DE FAMILIE STASTOK (18)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (31)
EERDERE AFLEVERINGEN

Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan (5)

Het was ondertussen halfzes geworden en, schoon ’t nog zeer licht was, de zon was al ondergegaan en wij konden ons nog alleen in de koude naglans verheugen. Het bleek nu welk een dolle streek het eigenlijk was,
in de maand October na de middag een watertochtje te beginnen; er stak een zéér koel windje op, en wij vonden ’t beter binnen te gaan. Wij werden alzo in het beste vertrek van ’t huis gelaten, waar het pronkbed was, een friese klok en een dambord hingen, en vier schilderijen aan den wand ons de geschiedenis van Willem Tell herinnerden, om niet te spreken van een dier tabelletjes, welke men verkorte uitgaven van Trommius zou kunnen noemen, en waarop men lezen kan hoeveel kapittels, hoeveel verzen, hoeveel ende’s in de bijbel staan, en dergelijke wetenswaardige dingen meer. Zulk een hing er in een verguld lijstje. Hier zetten wij ons op de matten stoelen neder en begonnen, nadat Amelie, die het op haar zenuwen zeide te heb, een weinig bedaard was, rijnse wijn te drinken en sinaasappelen te eten alsof het een lauwe avondstond in Juli geweest ware.
Stastok - 6 - waratje verliefd - eDaarop kwam de gitaar binnen, die in onze omstandigheden waarlijk een hele vervulling was; want indien het waar is dat muziek en zingen menige recht prettige bijeenkomst storen en bederven, zo moet men ook zeggen dat er niets beters is om een niet prettige bijeenkomst of mislukte partij aan de gang te houden, dan juist diezelfde muziek en zang.
Amelie zong verscheidene Duitse romances, en zong ze waarlijk vrij goed; maar zij bracht er, tot haar aanmerkelijk nadeel, al die kleine behaagzieke naïveteiten bij te pas, die een mooi meisje goed staan, maar die een lelijk meisje als Amelie nog lelijker en metterdaad belachelijk maken. Zeker had onder dit boerendak nog nimmer zo teergevoelig een liedje geklonken, als de bleke Amelie, met de vergeetmijnietjes aan haar boezem en de gitaar met het lichtblauwe lint op de knie, er menigeen voortbracht; en ik was juist in deze bespiegeling verdiept, toen zij met lange uithalen een zeer tedere liefdesklacht met de dubbele herhaling van de laatste regel besloot, die gedurig lager en doffer werd:
Zum kühlen Grab,
Zum kühlen Grab,
Zum kühlen Grab,

totdat haar stem op eens weer zeer hoog uitschoot, met dezelfde woorden:
Zum kühlen Grab,

toen het lied werd afgewisseld door een goede, ronde, vrolijke boerinnestem, die van buiten kwam met het liedje:
Klompertjen en zijn wijfje,
Die zouen vroeg opstaan,
Om eiertjes te verkopen
En na de markt te gaan.

Ze waren halleverwege,
Halleverwege den dijk,
Daar braken al der eiertjes,
En ’t bottertje viel in ’t slijk.

Het speet er niet om de eiertjes,
Maar om er mooie doek,
Die ze gisteren nog gemaakt had
Van Klompertjes beste broek.

‘Dat’s een weergaas aardig liedje,’ zei Dolf, het venster openstotende en de dikke boerenmeid aansprekende, die hare ‘purperen armen’, als Rotgans het uitdrukt, in de rokende wastobbe stak, en het liedje van Klompertje waarschijnlijk gezongen had; ‘dat’s een weergaas mooi liedje, Trijntje!’
‘Ik hiet geen Trijntje!’ zei de meid, schalk omkijkende.
‘Hoe hiet je dan?’ riep Dolf, wie ’t maar te doen was om een naam.
‘Dat weet me moeder wel, hoor!’ zei de meid, lachende en ene rij van de witste tanden zien latende, die ooit een boerinnemond versierd hebben.
‘Ken je meer zulke liedjes, zoete?’ vroeg Dolf.
‘Loop,’ zei de boerenmeid, wier naam haar moeder wel wist – ‘ik heb niet zongen; wat verbeel jij je wel?’
‘Dat raam tocht vreselijk,’ merkte Amelie aan, wie deze samenspraak om duizend redenen weinig beviel. Maar nauwelijks was het raam toe, en had Dolf nog eens ingeschonken, of er klonk een nog vrolijker lied uit de mond der frisse deerne; en wij luisterden allen:
Dans, nonneke, dans!
Dan zel ik je geven een muts.
Neen, zei dat aardig nonneke,
Ik heb er een van me zus.
‘k Wil niet dansen, ‘k zel niet dansen,
Dansen is men order niet;
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen niet.

Dans, nonneke, dans!
Dan zel ik je geven een huis.
Neen, zei dat aardig nonneke,
Daar ben ik niet van thuis.
‘k Wil niet dansen, ‘k zel niet dansen,
Dansen is men order niet;
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen niet.

Dans, nonneke, dans!
Dan zel ik je geven een zoen.
Neen, zei dat aardig nonneke,
Daar wil ik ‘et niet voor doen.
‘k Wil niet dansen, ‘k zel niet dansen,
Dansen is men order niet;
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen niet.

Dans, nonneke, dans!
Dan zel ik je geven een man.
Toen zei dat aardig nonneke,
‘k Zel dansen al wat ik kan.
‘k Wil wel dansen, ‘k zel wel dansen,
Dansen is men order wel;
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen wel.

En nauwelijks was het liedje uit, of Rudolf van Brammen gaf een fikse klap op zijn strohoed, zodat hij in plaats van boven op zijn hoofd te staan, op zijn linker wang kwam te hangen en, zijn weemoedige zuster om haar paarse spencer grijpende, tilde hij haar van haar stoel op, en walste ondanks haarzelve een toertje met haar door de kamer, onder het herhalen van het refrein:
Nonnen, paters, paters, nonnen,
Nonnen, paters dansen wel.

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: