THERESIËNSTADT 1 – SIEGFRIED SEIDL

Siegfried Seidl (Tulln an der Donau, 24 augustus 1911 – Wenen, 4 februari 1947) werd in 1911 geboren in Tulln an der Donau, indertijd gelegen in de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie gelegen, tegenwoordig in Neder-Oostenrijk. Zijn vader, die als kapper werkte, sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog, zijn moeder werkte op de Bondskanselarij. Na zijn middelbare school in Klosterneuburg en Horn te hebben afgemaakt, ging Seidl rechten studeren in Wenen. Na drie semesters onderbrak hij zijn studie en nam verschillende baantjes aan. Van september 1932 tot mei 1933 werkte hij als stoker op de Bondskanselarij, zijn moeder had hem aan het baantje geholpen. Vanaf 1935 tot 1938 studeerde Seidl geschiedenis en germanistiek aan de Universiteit van Wenen. Hij promoveerde in 1941, maar zijn titel werd hem in 1947 ontnomen. In 1938 en 1939 werkte Seidl bij de beveiligingsafdeling van de motorenfabriek Austro-Fiat.

Seidl was al op negentienjarige leeftijd op 15 oktober 1930 lid geworden van de NSDAP (nummer 300 738). Van september 1931 tot mei 1932 was hij actief in de SA, maar stapte over naar het elfde SS-Standarte (SS-regiment) als SS-Scharführer (equivalent van eerste sergeant) (nummer 46 106). Naar eigen zeggen zou hij vanaf december 1939 inspecteur van de Sicherheitspolizei in Wenen zijn geweest. Kort daarvoor, op 2 maart 1939, was Seidl getrouwd met Elisabeth Stieber, een voormalige kleuterleidster, lid van de NSDAP, van de NSF (National-Sozialistische Frauenschaft (nationaalsocialistische vrouwenbeweging) en ondersteunend lid van de SS.
(meer…)

ODALISKEN – 011

Francesco Ballesio (Turijn, 1860 – Tivoli, 1923) was een Italiaanse schilder. Hij kreeg zijn opleiding in de geboorteplaats Turijn, maar trok al op jonge leeftijd naar Rome om zijn studie af te ronden. Hij zou de rest van zijn leven in de hoofdstad blijven wonen. Hij schilderde voornamelijk oriëntaalse thema’s, zonder uitzondering vanaf foto’s want de schilder was nooit zelf in de Oriënt geweest. Door zijn schilderijen verwierf hij een tijdlang een goede internationale naam, die eigenlijk al op zijn hoogtepunt was bij de internationale tentoonstelling in 1883 te Rome. Ballesio was toen amper 23 jaar oud. Hij kon echter de rest van zijn leven teren op deze reputatie.

KEGELZWAAIEN

Kegelzwaaien werd slechts twee keer beoefend op de Olympische Spelen, in 1904 en 1932. Op het eerste gezicht een eigenaardige interval van maar liefst 28 jaar. Totdat opvalt dat beide keren de spelen werden georganiseerd in de Verenigde Staten, waar de sport blijkbaar populair was. Het onderdeel behoorde tot de ritmische gymnastiek. De atleet moest kaarsrecht overeind blijven staan, waarna de kegels door de lucht gingen. Een gestandaardiseerd systeem zou voor een objectieve beoordeling door een jury moeten zorgen, maar zoals bij zoveel turnonderdelen was de jury nogal eens partijdig en waren de uitslagen niet altijd even eerlijk.

Bij de Olympische Spelen in 1904, die werden gehouden in Saint Louis, Missouri (USA) was Club Swinging een van de elf gymnastiekonderdelen. Hoe armzalig het deelnemersveld was blijkt wel uit de medailleverdeling. Bij het allroundtoernooi werden de gouden, zilveren en bronzen medaille gewonnen door respectievelijk een Amerikaan, een Duitser en een Zwitser. Bij de tien andere onderdelen waren alle dertig medailles voor Amerikaanse atleten. Ook bij Club Swinging was dat het geval. De eerste prijs was voor Edward August Hennig (13 oktober 1879 – 28 augustus 1960), die ook aan de rekstok de gouden medaille won, gedeeld met zijn landgenoot Anton Heida die dezelfde score had. Henning deed ook mee aan een aantal andere turnonderdelen, zonder nog verdere prijzen te winnen. Met twee gouden medailles zal hij trouwens niet ontevreden zijn geweest. De zilveren medaille ging naar  Emil Voigt (15 december 1879 – 26 februari 1946) die ook een bronzen medaille zou winnen bij de oefening aan de ringen en ‘rope climbing’, nog zo’n bizar evenement dat al lang van de sportkalender is verdwenen. Ook Voigt was bij diverse andere turnonderdelen actief. De bronzen medaille was voor Ralph Charles Wilson (24 juni 1880 – onbekend overlijdensdatum). (meer…)

HET IERSE PROBLEEM (2)

Rond 1800 was in Ierland de aardappel het belangrijkste voedsel, met name voor het arme bevolkingsdeel. De oorzaak hiervoor was dat de aardappel op vrijwel elke grondsoort groeide en voldoende vitamines en voedingswaarde bevatte. Hierdoor was in Ierland een sterke bevolkingsgroei mogelijk, maar dat zou zeker geen zegening voor de bevolking worden. Veel arme Ieren begonnen kleine boerderijtjes (cottages) op het grondgebied van een landheer en betaalden hun huur in aardappels. Deze boerderijtjes waren vaak erg klein (0.4 tot 2 hectare) en de boeren konden amper in hun eigen levensonderhoud voorzien. De verkoop van hun producten bracht net genoeg op om het hoofd bovenwater te houden. Rond 1840 waren de leefomstandigheden in Ierland erbarmelijk. Ongeveer driekwart van de arbeiders zat zonder werk en vanwege de stijgende bevolkingsomvang die een jaar of twintig eerder had ingezet, werden dat percentage elk jaar hoger.  Door de toenemende bevolkingsdruk was het bovendien lastig om een goede woning te vinden. Vaak werden grote gezinnen in kleine kamertjes bijeen gestopt, waardoor de kans op ziektes erg groot was. Onder deze barre omstandigheden moesten de Ieren zichzelf staande zien te houden.

In 1845 mislukte de oogst door een aardappelziekte. Deze was eind juni 1845 in de streek van Kortrijk (België) al opgemerkt en waaide in september over naar Ierland. Het was niet de eerste misoogst, sinds 1816 waren er in Ierland al tien geweest. In 1846 mislukte de oogst voor de tweede keer, weer door de aardappelziekte. In 1847 was er een grote droogte, die weliswaar de aardappelziekte stopte maar ook tot gevolg had dat de opbrengsten uiterst karig uitvielen. Bovendien brak in 1847 buiktyfus uit, een tot dan toe onbekende ziekte. In 1848 werd enorm veel moeite gestoken in het verhogen van de oogstopbrengsten. Door een natte periode brak er echter opnieuw aardappelziekte uit. Daarbij kwam nog een cholera-epidemie in december van dit jaar. Het jaar 1849 was misschien wel het slechtste jaar van de Ierse aardappelhongersnood, de bevolking was gedecimeerd en het land volledig bankroet. Pas in 1850 herstelden de oogsten zich weer, hoewel er nog wel lokale uitbraken waren van de aardappelziekte. (meer…)

HET IERSE PROBLEEM (1)

Een tijdje geleden werd mijn aandacht getrokken door een artikel waarin werd ingegaan op het fenomeen van witte privileges en arbitraire raciale indelingen. De centrale conclusie van de auteur was dat normaal gesproken wordt verondersteld dat iedereen met een lichte huidskleur wit is, maar dat de connotaties van “witheid” dieper dan dat gaan. Ze hebben te maken met Anglo-Saksische afkomst, met het vermogen om Engels als ‘eerste taal’ te spreken en het uit een “ontwikkeld land” komen. Daarbij werd ingegaan op de dreiging die veel Amerikanen van Anglo-Saksische afkomt vanaf eind 18e eeuw tot ver in de 20e eeuw zagen in een inferieure bevolkingsgroep, de Ieren. De Ieren?

Eind 18e eeuw stroomde Noord-Amerika vol met Europese immigranten, die bijna allemaal van mening waren dat in het ‘Land of the Free’ geen plaats was voor inferieure volkeren. Die werden of als slaaf op de plantages aan het werk gezet of massaal uitgemoord. Lord Amhurst, de bevelhebber van de Britse troepen, suggereerde in 1763 om in Pennsylvania zakdoeken en dekens van pokkenlijders aan de indianen uit te delen. Dit ‘teken van goede wil’ zou dan als doel moeten hebben onder de indianen een massale pokkenepidemie te veroorzaken. Amhurst had er namelijk al kennis van genomen dat de indianen voor bepaalde Europese ziekten erg bevattelijk waren. In 1776 werd zijn plan ook daadwerkelijk tot uitvoer gebracht. Met beperkt effect, maar via een scala van andere maatregelen werden de indianen toch uitgemoord. Men vond het in die tijd volledig geoorloofd om de goddeloze en barbaarse oorspronkelijke bewoners van het Noord-Amerikaanse continent uit te roeien of terug te dringen in troosteloze reservaten. Toen de indianen geknecht waren en de zwarte slaven veilig weggestopt zaten in de zuidelijke plantages, zagen de Amerikanen hun ‘American Dream’ bedreigd door een volgende inferieure bevolkingsgroep, de Ieren. (meer…)

ROLVERDELING TOT DE VIJFTIGER JAREN

De rolverdeling tussen mannen en vrouwen was in de negentiende eeuw voor iedereen duidelijk. Heel, heel langzaam kwam daar in de loop der jaren wel enige verbetering in, maar tot omstreeks 1950 veranderde er in essentie niet zo heel veel.

  1. De vrouw had de taak om gehoorzaam te zijn aan haar man en voor haar man te zorgen. Ze kookte voor hem. Op zaterdag, als hij vrij was, werkte zij extra hard. Ze maakte het hele huis schoon, bakte brood, deed alle inkopen voor de week, kleren verstellen en haar gewone werk zoals voor haar kinderen zorgen kwam er ook bij, zodat de arme vrouw vaak de hele zaterdag tot laat in de avond bezig was. Als het gezin erg arm was moest de vrouw ook nog wel eens buitenshuis werk doen om rond te komen. Ze verloor dan echter al het aanzien dat ze nog had. Vaak werd er daarom gekozen voor thuis, voor geld, klusjes voor anderen te doen, zoals kleren naaien of schoonmaken. De man moest zijn vrouw financieel onderhouden en haar beschermen. Hij moest haar van al het nodige voorzien; voeding, onderdak, kleding, geneesmiddelen. De man gaf zijn vouw huishoudgeld, daar moest ze zelf alle boodschappen van doen. Hij werkte buitenshuis voor dit geld. De man moest eigenlijk ook zijn kinderen opvoeden, maar had daar geen tijd voor zodat die taak bijna helemaal voor de vrouw was.
  2. De vrouw woonde in haar man’s huis. Ze leefde van het geld dat haar man verdiende. Meestal had ze zelf nauwelijks bezittingen, maar was alles ook van haar man. Ze was zelf als een bezit van haar man. Als er sprake was van een scheiding kreeg de vrouw niks. Een enkele keer waren man en vrouw niet in gemeenschap van goederen getrouwd en had ze haar eigen geld. Dit geld was dan meestal van een erfenis. Pas na 1857 was het mogelijk voor een vrouw om een deel van haar man’s bezittingen te krijgen na een scheiding. Als de man wilde verhuizen moest zijn vrouw met hem meegaan, als de nieuwe woonplaats tenminste bij hun sociale positie paste. De man was degene die zijn gezin moest onderhouden, dus de man moest de baas zijn. De man was ook in de positie om zijn vrouw een draai om de oren te geven als zij iets deed wat hem niet aanstond. Vrouwen hadden er niks tegen in te brengen en als ze er problemen mee hadden, moesten ze maar bij die man weg gaan, maar dan hadden ze niks meer en gingen dan vaak het klooster in. Hij nam goede beslissingen en mocht doen wat hij wilde, zolang het bij zijn status en algemene gedragsregels van de gemeenschap paste. (meer…)

EROTIEK IN DE 19e EEUW – 01

%d bloggers liken dit: