OM TE BEWIJZEN DAT ….. (4)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (65)
EERDERE AFLEVERINGEN

‘Ach!’ zei zij, ‘mijn bijzijn, mijnheer, is toch anders niet heel aangenaam. Ik schaamde mij onder al die vrolijke mensen. Zat ik er niet treurig bij?’
‘Gij waart zeker niet zoo luidruchtig als de overige. Maar toch…’
‘Neen, zeg het niet! zeg niet dat ik vrolijk was!’ viel zij mij in de rede.
‘Het zou mij spijten. Ik hield mij zoo goed als mogelijk; maar mijn hart was ergens anders… Mijn hart was bij mijn moeder,’ voegde zij er haastig bij.
‘Is uw moeder ziek, of…’
‘Zij is oud, mijnheer! heel oud. Was zij niet wèl geweest, u zou mij daar niet gevonden hebben. Maar wie kan zich bij vriendelijke mensen, die u gaarne zien, verontschuldigen, altijd weer daarmee verontschuldigen, dat zij een oude moeder heeft? Ook had zij van avond iemand die haar gezelschap hield, en wilde zij volstrekt dat ik gaan zou.’
Suzette zuchtte.
‘Is uw moeder zo heel oud?’ vroeg ik. ‘Gij zijt, dunkt mij, nog zo heel jong.’
‘Ik ben drieëntwintig, mijnheer!’ antwoordde zij met openhartigheid, ‘en mijn moeder is vijfenzestig. Maar zij heeft veel ongelukken gehad. Mijn vader stierf, voordat ik geboren werd. Zij had toen negen kinderen; sedert twaalf jaar ben ik haar enigste, en nu kan zij niet wel zonder mij… en ik niet wel zonder haar.’
‘En uw vader…’
‘Mijn vader was de zoon van een Zwitsers predikant, mijnheer! Maar zijn vader had hem niet kunnen laten studeren. Hij had maar een kleine post bij het accijnskantoor, en moest mijn moeder in behoeftige omstandigheden achterlaten. Maar wij werken beide. Nu heeft zij sedert drie jaren het hofje, en dat is een groot geluk. En toch…’
‘Ik geloof,’ zei ik, ‘dat wij voor de poort van het hofje staan. Klopt men hier aan, of moet men aan die lange schel trekken!’
‘Helaas, geen van beiden,’ zei Suzette, op een allerdroevigste toon van stem, die een klank had als of haar een traan in de ogen schoot: ‘geen van beiden. Mijn moeder woont wel op het hofje, maar ik niet.’
‘Waarom niet?’ vroeg ik.
237‘Op het hofje woont niemand onder de zestig jaar,’ ging Suzette voort; ‘ik kom er ’s morgens heel vroeg, zodra de poort opengezet wordt, en blijf er de hele dag bij mijn moeder; maar slapen mag ik er niet. Vóór tienen moet ik er vandaan, en ’s avonds na zevenen mag ik er zelfs niet meer op. O, wat zou ik geven als ik mijn moeder nu nog maar eens even mocht goenacht zeggen!…’
En zij zag naar de gesloten poort om.
‘Mijn moeder slaapt daar nu moederziel alleen in haar huisje,’ ging zij voort; ‘haar naaste buurvrouw is onbeschreeuwbaar doof; en als haar eens iets overkwam! Dat, dat is mijn grootste zorg; dat pijnigt en vervolgt mij altijd en overal!…’
‘Maar als uw moeder ziek wordt, dan moogt ge toch wel…’
‘Als zij ernstig ziek wordt, dan schrijft de dokter van ’t hofje een verklaring dat zij niet alleen kan blijven, en dan mag ik in haar huisje slapen. Maar ach, het ligt mij op de leden dat mijn lieve moeder er eens onverwachts uit zal zijn, en als dat eens bij nacht was! O, ik bid God alle dagen dat het bij dag moge zijn… Ik zou het niet overleven!’
Wij gingen zwijgend verder.
‘Hier woon ik, mijnheer!’ zei juffrouw Noiret, haar schone ogen afvegende, als wij voor een kleine komenijswinkel stonden; ‘ik dank u voor uw vriendelijkheid.’
‘Ik hoop,’ zei ik, ‘dat gij uwe moeder nog lang zult hebben, en zonder angsten.’
Zij reikte mij stilzwijgend de hand, en als het licht uit den kleinen winkel op haar gelaat viel, zag ik hoe bleek en hoe bedroefd zij was. Wij scheidden.
Ik vond de familie Kegge reeds bijna aan het souper. Van der Hoogen deelde er in, en maakte op walgelijke wijze het hof aan Henriette, die al de aantrekkings- en afstotingskunsten van een handige coquette (het is een aangeboren gave) in werking bracht. Men vermeed in ’t bijzijn van Z H W G. van ‘de De Grooten’ te spreken, en eerst toen hij vertrokken was, vroeg men hoe ik mij geamuseerd had. Ik gaf een gunstig antwoord, maar trad in geen bijzonderheden, omdat ik voor geen geld ter wereld de onschuldige vreugde der De Grooten, De Rieten, Dekkers, Hupstra’s enzovoorts, door ene juffrouw Henriette Kegge wilde horen bespotten.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: