DE FAMILIE STASTOK (11)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (24)
EERDERE AFLEVERINGEN

Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren (3)

‘Juffrouw Mietje, nog niet een roomsoesje?’ vroeg mijn tante – ‘Jij ook niet, Koosje? Wel kind! wat heb ik je in lang niet reis hier gezien. Het heugt me nog dat je met Pieter speelde. Ja, kleine kinderen worden groot, Koos!’
‘Dat zeg ik zoo dikwijls,’ zei mejuffrouw van Naslaan. ‘Waar blijft de tijd? En ik zeg maar, hoe ouder dat je wordt, hoe meer de tijd vliegt; maar je jongen jaren, kind! zeg ik alle dag tegen Koosje, leer dat van mij, die komen nooit weerom.’

‘En dat zijn van die dingen,’ klonk het van den schoorsteen, uit den mond van den heer van Naslaan, met plechtige langzaamheid en afgebroken door het statig uitblazen van tabaksrook: ‘dat zijn van die dingen, mijn goede vriend! – (p’hoe), die u – (p’hoe) en mij – (p’hoe) en een ander – (p’hoe, p’hoe) ongelukkig maken. En onze voorvaderen,’ – hier nam hij de pijp uit de mond, om er den derden knoop van mijn ooms rok onder ’t spreken onderscheidene kleine tikjes mee te geven – ‘onze vaderen… ik vraag je of ze der zoo veel slechter aan waren dan wij? – onze vaderen, mijnheer! hielden zich met die dingen niet op.’
‘Neen!’ verklaarde mijn oom, in edele opgewondenheid een verse pijp stoppende, ‘dat waren andere mensen! die wisten – Piet, geef me ’t komfoortje reis aan – die wisten handen uit de mouw te steken, al zeg ik ’t zelf; – en wat ik altijd zeg – ze pasten op er tijd. Mijn vader was altijd ’s morgens kwartier voor zessen gekleed en geschoren – kom daar nú reis om!’
En zijn pijp op het vuur zettende, spande hij een schrikkelijke kracht in om haar ineens aan te trekken, en ze daarop omkerende, en een mondvol rook tegen den kop blazende, herhaalde hij, door de inspanning half uit zijn adem: ‘Kom daar nú reis om!’
Stastok 5 - kopje thee - d‘Ja, lieve vriend!’ zei Dorbeen tot Pieter, bijna een der vergulde knopen van diens nieuwerwetse ouderwetse rok aftrekkende, daar hij met hem in gesprek was geraakt over een der rijkste jongelui, die te Utrecht studeerden: ‘zijn vader heet Goedelaken, maar hij mocht wel Goudlaken heten.’
Dit was een trant van geestigheid, waarin de heer Dorbeen sterk was; en daar Pieter grinnikte, en mijn oom, die ’t ook hoorde, zijn hoofd lachend schudde, en de grap voor den heer van Naslaan herhaalde, merkte mevrouw Dorbeen dat er iets grappigs aan de hand was en, haar gevuurvlamd hoofd opheffende, zei zij allerinnemendst: ‘Lieve Dorbeen! laten de dames ook reis wat van je horen.’ Allen zagen hem aan en zwegen.
‘Beste schat!’ zei Dorbeen, toen het heel stil was, met een lief lachje – ‘ze hebben immers al heel veel van mij gehoord.’
‘Hoe zoo?’ vroeg mevrouw Dorbeen.
‘Wel, ze horen immers u, mijn beste! en zijt gij niet van mij?’ antwoordde hij, heel ‘droogkomiek’.
Allen lachten; maar het lieve zeventienjarige Koosje had moeite, en daarom vond mevrouw Dorbeen het gepast haar lachende toe te voegen: ‘Och Koosje! zoo is hij altijd; trouw nooit, kind; want de mannen laten er hun vrouwen altijd inlopen.’
Pieter was intussen achter den stoel van Koosje gaan staan roken en werd op deze woorden bleek. Hij gevoelde dat hij er nooit iemand, laat staan een vrouw, laat staan de zijne, in, zou, kunnen, doen, lopen.
Daar nu dan toch de muur gevallen was, die op dergelijke bijeenkom-
[18] sten, welke men in burgerkringen ‘een kopje thee, en verder het avondje te passeren’ of ook wel een ‘presenteertje’, of een ‘aangeklede pijp’, of een ‘aangeklede boterham’ noemt; daar nu dan toch, zeg ik, de muur gevallen was, die op dergelijke bijeenkomsten de mannen van de vrouwen scheidt, en er als ware ’t een verbroedering der beide seksen had plaats gehad, en daar mevrouw Dorbeen op een ongezochte wijze het voorwerp der algemene opmerkzaamheid geworden was, vond mijn oom goed met een verzoek voor de dag te komen, dat hij reeds lang op ’t hart had gehad.
‘Nu, mevrouw! maar je zult toch ons en de vrienden wel een plezier willen doen?’
‘Wel zeker, mijnheer Stastok!’ En zich, met een bescheidenheid grote genieën eigen, spoedig tot mejuffrouw van Naslaan wendende, ‘wat heb je daar een lief patroontje van een kraagje om!’
‘Ja, mevrouw!’ was het antwoord, ‘ik zeg altijd: duurkoop goedkoop. Want ik vind dat het beste goed het ‘et beste uithoudt. Ik had het in den winkel bij Van Drommelen gezien, en ik zeg tegen mijn kinderen, als ik nú reis weer jarig ben…’
‘Hoor eens,’ zei Stastok tegen Dorbeen: ‘je moet maken dat je vrouw reis reciteert, hoor.’
‘Heeremijntijd ja, je moet strak stellig reis reciteren, lieve mevrouw!’ zei mijn tante met enige ongerustheid, en op het woord strak zoveel kracht leggende als zij in bescheidenheid doen kon.
‘Och toe, mevrouw!’ zei Koosje met een allerliefste uitdrukking van gelaat.
‘Hè ja!’ zei Mietje met de kalfsogen.
‘We moeten mevrouw niet overhaasten,’ zei mijn tante.
‘Neen!’ zei mevrouw Dorbeen, enigszins bleek wordende, ‘als het dan moet, moet het ineens maar. Wat wil je hebben? Kom, het Rijntje dan nog maar reis.’ En haar schaar opnemende, om die, onder ’t opzeggen, bij iedere nieuwe regel open te doen en bij ’t invallen der caesuur toe te knijpen, begon zij met een door verlegenheid wat hese stem, die gedurig scheller werd:
Stastok 5 - kopje thee - e‘Zoo rust dan eindlijk, ’t ruwe noorden
Van hagel jachten storm geloei,
En rolt de Rijnweer langs zijn boorden,
Ontslagen van de winterboei.’

Toen zij zoover gekomen was, hield mevrouw Dorbeen haar zakdoek voor de mond en had een hevige aanval van hoesten. Zij begon op nieuw en geheel in dezelfde toon, maar andermaal bracht zij ’t niet verder dan tot ‘de winterboei’. Zodat mejuffrouw van Naslaan dadelijk begreep dat zij wel ingezien had dat er achter die hoestbui meer zat.
Mevrouw Dorbeen werd zoo rood als de linten van haar muts, staarde in de lamp, en zei nogmaals, als om weer op gang te raken:
‘Ontslagen van de winterboei.

Nieuwe stilte.
‘Die winterboei boeit je tong, lieve!’ merkte mijnheer Dorbeen droogkomiek aan.
‘Foei! daar had ik het nou net, en nou breng jij er me weer af. Wacht!
Zijn waatren drenkende oude zomen,
En ’t landvolk….’

hier werd de stem zeer hoog:
…spelende aan zijn vloed,
Brengt vader Rijn den lentegroet…’

Aldus ging mevrouw Dorbeen voort op een hartroerende wijze het hartroerende meesterstuk des grote Borgers te bederven. Bij het derde couplet begonnen haar ogen te rollen, en bij het vierde rolden zij zo zeer, dat ik vreesde dat zij van hare wangen afrollen zouden. Zij was nu al rollende en brouwende en zingende en gillende gekomen tot:
‘Noem hij deze aardeeen hof van Eden,
Die altijd mochtop rozen gaan,…’
Ach, du lieber Augustin, Augustin, Augustin!
klonk het over de tafel.

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: