OM TE BEWIJZEN DAT ….. (3)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (64)
EERDERE AFLEVERINGEN

Saartje was allerliefst en, schoon het gehele gezelschap in beschaving vooruit, ook hier volkomen op haar plaats, en enkel eenvoud. Zij liep gedurig af en aan, om ieder van het nodige te voorzien; maar Grietje van Buren begon haar veelbetekenende ogen toe te werpen en op een mysterieuze wijze toe te lachen, waarvan de zin was dat zij haar met mij plaagde, tot groot genoegen van al de anderen. Evenwel kreeg Bartje Blom ook haar beurt, daar men haar laatst, bij het uitgaan van de kerk, zo vriendelijk had zien groeten tegen een zekere Kees; maar zij wendde de scherts af, door haar op die van de rode céphalide over te brengen, die laatstleden kermis met dezelfde Kees in ’t paardespel geweest was; en die van de blauwe céphalide werd opgeroepen om te getuigen dat het tussen haar zuster en Kees, ‘ja, ja! wel zo wat koek en ei was, als men zegt’; waarop die van de rode zei, dat die van de blauwe wel zwijgen mocht; waarop Grietje van Buren aanmerkte, dat ieder zijn beurt kreeg; waarop Bartje Blom uitriep: ‘Nu, nu Grietje; ik vertrouw jou ook niet! je gaat tegenwoordig zo dikwijls naar Amsterdam; ik denk dat daar ook wat zit!’ waarop Grietje verklaarde, dat Bartje een ondeugd was. Ik merkte op dat Suzette Noiret door niemand werd geplaagd.
231Om een uur of half acht kwam er een grote ketel anijsmelk binnen, die door al de dames ‘déli’ gevonden werd. Daarna kwam de schepper en boetseerder van al de koeken kunstgewrochten, die wij zaten op te luisteren, even uit de bakkerij opdagen, en keek eens of men wat vorderde. Het was een ordentelijke, goedhartige, vrolijke man, die er heel veel pleizier in had, toen Bartje Blom hem knipogend vertelde, dat Toosje en Truitje Opper vast wel voor zeven gulden gebroken en opgegeten hadden, waarop Toosje aanmerkte dat zij, Bartje, wel zwijgen mocht, daar zij zelve een heel oorlogschip in haar zak had gesmokkeld; waarop de koekenbakker dreigde, dat geen van de dames de deur uit zou komen, voor hij zelf haar zak had geïnspecteerd. Toen verhief zich de vrolijkheid tot uitgelatenheid. De Groot stopte een klein houten pijpje, dat hij in de hand had, en daalde weer ter bakkerije.
Met slaan van negenen kwamen er drie stevige, opgeschoten knapen, goedige bollebuizen, met hun besten rok aan, en boorden tot over de oren. De een was een broer van Pietje Hupstra, en schreef op ’t stadhuis; de ander was een broer van de juffrouwen Opper en voor ’t kastemaken bestemd; en de derde, een broer van Keetje de Riet, ondermeester op een Hollandse school: het doel van hun verschijning was geen ander dan hun zusters en al wie zich verder aan hun bescherming zou willen toevertrouwen af te halen en thuis te brengen.
Nu zei juffrouw de Groot dat men maar uit zou scheiden, want dat het toch altijd gekheid werd ‘als de heren er bijkwamen’, en er werd besloten dat men nog gauw een pandspelletje doen zou. Men koos daartoe, nadat het gehele verguld-atelier als zodanig was opgeredderd, ‘alle vogels vliegen’, en ik heb nooit zoveel onschuldige vreugde bij malkaar gezien als toen de oude juffrouw de Groot een dromedaris wilde laten vliegen. Bartje Blom werd met ‘den vogel struis’ verstrikt, en er ontstond verschil over de vleermuis, waarvan de ondermeester de Riet beweerde ‘dat hij niet vloog, maar fladderde’. Hoe dit zij, hij verbeurde pand, en al de heren verbeurden pand, en Saartje verbeurde pand, en wij verbeurden allemaal pand. Toen werd Grietje van Buren verkoren om al de panden te doen lossen, en werden de bloedkoralen armbanden en de bloedkoralen speld van Mietje Dekker, met en benevens het tissuutje van Keetje de Riet, en een ‘loderein-doosje’ van haarzelf, en een vingerling van de oude juffrouw de Groot, en een pennemes van de ondermeester de Riet, en een ménagère van Bartje Blom, en een horlogesleutel van de kastemaker Opper, en een huissleutel van de klerk Hupstra, en een beurs van mijzelf, en al wat verder ter tafel was gebracht, in H Ed. maagdelijke schoot geworpen; daarover werd een zakdoek gespreid, en nu begon het roepen van: wat zal diegene doen, van wien ik dit pand in de hand heb?
235Ik spreek niet van de moeilijke en wonderspreukige dingen, die wij tot het terugbekomen van onze kleinodiën moesten ten uitvoer brengen; als met vier poten tegen de muur oplopen, een spiegel stuk trappen, de zolder zoenen, en dergelijke; noch van zoete penitentiën, als daar waren: hangen en verlangen, de diligence, de put, de klok, het bijenkorfje, en andere, waarbij machtig veel gekust en evenveel gegild werd. Ik schilder u de uitgelatenheid van het gehele gezelschap niet, toen Toosje Opper iets heel moeilijks had opgegeven, in de stellige overtuiging dat Bartje Bloms pand voor de dag zou komen, en het waarlijk haar eigen naaldekoker bleek te zijn; of toen de heer Hupstra, in het spaans speksnijden, dat hij nooit te voren gedaan had, met zekere verliefdheid de mooie juffrouw Noiret had gekozen, en per slot niets te kussen kreeg dan de harde muur, terwijl de jongen Opper het lot te beurt viel haar de zoen te geven! In één woord, het was alleraller-prettigst, de vreugd was op ieders aangezicht te lezen, en ik vermaakte mij duizendmaal meer onder deze goede blijhartige mensen, dan ik gedaan zou hebben, indien ik ware thuisgebleven onder de sublieme piano van juffrouw Kegge en de charmante viool van de charmante Van der Hoogen.
De dames, die nu allen kleuren hadden als boeien, werden onder de heren verdeeld, en ik nam op mij juffrouw Noiret, die mij groot belang inboezemde, thuis te brengen. De juffers namen van elkander en van ons een hartelijk afscheid; de drie bollebuizen drukten mij allen zeer voelbaar de hand; en ik was zeer tevreden met de vriendschap, die ik zo onverwachts had aangeknoopt. Juffrouw Noiret was er mede verlegen dat ik de moeite nam haar thuis te brengen. ‘Het was zo ver!’
Ik antwoordde zoals betaamde, dat hoe langer ik haar bijzijn genoot, het mij des te aangenamer zijn zou.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: