JACQUES PERK – EENE HELLE- EN HEMELVAART 1

In 1879 bezocht Jacques Perk de Belgische Ardennen en bezocht daarbij de grotten van Han-sur-Lesse nabij Rochefort, waar hij de Franstalige schoonheid Mathilde Thomas leerde kennen. Hij werd smoorverliefd op haar, met een bijna goddelijke verering. Thuis werd het de inspiratie om zich op het dichten te werpen. Hij ging Mathilde in verzen herscheppen, in een reeks van honderd sonnetten, die hij onder de titel Mathilde, een sonnettenkrans wilde doen uitgeven. Een selectie daaruit werd echter nergens geplaatst. In 1880 begon hij een rechtenstudie in Amsterdam en leerde daar de jonge dichter Willem Kloos kennen. Die was in alles zijn tegenpool, maar er ontstond toch een intieme vriendschap tussen beiden. In oktober 1880 werden eindelijk ook vier van zijn Mathilde-sonnetten gepubliceerd in Spectator van Carel Vosmaer, twee weken later gevolgd door vijf ervan in Nederland van Jan ten Brink. Samen met Kloos ondernam hij in 1880 een reis naar Brussel en La Roche, waar Perk een jaar tevoren vijf zulke bijzondere dagen met Mathilde had doorgebracht. Hij hoefde de echte Mathilde echter niet meer te zien; het beeld van de goddelijke vrouw had in zijn poëzie haar plaats ingenomen. Bij het huwelijk in 1881 van zijn zuster Dora ontmoette Perk de zuster van de bruidegom, Joanna Blancke. Hij begon nu aan haar hartstochtelijke brieven te schrijven en probeerde zijn Mathilde-cyclus te herscheppen met Joanna voor ogen. Maar hij moest die poging opgeven, want Joanna begon een eigen plaats in te nemen in zijn dichterlijk én menselijk gemoed. Joanna bleek echter verloofd. Die verloving maakte ze kort daarna uit, maar voor Perk leek Joanna in haar eenzaamheid weer een onbereikbare liefde. Hij probeerde de kloof te dichten met zijn poëzie, in de hoop haar alsnog voor zich te winnen. Eind 1881 publiceerde hij in de Spectator de cyclus Eene helle- en hemelvaart, waarin hij een aantal sonnetten uit de Mathilde-cyclus opnam, omgewerkt voor Joanna. Kort daarna, in september 1881, werd Perk ziek, na een roeipartij op de Amstel, waarna hij nog lang met natte kleren was doorgelopen. Op het moment van zijn overlijden hadden diverse gezaghebbende literatoren (onder meer Alberdingk Thijm en Vosmaer) hem geroemd. Vosmaer vergeleek hem in de Spectator zelfs met Dante.

In het tweede blog laten we deze sonnetten uit Eene helle- en hemelvaart zien. In dit blog gaat het over de inleiding bij de cyclus. Perk schreef hierin: ‘Eens heb ik de grotten van Han en Rocfort bezocht. Toen die ondergrondsche wereld mij aangreep en mijne gewaarwordingen naar uiting streefden, rijpte de gedachte gindschen nacht te bezigen ter verzinnelijking van een leven, waarin de schoonheid zich nooit openbaart. Toenmaals ontstond de grootste helft van dezen krans. Het eerste sonnet is eenigermate een Prooimion. De Jonkvrouw, de machtige Schoonheid verschijnt even: δεινὴ Θεòζ Hierdoor weet de lezer wie beöogd wordt, wanneer in volgende sonnetten de naam Joanna wordt genoemd. Deze naam is gekozen en omdat er voor den dichter blijde gedachten aan zijn verknocht en omdat hij zoet klinkt. Hij roept zoowel de zuster van Dido in het geheugen, als de Joanna, welke de Beatrix van Dante in zijn ‘Vita Nuova’ ter gezellin strekte. Ook de beteekenis van dien naam had op de keus invloed. Bovenal echter de zilveren klank. Wanneer men zich er niet tegen verzet, moet men, om dien naam te noemen, de lippen eerst spitsen tot een kus en voorts tot een glimlach plooien, alsof een onverhoopt geluk te beurt viel. Nog zweemt Joanna naar Hosianna, welk woord iets plechtigs bezit. Zoo door klank, beteekenis als daaraan verbonden heugenissen, dunkt mij dat deze naam – die daarbij geheel Europa door, hetzij Giovanna of Jwanna gespeld, eender wordt gesproken – in het akkoord van een sonnet niet wanklinkt.’

Een tekst die vandaag de dag slechts met enige moeite en na wat speurwerk te begrijpen. De vanzelfsprekendheid waarmee Perk en tijdgenoten strooiden met Griekse en Latijnse woorden en zinnen, het gemak waarmee ze verwijzen naar historische teksten en figuren die algemeen bekend werden verondersteld, die tijd ligt ver achter ons. Het eerste sonnet is een prooimion, merkt Perk op. Slechts The Oxford Dictionary of Byzantium weet opheldering te geven: (προοίμιον), preamble or introduction to a document, letter, or literary work, often imitating a classical model’. Gewoon een inleiding dus.

Die Joanna is natuurlijk voor Perk een verwijzing naar zijn nieuwe platonische heldin, maar dat zal voor de lezers van deze uitgave niet duidelijk zijn geweest. Voor hen werd verwezen naar de zus van Dido en de Joanna die Dante’s Beatrix in een van zijn boeken vergezelde. Koningin Dido van Tyrus is een van de hoofdfiguren uit de Aeneis van Vergilius en volgens de legende de stichteres van Carthago. De naam Dido is afkomstig van het Oudgriekse Deidṓ wat ‘zwerfster’ betekent. Zij had een zus die Anna heette en haar broer heette Pygmalion. Volgens het verhaal was Dido en haar echtgenoot uit Tyrus gevlucht, weg van haar broer, de koning van Tyrus, die jaloers was op hun geluk en liefde. Bij de vlucht kwam Dido’s echtgenoot om het leven. In het nieuwe land aan de kust van Noord-Afrika weet ze een nieuw leven op te bouwen en zeer welvarend te worden. De koning in her gebied doet haar een huwelijksaanzoek, maar ze weigerde ze beleefd; ze was immers een weduwe en wilde haar overleden man trouw blijven. Door toedoen van de godin Venus werd vervolgens verliefd op de Griekse held Aeneas, die uit Troje gevlucht was. Ook nu wil ze eerst niet toegeven aan deze gevoelens omdat ze haar overleden echtgenoot trouw wil blijven. Haar zuster Anna weet haar te overreden toe te geven en haar hart te volgen. Tijdens een jacht werden deze twee overvallen door een regenbui die hen dwong samen in een grot te gaan schuilen. Hier hadden ze voor de eerste keer geslachtsgemeenschap. De god Mercurius dwingt Aeneas echter zijn geliefde Dido te verlaten. Dido schakelt haar zus Anna in, die moet proberen Aenaes om te praten en e laten blijven. Diens oren worden echter steeds door een godheid dichtgehouden, zodat Anna’s woorden niet tot hem doordringen. Ondanks zijn liefdesvertrek volgt Aenaes her bevel van Mercurius. Na deze mislukte poging moet Anna voor Dido een brandstapel voorbereiden met alle spullen erop die Aeneas heeft achtergelaten. Dido zegt dat het voor een ritueel is om de liefde voor Aeneas uit te wissen. Anna voert haar opdracht uit. Later die nacht, als Aeneas al vertrokken is, moet Anna de brandstapel aansteken. Later hoort zij dat Dido zich op de brandstapel in het zwaard heeft geworpen. Zij komt toesnellen en bejammert haar dood en haar eigen aandeel in die dood. Ze laat water brengen en begeleidt Dido tijdens haar laatste adem.

Het verhaal van Dido is dankzij Vergilius zo beroemd geworden dat het veel kunstenaar heeft geïnspireerd. In de 14e eeuw plaatst Dante Alighieri haar in zijn Goddelijke Komedie in de tweede kring van de hel, waar de wellustigen in een eeuwige wervelwind gevangen zitten. Dante wordt in zijn gedicht overigens door hel en vagevuur rondgeleid door Vergilius. De Florentijnse dichter Dante Alighieri schreef in 1292-1293 het boek Vita Nuova (Het nieuwe leven) dat bestaat uit 31 gedichten: 25 sonnetten, 4 canzones, 1 ballade en 1 stanza. Deze gedichten worden door relatief korte prozateksten met elkaar verbonden. Het zijn allerlei gedichten die Dante in de voorgaande jaren had geschreven over zijn geliefde, Beatrice Portinari. Ze was de dochter van een rijke koopman uit Florence, die in 1266 werd geboren en overleed in 1290. Dante had haar ontmoet tijdens zijn jeugdjaren. Ze woonde vlakbij. Er werd gezegd dat hij als jongeling Beatrice en haar moeder soms volgde naar de mis. Gewoon, om haar te kunnen zien. Omdat zowel Dante als Beatrice werden uitgehuwelijkt (wat toen traditie was in zakenfamilies), behoorde een relatie, laat staan een huwelijk, niet tot de opties. Toen Beatrice trouwde met een rijke koopman en naar een verafgelegen stadsdeel van Florence verhuisde, werd het voor Dante onmogelijk om haar nog (vaak) te zien. De weinige ontmoetingen met haar moeten evenwel een enorme indruk op hem hebben gemaakt. Uit zijn gedachten is ze in ieder geval nooit verdwenen. In zijn De Goddelijke Komedie mag zij hem begeleiden door het paradijs. In Vita Nuova komt de passage voor ‘I saw lady Joan and lady Bice, coming towards the spot I was at, one wonder past another wonder.’ De Engelse schilder Henry Holiday maakte in 1883 een schilderij van deze vluchtige ontmoeting, waarbij Joan (bij Dante Jwanna geheten, wat inderdaad Joanna betekent) de begeleidster is van Beatrice.

Opmerkelijk: bij Dante mag de geliefde Beatrice hem door het paradijs vergezellen, bij Perk vergezelt gezien de titel de titel de geliefde Joanna hem door hel en vagevuur. Zowel her verhaal over Dido en Beatrice gaan over ongelukkige en/of onvervulde liefdes, een treffende vergelijking die Perk gevonden heeft met ‘zijn’ Joanna en Mathilde.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: