JUVENAAT DER BROEDERS VAN DE HEILIGE ALOYSIUS

56e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

De congregatie der Broeders van van de H. Aloysius werd in 1840 opgericht door de cisterciënzer pastoor Willem Hellemons (Roosendaal, 17 april 1810 – Oudenbosch, 12 december 1884) en Johannes Huybrechts (1812-1889), een jongeman uit zijn parochie die later als vader Vincentius door het leven zou gaan. Hellemons trad als jongeling trad in bij de cisterciënzers van Hemiksem, net onder Antwerpen. Hun abdij was echter sinds de Franse tijd door de staat geconfisqueerd en dus verspreidden de leden van de gemeenschap zich over diverse plaatsen, waar zij meestal werkten in de geestelijke verzorgers. Hellemons kwam terecht in Oudenbosch, van waaruit hij naar Rome vertrok om daar verder te studeren. Daar werd hij bevriend met kardinaal Bartolommeo Alberto Cappellari kennen, de latere paus Gregorius XVI. In 1833 werd hij in Rome in de Sint-Jan van Lateranen priester gewijd. Vanaf 1842 was hij pastoor in Oudenbosch, waar hij actief was in de katholieke emancipatie die vanaf het begin van de negentiende eeuw van de grond begon te komen. Tegelijkertijd was ook een proces van eenmaking van Italië op gang gekomen, de Risorgimento (herrijzenis’), die politiek begon met het Congres van Wenen (1815). Het proces kwam pas goed op gang in 1820 met opstanden in Napels en Piëmont. In 1861 werd de Italiaanse staat uitgeroepen, met eerst Turijn en later Florence als hoofdstad. In 1866 kreeg de jonge staat Venetië in handen dankzij een bondgenootschap met Pruisen tegen het Keizerrijk Oostenrijk. De grote Pauselijke Staat deelde toen het land nog doormidden deelde, wat tot constante spanningen en gevechtshandelingen leidde. In 1860 had paus Pius IX een oproep gedaan aan de gehele katholieke wereld om jonge, ongehuwde mannen te sturen om hem bij te staan bij de verdediging van zijn grondgebied. In de jaren 1861-1870 streden de Pauselijke Zoeaven om de Kerkelijke Staat te verdedigen, maar uiteindelijk zou in 1870 de Italiaanse eenheid tot stand komen en van de Kerkelijke Staat slechts Vaticaanstad resteren. In Nederland was pastoor Hellemons zeer actief in de werving van Nederlandse vrijwilligers voor het Zoeavenleger. Tussen 1864 en 1870 zouden ongeveer 3.000 Nederlandse katholieken in Italië in dat leger hebben gevochten; pastoor Hellemons verkreeg er de bijnaam ‘zoeavenpastoor’ door. Het kreeg ook direct het plan om de strijd te ondersteunen door als blijvende herinnering aan de Nederlandse zoeaven in Oudenbosch een nieuwe parochiekerk bouwen, de Basiliek van de H.H. Agatha en Barbara. Al in 1864 kreeg hij bisschoppelijke toestemming en 1865 kon met de bouw worden begonnen. Pierre Cuypers was de architect van het ambitieuze plan, waarbij de pastoor hem zover wist te krijgen af te stappen van zijn vaste neogotieke stijl en een neobarokke kerk te ontwerpen. Mede-architect was G. J. van Swaaij. De kerk was een verkleinde uitgave van de grote Sint Pieterskerk te Rome, met een herdenkingsbeeld voor de gevallen zoeaven op het voorplein. De voorgevel en het schip werden een kopie van zijn geliefde kerk van Sint-Jan van Lateranen. Niet voor de binnenkant van de kerk werd veel van de Sint Pieter in Rome gekopieerd, zoals de standbeelden, de Pietà van Michelangelo in gips met geschilderd marmer en het baldakijn boven het altaar.Bij de kerk bevindt zich ook het Nederlands Zouavenmuseum, gevestigd in het oude gemeentehuis aan de Markt, waar naast museale voorwerpen ook een uitgebreide documentatie over de Nederlandse zoeaven wordt bewaard.

Pastoor Hellemons had tijdens zijn studie in Rome belangstelling gekregen voor pastoraal werk onder de jeugd en was bovendien geïnspireerd door de jezuïeten die zich de vorming van jeugd uit betere standen aantrokken. Doel van de oprichting van een congregatie was dan ook vooral dat hij zijn initiatieven voor de jeugd wilde ondersteunen met religieus personeel. Hij had al direct bij zijn aanstelling in Oudenbosch geconstateerd dat ‘de godsdienstigheid hier te wensen overlaat’. Hij meende dat goed katholiek onderwijs daar verbetering in zou brengen. Hij had de zusters gevraagd onderwijs voor de meisjes te verzorgen en voor het onderwijs aan jongens wilde hij de hulp van broeders inroepen. Omdat er daarvan slechts een paar beschikbaar waren huurde hij in 1840 een huisje (Kaaistraat 11) om zelf iets op touw te zetten.De Congregatie der Broeders van Oudenbosch werd dus in 1840 te Oudenbosch gesticht. In mei 1840 meldde zich één interne leerling, maar in oktober 1841 waren er al zestien weeskinderen. Het huisje van de congregatie in de Kaaistraat werd al snel te klein, maar zou later de kiem worden voor het latere internaat Saint Louis. In 1852 werd aan Rome gevraagd de constituties goed te keuren voor een congregatie die genoemd zou worden naar de H. Aloysius Gonzaga. Deze jong gestorven jezuïet was patroon van de studerende jeugd. De congregatie zou als voornaamste doel hebben het onderwijzen en opvoeden van de mannelijke jeugd op basisscholen en in het voortgezet- en beroepsonderwijs. In 1866 nam de congregatie het gebouw Saint-Louis in gebruik, een opvallend gebouwencomplex waarin onder meer een jongensinternaat huisde was gevestigd. Het werd in 1865-1866 gebouwd naar een ontwerp van Theodorus Florschütz en Josephus Boosten, twee broeders van de congregatie. Florschütz was tekenleraar. De gebouwen staan aan een langgerekt plein dat uitkomt bij de bijbehorende Kapel Saint Louis, die erg op de Basiliek van de H.H. Agatha en Barbara lijkt. Ook hier werd de voorgevel gemodelleerd naar die van de Sint-Jan van Lateranen. De neobarokke kapel heeft een koepel, die in 1889 in gebruik kon worden genomen en die ontworpen werd door de architect G.J. van Swaaij, die ook al aan de basiliek had meegewerkt.  Het interieur van de kapel heeft veel monumentaal stucwerk en cassetteversieringen. Het fraterhuis uit 1890 werd ontworpen door Pierre Cuypers in neogotische stijl en in 1923 kwam een eveneens neogotische straatvleugel gereed. Naast de voormalige gebouwen bevindt zich het monumentale kerkhof van de Broeders. Er moeten sinds 1840 vele duizenden jongens aan het Internaat Saint-Louis gestudeerd hebben, aan de eerste grote katholieke kostschool van waaruit in de negentiende en twintigste eeuw aan de katholieke emancipatie werd gewerkt. Velen ontleenden aan de lessen daar hun motivatie om tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet te gaan, zoals Jan Verleun en Gerard Steen.

Aanvankelijk leefden de broeders onder een geïmproviseerde regel die was opgesteld door de stichter pastoor Hellemons. In de loop van de tijd ontstond echter een geschil over de gezagsverhouding tussen de stichter en de apostolisch vicaris van Breda, mgr. Van Hooijdonk. Daarnaast was Van Hooydonk van mening dat de congregatie een uitgebreider takenpakket op zich moest nemen, onder meer door uitbreidingen buiten Oudenbosch te hebben. Dit hoogoplopende conflict werd pas na bemiddeling door bisschop Zwijsen in 1854 beëindigd. Niet verrassend bevestigde die het gezag over de congregatie van mgr. Van Hooijdonk; de stichter werd vakkundig op een zijspoor gezet. In de praktijk leidde het niet tot intensieve bemoeienis met het bestuur van de broeders. In 1887 kreeg de congregatie bovendien grotere autonomie, toen bisschop Leyten zorgde voor pauselijke goedkeuring en de banden met de congregatie losser maakte om te bewerkstelligen dat de congregatie ook buiten zijn diocees actief zou worden. De vestiging in Oudenbosch groeide enorm uit; de congregatie waaierde ook uit over vele kloosters (en instellingen) binnen en buiten de provincie en ging ook al snel internationaal opereren. Al in 1862 werd in Surabaya op Java de eerste buitenlandse stichting in het leven geroepen. Het eerste filiaal in Nederland vestigde men drie jaar later, in 1865, in Roosendaal. In Surabaya werd begonnen met onderwijs aan kinderen van bemiddelde katholieken van Nederlandse afkomst. In 1898 werkten er 34 broeders in het onderwijs. Overigens had de overste van de broeders pas toegestemd nadat hij flink onder druk gezet was door de ook in Oudenbosch gevestigde jezuïeten waarmee de congregatie nauwe banden had. Jarenlang probeerden de broeders de Indische missie met minimale middelen in stand te houden, omdat expansie in Nederland genoeg van hen vergde en de Indische koloniale samenleving bovendien geen goede naam had. Desondanks breidden de onderwijsactiviteiten van de broeders zich uit naar Batavia (1905), Semarang (1911), Bandoeng (1930) en Madioen (1934). Ook wat betreft het aandeel van de congregatie in de missie was er na 1900 een toename: in 1912 werkte één derde van de onderwijzers van de congregatie in Nederlands-Indië, waar ze kweekschool- en lager en middelbaar onderwijs verzorgden, soms met een internaat). Verder hadden ze een weeshuis en gaven les op scholen die waren aangepast aan het Indonesische onderwijssysteem. Na een suggestie van de Witte Paters werd in 1955 een vestiging geopend in het Canadese Aylmer om van daaruit broeders uit te zenden naar Indonesië en nieuwe missiegebieden in Afrika en elders. Via de Witte Paters kwam ook een missie in Tabora (het huidige Tanzania) tot stand en in 1971 een missie in Liberia.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: