OM TE BEWIJZEN DAT ….. (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (63)
EERDERE AFLEVERINGEN

Dit voorstel bracht een schaterend gelach en grote vrolijkheid teweeg, die evenwel nog vermeerderde, toen men zag dat ik het waarlijk meende.
Tot de edele kunst van vergulden, ook wel, met een bij alle koekenbakkers voor beledigend gehouden naam ‘plakken’ genoemd, zijn vier dingen nodig, als: de koek die verguld moet worden, het verguldsel zelf, een nat penseel, en dat gedeelte van een hazen- of konijnenvacht, hetwelk jagers de pluim, en gewone mensen de staart noemen, en dat in dit bijzonder geval dient om het opgelegde goud aan te dringen en vast te drukken. Om alles geregeld in zijn werk te doen gaan, zat aan het ene einde van de tafel het lieve Saartje, die de verschillende sinterklaaskoeken uitdeelde, welke de bewerking moesten ondergaan: vrijers, vrijsters, schepen, paradijzen, dagbroers, ruiters, rijtuigen, allen meestal van de eerste grootte; terwijl aan het tegenovergestelde einde moeder de Groot, die ook de thee schonk, boekjes bladgoud in breder en smaller repen knipte, om daarvan ieder behoorlijk te voorzien, de tafel met kopjes met water bezaaid was, en elk der genodigden met een penseel en een konijnenpluimpje was uitgerust. Men voorzag ook mij hiervan en bij ieder materiaal of instrument, dat ik in handen nam, proestte men ’t uit van ’t lachen en ging een kreet van verbazing op.
‘’t Is zonde!’ betuigde Mietje Dekker.
‘Heb ik van mijn leven?’ informeerde Keetje de Riet.
‘Die stedenten hebben alevel altijd wat raars,’ fluisterde die van de rode céphalide.
‘Menheer doet het heus!’ verklaarde die van de blauwe.
‘’k Ben benieuwd hoe dat af zal komen,’ zei Grietje van Buren.
‘Wat menheer breekt mag menheer opeten, niet waar, juffrouw de Groot?’ vroeg Bartje Blom, die het goed met mij scheen te menen.
Maar Suzette Noiret en Saartje wezen mij terecht en deden ’t mij voor.
Nu moeten mijne lezers, die misschien laag op de schone kunst van koekvergulden neerzien, niet denken dat de gezegde kunst zo heel eenvoudig en gemakkelijk is. Ja, een vierduits varken kan een ieder beplakken; een streepje voor de grond, en een ruitje op zijn lijf, dat kan een kind! Maar deftige vrijers en vrijsters van vierentwintig stuivers netjes te vergulden, tot de plooitjes van de kraag en de ruitjes van de breizak toe; een Eva bij de boom op te sieren, geen enkel appeltje (want het is een appelboom geweest) te vergeten, en de bochten van de slang niet hoekig te maken; een geheel oorlogschip met gouden repen op te tuigen en de schietgaten netjes af te zetten, zoals juffrouw van Buren deed, en een koets met paarden, als juffrouw de Riet, die het zweepkoord zo natuurlijk wist te doen kronkelen of het een gouden kurketrekker was, dat is iets anders. Het is gemakkelijk gezegd: ’t is maar koekvergulden, maar ik verzeker u dat koekvergulden en koekvergulden twee is, en dat er bijvoorbeeld een hemelsbreed onderscheid was tussen de vrijer, die Toosje, en de vrijer, die Truitje had uitgemonsterd, zodat Toosje zelve moest bekennen dat ze niet wist hoe Truitje die parapluie zo natuurlijk kreeg; waarop de vrijer van Truitje dan ook rondging, en het gehele gezelschap eenstemmig verklaarde, dat het waarlijk was als of die parapluie leefde. Ik voor mij kan u als eerlijk man betuigen dat mij, nadat ik eerst mijn krachten aan het zadel van de ruiter, die juffrouw Noiret onder handen had, beproefd, en mij van haar omtrent de hoofdgeheimen der kunst had laten onderrichten; dat mij, zeg ik, een koude rilling door de leden ging, toen er een grote, majestueuze dagbroer voor mijne eigene onbijgestane verantwoording werd gelegd. Eén ding kan ik niet nalaten hier ten algemene nut op te merken. In het koekvergulden is vooral van het uiterste gewicht de juiste hoeveelheid water, die men op de plaats penseelt, waar men het goud op wil doen kleven; want neemt men die te gering, zo wil het niet kleven, en doet men het te nat, zo wordt het verguldsel dof. En wat is er nu aan een doffen dagbroer?
229Spoedig was men het er over eens, dat ik het al heel mooi begon te doen; ik hoop niet dat men grootspraak zal achten, wat ik gaarne aan de zachtmoedigheid der kritiek toeschrijf; en weldra lette men er niet meer op. Ook werd het gesprek gedurig levendiger. Mietje Dekker met de bloedkoralen, Keetje de Riet, en Pietje Hupstra hadden het heel druk met juffrouw de Groot over ‘fripante sterfgevallen in de Haarlemmer krant; drie onder mekaar in den bloei van ’t leven, en twee door een ongelukkig toeval’. Voorts spraken zij van ‘pinnetrante kou, fattegante reizen, en katterale koorsen’. Zij roerden ook het teder onderwerp van ‘vomatieven, en opperaties’, en kwamen van lieverlede nog eens op den vinger van Bartje Blom.
‘Zij moest er toch niet te luchtig over denken.’ De een zei, zij moest er de meester bij halen, maar de ander beweerde dat zij er de meester niet bij moest halen; en zulks om de duchtige reden, dat er een meester was geweest, die de duim van de neef van haar zusters man ‘verknoeid’ had. De een wilde haar vinger pappen, omdat de kou er bij was; een ander ried zoete melk aan om er de brand uit te trekken; een derde, kennelijk onder de invloed van de genius der plaats, achtte niets zo heilzaam als koekebakkersdeeg. En Bartje Blom dacht er over hoe zij deze verschillende raden het best zou verenigen. Daarop maakte Grietje van Buren zich van de boventoon meester en vertelde het gezelschap wonderen van de gierigheid van de freule Troes, van wie zij haar lijfrente had.
‘Ik kan je zeggen, mens, als er zoete appelen zouen gegeten worden, gaf ze der vierentwintig uit, en dan moest de meid de pan binnenbrengen als ze ze geschild had, en dan telde ze na of er – hoeveel is ’t ook weer? viermaal vierentwintig? – als ’t viermaal vijfentwintig was, dan was ’t net honderd; dat ’s vier minder; dat’s zesennegentig; of der zesennegentig vierdepartjes waren, en als ze dan op tafel kwamen, nog eens.’
Waarop die van de blauwe en rode céphalides haar uiterste verbazing te kennen gaven. Bartje Blom vroeg of het waar was, dat de freule enkel zo rijk was geworden, door in haar jeugd al de spelden en
naalden, die zij bij de weg vond, op te rapen en te verzamelen? En ik nam de gelegenheid waar om verscheidene anekdoten van befaamde Engelse gierigaards te verhalen, die bij al mijn kennissen hadden uitgediend, maar die hier nog eens gaaf opgingen, zodat men mij zeer aardig begon te vinden, maar tussen beiden ook aanmerkte, ‘dat ik er maar wat van maakte’.
Juffrouw Noiret was niet zeer spraakzaam, en ik bracht haar doorgaande stilheid in verband met een weemoedige trek om den mond, die mij deed onderstellen dat zij niet gelukkig was.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: