CLAUDE MONET IN ZAANDAM 6

Claude Monet (Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926), de Frans impressionistisch kunstschilder, bezocht Nederland drie keer in de jaren 1870-1880. In een eerste reeks van blogs is al bericht over alle schilderijen die Monet in 1874 in Amsterdam maakte (zes blogs), het schilderij dat hij in Zaandam maakte van juffrouw Guurtje van de Stadt (20 oktober 1854 – 5 januari 1936), de drie Zaanse schilderijen van de molen Het Oosterkattegat, de drie schilderijen in het Westzijderveld, in het buitengebied van Zaandam met haar vele molens, pittoreske slootjes en bruggetjes, de vier schilderijen van de Achterzaan, met het groene theehuis en het Parijs aandoende L’embarcadère en de zeven stadsgezichten van de stad die midden in de negentiende eeuw nog helemaal gekenmerkt werd door de typische Zaanse groene houten huizen, molens en oude industriële panden.

Hij maakte ook nog zeven schilderijen waarin de Voorzaan belangrijk is. De Voorzaan is het deel van de Zaan tussen het Eiland, de Prins Hendrikkade en de sluis te Zaandam, ofwel het deel van de Zaan vóór de Dam. Het water was van groot belang voor de Zaanse economie, vooral voor Zaandam. Rond de Voorzaan was een concentratie van de Zaandamse industrie. Het Vissershop was de aanlegplaats van de schepen van de Zaandamse zee- en IJ-vissers, op de Ooster- en Westerhem (het huidige Eiland) stonden vele houtzaagmolens en na de verwijdering van de Overtoom (1718) concentreerde ook de scheepsbouw zich rond de Voorzaan. Voorts werden hier de walvisvaarders uitgereed, terwijl via Voorzaan en Grote Sluis de Achterzaan kon worden bereikt. De open verbinding van de Voorzaan met het IJ had ook een groot nadeel: het havengebied verzandde doordat bij vloed materiaal werd afgezet. De dichtslibbing van de Voorzaan begon al in de late Middeleeuwen. Op soortgelijke wijze verzandde ook de haven van Amsterdam; daar speelde men echter beter in op het dichtslibben van de vaarweg: ieder jaar werden enorme bedragen besteed aan het uitbaggeren van de haven. De Voorzaan is nooit systematisch uitgebaggerd, er waren slechts incidentele pogingen. Al in de 17e eeuw gaf de diepte van het water moeilijkheden: schepen met een diepgang van meer dan 8 voet (2,40 m.) konden de Zaan niet opkomen. In de 18e eeuw namen de problemen verder toe; in 1735 kon de walvisvloot pas laat uitvaren omdat gewacht moest worden op hoog water. De verzanding bedreigde nu daadwerkelijk de economie, ook de scheepswerven werden in hun voortbestaan bedreigd. Daarom namen particulieren het initiatief tot de bouw van een moddermolen. De investeringen waren groot, het resultaat goed. Toch werd er slechts van 1737 tot 1740 gebaggerd, want het kostte Oost- en Westzaandam te veel geld om door te gaan. Daarna ging het werk in een paar jaar weer teniet. In 1780 stond Adriaan Rogge aan de wieg van een tweede poging tot verbreding en verdieping van de Voorzaan, die hij Buitenzaan noemde. Deze poging was iets structureler: er werden een paar kunstwerken opgericht, die het bezinksel op moesten vangen. Geld was weer spelbreker: het uitbaggeren kon niet met regelmaat worden herhaald. Hoewel niet aan is te geven in welke mate de dichtslibbing van de Voorzaan een factor is geweest in de neergang van de Zaanse handel en nijverheid vanaf de tweede helft van de 18e eeuw, is het wel zeker dat de moeilijkere bereikbaarheid van de streek daartoe heeft bijgedragen. De verzanding ging tot 1870 (bouw van de sluizen bij Schellingwoude) door. In dat jaar werd het IJ, en daarmee de Voorzaan, van de Zuiderzee afgesloten. In de daarop volgende jaren volgden de aansluiting op het Noordzeekanaal en de verlegging van de loop van de Voorzaan.




Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: