OM TE BEWIJZEN DAT ….. (1)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (62)
EERDERE AFLEVERINGEN

De verguldpartij zou uiterlijk te half zes aanvangen en tegen dat uur begaf ik mij op weg naar de woning van de koekenbakker De Groot of zoals Henriette altijd zei, van ‘de De Grooten’. Zij was vrij ver van het huis van de heer Kegge gelegen en ik ging op de, voor een stadgenoot waarschijnlijk zeer heldere, maar voor een vreemdeling zeer ingewikkelde aanduidingen van de heer Kegge af. Plotseling bevond ik mij in een donkere steeg, waar aan het eind een hel licht als uit de grond opkwam, voor welk licht zich een duistere massa met zekere golving scheen te bewegen. Naarmate ik verder ging, hoorde ik stemmen, die mij toeschenen van jonge knapen te zijn, uit deze massa voortkomen. Geheel genaderd zag ik een op alle manieren op en over elkander liggende stapel jongens, die door een kelderraam waaruit het licht kwam, het oog hadden op de bewegingen van een meester koekenbakker en zijn gezellen, die in hun witte linnen pakjes zulke schone wonderen kneedden, duimden, schikten en bakten, als welke Henriette versmaad had verder te volmaken. Ik stond een ogenblik stil en verlustigde mij in de belangstelling van die straatjongens, die waarschijnlijk geen beter aandeel in de genoegens van Sint Nicolaas hebben zouden, dan dat zij de lekkernijen zagen toebereiden, die hun begunstigder broederen gelukkig, of, zoals maltentige mensen beweren, ziek zouden maken.
226‘Nou, wat weerga, jongen, laat main ook reis kaiken,’ zei de een, en ondersteunde zijn begeerte met een heftige beweging van de ellebogen.
‘Doppie, Jan! dat is een mooie!’ riep een ander, ‘da’s zeker ‘en Jan Klaasen!’
‘Ben je mal, jongen?’ riep een derde; ‘’t is ‘en waif!’
‘Nou as dat ‘en waif is,’ merkte een vierde aan, ‘dan mag ik laien dat Piet in de’ kelder valt.’
‘Hou je ellebogen vóór je, Gerritje; ik waarskou je, hoor!’
‘Pas op, Pietje! of je holsblok gaat de bakkerij in.’
‘Kaik; ie doet den oven open; is ’t men een vuurtje?’
‘Wat doet die dikke nou weer? Hij doet meel an zen knuisten!’
‘Wel nou, mot ‘et deeg dan an zen vingers blaiven hangen? Jij bent ook een mooie…’
‘Wacht ‘en beetje! da’s een kokkerd, die kost wel ‘en daalder, hoor!’
‘Hoor je hem? Je zoudt er wel kommen met ‘en daalder.’
‘’En daalder op je oogen.’
Deze en dergelijke waren de gesprekken van de kunstbeschouwers voor het raam van dit atelier. Op den hoek van ’t huis hing een groot uithangbord, waarop de bekende geschiedenis van den Zoeten Inval stond afgebeeld, en daar onder ‘H . P . D E G R O O T . A L L E Z O O R T E N V A N K O E K E N K L E Y N G O E D ’.
Ik trad de winkel binnen en er was zulk een verward geluid van vrouwestemmen in een belendende kamer, die door een glazen deur met een groen horretje daarop uitzag, dat ik duidelijk bemerkte dat de partij aan de gang was, en ik mij nogmaals luidkeels moest aanmelden eer er iemand opdaagde. De glazen deur ging open en het mooie Saartje verscheen, met een hoge kleur, als iemand die uit een zeer druk gesprek of uit een zeer warme kamer komt.
‘U alleen, mijnheer Hildebrand?’
‘In plaats van uw nichtje Kegge, lieve juffrouw! ik kom haar bij u verontschuldigen.’
‘Maar u zal toch binnenkomen?’
‘Een ogenblikje.’
Saartje opende de deur op nieuw, om mij in te laten, en ik overzag de schare.
Daar zat, in al de glorie van een bloedkoralen halsketting, bloedkoralen oorbellen, bloedkoralen doekspeld en zelfs van een ring, met een zeer grote ronde bloedkoraal aan de vinger, juffrouw Mietje Dekker, de dochter van een deftige kleermaker, en aan haar zijde, met een grote doodvlek op haar wang en een koperen gesp als een vierkante zon op haar buik, Keetje de Riet uit de kruidenierswinkel. En daarnaast Pietje Hupstra, wier vader het gewichtig ambt van deurwaarder bekleedde, en die zich verbeeldde dat niets losser en bevalliger stond dan een rozerood tissuutje door een ringetje gehaald. Dan had men er Truitje en Toosje, de twee telgen van de heer Opper, voornaam metselaar, waarvan de ene in ’t openbaar een hoed met stenen bloemen en de andere een dito met houten pluim droeg, maar die in deze huiselijke kring zich gelukkig gevoelden in het hoofdsiersel, de een van een blauwe, de andere van een rode céphalide, in de stellige overtuiging dat er op dit ondermaanse geen bevalliger of modieuzer damescoiffure kon bestaan. Voorts het magere Grietje van Buren, die de oudste van de gevraagde partij was en een- of tweeëndertig jaren tellen mocht; zij leefde ‘in otio cum dignitate’ van een kleine lijfrente, haar door een oude vrijster gemaakt, bij wie zij iets meer dan kamenier en iets minder dan gezelschapsjuffrouw was geweest. Zij droeg een mutsje met een smal kantje, en een toertje aan twee kleine trosjes rozijnen niet ongelijk. Ook zag ik Bartje Blom, wier vader een deftige spekslagerij had, en die zelf een grote, zwarte duimelot aan haar middelste vinger droeg, omdat zij zich ongelukkig aan gemelde vinger had verwond, bij welke kwetsuur ‘de kou’ gekomen was. Ter afwisseling, Suzette Noiret, dochter van een weduwe, die op een hofje woonde, en van de Franse gemeente was. Deze had een allerliefst, beschaafd en net besneden uiterlijk en wedijverde, in het bruin, met het blonde Saartje, waarnaast zij gezeten was. En eindelijk, aan het hoger einde van de tafel, moeder de Groot zelf, een dame van een veertig jaar, in een zwarte zijden japon gekleed die een muts droeg met een belangrijke hoeveelheid wit lint opgesierd, die groot en breed genoeg was, en toch ongetwijfeld slechts een schaduw vertoonde van het hoofdtooisel dat zij op den vijfde december dragen zou.
De herhaling van mijn boodschap maakte veel sensatie bij juffrouw de Groot, die gehoopt had met nicht Henriette te pronken; het speet de vergaderde juffers ook recht, zoals zij zeiden, schoon ik mij overtuigd hield, dat het wegblijven van zulk een dame voor menig harer een pak van ’t hart was.
Een algemeen gefluister, dat door de dames twee aan twee werd uitgevoerd, volgde, waaruit zich eindelijk de solo van Grietje van Buren ontwikkelde, met de betuiging, ‘dat het jammer voor juffrouw Kegge was; zo reis vergulden, dat was altijd nog reis aardig’.
‘Ik hoop,’ zei juffrouw de Groot, ‘in de aanstaande week, de kleine neefjes en nichtjes der ook nog reis op te noden. Dan vraag ik zo wat klein grut.’
‘Maar dan zalje ook zulke effetieve stukken niet laten werken,’ merkte juffrouw van Buren aan, haar penseel indopende en een lange streep goud op de wimpel van een oorlogschip klevend.
‘’t Ziet er wel prettig uit,’ zei ik zelf; ‘ik watertand om het ook reis te doen. Mag ik eens effen van de partij zijn?’

Dit item was geplaatst door Muis.
<span>%d</span> bloggers liken dit: