JACQUES SAMUELS

62e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Jacques Salomon Samuels (Paramaribo, 19 september 1859 – Paramaribo, 17 maart 1939) was onderwijzer van beroep en schoolhoofd op Berlijn in het district Para. Hij werd geboren in een joodse familie. Nadat hij het examen voor onderwijzer had afgelegd, werd hij assistent bij J.J. van Meerten en in 1886 hoofd van een school te Berlijn, een dorp in het district Para. Berlijn was een voormalige houtgrond- en suikerplantage aan de bovenstroom van de rivier Para. Daarna bracht hij enige tijd door in Berbice door.  Berbice was een Nederlandse kolonie aan de noordkust van Zuid-Amerika, die in de 17e en 18e eeuw onderdeel was van Nederlands-Guiana. Dat was de verzamelnaam voor alle Nederlandse koloniën op de zgn. Witte Kust van Guyana (de kust van de Orinoco tot de Amazone. Van deze zes koloniën bleef uiteindelijk alleen Suriname Nederlands; de rest werd door de Britten veroverd en in 1831 samengevoegd tot Brits-Guiana. In Berbice was Samuels horlogemaker. Later keerde hij terug naar Suriname en werkte daar als boekhouder en goudhandelaar. Blijkbaar was Samuels een man met veel talenten, want hij speelde toneel bij het genootschap Thalia, waarvan hij ook bestuurslid. In 1900 zou het gezelschap zijn eerste toneelstuk opvoeren: Te laat, of De wraak van een boer. In de jaargang 1904 publiceerde hij een reeks ‘Schetsen en typen uit Suriname’ in het dagblad De Surinamer. Dat was een krant die vanaf 6 januari 1894 twee keer per week werd uitgegeven door de katholieke missiedrukkerij. De krant, die bekend stond als conservatief en gezagsgetrouw, voerde een ideologische strijd tegen de protestantse pers, zoals het Protestantenblad dat het uitzicht tot bestrijding van het ‘catholicisme’ voorstond. In De Surinamer schreef Samuels ook feuilletons onder de schuilnaam Jack. Deze schetsen van Samuels werden in 1946 onder dezelfde titel ‘Schetsen en typen uit Suriname’ postuum uitgeven bij de St. Rafaël Boekhandel als nummer 7 in de ‘Suriname Serie’. Daaraan werden enkele schetsen toegevoegd die hij in 1924 schreef voor het elke zaterdag verschijnende blad De Periskoop. Dat weekblad was in 1924 gestart door Salomon Henri Azijnman (1870-1939), die commies der belastingen en zelfstandig belastingadviseur was. Naast zijn lidmaatschap van het Armenbestuur der Nederlands Israëlitische Gemeente in Paramaribo van 1908 tot 1916 was hij propagandist voor geheelonthouding. In dit blad werd onder anderen aandacht besteed aan het werk van de gebroeders Frederik Paul Penard (1876-1909) en Arthur Philip Penard (1880-1932) en van Frederik Oudschans Dentz (1876-1961. Vanwege de grote concurrentie en zijn slechte gezondheid stopte Azijnman al in 1929 met het uitgeven van De Periscoop en stortte zich op de geschiedschrijving van Suriname.

Foto van her gezin Samuels uit ca. 1912. V.l.n.r.: Estelle, zittend Annie, dhr. en mw. Samuels, Erna op de arm van een Nene, een creools kindermeisje. Dochter Annie Samuels trouwde in 1924 Philip Abraham Samson, die in dat zelfde jaar voor zijn advocatenexamen was geslaagd en een zeer vooraanstaand man binnen de Joodse gemeenschap in Suriname zou worden.

In de bundel ‘Schetsen en typen uit Suriname’ vertelt op een onderhoudende wijze over het alledaagse leven in Suriname in het laatste kwart van de negentiende eeuw en de eerste decennia van de twintigste eeuw. Hij wordt gezien als een belangrijk chroniqueur van zijn tijd. De stukken variëren van volwaardige prozaschetsen met een lengte van zeven pagina’s, tot korte aantekeningen van twee pagina’s. Enkele dagen geleden is één van die schetsen, ‘Mijn eerste begrafenis’, hier al gepubliceerd.In dit verhaal vertelt hij over het heengaan van de moeder van zijn ’nêné’ (Creoolse huishoudster): ‘In het huisje lag op twee schragen de kist, waarin nêné’s moeder, en daarom heen stonden de zoons en andere bloedverwanten van de overledene, met op de borst gekruiste armen, gebogen hoofd en neergeslagen oogen, als in diep gepeins verloren’. Dragers tillen vervolgens de kist het huis uit. Voor de kist loopt de lijkbezorger in gala. Achter de kist lopen de bloedverwanten van het mannelijke geslacht, de oudste voor op, twee aan twee. Allen dragen een bradihatti (brede hoed) waardoor de gezichten bijna niet te zien zijn. Dan volgen vrienden, buren en de vrouwen die allemaal in het wit gekleed gaan. De vrouwelijke bloedverwanten dragen als teken van rouw op hun hoofddoek een klein in vieren gevouwen servetje gespeld en houden hun handen in een witte omslagdoek verborgen. Dan beschrijft Samuels de ‘markeer den pas’: ‘bij elke brug of bij elken omzwaai, is eene gelijkmatige verwisseling der voeten als bij het loopen, zonder dat de voorwaartsche beweging volgt, of zooals Boer Teunis het zou uitleggen: ‘met kleine stappen loopen zonder dat je loopt’. Na acht dagen wordt er een dede oso gehouden. Er zijn veel gezichten te zien die niet op de begrafenis waren; dédéhosotata’s, piraten die elk sterfhuis bezoeken. Samuels noemt als voorbeeld ene Sjoeber, Pa Bréatora, Ba Sjaki en Ba Priorie. De gasten worden rijkelijk voorzien van ‘gebakken koorn met pinda’, koek, chocola, koffie, brandewijn, jenever en likeur. Tussendoor worden anansitories verteld. Pas om vijf uur in de morgen wordt door de gasten afscheid genomen.

De Suriname-kenner Michiel van Kempen merkte in zijn ‘Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur’ op dat Samuels’ schetsen meer literaire pretentie hebben dan een journalistieke registratie van feiten, al is het geen fictioneel proza Hij zei verder in zijn beschrijving van het boek: ‘Jacq. Samuels is in zijn proza een typische representant van de lichtgekleurde bovenlaag van de maatschappij, die zich sterk associeerde met de Nederlandse cultuur. Hij stelde er blijkbaar ook een eer in zichzelf een vertegenwoordiger van het blanke ras, een bakra, te noemen. ‘In deze tijd zou hij zich zeker een Surinamer noemen’, tekende Thea Doelwijt in 1974 daarbij aan. Samuels’ ideologische perspectief impliceert dat hij met geamuseerde verbazing kijkt naar alles wat vreemd is aan zijn klasse. De beschaving van de bosnegers staat in zijn ogen ‘zeer laag’. Zijn woordkeuze in een beschrijving van een bezoek dat een grootopperhoofd aan de stad brengt, laat daarover geen twijfel. Hij spreekt over diens lendenlapje ‘dat veel overeenkomst heeft met de vlag van een zekeren kleinen Staat in de Stille Zuidzee’ en zijn reuk zou het winnen van die van een buidelrat wanneer er een wedstrijd werd gehouden. Ook de Brits-Indiërs worden als exotische objecten in beeld gebracht, maar in het portret van ‘Samie als economist’ doorziet hij ook de maatschappelijke opgang die de hindostanen met ijver, hard werken en een goed geldbeheer zullen maken. Opmerkelijk is voorts het vroege portret dat hij van een chinese winkelier geeft in het stuk ‘Foke’; hij zegt dan wel dat het hem onmogelijk is de persoon van de chinees te beschrijven, intussen geeft hij een reeks scherpe observaties over een bevolkingsgroep die tot dan toe bij schrijvers buiten beeld bleef.
In zijn stijl wisselt Samuels een warm engagement met de beschrevenen af met korte, soms ironische opmerkingen die een kritische distantie realiseren. Door dit commentaar worden de stukken ook meer dan puur realistische schetsen en verkrijgen ze soms een Hildebrandse humor: ‘Om 8 uur kwamen de menschen; ze verveelden zich heerlijk en om 10 uur sloot ik vensters en deuren en ging ik naar bed, op de vingers tellende dat die verjaarpartij die geen “partij” was mij ƒ24,80 had gekost.’ Samuels is zeer exact in zijn beschrijvingen en wil alleen wel eens wijdlopig zijn in zijn reflecties op het beschrevene. In zijn eerste schets, ‘Een inlandsch bal’, stelt een ik-verteller zich op als een spreekstalmeester die de personen uit de voorstelling een voor een voorstelt. Het stuk brengt een bal van het dansgezelschap Prospérité tot leven, met de band van de klarinet-spelende Baas Koep en de half-Frans sprekende balletmeester. ‘Een vendu’ geeft een satirische kijk op de uitvoerders en het publiek bij een openbare veiling van allerlei door ongedierte aangetaste waren. Samuels heeft verschillende gebruiken van rond de eeuwwisseling vastgelegd, zoals de ‘Kau verjari’ [Verjaardag van een rund], het gebruik om een mooie koe of os versierd en met muziek door de straten te voeren, voordat die geslacht zal worden. Schalks vraagt Samuels zich af of de oranje sjerpen waarmee het dier versierd is, geen belediging voor het vorstenhuis zijn.
In een bespreking in de West-Indische Gids vergeleek W.R. Menkman het boek met Del Curazao que se va (1935) van de Curaçaoënaar John de Pool, over een bloeiende laat-negentiende-eeuwse samenleving die bezig is te verdwijnen. Menkman prees de humor en de goede smaak van Samuels, kende het boek betekenis toe in ‘folkloristisch, ethnografisch en filologisch oogpunt’ en vond dat de Schetsen en typen geschreven waren ‘in een Nederlandsch dat er zijn mag.’
Samuels schreef niet in het Surinaams-Nederlands, al komen er wel heel wat Surinaamse uitdrukkingen in zijn taal voor. Hij was begaan met deze taalvariant die de gemoederen in beweging hield, getuige een bijeenkomst in 1905 ten huize van ‘een onzer zeer geachte ingezetenen’ over de vraag of men wel van Surinamismen mag spreken. Misschien was het debat voortgekomen uit een artikel dat Samuels over het onderwerp schreef. Met het prozastuk ‘Dagoe’ uit zijn Schetsen toonde hij ook zijn inzicht in het ‘Neger-Engelsch’ en dan met name in de etymologie en rijkdom aan samenstellingen van het woord ‘dagoe’ (hond).
Het toneelwerk van Samuels is niet gebaseerd op Surinaamse stof. Te laat, of De wraak van een boer (1900) gaat over de Anglo-Transvaalse oorlog. Op 20 augustus 1901 voerde Thalia zijn toneelspel in vier bedrijven De vrouw op, waarvan het eerste en het laatste bedrijf zich afspelen in Cayenne en de twee andere in New York. Over de plot is niets bekend; volgens een korte recensie was de schouwburg niet vol, maar liep het stuk vlot van stapel. Waarschijnlijk heeft Samuels ook de klucht in één bedrijf Het goede recht (1920) geschreven, ‘verband houdend met de Surinaamsche toestanden en een hartelijk afscheidswoord aan de vertrekkende gouverneur Staal’. Op 24 april 1923 werd nog op een gemengde avond zijn blijspel Columbus, of door drie kwartjes uitgevoerd. De Surinamer oordeelde: ‘Het doet niet onder voor veel tooneelwerk in dit genre, dat geïmporteerd wordt en de vlotte dialoog leverde vaak komische momenten op.’ En dat het Surinamismen-debat nog lang niet was uitgewoed, bleek wel uit de aanmerking: ‘Jammer genoeg, werd het door eenige Surinamismen – à qui la faute? – ontsierd.’

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: