KAMP JODENSAVANNE

66e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Kamp Jodensavanne was een Nederlands concentratiekamp / interneringskamp in Suriname. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden er 146 geïnterneerden (waaronder Ernest Douwes Dekker, een achterneef van Eduard Douwes Dekker, en dienstweigeraar Lo Hartog van Banda) al dan niet vermeende aanhangers van de NSB en nazi’s uit Nederlands-Indië gevangen gehouden; enkele van hen werden vermoord, een paar pleegden zelfmoord en er waren er ook die aan ziekten overleden. Na de Duitse inval op 10 mei 1945 werd in Nederlands-Indië een hetze gevoerd tegen iedereen die er op enige manier van werd verdacht sympathiek tegenover de Duitsers en de NSB te staan. Het werd een ware heksenjacht met een door angst ingegeven volstrekte willekeur. Een groot aantal ‘staatsgevaarlijke onderdanen’ werd geïnterneerd, waaronder Indische NSB’ers, Duitse zeelieden van koopvaardijschepen, ongeveer honderd Duitse missionarissen en zendelingen, Duitse Joden, bejaarde, geneutraliseerde Duitse militairen die hun hele leven bij het KNIL hadden gediend. Sommigen van die laatste categorie waren uit ziekenhuizen en bejaardencentra opgehaald. Er waren ook ongeveer 150 jongeren van gemengde afkomst met een Duitse vader. Deze “Indische jongen s” hadden geen enkele band met Duitsland en de meesten spraken geen woord Duits. Uiteindelijk werden ruim 2.800 personen geïnterneerd, waarvan achteraf bleek dat slechts 30 man enige NSB- of nazi-sympathie had.

Aanvankelijk werden ze geïnterneerd op het eiland Onrust en in Ngawi. Nadat Nederland op 8 december 1941 Japan de oorlog verklaarde, stelde gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh van Nederlands-Indië voor de meest gevaarlijken onder hen in West-Indië te interneren. Gouverneur Johannes Kielstra van Suriname besliste positief op dat verzoek. Op 21 januari 1942 besloot Van Starkenborgh dat de 146 meest opstandigen (de zgn. “Verbitterden”) uit deze gemêleerde groep in Soerabaja moesten worden ingescheept aan boord van het ms Tjisadane. Het wegvoeren gebeurde twee aan twee geboeid met kettingen en tussen hen in ijzeren stangen als kettinggangers, zodat bij toiletbezoek de partner het toiletbezoek noodgedwongen moest vergezellen, samen met een gewapende marinier. De ‘staatsgevaarlijken’ maakten de reis opeengepakt in een grote stalen kooi in het voorschip. Ze werden door de 29 begeleidende mariniers voortdurend uitgescholden en met knuppels bewerkt, kregen slecht te eten en drinken en kwamen nooit in de open lucht. In het ruim was het ontzettend heet en door de open latrines was de stank ondragelijk. Ook brandde er 24 uur lang fel elektrisch licht. De kapitein van de Tjisadane had de opdracht ervoor te zorgen dat de gevangenen bij een torpedoaanval nooit levend het schip zullen verlaten. Er waren zelfs explosieven (koppen van torpedo’s) op de bodem van de Tjisadane aangebracht. ‘Vergeet de boten, de boeien en de reddingsvlotten,’ kregen de gevangenen aan boord van het schip te horen van de de bewakers. ‘Die zijn niet voor jullie. Als er wat gebeurt, verzuipen jullie als ratten en jullie verdienen niet beter.’

Het was de bedoeling dat dit schip ze naar Australië bracht, maar door de Slag om de Javazee moest het uitwijken naar Kaapstad. Het volgende doel was richting Curaçao, maar daar hielden Duitse duikboten zich op en werd er uiteindelijk koers gezet naar Suriname. Na in totaal 40 dagen varen, kwam het schip op 1 maart 1942 veilig in Paramaribo aan. Ze werden daar met harde hand door tierende mariniers overgeladen in de kleine kustvaarder Prinses Juliana en het ruim in geschopt. Aangekomen op kade riep een marineofficier: ‘Wie één pas buiten het gelid zet, wordt door zijn donder geschoten.’ De toon was gezet! Uitgeput, vervuild, vernederd werden de gevangenen zes maanden opgesloten in de oude, smerige slavenverblijven van Fort Nieuw-Amsterdam. De bewaking was in handen van mariniers en manschappen van de Prinses Irene Brigade. Bij het wachtlokaal hadden de mariniers een bord geplaatst met de tekst ‘Rotterdam, vergeet het niet!’
Hier maakte Lex Schoonheyt, een 22-jarige KNIL-militair die op 13 mei 1940 een cynische opmerking had gemaakt toen hij hoorde dat de koningin naar Engeland was uitgeweken en daarop door een toevallige passant was aangegeven en direct door tien zwaarbewapende militairen gearresteerd, mee dat hij voor een vluchtplan wekenlang in een donkere, benauwde isoleercel werd gestopt met nauwelijks te eten en te drinken. Het lot van zijn collega’s was niet veel beter. Ze moesten regelmatig uren in de volle zon staan of exerceren, waarbij herhaaldelijk gevangenen neervielen. Protesteren leverde meteen klappen op met de lat of gummiknuppel van de mariniers. Ook maakten sommige gevangenen hier kennis met kromsluiten, een onmenselijke en ouderwetse koloniale strafmethode. Hierbij werden de handen met ketens vastgemaakt aan de voeten. Het overkwam gevangene Pieter Tent, omdat hij bij het appèl zijn armen niet gestrekt langs het lijf hield. Na korte tijd traden dan de hevige lumbagopijnen (spit) op. De situatie verbeterde toen de mariniers vervangen werden door manschappen van de Prinses Irene Brigade.

Op 19 augustus 1942 werden 140 gevangenen overgebracht naar Jodensavanne, een verlaten joodse nederzetting midden in de jungle aan de Surinamerivier, op ongeveer 50 kilometer (vier uur varen) van Paramaribo. Jodensavanne, een vergeten plek in het oerwoud, ver weg van de bewoonde wereld, was voor de Nederlandse regering de ideale plek voor een concentratiekamp om zijn ‘gevaarlijkste staatsvijanden’ onder te brengen. Prikkeldraad, barakken, lijfstraffen en dwangarbeid; in het Nederlandse concentratiekamp Jodensavanne ging het er niet bepaald zachtzinnig aan toe. Zes mannen, waaronder Lex Schoonheyt, bleven nog maanden achter in Nieuw-Amsterdam om hun straf uit te zitten vanwege hun vluchtplannen. Hun nieuwe kamp had ongeveer de grootte van 100 bij 50 meter, met rondom drie rijen prikkeldraad. Op iedere hoek stond een wachttoren met daarin Surinaamse schutters met pistoolmitrailleurs. Op het complex werden de ‘gevaarlijksten’ in barak 1 ondergebracht, vlakbij de mitrailleurspost. De overigens naar barak 2 en 3. In elke barak had je poeptonnen en drinkwatertonnen, waarvoor dezelfde tonnen werden gebruikt. Aan de zuidzijde lag de aanlegsteiger met een ontvangstgebouwtje van de kampcommandant. Boven op de heuvel aan de zuidzijde een grote barak voor de Surinaamse Schutters. Daarnaast de strafcellen en een grote magazijn en werkplaats. Hier bevond zich ook een grote open keuken. Aan de oostzijde het woonhuis van de kampcommandant. Van noord naar zuid stonden er twee grote dwarsbarakken met waslijnen ertussen met daarnaast een ‘ziekenboeg’ met een klein hokje dat als ‘polikliniek’ dienst deed. Aan de zuidzijde lag een derde barak, loodrecht op de andere twee barakken staand. Hierachter lagen de waterput en de latrines. Afvoer van de urine en fecaliën geschiedde door een provisorisch door het kamp gegraven open afvoergoot, die naar een poel liep. Het kamp werd ‘de groene hel’ genoemd, vanwege de slechte hygiënische omstandigheden, waardoor veel gevangenen dysenterie opliepen en malaria. Vandaar dat er werd besloten dat er riolering in het kamp werd aangelegd. Dat gebeurde met de bakstenen van de resten van de synagoge, die daartoe deels met handgranaten werd opgeblazen. De enige arts was de havenarts van Tanjung Priok, Lex Schoonheyt, zelf een geïnterneerde.

De geïnterneerden moesten vanaf 6 uur ’s morgens dwangarbeid verrichten in de hout-, fruit-, plant-, keuken-, grondverzet-, boot- of visploeg. De bewaking was opnieuw in handen van mariniers. Er was drie keer per dag een appèl, waarbij iedereen zwijgend in de houding moest staan.  middagappèl en zwijgend in de houding staan. De synagogeploeg had als taak de Joodse begraafplaats bij het kamp te inventariseren. Zij moesten de Joodse graven blootleggen en zoeken naar sieraden en andere kostbaarheden die daar mogelijk begraven lagen. Uiteindelijk legden zij 1435 graven bloot en van het geheel werd door de gevangene Johannes Sprey een kaart vervaardigd. Wie werk weigerde, werd gestraft en in isolatie geplaatst. Geen van de gevangenen kreeg post en er werden geen voedselpakketten van het Rode Kruis uitgedeeld.

Het was er in dit gebied niet alleen verstikkend heet, maar de kampbewoners (waaronder ingenieurs, juristen, artsen en andere academici) leden ook hier onder het brute optreden van de bewakers, voornamelijk mariniers en enkele soldaten van de Prinses Irene Brigade. Velen schiepen er genoegen in hun te treiteren en te mishandelen. Om de paar maanden meldde zich vanuit Paramaribo een andere kampcommandant. Het regime veranderde dan ook. Tweemaal was Hub Mouwen en éénmaal Willem (Bill) de Roos en J. Samson van het Irene Detachement de verantwoordelijke man. De eerste liet voor zijn komst al een waarschuwing uitgaan. Als hij aankwam, moest een granaat tot ontploffing worden gebracht om aan te geven dat er met hem niet te spotten viel. Strafcorvee, stokslagen, in de brandende zon staan voor de geringste ‘overtredingen’ waren aan de orde van de dag. Berucht waren de dagelijks verplichte alarmoefeningen, waarbij de bewakers op ongeregelde tijden laag over het kamp schoten. Niets voor niets hadden de gevangenen zandzakken bij het hoofdeind van hun brits gelegd. Ook kwam het geregeld voor dat handgranaten tegen de golfplaten wanden werden geworpen, wat een vreselijk geluid maakte. Leden van de Surinaamse Schutterij, die ook als bewakers werden ingezet, toonden veel meer mededogen en gingen ongedwongen met de geïnterneerden om. De sfeer in het kamp was in het algemeen goed, maar er waren vanzelfsprekend ook geïnterneerden die door de jarenlange opsluiting ernstig gedemoraliseerd waren, schreef kamparts en gevangene Lex Schoonheyt later. Onder de gevangenen waren er verschillende groepjes: er was een ‘nazibende’ rond een NSB’er, een groep Indische nationalisten, diverse oproerkraaiers en vechtersbazen. Een oud-brigadelid verklaarde later: ‘Tussen de gevangenen zaten ook een een paar fatsoenlijke lui en ik had het moeilijk om die als vijanden te behandelen. Er waren ook een paar raddraaiers bij en die zaten vrijwel continu in het cellenblok.’

Één va de gevangenen schreef in 1942 een brief aan Gouverneur Kielstra, met daarin de zin: ‘Het zal Uwe Excellentie zeer zeker bevreemden een brief te ontvangen uit de Moeras-Gevangenis te Nieuw-Amsterdam, alwaar men 146 (één honderdzesenveertig) van elders ontvoerde mannen opgesloten en verborgen houdt…..De militaire instanties – in wier machtsgreep ik mij hier bevind – hebben nl. mijn zowel schriftelijk als mondeling gedaan verzoek om in audiëntie bij U te worden toegelaten bruut afgewezen……Ons bivak, ja Excellentie, deze veel te kleine en uiterst onsanitaire moerasgevangenis, waar wij in cellen opeengepakt zitten, dit huis vol ellende, noemt men bivak, soms ook interneringskamp. Wij worden ‘bewaakt’, en ik mag wel zeggen ‘verzorgd’ door mariniers. Excellentie, ik wil niet klagen, ik werd immers nog niet doodgeslagen.’

Wegens werkweigering kreeg gevangene Lo Hartog van Banda in oktober 1942 eenzame opsluiting in een houten barak aan de rand van het kamp. Hier kwam hij tot de ontdekking dat eenzame opsluiting goede kansen bood voor een ontsnapping. Vervolgens organiseerde hij samen met zijn medegevangenen Karel Raedt van Oldenbarnevelt, Loo van Poelje, Joop Stulemeyer en Johnny Kraak een ontsnappingspoging. Eerst moest er een aanleiding voor werkweigering zijn, waaruit vanzelf eenzame opsluiting zou volgen. Begin november 1942 diende die kans zich al aan: deze vijf gevangenen kregen de opdracht om de toiletten van de bewakers met de blote handen te reinigen. Ze weigerden dit en toen werden ze inderdaad opgesloten in de houten cellenbarak. In de nacht van 4 op 5 november besloten ze om te ontsnappen. Vanwege zijn verjaardag werd Hartog van Banda op 4 november plotseling door kampcommandant Bill de Roos vrijgelaten uit zijn cel. Hartog van Banda was in eerste instantie niet blij dat hij niet mee kon ontsnappen, maar later bleek dit zijn geluk. De vier medegevangenen ontsnapte nadat ze met een bewerkte vork een plank uit de achterste cel hadden gezaagd. Ze wilden naar Frans-Guyana, maar verdwaalden in het oerwoud en werden na 36 uur gevonden door Surinaamse Schutters. Ze werden overgedragen aan een groep Irene Brigadisten, waaronder Bill de Roos en Luitenant Snoeck. Die laatste zei: ‘Ik heb de opdracht gekregen jullie neer te schieten, maar ik schiet niet op ongewapende mensen, maar indien jullie ook maar één poging doen om te ontsnappen, zal ik mijn orders uitvoeren.’ De Roos was het daarmee niet eens en beval hen om te hurken en schoot tussen hun benen door. Vervolgens werden ze met natgemaakt sisal op hun rug en voorlangs door de mond op indiaanse wijze geboeid. Onderweg knelden de handen steeds meer en werden ze door de mariniers ettelijke keren zwaar afgetuigd met knuppels. Na korte tijd in het kamp te zijn opgesloten, werden ze inmiddels geketend per motorboot en vervolgens met legertruck overgebracht naar de marinierskazerne bij Fort Zeelandia in Paramaribo. De mariniers schopten en knuppelden het viertal in de cel. Stulemeyer: ‘Ze ramden zo hard om mijn hoofd dat ik het gevoel kreeg dat de vlammen eruit sloegen.’ Nog diezelfde nacht werden ze naar het bureau van territoriaal commandant van Suriname, kolonel Jan Meyer, gebracht en hardhandig verhoord. Stulemeyer was als eerste aan de beurt. Die kreeg een grote scheldkanonnade over zich heen: ‘Vuile landverrader’ en ‘Het bombardement van Rotterdam is jouw schuld’. Zijn ondergeschikten waaronder de mariniers Grift en Verhoeven waren danig onder de indruk, zeker toen Meyer Grift opdroeg: ‘Als hij één stap verkeerd doet, schiet hem dan maar voor zijn donder!’ Toen Stulemeyer naar zijn cel werd gebracht, voegde Grift de daad bij het woord, maar zijn wapen ketste. Daarna haalt marinier Verhoeven op dezelfde brute wijze Karel Raedt van Oldenbarnevelt op. Meyer kent hem nog van voor de oorlog uit Nederlands-Indië. Hij was toen ook enige tijd sympathisant geweest van ‘zijn’ N.S.B. , maar vreemd genoeg niet opgepakt. Bij het verhoor brengt Karel dat ook even ter sprake: ‘Waarom sta je niet meer aan onze kant, Jan?’
Tijdens het verhoor sloeg de woedende Meyer met zijn bamboestok de provocerende Raedt regelmatig in het gezicht. Daarna werd hij geboeid en met de handen op de rug, op weg naar zijn cel op de buitenplaats van achteren doodgeschoten door de marinier Sjef Verhoeven. Vlak daarna overkwam Loo Van Poelje na het verhoor hetzelfde toen marinier Harmen Grift een salvo op hem afvuurde. Loo raakte zwaargewond. Gevangenisdirecteur William Gummels verijdelde door zijn tussenkomst dat het andere duo na hun verhoor ook standrechtelijk werd geëxecuteerd. Gummels had de Surinaamse wachtcommandant Christiaan Knoppel aan zijn zijde: ‘Kolonel Meyer vond dat ik niks in mijn rapport hoefde te melden over het neerschieten van die twee. Hij zei nog Laat je mensen maar kijken wat ik doe met landverraders die willen weglopen.’ De nog steeds geboeide, zwaargewonde en kermende Loo werd samen met zijn vermoorde vriend op een laadbak van een pick-uptruck gejonast en respectloos op de stoep van ’s Lands Hospitaal gegooid. Daar overleed de pas 26-jarige, na een martelgang van enkele uren.

Op 5 mei 1945 staan alle geïnterneerden van het kamp Jodensavanne aangetreden in het gelid. Er wordt hun meegedeeld dat Nederland bevrijd is. De Nederlandse vlag wordt gehesen en het Wilhelmus wordt ten gehore gebracht. De geïnterneerden krijgen te horen dat op degenen die tijdens het ceremonieel niet stram in het gelid blijven staan, zal worden geschoten!. Hierna kregen de gevangenen wel wat meer vrijheden en mochten ze post ontvangen en versturen, maar onder censuur. Ook kregen ze een kist waar ze hun persoonlijke spullen in konden bewaren. In de maanden daarna wist de Nederlandse regering niet goed wat ze met de geïnterneerden aan moest. Ze vielen onder de regering van Nederlands-Indië, maar die bestond feitelijk niet meer. Pas op 15 juli 1946 kwamen de 138 gevangenen van Jodensavanne na een periode van 6 jaar en drie maanden weer vrij. Acht geïnterneerden waren overleden tijdens hun gevangenschap in Suriname. Twee waren er vermoord in Fort Zeelandia, enkelen overleden aan ziektes, die eenvoudig bestreden hadden kunnen worden met medicijnen, maar niet werden verstrekt. Drie gevangenen konden de spanning en intimidatie van de bewakers niet langer aan en kozen ervoor om zichzelf voedsel te ontzeggen. Drie dagen later werd de aftocht met de ms Boissevain in het donker georganiseerd, maar toch was een grote groep enthousiaste Surinamers uitgelopen om op de kade om afscheid van ze te nemen. Zij zorgden zelfs voor een spectaculair vuurwerk.

Op 2 augustus 1946 zetten de ex-geïnterneerden voet aan wal in IJmuiden. Daar werden ze als misdadigers met een groot nummer op de borst gefotografeerd en moesten ze vingerafdrukken afstaan. Ze voeren door naar Amsterdam en kregen daar een afwijkend rood persoonsbewijs en 25 gulden en werden op de kade achtergelaten. Bijna niemand werd opgehaald. Familieleden van deze passagiers wisten vaak niet eens dat hun man, vader of zoon nog leefde. Sommige van hun vrouwen waren ondertussen zelfs hertrouwd. De ‘staatsgevaarlijken’ ontvingen in de eerste jaren na de oorlog als ‘oorlogsslachtoffer’, twee gulden per dag als steun. In 1953 kregen vrijgezellen eenmalig een vergoeding van 500 gulden en gehuwden het dubbele, onder het mom van ‘eerherstel’. Dit werd door sommigen trots geweigerd; ze vonden het meer een fooi dan ‘eerherstel’. KNIL-militair Stulemeyer heeft later nog getracht eerherstel te verkrijgen, maar kreeg steeds alsreden voor zijn detentie dat hij potentieel staatsgevaarlijk werd geacht en dat mishandelingen en moorden nu eenmaal inherent aan interneringen waren. Geen enkele officier of marinier werd vervolgd voor de moorden en mishandelingen. De weduwe van Raedt van Oldenbarnevelt en haar zoons kregen een geldbedrag en verhuisden naar Australië. Territoriaal commandant van Suriname, kolonel Jan Meyer, daarentegen kreeg de Militaire Willemsorde 4e klasse, werd bevorderd tot generaal-majoor en troepencommandant van Midden-Java en werd in juli 1949 eervol ontslagen uit militaire dienst. Hij emigreerde naar de Verenigde Staten zonder ooit een officiële verklaring af te leggen over de moorden in Fort Zeelandia die onder zijn verantwoordelijkheid waren gepleegd.

In de jaren 1949-1950 kreeg Hendrik Jan van der Molen, hoofdcommissaris van politie te Amsterdam, de opdracht de dubbele moord in Suriname te onderzoeken. Het onderzoek werd pas gestart nadat de uitgeweken hoofdverdachte Jan Meyer zich had verzekerd van een Amerikaans paspoort. De zaak werd ondanks alle belastende verklaringen geseponeerd. In 1972 kwam de zaak weer in de publiciteit door een tv-reportage. Mr. Ernest Grünberg, de toenmalige waarnemend procureur-generaal in Suriname, noemde het drama in dit artikel een laffe moordpartij en vervolgde: ‘Uit onderzoek van de patholoog-anatoom en foto’s van de schotwonden is gebleken dat de schoten van zeer dichtbij zijn afgevuurd. Beide slachtoffers zijn met hun handen op de rug geboeid geweest en het is uitgesloten dat ze probeerden te vluchten. Het is zeker, dat de kolonel Meyer, die het bevel heeft gegeven tot de moorden, vóór de oorlog lid is geweest van de NSB en dat daarin voor hem één van de motieven is geweest om zich van lastige getuigen te ontdoen.’ Naar aanleiding daarvan werden in april 1972 Kamervragen gesteld aan de ministers Van Agt (Justitie) en Koster (Defensie), maar dat leverde slechts doofpotachtige verklaringen op.

(met dank aan de informatie en illustraties van de website www.prinsesirenebrigade.nl)

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: