JACQUES PERK – EENE HELLE- EN HEMELVAART 2

In 1879 bezocht Jacques Perk de Belgische Ardennen en bezocht daarbij de grotten van Han-sur-Lesse nabij Rochefort. Das is een stelsel van onderaardse grotten, die zijn ontstaan door de rivier de Lesse, die een deel van de Boineheuvel (van kalksteen) uitgesleten heeft. De rivier verdwijnt over ongeveer 1100 meter (in vogelvlucht) onder de grond, maar ze doet wel 20 uur over deze afstand. Het geheel staat bekend als een van de grootste grottencomplexen van Europa. De grotten van Han vormen voor zover bekend al sinds de 18de eeuw een toeristische attractie. Traptreden en goed begaanbare paden zouden pas later hun intrede doen, dus of de tocht door de grotten beviel was erg afhankelijk van de conditie van de wandelaars. De verlichting in de grot geschiedde aanvankelijk door fakkels, elektrische licht deed in 1897 zijn intrede in de grot. De toeristische wandelroute door de grotten werd meerdere malen gewijzigd. Rond 1860 werd besloten om de route, die aanvankelijk begon met een tocht in een bootje, om te draaien, zodat het boottochtje nu de afsluiting van de tocht vormde. Met kanonschot. In deze schilderachtige natuur, met prachtige rotspartijen, beekjes, bergen en kasteelruïnes, brachten Jacques en zijn familie vijf dagen door. Hij had er de Franstalige schoonheid Mathilde Thomas leren kennen, op wie hij smoorverliefd werd, met een bijna goddelijke verering. Thuis werd het de inspiratie om zich op het dichten te werpen. Hij ging Mathilde in verzen herscheppen, in een reeks van honderd sonnetten, die hij onder de titel Mathilde, een sonnettenkrans wilde doen uitgeven. Een selectie daaruit werd echter nergens geplaatst. Aan de gevestigde literatuur was Perks moderne lyriek met haar krachtige levensgevoel en sterk individualistische inslag (“De Godheid troont…diep in mijn trotsch gemoed.”) nog niet besteed. Een regel die wel eens ten grondslag ligt aan Kloos’ onvolprezen Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten. Kloos zou later zorgen voor de uitgave van de sonnettenreeks. Eerder was een tiental sonnetten onder de naam Eene helle- en hemelvaart al in De Spectator verschenen, waarin Mathilde is vervangen door een andere, even onbereikbare liefde, Joanna. In een eerder blog is het voorwoord van de sonnettenkrans al besproken.

.
Sanctissima virgo
‘Eüπλóϰαμος, αύδήεσσα

’t Was bladstil, en een lauwe loomheid lag
En woog op beemd en dorre weî, die dorstten;
Zwaar zeeg en zonder licht een vale dag
Uit wolken, die gezwollen onweêr torsten.

Toen is het zwijgend zwerk uit-een-geborsten
En knetterende donders, slag op slag,
Verrommelden en gromden. Vol ontzag
Look ik mijne oogen, die niet oogen dorsten.

Een schelle schicht schoot schichtig uit den hoogen
En sloeg mij. Ik bezwijmde… ontwaakte en zag
De lucht geschraagd door duizend kleurenbogen.

Daarboven, in een kolk van licht te pralen,
Stond reuzengroot de Jonkvrouw, en een lach
Voelde ik van haar verengeld aanschijn stralen.

Intrede
Nunc animis opus, Aenea nunc pectore firmo

Steil rijst de rots, en braam en stekelwisch,
Die hatende aan heur breede flank zich kleefden,
Behoeden daar een poel van duisternis,
Waar om ze een doornenkrans van weedom weefden.

Gelijk te middernacht een rosse smids’,
Zoo zoekt die muil – waar nacht en stilte zweefden
Om uit te wellen – nu het uchtend is,
Den blik, die ijst voor waar nooit zielen leefden.

’t Is of die opgespalkte wolvekaken,
Die zwelgen willen al wat lieft en leeft,
Den dood met vunzigkillen adem braken.

Zooals men voor een donkre toekomst beeft,
Beef ik; ik wil, wil niet dien nacht genaken…
Ik ga… en nergens is wat lichtgloed geeft.

Nedervaart
Nύξ ὀλοὴ

Sola sub nocte

Gelijk wen sluiers zweven om de maan
En ’t zwerk de duizend oogen houdt gesloten,
En al wat kleur had die is kwijtgegaan;
Een spooknacht uit den hemel is gevloten…

Zoo is het daar, waar men geen blik kan slaan
Op iets dat is, en blindheid is gesproten
Uit duisternis, waar men zich voelt bestaan
En niet, en vingers tegen steen laat stooten.

De voet, die volgt, staat hooger dan die treedt
En de onbezielde stilte wijkt ter zijde,
Terwijl ik, of hier wanden zijn, niet weet.

De zool, die zinkt en zuigt, baart, waar ik glijde,
Een doffen smak en angstig, klam van zweet,
Is daar een koude wand, dien ‘k tastend mijde.

Fakkelglans
Subita trepidus formidine

Hier is het lachend morgenrood een logen
En ’t leven en ’t genot! – Langs steenen bochten
Komt uit de verre diepte een licht gevlogen
(Gelijk een glimvlieg) en teelt wangedrochten.

Al wilder wordt de vlam: in gloênde bogen
Golft bloedig licht door ’t gapend hol der krochten
En doet hun duister zien aan duizlende oogen,
Die gruwen voor wat dood en stilte wrochtten.

Nu trilt mijn schaduw langs de grauwe wanden,
Nu sjirpt de heesche nacht daar in den hoogen,
Waar ’t grimmelt aan des helschen hemels randen

Van wie daar fladdrend kleven aan de togen…
Joanna mijne! ik zie uw beeld mij wenken
En moet aan u, geluk en liefde denken!

De grotstroom
Res alta terra et caligine mersae

Het breed gewelf, door rossen gloed beschenen
Is ruig van stugge pegels, grauw en goor,
Die weenen, weenen, duizend eeuwen door
En tot het eind van duizend eeuwen weenen.

En ’t kromt zich over warrelrotsen henen
Waar elke traan, die viel, een traan verkoor
Om tot albast te worden en ten schoor
Aan nieuwe smart, die kegels wordt en steenen.

En daar, waar zonnestraal nooit in kon dringen,
Waar nooit het oog der toorts een bodem zag,
Schijnt kermend zich een reus in boei te wringen.

Wat of dat klotsen toch beduiden mag,
Dat jammeren, dat de echoos ondervingen?
Uit diepte en afgrond stijgt een eindloos: ‘ach!’

De holle berg
Eμὲ δέ χλωρòν δέος ᾕρει

– ‘Joanna!’ – Op een dennenwoud van rotsen,
Wier top mijn langste schaduw niet genaakt,
Is ’t of een sombre reus zijn hel bewaakt
En, wat zich roert, dreigt met granieten knotsen.

Geen einde links, geen rechts; het duister braakt
Góre gevaarten; eeuw’ge tranen trotsen
Alleen de stilte en dood; de harstoorts kraakt;
De voet doet kei op kei in d’afgrond klotsen.

De starrenlooze hemel, holle berg:
Een leegte, die zich rondt in ’t néderwelven:
Een leeuwenmuil, oneindig opgesperd.

Daar grimmen tanden hier en in de vert’…
Joanna!… Koude huivert mij door ’t merg
En ‘k voel een duiz’ling mij een afgrond delven.

Het rijk der tranen
Horret meminisse

Een waterval, gestremd in ’t vallen, boomen,
Verstijfd bij ’t wortlen in de holle schacht,
En schepselen van duizend nare droomen…
’t Is alles dood en steen en ijs en nacht.

De geest der hel, die dit heeft voortgebracht,
Doet vloek en klacht door leêge stilte stroomen:
Gij, rijk der tranen, waar de dood slechts lacht,
Baart angst en niet der schoonheid huiv’rend schromen.

Leen ik mijn ziel aan u en leef uw leven:
Ik ben ontzield; gij hebt mij stug en wreed
Op mij terug en dus tot haat gedreven.

Joanna! U belijde ik hóe ik leed:
Ik haatte, omdat ik liefde niet kon geven
En wilde minnen, daar ik dichter heet!

Dag
Zώειν ϰαὶ ὅρἇν φὰος ἠελίοιο

En over ’t wak van pek, dat schijnt te schragen
Het hol gewelf, waar langs een doodendans
Van fakkelglansen spookt, voel ik mij dragen
Door wagglend hout. ’t Licht dooft. ’t Is duister thans.

Nu drijft de kiel waar een albasten trans
Zóo rijst, als zinkt het diep der waterlagen…
En uit de verte lokt een maanlichtglans,
Een troost van medelij voor wie vertsagen.

Een kreet van levenslust dringt uit het hart
En duizendwerf, tot in het hart der aarde,
Weêrgalmt hij door het doodenrijk der smart…
Dáar is het licht, het leven, liefde en lust.
’t Is of ik ’t alles nooit voorheen ontwaarde:
De traan wordt lach en de onrust zoete rust.

Hemelvaart
Est deus in nobis

De ronde ruimte blauwt in zonnegloed
En wijkt ver in de verte en hoog naar boven:
Mijn ziel wiekt als een leeuwriklied naar boven
Tot bóven ’t licht zij lichter licht ontmoet.

Zij baadt zich in den lauwen aethervloed
En hoort met hosiannaas ’t leven loven;
Het floers is wèg van de eeuwigheid geschoven
En godd’lijk leven gloeit in mijn gemoed.

De hemel is mijn hart en met den voet
Druk ik loodzwaar den schemel mijner aard’,
En nederblikkend, is mijn glimlach zoet.

Ik zie daar onverstand en zielevoosheid…,
Genoegen lacht… ik lach… en met een vaart
Stóot ik de wereld weg in de eindeloosheid.

Δeinh ΘeoΣ
Olla

Met weekblauwe oogen zag de oneindigheid
Des hemels naar den donzen rozenglans,
Waar Zij in daagde: een breedgewiekte krans
Van zielen had zich ónder haar gereid.

Een geur van zomerbloesems begeleidt
Den zang der zonnen – duiven – die heur trans
Doorglóren in eerbied’gen rondedans
Om haar, wier glimlach sferen groept en scheidt.

‘Schoonheid, o, Gij, Wier naam geheiligd zij,
Uw wil geschiede; kóme Uw heerschappij;
Naast U aanbidde de aard’ geen andren god!

Wie éenmaal U aanschouwt, leefde genoeg:
Zoo hem de dood in deze stond’ versloeg…
Wat nood? Hij heeft genoten ’t hoogst genot!’ –

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: