DE FAMILIE STASTOK (12)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (25)
EERDERE AFLEVERINGEN

Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren (4)

Het was het speelwerk in de lamp, door mijn tante, in schijn van lepeltjes uit het lepeldoosje, dat voor den olifant stond, te zoeken, opgewonden. Ik begreep nu waarom zij er zoo op gesteld was geweest, dat mevrouw Dorbeen haar reciet mocht hebben uitgesteld.
Mevrouw Dorbeens ogen, die net gereed stonden om met
‘Ik wens geen stap terug te treden,’
hevig uit te rollen, rolden terug met de snelheid van een spoortrein.
‘Wat is dat?’ riep ze.
‘Dat is een walsje,’ zei haar man.
‘Neem mij niet kwalijk, mevrouw,’ smeekte mijn tante, ‘ik had het opgewonden. ’t Is het speelwerk in de lamp. ’t Is anders de aardigheid, dat het zo onverwachts begint, een poosje nadat het opgewonden is. ’t Was om de vrinden te verrassen. Ik had gehoopt dat UE. wat later zou hebben gereciteerd; nu komt het er ook zo mal in.’
Mijn tante zou gaarne, in dat ogenblik van verlegenheid, de gehele bronzen olifant den kop ingedrukt hebben. Maar er was niets aan te doen, en in blinde opgewondenheid ging hij voort met zijn
Ach, du lieber Augustin!

Het was een tartend geluid voor mevrouw Dorbeen, en zij beefde inwendig van toorn. Zij hield zich evenwel goed, en met langzame teugen een kopje slemp uitgedronken hebbende, zei ze: ‘Och! het vers was zoo goed als uit; de vrienden verliezen er niet veel bij. Nu zal Koosje wel eens wat willen doen.’
Koosje bloosde, en zei met de ogen op haar moeder geslagen: ‘Ik kan niets; wel moeder?’
‘Stil!’ zei Dorbeen: ‘het verandert weer:
Où peut-on être mieux?’

En waarlijk, daar de olifant drie deuntjes machtig scheen te zijn, was er voor niemand anders gehoor dan voor het grootste der viervoetige dieren; totdat het al zijne kunsten getoond had, en met een forse tjingel besloot.
Mama van Naslaan bleek van een mening te wezen tegenovergesteld aan die, welke haar lief kind met het zoetste lipje der wereld had beleden; zij geloofde veeleer dat haar Koosje niet alleen iets, maar zelfs zeer veel vermocht, en knikte haar daarom toe, ook iets in het midden te brengen, waarop mevrouw Dorbeen zei: ‘Wel ja, laat je ook reis horen Koosje! ik heb nu mijn plicht gedaan!’
En tante riep: ‘Och ja, asjeblieft?’ en mijnheer Dorbeen, zeer droogkomiek, rijmde:
‘Kom Koosje,
Lief roosje,
Reciteer reis een poosje!’

En Mietje die niets was, zei alweer: ‘Hè ja!’ en, de oude Stastok zei: ‘Komaan!’ en stopte een pijp; en de jongere Stastok verstoutte zich om met een hoge kleur te zeggen: ‘Toe, als ’t u belieft!’
Maar het lieve kind bloosde zo sterk, en was zo angstig, en verontschuldigde zich zo smekend, dat tante er medelijden mee kreeg en zei: ‘Koosje is misschien bang voor de vreemde heer; ik geloof dat we haar meer pleizier doen zullen als we ’t voor dezen keer te goed houden!’
Waarop mevrouw Dorbeen, haar ogen zeer sterk op den snuit van de olifant gevestigd houdende, op een aardig toontje zei: ‘Als die vreemde heer ons dan ook eens schadeloos wilde stellen! Mijnheer Hildebrand kan immers ook wel een kleinigheid!’
‘Dat was goed,’ zeiden allen, en mijn oom keerde zich om, ten einde even op zijn horloge te kijken; want ‘hij wou om den dood niet graag dat er nachtwerk van wierd’.
Men stopte verse pijpen; de heren gingen zitten; de heer van Naslaan met een zucht; de heer Dorbeen met het oog van een kenner; Pieter met dat van een verachter; mijn oom met dat van iemand die pas op zijn horloge heeft gekeken en half tien heeft ontwaard. Ik stoorde mij volstrekt niet aan de heren, en plaatste mij zoo, dat ik het lieve gezichtje van Koosje vlak voor ogen had; men moet wat hebben voor de moeite.
‘Ik zal,’ zeide ik, toen alles doodstil was, ‘het gezelschap lastig vallen met een klein stukje. ’t Is een vertaling door een mijner vrienden, en uit het Frans.’
‘Uit het Frans!’ herhaalde de heer van Naslaan, met een bedenkelijk gezicht mijn oom aanziende.
‘Kom aan, dat ’s goed!’ zei mevrouw Dorbeen.
Alles was doodstil om de vreemde stoethaspel te horen, maar geen der dames zag hem aan, vermits hare loffelijke bescheidenheid dit nooit gedoogt, als men in gezelschap iets voor haar opzegt, met uitzondering van mevrouw Dorbeen, die scheen te willen weten ‘of hij goed met zijn ogen rollen zou’. Koosje zat hevig te festonneren, en ik zag niets dan haar gescheiden haar.
Ik begon:
‘Als ’t kindje binnenkomt -’

Pie-ie-iep! zei de deur, langzaam opengaande, en binnenkwam – geenszins een kindje, maar de vijftigjarige dienstmaagd in haar wit pak; belast en beladen met de aangeklede boterham in persoon, in de gedaante van een schat van broodjes met kaas en rookvlees, en een macht van ster-, ruit-, cirkel-, klaverblad- en visvormige gebakjes, die ondanks hun verschillende gedaante, wegens de evenredigheden van hun inhoud, in het dagelijks leven den wiskundigen naam van ‘evenveeltjes’ dragen.
Mevrouw Dorbeen kon een klein lachje van zenuwachtige voldoening niet onderdrukken. Er werd rondgepresenteerd, en ik wreekte mij over de stoornis met een evenveel; en toen die op was, hervatte ik vol moed, ofschoon de uitwerking van de eerste regel bedorven was, en ik duidelijk zag dat de droogkomieke heer Dorbeen, toen ik de eerste woorden herhaalde, nog weer aan de vijftigjarige dienstmaagd dacht:
Stastok 5 - kopje thee - f‘Als ’t kindje binnenkomt, juicht heel het huisgezin;
Men haalt het met een lachje en zoete woordjes in;
Het schittren van zijn oog deelt aan elks oog zich mede;
En ’t rimpligst voorhoofd (ook ’t bezoedeldste wellicht!)
Klaart voor den aanblik op van ’t vroolijk aangezicht,
Met iedereen in vrede.
’t Zij we onder ’t lindeloof des zomers zijn vereend,
’t Zij ’t snerpen van de koude ons stiller vreugd verleent
En we om een knappend vuur de stoelen samenschikken;
Als ’t kind verschijnt, ziedaar een waarborg voor de vreugd;
Men lacht, men troetelt, kust en tergt zijn dartle jeugd;
En moeders harte smaakt zijn zaligste oogenblikken.’

Mevrouw Dorbeen lachte goedkeurend.
‘Soms spreken we om den haard, met ernst en met verstand,
Van wetenschap en kunst, van plicht en vaderland,’

Stastok 5 - kopje thee - gDe heer van Naslaan knikte zeer verstandig.
‘Van staat, van godsdienst, van geschriften en gezangen;
Het kind komt in: vaarwel kunst, godsdienst, plicht en staat!
’t Wordt: kusjes voor den mond, en kneepjes in de wangen,
En hobblen op de knie, en jok en kinderpraat.’

‘Dat is heel lief!’ zei mijn goedhartige tante, halfluid.
‘Als, na een duistren nacht van stormwind en van regen,
Een nacht, wen menigeen, vergeefs ter rust gezegen,
Naar ’t woelig gieren hoort, daar ’t kind doorheen slaapt; als,
Na zulk een nacht, het rood des uchtends, dat de kimmen
Van liefelijken waas en zachten gloed doet glimmen,
En blijde zangen wekt bij ’t vooglenkoor des dals;’

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: