MARIA DERMOUT – KWAN YIN’S SLANG

Verhaal van de schrijfster Maria Dermoût
Eerder verscheen hier van haar: Het kopje koffie en De slang van Louisa en Dominé Valentijn

De twee vrouwen stonden ieder aan een kant van de hibiscus-haag, die de twee sombere zwaarbeboomde achtertuinen van elkaar gescheiden hield. De haag was glanzend groen in de morgen, en hing vol losse sierlijke roze bloemkelken. Aan de ene kant de blonde jonge vrouw, wat verlept en mager, in een lange witte ochtendjurk, met kousen aan, en hooggehakte schoenen, met keurig gekapte haren, zo ’s morgens in de vroegte al! Aan de andere kant de kleine stokmagere oude halfbloed vrouw – was zij niet een Chinese, met die even scheefgetrokken zwarte kraalogen? – Zij droeg een tot de draad versleten batiksarong en een grove witkatoenen kabaai zonder kant, met veiligheidsspelden gesloten; zij had blote voeten. Haar verkleurde zwarte haren waren strak achterover gekamd, en in een klein knoedeltje gedraaid.
De jonge vrouw zei ademloos: ‘Een slang! betekent dat geen ongeluk? Zegt u het eerlijk! Ik ben bang!’
De oude vrouw zei: ‘Ach wat die slang! Jij bent immers toch altijd bang!’ En zo was het. De jonge vrouw kwam soms zelf in opstand tegen haar eigen angsten voor alles en nog wat, en nu deze nieuwe angst er nog bij! voor slangen!
Zovelen had zij er niet gezien tot nu toe, een paar maal een in de vochtige donkere tuin achter het huis – in een flits – vluchtende naar de rivier, die er vlak langs stroomde. Maar… alsof zij vervolgd werd, begon zij aan slangen te denken, ze te verzinnen, ervan te dromen. En nu was de avond te voren, in het donker – stilletjes – een in het huis gekomen, een volwassen zwart met witgeringde – een vergiftige slang – in de kamer waar het jongste kind lag te slapen, haar liefste kind, dat zo teer was – dat altijd een zorgenkind zou zijn, zei de dokter. De slang werd doodgeslagen, en zij wist niet wat zij erger vond, een levende over een stok, de grond schuifelende slang, of een dode slang, slap neerhangende over bleek dik vocht druppend uit zijn bek, en weg ermee… ‘Niet in de rivier! dan gaat hij weer leven,’ zeiden de bedienden.
Een slang… was dat niet een voorteken…? in de kamer van het kind? als het kind dood zou gaan, wat moest zij dan… dan kon zij ook niet verder leven… Zij wist wel, het ging zo niet goed met haar; het kwam door dit land, dit land vol slangen, dat zij haatte; zij werd hier ziek – wie zou haar genezen?
In het huis naast het hunne woonde een grote Indische familie, jonge mensen met veel kleine kinderen; en in een van de bediendenkamertjes achter de bijgebouwen nog, dicht bij de rivier, huisde een oude vrouw – nènè – de grootmoeder. Voor de kleine kamer onder een afdakje, en in de bomen er omheen, hing het vol bamboezen kooien met al haar vogels. Er was een beo bij, glimmend zwart met een heloranje snavel – dat was haar lieveling – en de hele lange dag was zij met hem bezig. Zij liet hem baden, maakte zijn kooi schoon, voerde hem, nam hem op schoot, en wreef met haar versleten gouden trouwringetje over zijn tong, het enige goud dat zij bezat, daarom kon hij zo mooi praten, en een liedje fluiten! Hij krijste wel eens van woede, als het hem te lang duurde, en pikte naar haar handen, maar dan zei zij: ‘Hoe kan jij nu zo zijn, Beo!’
De bedienden van de buren brachten de oude vrouw een bordje eten, een kopje koffie; maar verder keek nooit iemand naar haar om. Langzaamaan… want de oude vrouw leefde erg teruggetrokken, en op zichzelf; en de jonge vrouw van ‘daarnaast’ was in haar hart verlegen… bloeide er tussen hen beiden een soort vriendschap op, door de hibiscus-haag heen. De jonge vrouw had nooit tevoren zo iemand ontmoet: haar kromme gepraat – want de oude vrouw zou nooit Maleis met haar praten, altijd haar gebroken Hollands, met h’s voor g’s, en g’s voor h’s, de nadrukkelijke jij’s en jou’s, de verkeerde klemtonen – haar kleine grappen, wijze raadgevingen, ellenlange fluisterverhalen over geesten en spoken, door de bloemenhaag heen. Want zoals iemand, die weinig meer praat, wist zij eenmaal begonnen, niet van ophouden.
Eerst had de jonge vrouw gedacht, dat zij medelijden met haar moest hebben, nu wist zij beter; niet zij had wat te geven, zij kwam, en kreeg altijd weer van de oude vrouw, die zo overgegeven rustig was, en moedig, en bereid te aanvaarden, alles te aanvaarden. Zij hoefde haar nooit iets te vertellen of uit te leggen; de oude vrouw wist altijd precies wat er gebeurd was, en had haar oordeel klaar. Zo stond zij ook die morgen, na de avond dat de slang gevangen was, al klaar bij de haag, op haar te wachten.
‘Ach wat die slang!’ zei zij, ‘jij bent immers toch altijd bang. Zal nènè eens met jou praten? Jij weet toch wel, kan niet altijd goed zijn, is ook ongeluk… maar dan weer even goed… kan nooit lang…’ en zij schudde haar hoofd, ‘bang helpt niet. Maar jij moet maar naar waarzegger gaan, als jij zo bang bent – beter te weten maar! Nènè al zo oud, ook veel ongeluk… al veel vergeten weer… mijn man altijd lief voor mij, en toen ineens dood!’
Zij zweeg even, sloot de ogen, en er drupten meteen een paar tranen onder de oogleden uit over de bruine geplooide wangetjes; zij gaf een snikje, snoof even, en opende haar ogen weer: ‘Nènè al zoveel huilen, helpt niet veel…’ zij aarzelde…
Zou zij nu wat over haar gestorven kinderen zeggen, over de kleinkinderen, ook al volwassen mensen, die in het huis woonden, die zich voor haar schaamden, en nooit naar haar omkeken? de achterkleinkinderen, die zelfs niet even bij haar achter in de tuin mochten komen? haar eenzaamheid? haar armoede? Maar dat deed zij nooit, ook nu niet; als een grimas trok een glimlach om haar mond: ‘Als wij maar prettig vinden… of veel houden van… hoeft niet altijd man of vrouw of kind, of jouw vader en moeder, of ander mens… kan wel een dier zijn – of mooi muziek – of lezen in een boek – of naar de bergen gaan – of zomaar langs de weg slenteren en kijken – of altijd werken! werken! werken!… als jij maar prettig vindt, is allang goed!’
De diepliggende scheefstaande ogen fonkelden weer met de oude gloed: ‘Nènè al zo oud, en veel van mijn vogels houden; Beo zo lief voor mij!’ Op het woord lief – legde zij een nadruk met een schokje voorover van haar hoofd.
De jonge vrouw stond stil aan de ene kant van de haag, en luisterde. Het kalmeerde haar, het leidde haar af, zoals altijd.
Maar ineens kwam de oude vrouw weer terug op de waarzeggerij: ‘Zal jij doen wat nènè zegt?’ zij kwam wat dichterbij in de haag staan, en wees gewichtig met een vinger, ‘goed luisteren, thuis niet praten! Jij neemt jouw auto – kinderen niet mee – jij zegt “benede-stad” en in benede-stad zeg jij “klèntèng”. Chauffeur weet wel, klèntèng is Chinese kerk, is altijd open, zo mooi, vol lampen…, zit gróóóte Kwan Yin!’ zij wees ergens omhoog, boven haar hoofd, in de bomen.
‘Jij weet toch wel Kwan Yin?’
En toen de jonge vrouw van ja knikte: ‘Is ook een priester; jij hem wat geld geven, hoeft niet veel! en zeggen: ‘Ik wil met slang van Kwan Yin praten’.
Zij sprak de laatste woorden met een veranderde, vreemde hoge piepstem.
De jonge vrouw trok zich met een ruk terug.
‘Wat?’ vroeg zij, ‘wat bedoelt u?’
‘Onder Kwan Yin is groot gat in de grond – donker – daarin woont slang van haar, mooie slang, zo glad en groen.’ (zij bleef bijna steken in al die g’s).
De jonge vrouw ging nog meer achteruit.
‘Ik ben bang voor slangen, dat weet u wel!’ zei zij hardop en vijandig.
‘Ach!’ zei de oude vrouw, het hoofd schuddend, ‘natuurlijk ben jij bang voor domme slang, hij zal jouw kinderen bijten; maar slang van Kwan Yin niet dom, maar wijs, – staat toch al in de bijbel! – hij zal jou zeggen, of goed, of ongeluk… beter te weten maar!’
‘Kan de slang ook al praten?’ vroeg de jonge vrouw smalend.
‘Ach! natuurlijk niet, maar priester kan toch praten! Hij slang roepen.’ De oude vrouw maakte de beweging van iemand, die zich vooroverbukt, de handen uitsteekt tot bijna op de grond, ‘slang komen, en zo kruipen op zijn armen, en dan rechtop zitten.’ Zij richtte zich op, boog haar stokkerige rechterarm in de elleboog, hield de onderarm recht omhoog, de handen in elkaar en voorover, alsof het de kop was: ‘Zo,’ zei zij, ‘en dan hij zo bewegen, links rechts, rechts links, en de priester zeggen… nènè weet niet, nènè denkt maar, misschien links goed, rechts niet goed, – hoe linker hoe flinker, hoe rechter hoe slechter – toch!’ zei zij trots dat zij dat onthouden had, haar man zei dat altijd, ‘nènè weet niet, maar priester wel weten, hij zal jou zeggen… beter te weten maar heus!’
‘Ik ben bang voor slangen!’ zei de jonge vrouw nog eens, op diezelfde afwijzende vijandige toon. Zij had zich weer geheel in zichzelf teruggetrokken, en stond bleek en wantrouwend aan de ene kant van de haag.
‘Ach Allah!’ zei de oude vrouw, ‘nènè wil jou toch geen kwaad doen.’ Maar zij gaf het nog niet op, ‘als jij niet horen wilt naar slang, priester heeft ook nog stenen hart in twee stukken, zegt ook – ja of neen, – en heel veel stokjes, die hij zo gooit, zoveel links, zoveel rechts… maar laat dan maar, als jij liever niet wilt.’ Het verschrompelde gezicht was ineens zo hulpeloos en verdrietig, en niets dan bruine rimpels, tussen de gave groene bladeren en de roze bloemkelken van de haag.
– Ik kan het niet helpen – dacht de jonge vrouw ongeduldig. In het begin, toen zij dat gezegd had – als wij maar prettig vinden – had zij haar begrepen, was de oude vrouw haar erg na geweest. Nu niet meer.
‘Nènè maar weer naar Beo gaan’ zei zij, ‘hij zo lief voor mij!’ En er was niets van verwijt of zelfbeklag in haar stem; alleen de dankbaarheid om de vogel.

De volgende dagen bleef de jonge vrouw in huis, kwam niet in de tuin. Zij voelde zich onrustiger dan ooit, – ik moet het zelf uitzoeken -dacht zij – een ander helpt je van de wal in de sloot – en – ik ga niet -ik ga toch niét. – Iedere avond zocht zij nu met de bedienden het hele huis door, in alle hoeken en gaten, naar slangen… er was er nooit een. ’s Nachts had zij boze dromen… altijd over een slang. Eindelijk op een dag, tegen de avond, het kleinste kind sliep al, zei zij ineens verbeten – nou goed, dan zal ik gaan – liet de chauffeur roepen, en de auto voorrijden. Haar man was niet thuis.
‘Mogen we mee?’ riepen de grote kinderen.
‘Nee,’ zei zij kortaf.
‘Maar waar ga je dan heen?’
‘Nergens heen.’ De kinderen keken elkaar aan…
Zij ging achterin de auto zitten: ‘Sla maar links af’ zei zij; en pas toen zij op de rijweg waren: ‘De benede-stad.’
‘Waar in de benede-stad?’ vroeg de chauffeur.
‘De benede-stad,’ zei zij nog eens. Zij was zo opgewonden dat alles aan haar scheen te trillen, en dat zij de grootste moeite had stil te blijven zitten. Toen zij in de benedenstad waren, zei zij: ‘De klèntèng!’ De chauffeur haalde ongemerkt zijn schouders op; hij reed langs straten en kleine grachten, waar veel Chinezen woonden. Voor een groot huis met een ommuurde voorhof bleef de auto staan.
‘Klèntèng!’ zei de chauffeur, en wees met zijn duim.
Zij stapte uit.
In de muur was een groot voorportaal om een toegangspoort heen gebouwd; de openstaande poort had een bijna kniehoge drempel. Al het houtwerk was gebeeldhouwd, en rood gelakt, en verguld. Links en rechts, stond op de witte muren een voorstelling geschilderd – hemel en hel meestal – of de hel alleen – het was te schemerdonker om goed te onderscheiden wat.
Toen zij over de hoge drempel heengestapt was, kwam zij op de open voorhof van rode plavuizels, met hier en daar een bloeiend citroenboompje in een bloempot. De tempel stond open; drie grote deuren vlak naast elkaar, waardoor het licht naar buiten viel. Zij kwam haastig naderbij, en bleef toen stokstijf in een der deuropeningen staan… de tempel ontving haar – rustig in de avond – verzadigd van licht en wierook en gebeden, en al het rood en goud.
Op smalle hoge offertafels stonden de offergaven: manden met vruchten, bloemen; celadongroene schalen vol as, waarin rechtop brandende wierookstokjes gestoken waren; geslepen kristallen kommen met goudgele olie en brandende pitten; kaarsen. Het was alles zo kleurig, zo verzorgd, alsof al het goede der aarde daar bijeengebracht was, de glimlachende godin ter ere; die diep achterin de tempel, bijna in het donker op haar lotuskussen zat.
Zij was ontzaglijk, veel meer dan mensengroot. De wijde plooien van haar gewaad om haar heen, het ovale vuurrood gelakte gezicht even gebogen; over het lak waren vegen van goud, hoog op de wangen tot onder de ogen, om de mondhoeken, die het licht vasthielden, en waardoor het leek dat zij glimlachte, een zelfgenoegzame onbeweeglijke glimlach. Links en rechts, dreigend, haar twee wakers – rood en goud. –
‘Zij is veel te groot,’ dacht de jonge vrouw, en zij hield al dadelijk niet van haar.
Toen zag zij voor de godin – hij leek klein in het halfdonker – de kaalgeschoren priester staan, in een geel jak met lange wijde mouwen, over zijn onderkleren heen. Naast hem stond – even klein als hij – een Chinese vrouw uit het volk, gekleed in lange donkerblauwe broek, en kort baadje, hoog aan de hals gesloten; zij had een strakke haarwrong, en zwarte gladgekamde ponies op het voorhoofd.
– Nu zou de priester zich vooroverbuigen, en de slang roepen – de jonge vrouw beet haar tanden op elkaar, zij wilde weglopen, en hield zichzelf tegen met een hand aan de gebeeldhouwde deur geklemd.
Maar neen, de priester nam een bundeltje dunne bamboestokjes op, maakte een buiging voor de godin, en smeet de stokjes met een kletterende slag op de roodstenen vloer. Daarna bukte hij zich voorover, hield de zijkant van zijn hand in het midden, en schoof de stokjes links en rechts daarvan bij elkaar, raapte ze op, scheen te tellen, hoog voor de godin, sprak tot de vrouw. Zij luisterde gretig naar hem, maar toen hij uitgepraat was, schudde zij haar hoofd – zij scheen niet tevreden. – Zij en de priester praatten een tijdlang opgewonden met elkaar. Een keer vouwde de vrouw haar handen, zoals iemand doet, die om iets smeekt, en die – ik bid u – ik bid u – zegt.
– Waarom roept hij de slang niet? –
De priester had van een van de offertafels een grijsstenen voorwerp opgenomen – het stenen hart? – Hij boog weer, en liet het vallen met nog harder slag dan de stokjes. Het viel in twee helften uiteen. Dat scheen toch wel te zijn zoals het wezen moest. De Chinese vrouw keek aandachtig toe, en knikte maar aldoor. De priester raapte het hart op, vouwde het ineen, boog, legde het neer, en sprak nog eens weer tegen haar, langzaam en enigszins vermanend…
– Hij heeft de slang niet geroepen – dacht de jonge vrouw bij de deur. Zij zag de Chinese vrouw geld neerleggen; daarna ging zij weg. Zij kwam vlak langs haar heen, zonder naar haar te kijken, zij had zo’n wonderlijk verrukt en tegelijk geheimzinnig lachje om haar mond, dat de jonge vrouw daarvoor al het andere een ogenblik vergat. Maar zij was meteen verdwenen achter de bloeiende citroenboompjes in het donker.
– Nu is het mijn beurt! – dacht zij. Zij werd weer zo angstig, dat zij blind en doof tussen de hoge offertafels door liep naar de priester. Hij riep de godin aan, heen en weer lopende, zijn armen zwaaiende, – de vuile gele mouwen fladderden in het rond -. Toen de jonge vrouw dichterbij kwam, hield hij ineens op, maar hij zei niets.
‘Kan ik met de slang van Kwan Yin praten?’ Een oude vrouw zei het voor, en iemand zei het haar na, niet zij…
De priester keek haar oplettend aan: ‘Met de slang? neen,’ zei hij ‘dat kan niet’ en schudde zijn hoofd. Hij sprak goed Maleis, zij kon hem niet misverstaan.
‘Kan dat niet? Waarom kan dat niet?’
‘Omdat de slang er niet is.’
Zij was zo verbaasd, dat zij hem met open mond stond aan te kijken. Zou de oude vrouw haar voorgejokt hebben? – neen.
‘Er niet is? Maar er was hier toch een slang? of niet?’
‘Ja, er was hier een slang.’
‘Waar is hij dan nu? is hij dood?’
‘Neen, hij is niet dood, hij is niet meer hier.’
Zij was al haar angst voor de slang vergeten, zij was alleen verbaasd, bijna teleurgesteld, en ook boos. ‘Is hij weg? weggelopen?’
‘Neen, hij is niet weggelopen!’ de priester scheen diep verontwaardigd, ‘hij is op reis gegaan.’
‘Op reis?’
‘Ja, hij is op reis.’
‘Waarheen op reis?’
‘Hij is op reis naar China.’
‘Naar China? hoe kan dat?’
‘Op een schip toch, in een kistje, iemand past op hem, en geeft hem eten onderweg; eerst naar Shanghai, en dan verder.’
‘Maar waarom?’ vroeg zij.
‘Omdat de slang naar China wilde reizen.’
Zij keek de priester aan; hij had onder de kaalgeschoren schedel een rustig gezicht, schrander. Waarom stond hij zo te liegen tegen haar?
‘Hoe wist je,’ vroeg zij, ‘dat de slang naar China wilde reizen?’
‘De slang heeft in de droom tot mij gesproken,’ zei de priester enigszins plechtig.
Zij kreeg een kleur van boosheid; maar weer dacht zij – waarom doet hij dat? – Wanneer de slang gestorven was, of weggevlucht, kon hij het toch zeggen; de mensen die bij hem kwamen in angst en onrust, zouden dat beter verstaan, dan zijn leugenpraat over de reis naar China… meende hij dan wat hij zei? had hij het zo ervaren?
Zij keerde zich om, en liep besluiteloos tussen de tafels vol offergaven – wat deed zij hier verder nog? –
Intussen waren er weer twee Chinese vrouwen binnengekomen: een moeder met een heel jong meisje. Het waren deftige welgestelde vrouwen – leek haar – in die lange, in strenge lijnen geknipte, damastzijden tunieken, hoog aan de hals, tot op de voeten, met lange mouwen, en opzij gesloten, met een openstaande split aan de onderkant dat zij lopen konden. De moeder in het zwart met gele draken doorweven, en kleine gouden filigrainknopen; de dochter in vergeet-mij-nieten-blauw damast met een rij lichtgroene yade knopen. Hun zwarte haren zo strak mogelijk achterovergekamd, in een wrong in een dik zwart net, dat met haarspelden was vastgestoken. Bij het meisje met yade spelden; zij droeg ook yade oorbellen, alsof zij al haar kleinodiën bijeengezocht en aangedaan had.
De jonge vrouw kon zich niet losmaken, zij moest wel kijken; zij waren beiden zo mooi. De moeder van een wat zware vermoeide schoonheid; maar nooit tevoren had zij iemand gezien, zo verfijnd en teder mooi als dit kind… maar tegelijkertijd zag zij, hoe bleek zij was, en uitgeteerd, hoe wankelend zij liep, stijf de hand van de moeder vasthoudende, die haar zachtjes voorttrok, aldoor tegen haar pratende, met een diepe lokkende stem… naar de priester toe… naar de godin toe… die immers barmhartig is…
De jonge vrouw wilde niet storen, en liep van hen weg, en een van de zij-kapellen binnen. De meeste waren niet verlicht; in één hing hoog aan de zoldering een grote geelzijde lampion, waarin een licht brandde. Op een tafeltje eronder stond weer een Kwan Yin – niet rood en verguld – een klein oud donkerbruin houten beeldje, dat op een stoeltje zat; er was haar een wijduitstaand manteltje omgedaan, een vel gewoon effen wit papier, van voor met een grote veiligheidsspeld vastgestoken. Dat gaf haar iets koddig huiselijks en simpels… de jonge vrouw bleef bij haar staan – van haar kon zij wel houden – zij stond daar goed.
En na een tijd was het alsof de bewogenheid, de onrust, en de angst, van vele jaren, langzaam uit haar weg- en opgezogen werden in het gele licht van de lampion en de uitstraling van het witte papieren jasje eronder: haar jongste kind, de man, de andere kinderen, al hun problemen – er waren nog andere dingen – zij was ook haar angst voor slangen, zelfs de kleine ergernis van daarnet vergeten. Niets meer van dat alles… leeg… licht… En na nog weer een tijd, kreeg zij zo’n vreemd gevoel… kwam het door de onzekere geel en witte weerschijn in het kleine vertrek? door de vele wierook? of omdat zij moe was…? alsof zij – even maar – nauwelijks merkbaar – heen en weer zwaaide. Zo weinig, dat zij geen ogenblik dacht het evenwicht te zullen verliezen, of er zelfs maar duizelig van werd… het was geen onaangenaam gevoel… links rechts – rechts links…
Zij was zelf enigszins verbaasd, wat gebeurde er met haar…?
Toen wist zij het – zoals de slang – links rechts – maar bijna niet – zoals de wijzer van een weegschaal – rechts links – bijna in rust. Om dat links en rechts gelijk zwaar zijn – rechts links – goed en niet goed – zoals de grootmoeder van de buren het gezegd had.
Geluk ongeluk.
Duisternis licht.
Leven dood.
Kwaad goed – links rechts –
Tegengestelden… zij wegen even zwaar en even licht… er is een evenwicht.
En met dat grote evenwicht als ondergrond, raakte haar eigen leven ook in een soort evenwicht, stond alles op eenmaal op zijn plaats: haar voelen en denken, haar uiterlijk ook, haar blondheid, de manier waarop zij liep, haar stem, haar onrust en overdrevenheid, en haar aangeboren zachtheid, en tegelijk ook de mensen, de dingen, in haar leven, alles wat zij kende en liefhad, of vreesde, of haatte. En het moest zo zijn! Het stond ook alles met elkaar in verbinding, zij begreep niet goed hoe dat kon, en probeerde ook niet het verder door te denken.
Het was nauwelijks een aanvoelen, maar haar innerlijk wezen werd op dat ogenblik even zo goed beroerd door de Chinese vrouw met de ponies, die haar zelfs niet aangezien had, door de moeder met het beeldschone meisje aan de hand, door de slang die er niet was, en de priester, als door de oude grootmoeder van de buren, en haar allerdierbaarste kind. Waarom was dat zo? Zij wist het niet, maar het was zo. En het gaf haar een gevoel van gemeenschap, dat zij anders zo weinig kende – samenhorigheid. – Zij wist wel dat het geen oplossing was van de moeilijkheden – worden moeilijkheden wel opgelost? of gaan zij alleen voorbij? in een of andere vorm voorbij, – kan nooit lang – waarschuwde de oude vrouw.
Maar dat was niet zo erg, niet zo duister en verwarrend als het haar altijd toegeschenen had.
Op dat ogenblik daar, voelde zij zich een eenvoudig mens met een licht hart, en zij had vertrouwen. Het zou zo wel niet blijven… maar het kon dus zo zijn… dat was genoeg…
Toen zij daarna weer in de tempel terugkwam, waren de moeder en het kind er niet meer; de priester liep heen en weer, met beide handen brandende wierookstokjes zwaaiende, in regelmatige cirkels. Er kwamen zulke dichte wolken rook, dat het grote glimlachende aangezicht van Kwan Yin er langzaam achter verdween. Hij was zo verdiept. Wat vroeg hij van de godin?
Een kalme zee voor de slang? voor de vrouw met de ponies haar kortstondig geluk? voor het meisje dat zo schoon was, licht te kunnen sterven? voor de moeder haar lief te mogen hebben over dood en leven heen? Vroeg hij voor haar nog iets?
En mededogen voor een gehele lijdende mensheid?
– Zal ik naar hem toegaan, en zeggen ‘de slang heeft ook tot mij gesproken’ – dacht zij. Maar neen! zij nam wel haar beurs uit haar tasje, en legde alles wat er in was in een bakje op een van de offertafels, dan kon de priester een nieuw geel jak kopen, dat leek haar erg nodig. En zonder om te zien, liep zij de tempel door naar buiten – het was nu geheel donker op de voorhof; zij liep langzaam en voorzichtig tussen de bloempotten door – de citroenboompjes geurden – en stapte over de hoge drempel van de ingangspoort in het voorportaal, waar zeker rechts de hel was, en links de hemel, zoals het behoort.

Advertentie
Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: