeft in zijn jeugd, die aan mij en aan Pieter verteld zijn als onder onze laatste voorgangers aan de hogeschool vertoond, en die waarschijnlijk nooit hebben plaats gehad, en nooit zullen plaats hebben; en als hij er een heeft opgehaald die heel aardig is, dan vraagt hij terstond een baleintje en steekt zijn pijp door, met een gezicht zoo lang en zoo akelig, dat hij duidelijk toont hoe droogkomiek hij is. Pieter is onder zijn verhalen verstrooid, rookt wanhopig door, grinnikt als er een vertelsel, en stopt een nieuwe als er een pijp uit is. Ik sta op hete kolen om eens nader kennis met de dames te maken. ‘De heren zullen zeker liever bij den wijnstok blijven?’ zegt mijn welgedane tante, vriendelijk omkijkende, en een ruimen witten ketel opbeurende; ‘Pieter wil misschien wel een kopje slemp?’
‘Dat wil ik óók wel tantelief!’ zei ik, en trad naar haar toe, om haar de grote ketel vooreerst wat lichter te maken, daar zij hem onmogelijk tillen kon. Weet gij voor wie ik inschonk?
Voor een deftige dame, die, als mijn tante, zat te breien, maar toch meer naar de mode gekleed was en de wettige echtgenoot van den commies, echter veel jaren jonger dan hij; voor een jeugdige zuster van dezen haren man, van een veertig jaar, met kalfsogen, die bij haar inwoonde met het voorrecht van de was voor haar te doen, haar kousen te mazen, haar hoeden te vermaken, en haar japonnen af te dragen; als ook voor haar dochtertje Koosje, een meisje van ik denk zeventien jaren, die er met haar gescheiden bruin haar en rozerood japonnetje allerliefst uitzag; en behalve voor mijn tante en mijzelven, voor de zeer modieuze gade van den makelaar, die de enige ‘mevrouw’ van de partij was, een enorme muts met vuurrood lint droeg, en een niet minder enorme gouden gesp aan haar ceintuur.
Mejuffrouw van Naslaan was een zeer wijze dame, die zeer verstandige bevindingen had. Zoo vond zij bijv. een koude tocht altijd erger dan een koude lucht; zoo vond zij altijd, dat het op een hete dag nog al eens wat helpt als er wat wind is; zoo merkte zij op, dat als men veel verloor, het altijd nog een troost was als men iets behield; zoo had zij ontdekt dat, als men ergens aan gewende, zoo iets gemakkelijker viel dan als men er volstrekt niet aan gewoon was; zoo was zij er zelfs, door vlijtige en innige nasporingen op het gebied der zielkunde, toe gekomen, een wezenlijk onderscheid tussen mensen en mensen waar te nemen en met grond te kunnen verklaren, dat de een mens de andere niet was; en dergelijke verstandige dingen meer, die haar een grote roep van knapheid en ervarenheid gaven onder de vrouwen van haar kennis; en daar zij van alle eenvoudige zaken zei, dat er meer achter zat, en alle dingen geestiglijk bij muisjes vergeleek die staartjes hebben zouden, zoo hield men het er met reden voor, dat zij meer zag dan een ander. Mevrouw Dorbeen daarentegen was een rammel, trots op haar mevrouwschap, haar muts en haar echtgenoot. Ik had van haar horen spreken als van iemand die heel mooi een vers opzei, dat ik wel geloofde, daar zij sterk brouwde, en zeer rollende bruine ogen bezat.
Stastok 5 - kopje thee - cDe manszuster van mejuffrouw van Naslaan heette Mietje, en was volstrekt niets dan een goed mens.
Met uitzondering van deze die niets, en van de lieve zeventienjarige, die zeer weinig sprak, praatten de aanwezige dames doorgaans alle tegelijk, en de heren bij het vuur zongen er de tweede partij toe. Bijvoorbeeld: ‘Hoor eens, me lieve juffrouw Stastok,’ zei mejuffrouw van Naslaan, haar breiwerk neerleggende en haar wijsvinger op de hand van mijn tante drukkende: ‘Hoor eens, me lieve juffrouw Stastok, je hoeft er me niets van te zeggen; ik weet’ (hier kneep zij hare ogen op een interessante wijze dicht), ‘ik weet dat allemaal wel; ik ken die mensen door en door; en zodra als ik hoorde dat Keetje dat in ’t hoofd had, wist ik wel hoe de vork in den steel stak.’
Hierop nam zij haar breiwerk weer op, en telde de steken van het toertje, daar zij aan bezig was, na.
‘Ja maar Koosje!’ rammelde mevrouw Dorbeen, voorbij Mietje van Naslaan heen sprekende, en die met haar rode mutslinten zoodanig voor de ogen schitterende, dat de goede ziel de andere dag betuigde, er wee van te zijn geworden: ‘je kunt je niet begrijpen hoe druk Dorbeen het heeft; dat is van den ochtend tot den avond; daar hadje nog gisteren morgen mijn heer van der Helm;’ (deze was, moet men weten, de grootste heer uit de stad, wiens zaken Dorbeen waarnam); ‘daar hadje nog gisteren morgen mijnheer van der Helm, al vóór den ontbijt: hij ging op de jacht en wou Dorbeen nog eerst spreken; nu is hij gelukkig heel eigen bij ons, zodat het er niet op aankwam dat Dorbeen nog niet gekleed was; maar zoo gaat het dag op dag; nu heb ik het óók wel druk met de kinderen, maar ik zei tegen Dorbeen: weet je wat? ik ga er zelf maar reis op af. Nu is Dorbeen daar altijd heel wèl van, en vindt het altijd goed zoo als ik het maak…’

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: