DE FAMILIE KEGGE (8)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (57)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een juffertje en een mijnheer
deel 2

Mijnheer van der Hoogen plaatste zich vervolgens op de hem aangeboden stoel, bracht de duim van zijn rechterhand ter hoogte van zijn rechterschouder, en stak hem door het armsgat van het gebrocheerde vestje, zodat zijne taille fine allerschitterendst uitkwam. Daarop begon hij met een krakende stem tot mevrouw:
‘En hoe maken het Azor en Mimi? Charmante hondjes. Gisteren dineerde ik bij de heer van Nagel; nu, u weet wel dat freule Constance ook een aardig hondje heeft…’
‘Ik weet het heel goed; het is een King Richard,’ zei Henriette, ‘een allerliefst dier.’
‘Niet waar? allerliefst en allercharmantst; maar toch het haalt niet bij Azor en Mimi.’
‘Zou je dat waarlijk denken?’ vroeg mevrouw, met zichtbaar welgevallen.
‘O Mevrouw!’ antwoordde de heer van der Hoogen, geheel opgewondenheid: ‘het scheelt hemel en aarde. Ik kon ook niet nalaten het te zeggen. Freule Constance! zei ik, uw hondje is charmant; maar de hondjes van mevrouw Kegge zijn charmanter.’
Ik had nog zo veel bewijs van leven op het gelaat van mevrouw Kegge niet gezien; met een soort van geestdrift stak zij Azor en Mimi, die bij haar op een tabouret lagen, ieder een klompje suiker toe, en streelde hen dat hun koppen blonken als spiegels.De heer van der Hoogen richtte zich daarop tot Henriette.
‘Ik kan u zeggen, juffrouw Henriette, dat de freule Constance jaloers is van uw maraboe’s; zij heeft u er laatst mee in de kerk gezien. Gisteren zei ze: Van der Hoogen, je kent immers de familie Kegge? Ik antwoordde dat ik de eer had er gepresenteerd te zijn. Nu, zei ze, ik kan je zeggen: ik ben ziek naar de maraboe’s van de freule. Het zijn allercharmantste maraboe’s; daarop volgde een heel gesprek over u.’
‘Waarlijk?’ vroeg Henriette: hare ogen ongelovig tot hem opslaande.
‘Foei, Van der Hoogen! je houdt me een beetje voor de gek.’
‘Dat is ondeugend van je,’ antwoordde Van der Hoogen, als zij glimlachende. ‘Hoor je ‘t, mevrouw? Foei, foei, welke zwarte soupçons!’ Daarop trok hij zijn gezicht in een ernstige plooi en vervolgde: ‘Waarlijk, juffrouw Henriette, het is jammer, heel jammer, dat je die mensen niet ziet. Het is een charmant huis. De freule Constance is waarlijk allercharmantst.’
‘Ik weet niet, Van der Hoogen! maar ik geloof stellig dat er iets bestaat tussen u en die freule Constance!’ merkte Henriette aan. En zij lichtte haar kleinen wijsvinger op, en zag hem met alle mogelijke coquetterie in de ogen.
De heer van der Hoogen had er, wed ik, zijn mooie handschoenen voor willen verbeuren, indien hij had kunnen blozen. Maar zijn blos was – wie weet waar?
‘Al weer foei!’ hernam hij, ‘dat is nu toch niet edelmoedig, juffrouw Henriette!’ En hij lei de hand zeer gemoedelijk op zijn gebrocheerd vest; ‘ik verklaar u op mijn woord van eer, dat al wat men daar misschien van fluistert – onwaar is.’
Hij liet een korte geheimzinnige pauze volgen; daarna ging hij voort: ‘Ik mag de freule Constance heel gaarne; zij is waarlijk aller-charmantst; maar… ik heb geen plans, in ’t geheel geen plans. En wil je weten waarom zij mij juist gisteren zo beviel?’
‘Welnu?’
‘Omdat zij zich zo aan u interesseerde.’ En hij sloeg de ogen liefelijk neder.
‘Inderdaad, ondeugd?’ plaagde Henriette; ‘je zoudt me waarlijk nieuwsgierig maken, indien ik het worden kon!’
‘Zij vond uw voorkomen zo bijzonder lief en interessant,’ zei Van der Hoogen, ‘en ze had zó veel van uw spelen gehoord.’ En zich tot mevrouw Kegge kerende: ‘Lieve mevrouw! verenig u toch met al wat in de stad smaak heeft, om uw dochter te bewegen haar woord te houden.’
‘Dat behoeft niet meer!’ zei Henriette glimlachende: ‘alles is bepaald: ik speel vrijdag.’
‘Charmant, charmant, allercharmantst. Dat zal freule Constance verrukken. Dat zal een sensatie in de stad geven. Een groot stuk, hoop ik…’
‘Ik ben nog niet gedecideerd,’ antwoordde Henriette: ‘wil de heer van der Hoogen mij eens helpen kiezen? Zullen wij de piano eens openmaken?’
‘Gaarne, dolgaarne.’
‘Maar gij moet reflecties maken.’
‘Onmogelijk! onmogelijk!’ riep Van der Hoogen. Daarop sprong hij van zijn stoel, bracht zijn hoed in een hoek van de kamer, waar hij hem zo voorzichtig neerlegde, alsof hij een uitgeblazen eierschaal geweest was, ontblootte zijn sneeuwwitte handjes en nagels coupés à l’anglaise, en hielp Henriette de muziek uitzoeken. Onderdies fluisterde hij half hoorbaar: ‘Dat juffertje De Groot heeft toch een allercharmantst gezichtje!’
‘Wat onbeduidend,’ antwoordde Henriette.
‘Niet waar? dat is de enige fout,’ sprak Van der Hoogen.
‘Saartje,’ hernam Henriette, ‘het is goed dat ik er om denk. Grootmama heeft wel zeer verzocht of je haar een beetje gezelschap zoudt willen houden.’
‘Graag, nicht Henriette!’ antwoordde Saartje; ‘ik ga terstond.’
Ongaarne zag ik de lieve blauwe ogen vertrekken.
209Henriette begon te spelen, en de heer van der Hoogen sloeg de bladen om; maar ik merkte op dat hij er somtijds zo lang mee talmde, dat Henriette, bevreesd dat hij het niet bij tijds doen zoude, zelve hare hand uitstak, waarop hij zich dan haastte die hand te ontmoeten en een allerliefst excuus te fluisteren, of te glimlachen. Over ’t geheel was de houding der jongelieden voor de piano zeer vertrouwelijk.
Intussen zaten aan een klein tafeltje de jonge heren Rob en Adam écarté te spelen om een kwartje, en verminkte kleine Hanna (want deze drie kinderen schenen op te blijven) de platen van een kostbaar boek tot mislukte knipsels.
Ik had nu geen andere conversatie dan mevrouw, die mij vooreerst ophelderde dat de gebeurtenis, die ‘al wat in de stad smaak had verrukken zou’, geen andere was, dan dat Henriette aanstaande vrijdag op het damesconcert een obligaat op de piano zou uitvoeren. De heer van der Hoogen had haar zo lang gebeden, en de directie van het concert had er mijnheer Kegge zo zeer om lastig gevallen, en Henriette speelde ook zo uitmuntend, dat men niet langer had kunnen weigeren! Na deze mededeling begon ons gesprek te kwijnen, en wist ik niets beters te doen, dan haar af te vragen hoe ’t haar in Holland beviel. Zij klaagde daarop steen en been. Het scheen hier te lande koud en nat te zijn; de mensen waren hier stijf en gierig, en altijd bij hun kinderen; de kinderen hadden zoveel kleren aan ’t lijf; en de huizen waren zo tochtig! Maar zij zelf was gelukkig altijd gezond, en de kinderen en Kegge ook, en ook de hondjes.
De heer Kegge kwam thuis en vertelde zoveel nieuws, dat het blijkbaar was dat hij naar de sociëteit was geweest. Er kwam wijn binnen voor de dames, en er werd grog gemaakt voor de heren. De heer Kegge voegde zich bij de piano. Saartje kwam weer beneden en vertelde dat de oude mevrouw lust had om naar bed te gaan. Ik hield mij daarop met haar bezig door tezamen de platen te bezien van een prachtuitgaaf van Lafontaine. Zij wist zo goed welke fabel door iedere plaat werd voorgesteld, en sprak het Frans zo wel uit, dat ik duidelijk bemerkte dat dit eenvoudig burgerdochtertje, dat geen bont mocht dragen, een zeer goede opvoeding had gehad, en misschien ruim zo goed geprofiteerd had, als ik van de schone brunette en haar tweejarig pensionaat verwachten durfde.
Er werd nog een hele poos muziek gemaakt, en mevrouw Kegge sluimerde met haar hondjes in. Zij werd niet wakker voordat de charmante heer van der Hoogen weer op haar was toegelopen, zijn hoofd op de borst had laten vallen, en betuigd dat hij, heer van der Hoogen, de eer had haar dienaar te wezen.
Hij maakte dezelfde plichtpleging voor de jonge dames, en begon nu aan de heer Kegge.
‘A propos’ – zei hij – ‘goed dat ik er om denk. Er presenteert zich eerstdaags een charmante gelegenheid om iets naar de West te verzenden. Een jong mens aan een der bureaux zal zich waarschijnlijk decideren er heen te gaan. Hier geen vooruitzichten voor iemand zonder familie; misschien daar nog een plaatsje als blankofficier; honorable betrekking!’
‘Vooral tegenwoordig!’ merkte de heer Kegge aan, ‘schoon ’t bij ons beter is dan in Suriname. Daar zijn de blankofficiers geheel in verachting. Maar ’t is dwaas; want zo in Suriname als in Demerary zijn de meeste directeurs het zelf geweest.’
Henriette werd vuurrood op deze uitspraak. Welke gevolgtrekkingen kon de charmante heer van der Hoogen niet uit zulk een bekentenis opmaken! Maar de charmante heer van der Hoogen dacht misschien aan zijn eigen vader die, zo als ik naderhand vernam, een logementhouder te Amsterdam was, en met wie hij dien ten gevolge niets meer had uit te staan dan dat hij nu en dan een wissel op hem trok.

Dit item was geplaatst door Muis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: