DE FAMILIE STASTOK (13)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (26)
EERDERE AFLEVERINGEN

Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren (5)

De heer Dorbeen kuchte. De heer van Naslaan trok ogen en wenkbrauwen pijnlijk samen, als of hij vragen wilde: ‘Waar moet dat naar toe?’ – Juist omdat ook hij dat niet wist, liet mijn ooms gelaat onbepaalde bewondering blijken.
‘Zoo zijt gij, dierbaar kind! Waar gij verschijnt, daar vluchten
En duisternis en nacht en zwarte regenluchten;
Gij zijt een heldre zon, een blijd en vroolijk licht;
Door d’adem van uw mond verwekt gij vreugd en leven,
Als zuivre koeltjes, die langs ’t knoppig bloembed zweven,
En ’t blosje sterken op der rozen aangezicht.
Want duizend lieflijkheên uit uw schoone oogjes schijnen;
Uw kleine handjes, die ik berg in een der mijnen,’

‘Och heer!’ zei mijn tante halfluid, en haar ogen werden allervriendelijkst klein.
‘Doen nog geen kwaad; gij weet nog niet wat dat beduidt.
Wat lacht gij vriendlijk, als wij ze u met speelgoed vullen!
Klein heiligje, in een krans van glinstrend blonde krullen,
Hoe lieflijk blinkt uw hoofdjen uit!’

Koosje, die van tijd tot tijd al eens had opgekeken, hief hier haar schoon gezichtje geheel op en staarde mij aan. De allerlaatste regel scheen mij volmaakt ook op haar toepasselijk.
‘Lief duifjen in onze ark! Uw mondje bracht den vrede,
De vreugde en ’t zoetst geluk in onze woning mede,
Zoo vurig afgesmeekt, met zooveel angst verbeid!
Gij kijkt de wereld, daar gij niets van vat, in ’t ronde!
Blank lijfje zonder smet, blank zieltje zonder zonde,
Ik eer uw dubble maagdlijkheid!

Hoe heerlijk is het kind met lachjes op de wangen,
Met traantjes soms, maar ras door lachjes weer vervangen,
De goede trouw in ’t oog, en ’t uitzicht zoo gerust!
’t Slaat een verwonderd oog op ’s werelds bont getoover,
En geeft zijn jonge ziel zoo blij aan ’t leven over,
Als ’t ons zijn lipjes biedt als ’t wordt goenacht gekust.’

Tante knipte een traan weg; mejuffrouw van Naslaan knikte twee-, driemaal met het hoofd. Koosje hield haar adem in en zag mij angstig aan, als ik vervolgde:
‘Bewaar mij, Heer! mij, en mijn broedren, en mijn vrinden,
En hen zelfs, die een lust in mijne tranen vinden,
Indien er zulken zijn misschien!
Dat zij nooit zomertijd, aan bloemen arm, bejammeren,
Of bijenlooze korve, of schaapskooi zonder lammeren,
Of kinderlooze woning zien!’

‘Heeremijntijd! neef Hildebrand!’ riep mijn tante, ‘neef Hildebrand, dat is mooi.’
En ik wed dat zij aan Pieter dacht, toen hij klein was; maar ook… och, zeker ook aan het kleine Truitje, dat gestorven was vóór haar vijfde jaar, en daar zij niets van overhad dan een klein vlokje haar aan haar middelste vinger.
‘Hè ja;’ zei Mietje met de kalfsogen, die ditmaal velen vooruit was.
‘Ik vind altijd,’ zei mejuffrouw van Naslaan, ‘dat men moeder zijn moet om van zulke dingen het rechte te hebben.’
‘Niet waar, juffrouw van Naslaan?’ zei mevrouw Dorbeen. ‘O, maar het is allerliefst; het vèrs’ (zij drukte op het woord) ‘het vèrs is allerliefst!’ Blijkbaar wilde zij zeggen: wat het opzeggen betreft, dàt kon beter.
Koosje was geen moeder, en kon er dus ‘het rechte niet van hebben’, maar haar glinsterende oogjes en bleke wangen zeiden genoeg dat zij de poëzie verstaan en gevoeld had.
‘Van wie is het gedicht?’ vroeg de heer van Naslaan.
‘Van Victor Hugo, mijnheer.’
‘Victor Hugo?’ zei hij, den klemtoon op de eerste lettergreep leggende en met een uitspraak alsof er, in plaats van één Frans, vijfentwintig goede Hollandse G’s in de naam geweest waren. ‘Ik dacht dat die man niets dan ijselijkheden schreef. Ik heb in de Letteroefeningen, dunkt mij… Hé, dat ontschiet me… Ik dacht dat het zo’n bloederig man was.’
‘Ik weet niet, mijnheer!’ antwoordde ik.
‘Verwar je hem ook met Jacques Julin?’ vroeg de makelaar.
Stastok 5 - kopje thee - h‘Is dat die, die dat boek over Barneveld geschreven heeft, dat we laatst in het leesgezelschap gehad hebben?’ vroeg oom terzijde aan Pieter1
‘Ja,’ zei mijnheer de makelaar. ‘Dat is een rare kerel, naar ik hoor. Hij schrijft voor geld, mijnheer; hij schrijft voor geld; pro en contra schrijft hij voor geld.’
‘Ja,’ zei oom, zijn pijp uitkloppende, ‘die Fransen! ’t Is een raar volk; al zeg ik ’t zelf.’
‘Weetje wat ik ook altijd al een heel mooi verzenboek vind?’ zei mejuffrouw van Naslaan, het gezelschap rondziende: ‘het Nut der Tegenspoeden.’
‘Wat?’ vroeg de heer Dorbeen, droger en komieker dan ooit; ‘het nut der regenhoeden?’
Er ontstond een groot gelach over deze aardigheid; hetwelk mejuffrouw van Naslaan min of meer verlegen maakte; zij besloot dus haar lofrede op het bekende geschrift van Lucretia Wilhelmina, die voor een algemeen gesprek in de wieg gelegd was, als privaat gesprek de geest te laten geven.
‘Inderdaad,’ fluisterde zij mijn tante in: ‘het is een heerlijk boek, en door een vrouw geschreven; maar ik kan je zeggen dat je ’t met geen droge ogen lezen kunt.’
Het gesprek werd spoedig weder algemeen en levendig. Ik maakte veel werk van de zeventienjarige, en Pieter week niet van haar stoel. Ik poogde hem telkens te bewegen ook reis iets op te zeggen, of te zingen of zoo; maar hij zei altijd, met een knorrig gezicht: ‘Och kom!’ en ‘Ik kan waaratje niets!’ En hard wilde ik er niet op aandringen, omdat ik oom nog eens weer op zijn horloge had zien kijken. Er kwam dus niets van, en ook moet ik bekennen dat de familie Stastok, door middel van de muzikale olifant, tot het genoegen van die avond te veel had bijgedragen, om nog iets van een haar leden te vergen.
Het avondje liep verder vrolijk en gezellig af; en nadat al de dames en de beide heren mijnheer en juffrouw Stastok bedankt hadden ‘voor de vrindelijke receptie’, en Pieter ‘voor zijn aangenaam gezelschap’; en nadat mijnheer en mejuffrouw Stastok plechtig hadden beloofd ‘hun scha eens te zullen komen inhalen’; en nadat de beide heren elkanders hoeden hadden opgehad, en tante met eigen hand al de dames, behalve Koosje, wie ik niet kon nalaten zelf hierin bij te staan, aan haar mantel had geholpen en, naar verkiezing, er de kraagjes boven overheen gehaald, of ‘alles er asjeblieft maar onder’ gelaten had, ging men omstreeks half twaalf, recht van elkander tevreden, uiteen; en schoot er voor niemand enig genoegen meer over dan voor de meid, die op een achteloze wijze zich de kwartjes liet welgevallen, die zij bij ’t weggaan der gasten schijnbaar toevallig in haar hand voelde glijden.
Oom had slaap, al zei hij ’t zelf. Heeremijntijd! wat had mijn tante ’t nog druk. Waaratje was knorrig. Onder zulke omstandigheden ging ik naar bed.

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: