HET CONCERT 2

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (69)
EERDERE AFLEVERINGEN

Zij koos haar plaats een paar rijen vóór de zitplaatsen van onze dames, en hoewel de heer van der Hoogen deze omstandigheid in ’t vooruitzicht charmant genoemd had, geloof ik dat zij hem toch min of meer gênant voorkwam; immers hoe gaarne hij die ook zou hebben willen ten toon spreiden, toen hij de freule van Nagel (en hij moest wel!) zijn compliment ging maken, bleek ons weinig of niets van die gemeenzaamheid waar hij zoo hoog van had opgegeven. De freule beantwoordde zijn diepe buiging met een stijven groet, die hem op een allerakeligste afstand hield en, voor zoo ver ik bemerken konde, kwam er in de weinige woorden die zij hem ten antwoord gaf, veel van mijnheer, maar niets van Van der Hoogen, noch van languisseeren of iets dergelijks. Het was duidelijk dat de charmante haar eerbiedelijk op Henriette opmerkzaam maakte, maar zij was te beleefd om bepaald om te kijken, en eerst veel later, toen de heer van der Hoogen was heengegaan om zijn viool te stemmen, want hij was werkend lid, wendde zij haar schoon hoofd even om en wierp een blik op Henriette, die mij juist influisterde dat die freule Nagel zeker wel een jaar of dertig tellen moest. De kleine Hanna had ook reeds hare aanmerkingen op de aanwezigen, en was bijzonder geestig op het punt eener bejaarde dame, die zij vond ‘dat er dol uitzag; met die bayadère van gitten’.
Nu werden er een paar slagen op de pauken gehoord, en daarna trad, pratende en lachende, en zulks te meer naarmate zij met die opkomst enigszins verlegen waren, dat mengsel van virtuozen en dilettanten op, hetwelk gewoonlijk op een dames-concert zijne krachten samenspant om aller harten te betoveren, plaatste zich achter de respectieve lessenaren, en begon die vervaarlijke, snerpende, krassende kattemuziek uit te voeren, welke aan ieder muzikaal genot noodzakelijk schijnt vooraf te moeten gaan. Het gedruisch in de zaal hield op; ieder schikte zich op zijn gemak. De heren, en daaronder ik, deinsden meestal, op een enkel jong mensch na, die zich op ’t poseren en fixeeren toelei (daar waren onweerstaanbare ogen en alles veroverende tailles!), naar den achtergrond der zaal terug, en alles was doodstil. Daarop verhief de orkestmeester zijn ebbenhouten stafje, en de symphonie begon. Natuurlijk de zoveelste van Beethoven.
Wel mocht Goethe1 zeggen, dat de gedaante van den muzikant het muzikaal genot altijd verstoort, en dat ware muziek alleen voor ’t oor moest wezen; en ik deel in zijn denkbeeld dat al wat strijkt, blaast, of zingt, ambtshalve, onzichtbaar zijn moest. Niets is zeker lelijker dan een gansche menigte manspersonen met dassen, rokken, en somtijds épauletten; manspersonen met zwart haar, blond haar, grijs haar, rood haar, en in ’t geheel geen haar, en met allerlei soort van oogvertrekking en aanmonding, zich te gelijk te zien vermoeien en afwerken achter een overeenkomstig getal houten en koperen instrumenten, totdat ze bont en blauw in ’t aangezicht worden, alleen om een effect teweeg te brengen, zoo weinig evenredig aan, zou mogelijk iemand zeggen, maar gewis zoo weinig gelijksoortig met de middelen. Een geestige vrouw zeide mij eens dat zij honger kreeg van de lange streken van een strijkstok; maar wat krijgt men niet van het op- en nedergezweef van een vijfentwintigtal strijkstokken en van al de bewegingen van wangen, armen en handen, die een vol orkest maakt? Waarlijk, er moest een scherm voor hangen. De stroom van geluiden moest als uit een duistere stilte tot ons komen, of wij moesten allen geblinddoekt toeluisteren. Maar wat werd er dan van de toilettes en van onze mooie ogen?
Ondertusschen zou ik Goethe tegen moeten spreken, indien hij beweerde dat de zin des gezichts volstrekt niets met de muziek te maken heeft; want ik moet mijnen lezeren de gewichtige bekentenis doen dat ik de muziek, in het afgetrokkene, waarlijk zie; en ik twijfel niet of zijzelve zullen met enige opmerkzaamheid op hunne gewaarwordingen en inspanning van ziel hetzelfde ontdekken. Er zijn tonen en samenkoppelingen van tonen, die zich aan mijn oog voordoen als spattende vonken, dikke en dunne strepen, kromme spelden, slangen en kurketrekkers; als bliksemschichten, liefdestrikken, krakelingen, varkensstaarten, waterstralen en ziegezagen, en ik zie de mogelijkheid om een geheel muziekstuk, voor mijn gevoel bevredigend, in figuren op te schrijven. Die dit niet begrijpt, verzoek ik te beseffen dat hij in een eeuw leeft waarin hij al zulke dingen behoort te begrijpen; en indien hij kerkhistorie heeft gestudeerd, gedenke hij aan de Hesuchasten, die zoo lang op hun maag staarden, tot zij haar van een geheimzinnig licht omschenen zagen.
Drie der gewone onderdelen van de symphonie waren afgespeeld, toen ik mij zachtkens op den schouder voelde tikken. Ik zag om en bemerkte den arm en het gelaat van den goeden koekebakker, die van zijn introductiekaartje gebruik had gemaakt, maar te verstandig was bij deze gelegenheid zijn neefschap te laten gelden, en dus geen notitie van de familie nam. Rijke familiën met arme bloedverwanten! och of alle neven zoo bescheiden waren! Maar de meesten gillen hun neefschap luidkeels uit, en laten zich door niets afkopen.
‘Moet nu nicht Kegge er niet aan?’ fluisterde hij mij met een vergenoegd gezicht in’t oor.
‘Wel neen!’ antwoordde ik, ‘nog in lang niet.’
‘Ik verzeker u van wel!’ hernam hij: ‘of dat rooie papiertje moet jokken.
Kijk, ze staat de vierde, en we hebben al drie stukken gehad.’
De goede De Groot had een der onderdelen van de symphonie voor een obligaat op den hoorn genomen.
Ik onderrichtte hem omtrent die dwaling, en hij betuigde dan ook al gedacht te hebben: ‘Wat merk ik dien hoorn weinig!’
De man met den hoorn verscheen op zijn beurt, geheel in ’t zwart en met lange haarlokken, blinkende van pommade. Hij maakte een stroeve buiging en zette een gezicht als of hij ons allen verachtte. Dit stond hem evenwel lelijk, want hij verdiende dien avond een goede handvol geld, en schoon ik weet dat de kunst onbetaalbaar is, zoo ben ik toch van oordeel dat men voor geld en een goede ontvangst ten minste een beleefd gezicht zou kunnen overhebben. Nu staken de kenners het hoofd op, en legden de hand aan de oorschelp, en riepen Ssss… Sst, als de jonge dames fluisterden, die daarop haar zakdoek aan den mond brachten, waarop de oude dames boos omkeken. Vooral de heer Kegge was in dit Sst-roepen zeer overvloedig en men kon het op zijn aangezicht lezen dat hij zich in dezen volmaakt onafhankelijk gevoelde, ook van alle mogelijke ‘grote hanzinnen en adellijke dames’.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: