OCHTENDBEZOEK EN AVONDWANDELING (3)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (75)
EERDERE AFLEVERINGEN

Ondertussen was hij dagelijks voortgegaan met de jeugdige te bestormen, die hem waarschijnlijk wel niet liefhad, maar jong en onervaren zich aan hare behaagzucht overgaf en aan den prikkel van het romaneske, waartoe zij enige neiging toonde. Daarenboven kon men aan Van der Hoogen enige uiterlijke voorrechten niet ontzeggen. Het was nu tussen hen beiden een stille liefdeshistorie geworden, dat wil zeggen, zoo gevaarlijk als een liefdeshistorie zijn kan. Het biljet in den ruiker had dit voor mij boven allen twijfel verheven. Ondertussen had de charmante zich in het gebeurde met juffrouw Noiret aan mij vertoond als een lage dubbelhartige bedrieger en avontuurlijke lichtmis, die het op het geluk en de onschuld van onervarenen en weerlozen toelegde, en ik verachtte hem in het diepst van mijn ziel. Ik begreep dat het mijn plicht was jufvrouw Noiret tegen alle verdere lagen te beschermen, en Henriette, om een versleten leenspreuk te gebruiken, van den afgrond terug te leiden, op welks rand zij in zulk slecht gezelschap omdoolde.
Waar ik eindelijk toe besloot zal het volgende hoofdstuk leren.

          Een hoofdstuk waarmee de auteur ijselijk verlegen is,
omdat hij er zelf de
mooie rol in speelt; iets dat hij wel weet dat hem in ’t geheel niet past,
maar
dat hij toch voor ditmaal niet helpen kan

Hildebrand, die door een samenloop van omstandigheden bestemd was om in deze geschiedenis een handelend persoon te worden, stond den volgenden morgen een half uur vroeger dan de vorige dagen op en liep met een gewichtig gelaat en grote stappen de kamer op en neer, een beweging, die hij altijd aanneemt als hij over iets belangrijks of als hij over niets denken wil. Nu eens blikte hij veelbeduidend op naar de giftige pijlen aan den wand, dan weder overzag hij zijne heldhaftige houding in den spiegel, en eindelijk wijdde hij een groot gedeelte zijner aandacht aan de mussen, die in den tuin af en aan vlogen en elkander niet zelden onaangenaamheden toevoegden omtrent zekere kruimels en kleine korstjes brood, die reeds in dit vroege morgenuur hare hartstochten in beweging brachten.
Hij kwam daarop geheel gekleed aan het ontbijt, een omstandigheid die niemand bevreemdde, daar het zondag was, ofschoon er op dien bijzondere zondagmorgen juist niemand naar de kerk ging dan de oude mevrouw. Mijnheer verklaarde ‘veel van den godsdienst te houden, want wat zou er zonder godsdienst van de maatschappij worden!’ maar hij kon ‘het geteem van de dominé’s in deze stad niet aanhoren’; voor mevrouw ‘tochtte het in de kerk al te verschrikkelijk’; en wat Henriette betrof, zij ging wel, maar ‘zag er geen noodzaak in er sleurwerk van te maken’.
Hildebrand nam den schijn aan van naar de kerk te zullen gaan, en had evenwel voorgenomen het niet te doen. Hij herinnerde zich, niet zonder ingenomenheid met de hoge roeping die hij in zich gevoelde, het zeggen van Fénelon, in het treurspel van dien naam:
          ‘Dit is mijn eerste plicht. Men dien’ de menschlijkheid,
          En zing, daarná, den lof der Hemelmajesteit!’

Hij had zich den vorigen avond laten onderrichten waar de kamers van den heer van der Hoogen te vinden waren en moest ze in een der middelbare straten van de stad, boven een beddewinkel, zoeken. De heer Hildebrand stapte er heen in de vaste overtuiging den heer van der Hoogen thuis te zullen vinden.
Daar hij zich evenwel tebinnenbracht dat de heer van der Hoogen, die een post aan het bureau der registratie had, dagelijks reeds om tien uren in den morgen aan dat bureau verschijnen moest en dan nog wel tot twee uren na den middag druk werk had, kwam het hem niet onwaarschijnlijk voor, dat gemelde heer van der Hoogen des zondags een weinigje zou moeten uitslapen en dus hoogstdenkelijk nog op zijn bed zou liggen. Daarbij voegde zich misschien heimelijk een weinig innerlijke neiging om de onaangename boodschap, die het ‘dienen der menslijkheid’ in dezen medebracht, nog een ogenblikje uit te stellen.
Nu gebeurde het dat Hildebrand, op zijn weg naar den beddewinkel in de middelbare straat, een plein over moest, waarop een kerk stond, waaruit het gezang der gelovigen krachtig opsteeg; en hij gevoelde lust om ten minste nog een gedeelte van de godsdienstoefening bij te wonen.
Hildebrand is geen voorstander van het laat verschijnen in het huis des Heeren. Hij begrijpt dat Gods Woord er geenszins voor niet wordt voorgelezen, en veel minder om als een demper te dienen op het gedrang om plaatsen en het geschuifel met stoven; maar wel moet hij bekennen dat het iets bijzonder plechtigs en indrukmakends heeft, zich op eenmaal van de stille straat in een hoofdkerk te verplaatsen, waar een grote schare reeds met ongedekten hoofde ter nederzit en, onder het statig intoneren van het orgel, zijn lofzang als uit ééner harte opheft. De aanblik eener gemeente, verenigd, ten minste uiterlijk verenigd, in den dienst van God, heeft reeds op zichzelf een ontroerende stichtelijkheid; en wij zijn er, geloof ik, zoo menigen goeden en christelijken indruk aan verplicht, dat het, al was het alleen daarom, de moeite waard is de les van den apostel te betrachten: ‘Laat ons onze onderlinge bijeenkomste niet nalaten.’

           ’t Hijgend hert,

zoo zong de saamgevloeide schare met de woorden van den Tweeënveertigsten Psalm:
          ’t Hijgend hert, der jacht ontkomen
          Schreeuwt niet sterker naar ’t genot
          Van de frissche waterstroomen,
          Dan mijn ziel verlangt naar God.

O Gij, die meent dat tehuis een ‘goede’ preek te lezen – gij leestgewis altijd goedepreeken, en krijgt niet dan slechte te hooren? – o Gij, die meent dat tehuis een goede preek te lezen, en des noods een psalm er bij, even stichtelijk is als de openbare samenkomst; die het gebod des Zaligmakers om in de binnenkamer te bidden, tegen het bidden met de gemeente overstelt, hebt gij dan nimmer het hartverheffende gevoeld, dat het gezicht van zovele menschenkinderen, uit alle standen, die met en rondom u hetzelfde lied aanheffen, hetzelfde woord van vertroosting aanhoren, en denzelfden Vader in de hemelen, in naam van denzelfden Verlosser, aanroepen, teweegbrengen kan?
Jammer dat de organist de kracht van den roep der gemeente tot God in een laf naspel liet verloren gaan.
Een eenvoudig man van hoge jaren stond op den predikstoel en sprak de gemeente naar aanleiding der opgezongen woorden opwekkelijk toe. Hij deed daarop een eenvoudig, ootmoedig, en recht biddendgebed. ‘Een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel,’ zegt Jacobus. Toen nodigde hij de gemeente andermaal tot een gezang; en nu werd uit den Eersten Psalm aangeheven:
          De Heer toch slaat der menschen wegen ga,
          En wendt alom het oog van zijn gena
          Op zulken, die, oprecht en rein van zeden,
          Met vasten gang het pad der deugd betreden;
          God kent hun weg, die eeuwig zal bestaan;
          Maar ’t heilloos spoor der boozen zal vergaan.

Dit waren ook de tekstwoorden van den grijzen evangeliedienaar: ‘De Heer kent den weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddelozen zal vergaan.’ En met dit woord in het hart spoedde Hildebrand zich naar Van der Hoogen.
‘Op de voorkamer!’ riep de vrouw uit den beddewinkel, haar hoofd uit een achterkamer stekende; ‘de trap op; de eerste deur aan uw linkerhand!’
Hildebrand volgde die aanwijzing. De deur van de voorkamer stond halfopen, en hij bevond zich op het grondgebied van den charmanten. Deze echter was er niet.
De kamer was niet bijzonder charmant; zij was slecht gestoffeerd en alles behalve net. Een gemakkelijke leuningstoel was het beste meubel. Aan den muur hingen een paar prenten met Robert Macaire, en enige vrouwenbeelden van de hand van kunstenaars, die zich bijzonder op het naakt schenen te hebben toegelegd. Boven den schoorsteen een schermmasker, schermhandschoenen en floretten, en de staart van een fazantehaan, dien Van der Hoogen moest verbeelden eenmaal geschoten of gegeten te hebben. In den rand van den spiegel staken een menigte invitatiekaarten, waaronder sommige van reeds zeer ouden datum. Op tafel stond een grote flacon met reukwater en lag een deeltje van Paul de Kock opgeslagen. Er brandde een vuur in den haard, dat echter in het laatste halfuur slecht scheen onderhouden te zijn. Een onaangeroerd ontbijt stond op, en van de kook geraakt theewater onder de tafel. Dit betekende dat de heer van der Hoogen waarschijnlijk nog in zijn slaapvertrek was. Hildebrand hoopte dat de hospita hem zou aandienen.
Weldra kwam er ook waarlijk iemand de trap oplopen, maar het kon de hospita niet wezen, want Hildebrand hoorde degelijke manslaarzen kraken. De boven komende persoon scheen een kleinen overloop over te gaan, en hij hoorde hem een andere deur opendoen. Daarop vernam hij een stem, die uit de dekens scheen te komen en ‘wie daar?’ riep.

Dit item was geplaatst door Muis.
%d bloggers liken dit: