009 – KASTEEL BALGOIJ

OpelFahrrad a quintDe hof te Balgoy behoorde waarschijnlijk tot het beginkapitaal van het kapittel van St. Jan te Utrecht, dat rond het midden van de elfde eeuw werd gesticht. Het is onbekend hoe Balgoy door St. Jan is verworven. Wel is zeker dat de hof of curtis Balgoy aanvankelijk een van de belangrijkste bezittingen van het kapittel uitmaakte en dat de proost er de hoge rechtsmacht uitoefende. De oudste vermelding van de goederen te Balgoy, waartoe ook een aantal tijnsgoederen binnen Balgoy zelf en over de Maas in Brabant behoorden, dateert eerst uit het jaar 1172. De curtis werd aanvankelijk in erfpacht uitgegeven, maar in de tweede helft van de veertiende eeuw bestond er een leenverhouding tussen de proost van het kapittel en de bezitter van de curtis. Het kasteel in het Gelderse dorp Balgoij (gemeente Wijchen) werd in 1257 voor het eerst vermeld. De graaf van Kleef en de proost van de Utrechts Sint-Janskerk verdeelden namelijk dat jaar hun goederen in Balgoij. De proost kreeg het hof, de graaf ontving het kasteel. Binnen de expansiepolitiek van de graven van Kleef paste het in de macht hebben van de heerlijkheid Balgoy en Keent. Rond 1350 werd Balgoy en Keent in zijn geheel Kleefs leen. Om zijn macht te bevestigen bouwde de graaf van Kleef een kasteel, het Huys tot Balgoye. Met zijn zware zaaltoren en grote voorburcht behoorde het kasteel tot een van de geduchtste in het gebied.

Kasteel Balgoij - Jacobus Stellingwerff 1667Vermoedelijk stond dit kasteel op het eilandje in het zogenaamde Balgoijse Meertje. Blijkbaar was het kasteeltje in de daarop volgende twee eeuwen een armzalige bouwwerk geworden, want in het midden van de 14e eeuw werd ruim vijfhonderd ten zuidwesten van de oude locatie door de proost een nieuw kasteel gebouwd. Net als het vorige kasteel Ook dit kasteel stond het langs een oude rivierarm van de Maas. In 1367 werd het nieuwe kasteel en de heerlijkheid Balgoij door Diederik van Horn, heer van Perwys, Duffele en Cranenburg (1320-1378), namens de graaf van Kleef verkocht aan de Nijmeegse burger Baudekin Lauwart tegen het wederinlossen van 1250 oude schilden over een periode van zeven jaar en de onkosten der timmering aan het huis. Dit laatste bedrag zou niet hoger zijn dan tweehonderd Nijmeegse ponden. De archeoloog Jaap Renaud, die in 1941 onderzoek deed naar het toen al lang verdwenen kasteel, meende dat dit bedrag te hoog was voor normale onderhoudswerkzaamheden en dat de bouw van het kasteel op dat moment nog niet voltooid moet zijn geweest. Deze Diederik van Horn moet niet worden verward met naam- en tijdgenoot Dirk Loef van Horne, een gewelddadig roofridder die vooral voortleeft als de opdrachtgever voor de bouw van Slot Loevestein op het punt waar de Maas en Waal samenkomen. In 1370 kwam het kasteel en goed in het bezit van Jutte van Balgoy en haar zoon Claes Trouweloos. Die droeg het ‘huys tot Balgoyen mitten voorgeborchte, graven ende veste’ op aan hertog Eduard van Gelre (1336-1371) en kreeg het direct weer in leen van hem teug. Wat de Graven van Kleef niet konden voorzien, was kasteelheer Claes Trouweloos zijn naam eer aan zou doen en met de overdracht aan Eduard van Gelre het kasteel daarmee openstelde voor Gelderse troepen, wat gezien de gespannen sfeer tussen de graven van Kleef en Gelre. Na een aantal jaren namen de graven van Kleef wraak. Begin vijftiende eeuw werd Balgoy en Keent op gruwelijke wijze door Kleefse troepen afgestraft. Van de vijftiende tot en met de zeventiende eeuw was de heerlijkheid achtereenvolgens in het bezit van de families Van Ooi, Maschereel en d’Oultremont.

Als belangrijke versterking speelde het kasteel een rol in de tachtigjarige oorlog en daarna ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden. In 1568 legerde Alva er zijn schepen met zijn troepen tijdens zijn beroemde veldtocht langs de Maas. Parma deed dat nog eens over in 1588. Vier jaar eerder was het kasteel Balgoij door de Spanjaarden al ingenomen. Na 1600 gingen de rechten van Balgoy en Keent over op de Staten van Gelre. Nadat de Franse legers ons land waren binnengevallen werd het kasteel in 1674 door hen geheel verwoest. Er is echter ook een versie dat op dat moment het kasteel al behoorlijk was vervallen en het ‘slechts’ door de Fransen in brand werd gestoken om het lot van het kasteel definitief te bevestigen. Over de manier waarop, de mogelijke slachtoffers ven dergelijke is niets bekend. Het is zo goed als zeker dat het kasteel daarna zodanig zwaar beschadigd dat het niet langer bewoonbaar was. Omstreeks 1725 maakte Jacobus Stellingwerff (1667-1727), een Amsterdamse tekenaar van landschappen en topografische objecten, een tekening van het kasteel Balgoij. Het is echter zeer de vraag hoe betrouwbaar deze tekening is, want Stellingwerff heeft het kasteel nooit zelf kunnen zien en werkte altijd met door anderen aangeleverde schetsen. Maar als de tekening niet al te veel afwijkt van het originele bouwwerk, moert het een imposant gezicht zijn geweest.

De heerlijkheid werd in 1687 verkocht aan George van Weede, die gouverneur van Grave was. Hij liet in 1712 alles na aan zijn dochter Everdina van Anholt, een weldoenster van de RK-schuurkerk, waarvoor zij een stuk bouwgrond schonk. Zij liet op haar beurt de goederen in 1724 na aan haar dochter Wilhelmina. Zij was getrouwd met Wilhelm von Hessen Philipstal, die op de met puin gevulde gracht tussen het hoofdgebouw en de voorburcht een nieuw huis liet bouwen, dat echter maar spaarzaam werd bewoond. Het huis stond in de zuidwesthoek van het kasteelterrein en had een toegangsbrug met een gesmeed ijzeren toegangshek. De kleinkinderen van Wilhelm en Wilhelmina verkochten in 1770 het adellijk huis met hof, boomgaarden en een schone tuin weer aan Judocus Daniël van Laren, die het ook maar tien jaar Huis Balgoy 1941in bezit zou hebben. In 1780 ging het huis opnieuw over in andere handen, dit keer in die van Bernhard van Rappard. Het is niet zeker dat de nieuwe eigenaar op dat moment ook nog steeds in het bezit van alle grond waren. Rappards zoon Konrad Willem, gehuwd met Alida Maria de la Court, werd vervolgens eigenaar. Na diens dood in 1824 ging het Huis te Balgoij over aan de familie De la Court, die het doorverkocht aan Louis Machen. Na diens noodlottig overlijden volgde de familie Zuynderhoudt. Bij een openbare verkoop van het huis en de inmiddels versnipperde heerlijkheid, werd de kasteelruïne gekocht door Albert Spann, de dorpsveldwachter van Balgoij en Keent. Dat duidt op een behoorlijke neerwaartse spiraal en dat klopt, want die in 1909 het vervallen landhuis afbreken en bouwde een nieuwe woning. In 1937 bleek ook dat huis weer te zijn verdwenen.

Kasteel Balgoij - voormalig koetshuisIn 1941 vond op het terrein een archeologisch onderzoek plaats onder leiding van door Jean Renaud, de eerste Nederlandse professor in de kasteelarcheologie. Tijdens het egaliseren van het kasteelterrein werden oude fundamenten aangetroffen en door de archeoloog in kaart gebracht. Een deel van de aangetroffen stenen is nadien weggebroken en als verhardingspuin hergebruikt om de restanten van de grachten te dempen. De eigenaar van de grond waarop het kasteel stond, kreeg toestemming zand over de restanten van de fundering te gooien en er fruitbomen te planten. Nieuw onderzoek in 1992 wees uit dat er nog steeds wat oude fundamenten in de bodem aanwezig zijn. Uit Renauds onderzoek van Renaud bleek dat het kasteel, gebouwd langs een voormalige rivierarm van de Maas waarmee de slotgracht kon worden gevuld, bestond uit een voorburcht en een hoofdburcht. De voorburcht uit de vijftiende eeuw was ongeveer veertig bij dertig meter groot. Rondom lag een bakstenen muur en in de zuidelijke muur bevond zich een toegangspoort. De hoofdburcht stamde uit de tweede kwart van de veertiende eeuw. Dit gebouw bestond uit een onderkelderde, rechthoekige woontoren van twintig bij zestien meter, verdeeld in drie ruimtes. De buitenmuren waren twee tot tweeënhalve meter dik. Tot 1980 stond buiten de omgrachting nog het zeventiende-eeuwse koetshuis, dat in de eerste helft van de 19e eeuw nog tijdelijk het onderkomen was voor de hervormde gemeente. Het verkeerde echter in zo’n slechte staat dat het in de winter van 1979-1980 volledig instortte. Wat op dit moment rest van de voormalige heerlijkheid is de mooie omgeving, de Bremte Mere, een onderdeel van de ecologische verbindingszone gelegen tussen Wijchen en Balgoy. Een gebied met prachtige struweel- en vlechtheggen.

Dit item was geplaatst door Muis.