DE FAMILIE STASTOK (15)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (28)
EERDERE AFLEVERINGEN

Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan (2)

Het plan werd aan vader en moeder medegedeeld, en er werd besloten dat wij, behalve Koosje, nicht Christientje zouden vragen, een jonge juffrouw van drieëntwintig jaar, die zeker gaarne mee zou gaan, daar zij niets te doen had dan bij een knorrige tante te zitten, die twee meiden hield en nooit uitging.
Wij gingen er dus op uit om een schuitje te huren; en nadat wij eerst bij een schuitenmaker aan de Oostpoort geweest waren, die het zijne had verkocht ‘om dat er geen profijt bij was’, en die ons naar de Westpoort zond, waar hij zeker wist dat wij er een konden krijgen; en nadat wij bevonden hadden, dat er aan de Westpoort niets meer van boven ’t water stak dan eventjes een klein neusje van den steven, vonden wij er eindelijk een zeer goed, in het midden van de stad, dat wij voor een gulden voor een gehele achtermiddag huren konden. Wij huurden het dus voor den gehele achtermiddag van de volgende dag en kweten ons vervolgens van onze uitnodigingen, die op een innemende wijze werden aangenomen. Mama van Naslaan was er voor hare dochter zeer vereerd mee; ofschoon zij, geloof ik, wel dacht dat er meer achter zat, en dat ook dit muisje een staartje hebben zou, en de oude tante hoopte tienmaal in een half uur dat het niet te koud op het water wezen zou, wat wij trouwens ook hoopten, schoon wij het tegendeel vreesden.
Stastok - 6 - waratje verliefd - aWij bepaalden onderling dat Koosje meer bijzonder onder de zorgen van Pieter staan zou, en ik mij meer dadelijk tot de ridder van Christientje zou opwerpen. Ik kon niet edelmoediger zijn.
Pieter was dan ook volmaakt in zijn humeur, en tantelief pakte ons nog dienzelfde dag een mandje met rijnwijn en sinaasappels, een verfrissing, fris genoeg in de maand October. (Sinaasappelen zijn schaars in October. Zij zijn er echter nog bij mensen als mijn tante, die van sparen en bewaren weten). Wij hadden de dames verzocht mantels mee te nemen.

De andere dag was een allerheerlijkste najaarsdag en alles beloofde genoegen. Maar toen Pieter des voormiddags van enige boodschappen, die hij voor zijn toilet te doen had, thuis kwam, stond zijn aangezicht akelig bedroefd; hij smeet met de deur, smeet zijn rotting, smeet zijn hoed, smeet zijn handschoenen.
‘Wat scheelt er aan, amice?’ vroeg ik verschrikt.
‘Och, die ellendige Dolf!’ zei hij, zich tot zijn moeder wendende.
Nu was er zeker geen mensennaam in de vijf werelddelen, die in staat was aan mejuffrouw Debora Stastok, en in ’t algemeen aan alle tederhartige moeders in geheel D., een groter schrik aan te jagen, dan diezelfde naam Dolf, die de niets kwaads vermoedende lezer onmogelijk aan iets anders kan doen denken dan aan de volkomener vormen: Adolf, Rudolf, of desnoods Ludolf; maar welke naam aan mejuffrouw Debora Stastok en, zoals ik zeg, aan alle tederhartige moeders in geheel D. niet anders voorkwam dan als een kort begrip der eretitels: katäas, straatschender, verkwister, lichtmis, lap, deugniet en leegloper; immers hij behoorde aan de persoon, met wie ik reeds in het koffiehuis de ‘Noordstar’ de eer had gehad kennis te maken, in één woord aan de heer Rudolf van Brammen, die na in zijn jeugd bekend te hebben gestaan voor een ondeugende kwajongen, die het zijn ouders en zijn meesters te kwaad maakte, alle avonden ‘puisje vong’ en alle meisjes om zoenen plaagde, een paar jaren te Leiden, op naam van Jur. Stud., in dien toestand had verkeerd, die men aldaar sjouwen noemt, zonder dat zijn vader destijds recht begreep wat hij er eigenlijk deed dan veel geld verteren, terwijl hem echter naderhand bleek dat hij behalve die bezigheid ook nog aan de liefhebberij van schulden maken had toegegeven. Na dien tijd had hij, nu reeds een jaar of drie, op zijn vaders kosten, die gelukkig een welgesteld man was, een ander beroep uitgeoefend, hetwelk men (almede te Leiden) den vererende naam van dweilengeven zou, tot grote ergernis der Deënaars, die veel nieuwsgieriger waren wat er nog eens van hem worden zou dan de heer Rudolf van Brammen zelf. Hij deed evenwel geen openlijk kwaad, dronk een redelijke borrel, woonde alle publieke vermakelijkheden bij, tot het optrekken van de wacht en het boomrooien op de stadssingels toe; bootste alle publieke personen na, wandelde veel, biljartte veel, werd veel dik, verkocht vele grappen, en was zeer populair.
Het was dus niet te verwonderen, dat mijn tante op het horen van de enkele naam van dezen onmens een koude rilling over haar rug gevoelde. Inderdaad, ik geloof dat de haren haar onder de kornet te berge rezen.
‘Wat is er nu weer met hem gebeurd?’
‘Gebeurd!’ riep Pieter mistroostig uit, en zijn ogen vonkelden onder zijn bril: ‘niets gebeurd. Maar hij wil mee uit roeien.’
En hij zag mij stijf in ’t gezicht, om mij al de ijslijkheid van deze Jobstijding te doen beseffen.
‘Als hij maar een dame meebrengt,’ zei ik – ‘dan is ’t mij wel.’
‘Ja, daar komt het door aan. ’t Is zijn zuster; die malle meid! Christientje heeft haar verteld dat ze met Koosje, en mij, en een Leids student uit varen ging, en toen wou ze met alle geweld ook mee. Als ik ook reis wat doen wil!…’
‘Koosje, en mij en een Leids student!’ Pieter zou in ieder ander geval gezegd hebben: Koosje, een Leids student, en mij; maar hij was verliefd, en het lustte hem in deze omstandigheid de plaatsen aldus te schikken.
‘Hoor reis,’ zei tante, gerustgesteld door het meegaan van de zuster, die bij de bevolking van D. een verontschuldiging was voor de tegenwoordigheid van den broer: ‘Meeltje is een heel ordentelijk meisje, en ze heeft altijd goed opgepast, op school en overal. Daar moet je niets van zeggen. Ze moeten dan nu maar mee.’
‘Och, mijn pleizier is er nu alweer af,’ bromde Pieter, en verliet de kamer, om in zijn vertwijfeling nog wat aan zijn tabellen te gaan knutselen.
Ik had ondertussen de ontmoeting van de contrasterende heren Dolf en Pieter wel eens willen zien. Ik verbeeld mij dat de ex-student van zijn zuster Amelie in last had, niet om op een dadelijke wijze haar en zijn eigen persoon aan ons te komen opdringen, maar ‘als hij Pieter zoo reis tegenkwam’, zo eens zijdelings te horen of het niet wel goed zou zijn dat zij meegingen; iets ’t welk zij zonder twijfel reeds aan Christientje beloofd had in allen gevalle te zullen doen. Men begrijpt lichtelijk dat Dolf evenzeer overtuigd was Pieter in allen gevalletegen te zullen komen, indien namelijk Pieter zich maar een ogenblik op straat waagde, daar hij gewoon was ettelijke uren van den dag aan een stadswandeling te wijden, bij welke gelegenheid hij in ’t geniep aan vele knappe dienstmeisjes oogjes gaf en bijzonder acht sloeg op alle mooie honden. Nu was het gebeurd dat hij Pieter net ontmoet had, toen deze, in de meergemelde winkel van Van Drommelen, en paar prachtige puimsteenkleurige glacé handschoenen had gekocht, met welk paar gezegde Van Drommelen reeds lang verlegen was geweest, daar niemand het kopen wilde, en ’t welk hij Pieter, als naar de laatste smaak, opdrong. Ik stel mij voor dat zijn gesprek met een ‘Je gaat zoo uit varen?’ begonnen, en dat daarop heel gauw gevolgd is: ‘Jongens, je hadt mij en me zuster ook wel eens mee kunnen vragen;’ waarop Pieter, zonder aan enige mogelijke verontschuldiging te denken, ongetwijfeld onmiddellijk had gezegd: ‘Dat is goed!’
‘Hoe laat ga je lui?’
‘Half vier.’
‘Dat is wel wat vroeg; maar ‘k zal er wezen. Amelie brengt haar gitaar mee. Tot van middag!’

Er gebeurde dien dag iets in ’t huishouden van mijn oom, dat nog nooit gebeurd was: het etensuur werd verzet; ook al ten gevalle van neef Hildebrand, die ondanks zijn kamerjapon nogal een witten voet bij oom kreeg; en toen wij verzadigd waren, ging Pieter, onder vele vermaningen van toch vooral voorzichtig te zijn, Koosje, en ik Christientje afhalen.
Van alle jonge meisjes nu, die bij oude knorrige tantes zouden kunnen of willen wonen, was Christientje, of laat ik liever zeggen Christien, want zo werd zij altijd genoemd door die haar kenden, wel de ongeschiktste. Zij was in haar hart een Jan-Pret, en scheen niet tegen een kleintje op te zien. Zij greep mijn arm met een zo fikse greep aan, en lachte zo glunder over ’t mooie weer en ’t prettige plan en ’t frisse van ’t water, dat ik mij heel veel van haar voorstelde, en alleen maar vreesde dat zij zich te veel voorstelde van de pret.

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: