LA GRANDE BOUCLE 35

Het wordt er niet makkelijker op als men gaat zoeken naar de renners uit die eerste Tour de France die in de rangschikkingen amper een rol van betekenis hebben gespeeld. Slechts bladvulling lijken te zijn geweest,een anonieme naam onderaan een lijstje. Dat geldt zeker voor de twee laatste buitenlandse renners die aan de start stonden. Er gingen er twaalf van start en daarvan zijn er hier al tien besproken: de Belgen Marcel Kerff, Julien Lootens, Aloïs Catteau en Jules Salés, de Italiaanse Fransman Rodolfo Müller, de Duitser Josef Fischer en het Zwitserse kwartet Anton Jaeck, Charles Laeser, Marcel Lequatre en Paul Mercier. Resteerde nog slechts twee namen: Emile Torisani en Ludwig Barthelmann. De voornaam Emile geeft al aan dat ook deze Italiaanse deelnemer waarschijnlijk zijn hele leven al in Frankrijk had doorgebracht en zich dan ook meer een Franse deelnemer hebben gevoeld. Het is slechts een vermoeden, want met vermoedens moeten we het doen. Niks geen gegevens van de man te vinden, slechts dat hij van start is gegaan en op 1 juli 1903 ergens onderweg in de loodzware eerste etappe van Parijs naar Lyon, 467 kilometers op zanderige en hobbelige wegen en onder een verschroeiende zon, moet zijn afgestapt. Zonder verder ook maar enig spoor achter te laten in de wielerarchieven. Geen voorgeschiedenis, geen verdere carrière.

Naar het lijkt althans. Ietsje beter vergaat het de Duitser Ludwig Barthelmann. Samen met zijn beroemde landgenoot Josef Müller komt hij naar Frankrijk om zijn krachten te meten met de Franse concurrentie. Het valt tegen. De eerste etappe rijdt hij nog wel uit, maar ver in de achterhoede. Als 35e finisht hij in Lyon, 10.37.44 later dan de dagwinnaar Maurice Garin. Die beëindigde die rit in 17.45.13, zodat onze Barthelmann een tijdsoverschrijding had van omstreeks 75%. Daar werd toen niet moeilijk overgedaan. Ook de twee renners die na Barthelmann eindigden (Pierre Desvages op 12,5 uur en Eugène Brange op bijna 20 uur!), mochten drie dagen later gewoon van start gaan voor de tweede etappe. Voor Barthelmann was de herstelperiode blijkbaar onvoldoende geweest, want hij was een van de vier renners die in de tweede etappe afstapte. Drie jaar probeerde hij het opnieuw, dit maal als lid van de Labor-ploeg. Geen slechte ploeg, want de kopman was Edouard Wattelier die in de eindstand van deze Tour zevende zou worden en ook de latere Luxemburgse Tourwinnaar François Faber was ploeggenoot. Verder was de illustere Eugène Christophe ploeggenoot, de man van de vele tegenslagen maar ook die man die vele jaren later (1919) de eerste gele trui om de schouders zou krijgen. Daar had Barthelmann allemaal geen voordeel aan, want hij moest al in de eerste etappe de strijd staken. Hij kon direct terug naar Duitsland, voorgoed de vergetelheid in.

Opmerkelijk: dezelfde Eugène Brange die roemloos met een achterstand van 19.57.36 in Lyon over de streep bolde, wist na 374 kilometer in Marseille als derde te eindigen. In de derde etappe eindigde hij zelfs als tweede en in de vierde etappe als achtste. Pas in de vijfde etappe kwam aan zijn Tour-avontuur een einde. Ook Desvages finishte in Marseille en hield zijn achterstand nu beperkt tot iets meer dan tien uur. Dat tempo wist Desvages knap vol te houden. In elke etappe eindigde hij ver in de achterhoede, maar hij finishte dus steeds wel. In Parijs zouden uiteindelijk 21 renners in de eindrangschikking voorkomen. Desvages was 20ste geworden, op 62.53,54 van Maurice Garin. Het zou zijn beste prestatie blijven. Hij nam ook deel aan de zeven volgende edities, maar moest toen telkens vroegtijdig opgeven. Hij won verder nooit een noemenswaardige wielerwedstrijd.


Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: