HET CONCERT 3

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (70)
EERDERE AFLEVERINGEN

De hoornist blies zijn wangen op, zijn ogen uit, en zijn hoorn vol, tot algemene verrukking der aanwezigen die van een hoorn hielden, ofschoon er verscheidene waren die met een wijs en veelbeduidend aangezicht beweerden dat het Potdevin niet was, een blijkbaarheid die ook door het programma voldingend werd uitgewezen. Het schoonste van ’s mans spel scheen daarin te bestaan, dat het geluid van zijn hoorn op alle geluiden geleek, die gewoonlijk uit andere instrumenten komen. Nu eens knorde hij als een jichtige fagot, dan weder had hij al het rochelende van een vetten waldhoren, dan weder het door den neus pratende van een intriganten hautbois, of het uitgelatene van een opgewonden trompet, ja zelfs nu en dan iets van het gillende eener hysterische dwarsfluit; zelden maar geleek hij op hetgeen hij waarlijk was, een klephoorn; en eenmaal was het geluid zoo zacht en zoo verfijnd, dat ik, zoo ik niet de rijkgeringde vingers van den virtuoos had zien bewegen, waarlijk zou gezworen hebben, dat er niets gebeurde. In zoo verre was het maar weer goed, dat de muzikant zichtbaar was. Ik vermaakte mij gedurende het spel machtig met het gadeslaan van een dik heer achter op het orkest, die den duizendkunstenaar had geëngageerd en allerliefste knipoogjes aan alle de leden rondzond, die tegelijkertijd moesten beduiden hoe heerlijk hij het vond, en vragen of zij het ook niet heerlijk vonden; en van een lang jong mensch dicht bij mij, met zwarte haren en bleke wangen, die zijne ogen aandachtig toedeed onder het spel en de maat met zijn tenen sloeg, en dan weer een ‘hoe-is-het-mogelijk!’- gezicht zette en een schrikkelijken nood had om aan iedereen te vertellen hoe familiaar hij dien duizendkunstenaar kende, en hoe goed die duizendkunstenaar biljartte, en hoe ’n aangenaam mensch en van welk een goede familie die duizendkunstenaar was, en hoe die duizendkunstenaar enkel speelde omdat hij ’t niet laten kon, en welk een duizendwondertje van een mooi snuifdoosje die duizendkunstenaar van een prinses had gekregen, en hoe hij zelf in eigen persoon op de repetitie van dien duizendkunstenaar geweest was, en hoe de duizendkunstenaar hem verhaald had, dat die eigen hoorn, daar hij op speelde, hem duizend gulden had gekost.
Nu had er een machtige beweging op het orkest plaats. Ik weet niet hoeveel lessenaars werden achteruitgeschoven. De kastelein van de concertzaal bracht met een gewichtig gelaat twee waskaarsen op de piano, en de heer van der Hoogen maakte haar open, plaatste de muziek er op, en schoof de tabouret er onder van daan. Al de heren verlieten het orkest – uitgenomen de contrabassist, een oud man, die zijn bril op zijn voorhoofd schoof, en de paukenslager, die zijn handen in de zij plaatste – en kwamen achter ons in de zaal dringen. Daarop daalde de heer van der Hoogen af, om door Henriette af te halen voorlopig aan zijne bestemming te voldoen. Zij zag zeer bleek, en ik verdacht haar van aan het obligaat op den hoorn juist niet veel gehad te hebben. De heer van der Hoogen nam haar bij den pink en leidde haar op.
Zij maakte een compliment, zeer gracieus voor een liefhebster, zonder evenwel tot het diepe nijgen en het verleidelijk gezicht van een toneelspeelster te komen, en nam daarop, onder een luid handgeklap en onstuimig voorwaarts dringen van de heren, plaats aan het instrument, trok hare handschoenen uit, en de lieve handen zweefden over de toetsen.
De eerste maten hadden den indruk van de onrustige beweging van haar pols, maar langzamerhand herstelde zij zich; haar natuurlijke kleur kwam weder, en zij speelde alsof zij thuis was, met de haar eigene verwonderlijke vlugheid.
‘Inderdaad, het was wonderlijk dat menschevingers dat doen konden!’ fluisterde De Groot mij in, nadat hij een weinigje van den schrik bekomen was, die het optreden van Henriette den goeden man gekost had. ‘’t Is alsof zij aan draadjes zitten. Alles leeft wat er aan is. Kijk hier, ze gooit haar armen over mekaar, of ’t zoo niets was. En ze slaat er goed op, ook! – Dat’s verraderlijk,’ zeide hij, als zij, na lang met beide handen in de lage tonen te hebben gewerkt, zonder om te zien, plotseling de toetsen van den hoogsten octaaf een fikschen tik gaf. ‘Drommels nou! dat gaat per post; ’t is als of je een goot hoort lopen.’
De heer van der Hoogen stond, met een hoek van ten hoogsten honderd en dertig graden, naar de piano gebogen en maakte zich verdienstelijk met het omslaan der bladen; maar toen hij aan de laatste bladzijde was, nam hij voor goed een hartvervoerende houding aan, met de een hand op de piano leunende en de andere in de zijde zettende, terwijl hij zijne lelijke ogen verlokkend door de zaal liet weiden, of ze ook nog in ’t voorbijgaan een hart of tien veroveren mochten!
Het stuk was uit. Henriette stond op, en dankte met een stuursch gezicht voor het daverend handgeklap. De charmante bracht haar weer tot hare plaats en deelde in haar triomf. De oude Kegge had tranen in de ogen, en de charmante drukte hem de hand. ‘Het was onbegrijpelijk charmant geweest!’ Henriette liet zich door mevrouw Kegge de boa weder om den hals werpen, en speelde met het einde daarvan; daarop begon zij een gesprek met de kleine Hanna, zodat de gehele wereld verbaasd stond over een jonge dame, ‘die zoo voortreffelijk speelde, en zoo lief was met haar zusje’.
De drukke finale der symphonie, waarin machtig veel gepaukt en machtig veel gebazuind werd, besloot de eerste afdeling van het zoveelste damesconcert van het gezelschap Melodia, en de pauze begon. Dat is niet het minst belangrijk gedeelte van een concert, als het dissoneerend vocaal het harmonisch instrumentaal voor een half uur afwisselt. De dames hebben dan ook altijd liever een nommer minder op het programma dan een korte pauze, en zulks is niet te verwonderen, wanneer men bedenkt hoe veel praatziekte, hoe veel verliefdheden, hoe veel kunstgedienstigheid, hoe veel eerzucht, praalzucht en behaagzucht hier bijeenzijn.
Indien men een wage had, op welker een schaal men alle deze vergaderde ziekten en zuchten kon stapelen, en men lei daartegenover op de andere het muzikaal gevoel – ja, leg er het muzikaal gehoor maar bij! – deze laatste zou ongetwijfeld omhoog gaan.
En gewichtig voorzeker was dat ogenblik, waarop deze koopbeurs van beleefdheden en praatjes aanging en het hoffelijk gedrang begon; als de blonde en bruine hoofden, de veders en de bloemen zich ophieven, de sterren op de voorhoofden haren loop begonnen; en de eerst zoo regelmatige rijen van schoonen en moeders van schoonen, van ‘matribus pulcris filiae pulcriores’ en omgekeerd, zich tot bevallige groepen schikten, waaruit vonkelende ogen straalden en vrolijke lachjes opgingen; als de dwarling van jonge heren een aanvang nam, waarvan ieder zijn prima donna, zijne reine du bal zocht, de een met een glimlach, de ander met een sentimenteel gezicht, de derde met een kloppend hart, en de vierde met een opgestreken kuif; waarvan de een boos, de ander onnozel en de derde kippig keek uit verlegenheid; waarvan de een, om te beginnen, zijn netten spreidde over al wat mooi was, en de ander in het wilde scheen rond te fladderen, maar om toch wat meer eklektisch te werk te gaan; terwijl de tovermacht van dezen moest berusten in een nauw vest, en gene een philtrum meende te bezitten in de gedaante van pommade à l’oeillet; daar de talisman van een derde in zijne handschoenen berustte; terwijl een enkele begreep, dat hij het meest zoude interesseren door met een knorrig gezicht en een medelijdende glimlach op al het gedraai en geworm neder te zien.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: