DE DRIE GRATIËN – 039

James Pradier (Genève, 23 mei 1790 – Parijs, 4 juni 1852) was een Franse beeldhouwer in de neoklassieke stijl. Jean-Jacques Pradier, zoals zijn oorspronkelijke naam luidde, werd in de toenmalige Republiek Genève geboren als zoon van een protestantse familie die oorspronkelijk uit Toulouse afkomstig was. In 1781 was in de stad-republiek, die heel lang het middelpunt van het calvinisme was (zeg maar ‘het Rome van de protestanten’), in de hand gekomen van de burgerij en arbeiders, die echter al een jaar later moesten vluchten omdat de oude machthebbers met behulp van troepen uit Bern en Savoyse de macht heroverde. Op 15 april 1798 werd de republiek Genève door Frankrijk geannexeerd, maar nadat Napoleon definitief werd verslagen sloot de stad zich als kanton bij Zwitserland aan te sluiten. In 1807 was de dan zeventienjarige Jean-Jacques vertrokken naar Parijs, waar zijn oudere broer Charles-Simon Pradier (1786-1847) al woonde. Die zou uitgroeien tot een van de beste Franse graveurs in die tijd. Hij werkte vaak samen met Jean Auguste Dominique Ingres. In 1808 begon Jean-Jacques aan zijn studie aan de École des Beaux-Arts. Hij won daar een Prix de Rome, die hem in staat stelde van 1814 tot 1818 in Rome te studeren in de Villa Medici. In 1819 debuteerde hij in de beroemde Salon de Paris en bouwde daarna snel een goede reputatie als beeldhouwer op. Via zijn broer maakte hij kennis met Jean-Auguste-Dominique Ingres, waarvan hij een tijdlang les kreeg. In 1827 werd hij toegelaten als lid van de Académie des Beaux-Arts en werd hij tevens professor aan de École des Beaux-Arts. In tegenstelling tot veel tijdgenoten, werkte Pradier zijn beelden helemaal zelf af. Tijdens de Salon van 1834 veroorzaakte Pradiers beeld Sary et Bacchante, met de voor Pradier kenmerkende erotische uitstraling,  een sensatie en klein schandaal. Enkele critici meenden in het beeld de kenmerken te herkennen van de kunstenaar en zijn maitresse Juliette Drouet. Vanwege die kritiek weigerde de preutse koning Louis-Philippe het beeld aan te kopen, waarna graaf Anatole Demidoff dat onmiddellijk weldeed en overbracht naar zijn paleis in Florence. Vele jaren later wist het Louvre het beeld weer naar Parijs te halen.

Pradier was bevriend met Romantische dichters als Alfred de Musset, Victor Hugo, Théophile Gautier en de jonge Gustave Flaubert. Het centrale punt voor hem en zijn vriendengroep was zijn atelier, waarvoor zijn beeldschone minnares Juliette Drouet (10 april 1806 – 11 mei 1883) waakte. Ze werd omschreven als ‘… independent, impulsive and hot-tempered; she was also regarded by Parisian society as a typical courtesan who dressed splendidly, spent money wildly, and was extremely beautiful. Drouet had limpid, bright eyes; a fine, chiseled nose; a small, crimson mouth; set in an oval face, framed by a mass of blue-black hair.‘ Juliette was actrice, maar gaf deze carrière in 1833 op toen ze de maîtresse werd van Victor Hugo. Zij was Hugo’s secretaris en reisgezel, ging samen met Hugo in ballingschap naar de Kanaaleilanden (1851-1870) en schreef hem gedurende haar leven zo’n 20.000 brieven vol liefde en jaloezie van de rokkenjager Hugo. De brieven werd dankbaar voer voor de vele biografieën over Victor Hugo. Voor Pradier was het blijkbaar geen enkel probleem dat Drouet hem verliet want in hetzelfde jaar trouwde hij met de negentienjarige Louise d’Arcet (1814-1885), de dochter van de Franse chemicus Jean-Pierre-Joseph d’Arcet. Naar goed Parijs gebruik had mevrouw heel wat affaires die ze voor Pradier blijkbaar goed verborgen wist te houden. Toen hij er in 1845 eindelijk achterkwam, was het snel gedaan met het huwelijk. Haar talrijke buitenechtelijke escapades en haar constante geldzorgen inspireerde Gustave Flaubert tot het schrijven van zijn meesterwerk Madame Bovary.

De beeldhouwwerken van Pradier zijn op nog veel plaatsen te bewonderen. Van Pradier zijn ook beelden verwerkt in de Arc de Triomph en de Dome les Invalides. Zijn Drie Gratiën stamt uit 1831 en bevindt zich in het Louvre. Hij maakte in 1838 een beroemd beeld van mede-Geneviaan Jean-Jacques Rousseau, dat staat op een klein eilandje (Île Rousseau) in het meer van Genève dat naar Rousseau is vernoemd. Na zijn dood kocht de stad Genève bijna alles wat nog aan werk van Pradier in zijn atelier stond. Het bevindt zich nu in het plaatselijke museum. Pradier ligt begraven op de begraafplaats Père-Lachaise. Pradier is nu bijna vergeten, maar had vele leerlingen die zijn werk voortzette en in 1846 zei Flaubert nog over hem: ‘This is a great artist, a true Greek, the most antique of all the moderns; a man who is distracted by nothing, not by politics, nor socialism, and who, like a true workman, sleeves rolled up, is there to do his task morning til night with the will to do well and the love of his art.’

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: