IN DE AAP GELOGEERD ZIJN

Als je in de aap gelogeerd bent, ziet het er slecht voor je uit: je bent in een vervelende positie geraakt, je zit in de penarie. Wanneer je in de maling wordt genomen of benadeeld wordt, kan de uitdrukking ‘in de aap gelogeerd zijn’ worden gebruikt. De geleerden zijn het er niet echt over eens waar de uitdrukking vandaan komt. Er zijn wel enkele fantastische verklaringen in omloop, maar het is weinig waarschijnlijk dat het verhaal hiervan klopt. Wat alle verklaringen wel met elkaar gemeen hebben: een herberg en een aap komen er in voor.

De bekendste uitleg heeft betrekking op het op één na oudste pand van Amsterdam. Aan de Zeedijk staat een kroeg met de naam ’t Aepjen, de naam die het pand van oudsher heeft. Het pand stamt ongeveer uit 1550, is één van de enige twee houten huizen in Amsterdam en overleefde tal van stadsbranden. Volgens sommigen zat er in de 17e eeuw een herberg in het pand gevestigd. De theorie die ’t Aepjen in verband brengt met de uitdrukking ‘in de aap gelogeerd zijn’ heeft te maken met een vermeend gebruik van matrozen. Volgens deze theorie was de herberg vooral in trek bij zeelui die maanden op het water waren geweest. Ze waren berucht om om vele drinken en herhaaldelijk nalteten de kosten daarvan te betalen. Te kunnen betalen beter gezegd. Omdat ze vaak terugkwamen uit de Nederlandse koloniale gebieden in de Oost, hadden ze soms vreemde spullen bij zich waarmee ze wel konden betalen. Vreemde dieren waren erg in trek, met name apen. Veel matrozen zouden hun rekeningen in de kroeg hebben betaald door een aapje cadeau te doen aan de herbergier. De herbergier liet de apen als attractie wonen in de herberg, maar de beestjes droegen vaak ziektes en vooral hadden ze veel vlooien. Mensen die in ‘t Aepjen logeerden, kregen daarom ook vaak last van vlooien, meer specifiek van jeuk.  Daardoor ontstond in de loop der jaren het gebruik om tegen mensen die jeuk hadden te zeggen: ‘Jij hebt zeker in ’t Aepjen gelogeerd.’ Hier zou in de loop der jaren de uitdrukking ‘in de aap gelogeerd zijn’ vandaan zijn gekomen. Zwak onderdeel van dit verhaal: in de Amsterdamse stadsarchieven is echter niet terug te vinden dat in het pand aan de Zeedijk daadwerkelijk een herberg zat, zodat deze theorie niet te bewijzen is. Mensen die denken dat de herkomst wel degelijk met deze herberg te maken heeft, wijzen er echter op dat lang niet alle herbergen geregistreerd waren. (meer…)

Advertenties

17 JUNI – WARD RUYSLINCK

Ward Ruyslinck, pseudoniem van Raymond Charles Marie De Belser (Berchem, 17 juni 1929 – Meise, 3 oktober 2014) was een Vlaams schrijver. Zijn vader Leo de Belser was bibliothecaris bij een oliemaatschappij. Hij groeit op een in katholiek milieu. Als zovelen vlucht het gezin in 1940 voor de oprukkende Duitse bezetters. Ze stranden op enkele kilometers van Calais (Noord-Frankrijk) en keren terug naar Antwerpen. Een tijdje later verhuist het gezin naar Mortsel. Reeds op twaalfjarige leeftijd schrijft de jonge Raymond een roman: ‘Vaargeulen’. Zijn vader, die zelf ook de roman ‘Gepantserde beschaving’ schreef, stuurde dit werk op naar Stijn Streuvels. Deze stuurde het echter ongelezen terug, wel vergezeld van een brief vol raadgevingen. Het manuscript van deze roman ging spijtig genoeg verloren toen een luchtaanval in 1943 het ouderlijk huis verwoestte. In die tijd schreef Raymond ook een aantal gedichten en verhalen, waarvan sommigen werden gepubliceerd in het dagblad ‘Het Vlaamsche land’.

Op 5 april 1943 werd de woning van het gezin De Belser vernield bij het Bombardement op Mortsel. Het zou voor de dan 14-jarige Ruyslinck een traumatische ervaring blijven, wat in veel van zijn latere werk terug te vinden is. Het betrof een Amerikaanse bombardement, met 936 doden het zwaarste in België tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er raakten ook 1.342 mensen raakten gewond en de materiële schade was enorm: 1.259 woningen werden zwaar beschadigd. Het doel van de luchtaanval was de voormalige Minerva-autofabriek, waarvan het verzet gemeld had dat het Duits bedrijf ERLA er jachtvliegtuigen Messerschmitt Bf 109 van de Luftwaffe herstelde. Gehinderd door de actie van de Luftwaffe was het bombardement zeer onnauwkeurig: de meeste bommen vielen op de woonwijken rond de ERLA-fabriek. (meer…)

AMORY KANE

Amory Kane (geboren onder de naam Jack Daniel Kane op 28 maart 1946) was een Amerikaans muzikant, die Groot-Brittannië als uitvalsbasis had. Vooral zijn werk in de late jaren zestig in “swinging London” is in de herinnering achtergebleven, met als bekendste voor de meesten de single Reflections of Your Face, een nummer dat direct werd gecovered door P.J. Proby. In die jaren speelde een aantal latere leden van Led Zeppelin in Kane’s band. Kane werkte vooral als sessiemuzikant voor de Londense studio’s en maakte slechts twee LP’s: Memories of Time Unwound (1968) en Just to Be There (1970), waarop onder meer Dave Pegg van Fairport Convention op basgitaar meedeed. Van dat album: The Inbetween Man.
.
.
.
.
(meer…)

STEPHAN VANFLETEREN 1

Stephan Vanfleteren (Kortrijk, 1969) is een Belgisch fotograaf. Hij studeerde fotografie aan de Hogeschool Sint-Lukas Brussel. Aanvankelijk werkte hij voornamelijk voor de Vlaamse krant De Morgen, maar zijn werk verschijnt ook in magazines als Paris Match, Le Monde 2, Independent Magazine, Die Zeit, Knack, Humo en Volkskrant Magazine. De stijl van Vanfleteren kenmerkt zich door soberheid en karakterfotografie. Hij fotografeert in zwart-wit en laat zo veel mogelijk weg. Van 28 september 2007 tot 10 februari 2008 liep in het Fotomuseum Antwerpen de expositie Belgicum, over het gelijknamige boek dat door Vanfleteren geschreven is. Dat boek schetst een beeld van België in een sociale context. In 2009 gaf de overzichtstentoonstelling Portret 1989 – 2009 een beeld van zijn indringende zwart-witportretten. De expositie vond plaats in het Nieuw Circus, een oud circusgebouw in Gent, en trok in enkele maanden tijd bijna 60.000 bezoekers. Stephan Venfleteren won prijzen bij World Press Photo en European Fuji Awards en publiceerde met de Zwitserse fotograaf Robert Huber het boek ‘Elvis & Presley’ over een hilarische reis door de VS, verkleed als de overleden legende. In 2009 won Vanfleteren de Louis Paul Boonprijs, een Belgische kunstprijs die wordt uitgereikt aan een kunstenaar die uitblinkt in maatschappelijke betrokkenheid en die zijn binding met de mens centraal stelt. Vanfleteren leverde eveneens de omslagfoto van Etienne Nkasi voor David Van Reybroucks boek Congo: een geschiedenis. Dit boek won in 2011 de Prijs voor de Mooiste Boekomslag. Op 6 mei 2011 ontving Vanfleteren de Henri Nannen Preis, de belangrijkste onderscheiding voor fotografie in Duitsland voor de fotoreeks Es gibt was Neues hier seit gestern in DU-Zeitschrift für Kultur. In 2012 won Vanfleteren de Nationale Portretprijs met een foto van Rem Koolhaas. (Bron: Wikipedia) (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 013

.
Frans van den Muijsenberg / 9 april 2009 / Brug bij Emmerich

VERLAG ALLERT DE LANGE

Allert de Lange (1855 – 1927) was een Nederlandse uitgever en boekhandelaar. Hij was de zoon van een houthandelaar uit de Zaanstreek en vertelde zijn ouders, na de HBS te hebben doorlopen, dat hij het boekenvak in wilde. Allert verliet op zeventienjarige leeftijd Zaandam om als leerling-boekverkoper te gaan werken bij boekhandel Tj. van Holkema in Amsterdam. In 1876 ging hij naar Brussel en werkte daar twee jaar in de Librairie Mucquardt en daarna naar Londen, Engeland, waar hij nog twee jaar werkte bij Hachette. Toen had hij genoeg gespaard om als boekhandelaar te beginnen en keerde hij terug naar Nederland. Op 1 april 1880, begon de 25-jarige Allert de Lange zijn boekhandel aan het Damrak no. 62 in Amsterdam. Hij woonde daar boven de zaak en had één loopjongen in dienst. Door zijn huwelijk, met Rijkje Middelhoven, dochter van een houthandelaar, was Allert een vermogend man geworden. Door het vermogen van zijn vrouw was het in 1885 mogelijk het pand op het Damrak te kopen. Als uitgever van verschillende series en succesvolle publicaties werd de Lange erg bekend. Zijn boekhandel liep dan ook als een trein.

Na zijn overlijden in 1927 werd de zaak door zijn zoon Gerard de Lange (1896-1935) overgenomen. Gerard had er aanvankelijk geen zin in om in de zaak van zijn vader te werken, en besloot op zeventienjarige leeftijd, na de HBS, een opleiding te gaan volgen aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Na enige jaren het militaire bestaan volgehouden te hebben, kwam hij terug in Amsterdam en ging op wens van zijn vader toch in de zaak werken, waar hij in 1922 door zijn vader als mede-vennoot in de firma werd opgenomen. Na het plotselinge overlijden van zijn vader in 1927 kwam Gerard, die er een flamboyante levensstijl op nahield, niet meer op de zaak. Iedere ochtend liet hij zijn procuratiehouder, A.P.J. Kroonenburg (1902-1977), die reeds vanaf 1921 bij Allert de Lange in dienst was, bij zich komen in het restaurant van Schiphol of het Carlton Hotel om de lopende zaken te bespreken. Hilda van Praag-Sanders, de echtgenote van Siegfried van Praag (1899-2002), had na de machtsovername door Hitler in Duitsland in 1933 het plan opgevat in Nederland een Duitstalige uitgeverij op te richten. Omdat Siegfried van Praag zijn boeken liet uitgeven door de uitgeverij Allert de Lange, nam Hilda contact op met Gerard de Lange, wat uiteindelijk resulteerde in de oprichting van Verlag Allert de Lange. Hilda bezocht met haar man een aantal Duitse schrijvers zoals: Felix Salten, Arnold en Stefan Zweig, Max Brod en Joseph Roth om ze te polsen over medewerking aan de nieuwe firma. De zwerftocht van de schrijvers Bertolt Brecht, Max Brod, Ödön von Horvath, Joseph Roth en Stefan Zweig, was begonnen in 1933. Eerst kozen ze verblijf in omringende landen, later weken ze uit over de hele wereld. Brecht reisde via Praag naar Zwitserland en daarna naar Parijs, Denemarken, Zweden, Finland, Moskou, de Verenigde Staten en kwam na de oorlog weer terug in Berlijn. (meer…)

EXILLITERATUUR

Bettina Baltschev (1973), een Duitse journaliste en schrijfster die voortdurend heen en weer pendelt tussen haar beide woonplaatsen Leipzig en Amsterdam, schreef in 2008 al een boek met Amsterdam als thema (Ein Jahr in Amsterdam), dat blijkens de tekst op de achterzijde een wat clichématige reiswijzer voor jonge Duitse toeristen is aan de vrijgevochten Nederlandse hoofdstad: ‘Ein Jahr in Amsterdam – das bedeutet Massenpicknick im Vondelpark, ein Besuch im Coffeeshop, kulinarische Abenteuer mit Poffertjes, Pannekoeken, Matjes, Stropwafels und Snoepm und Hausboote überall. Und spätestens, wenn endlich das Fahrrad geklaut wird, gehört man dazu’. Haar tweede Amsterdamse boek is van een wat andere orde, namelijk de zogenaamde exilliteratuur van de Amsterdamse uitgeverij Querido. De schrijfster zoekt daarnaast naar de sporen van de exilauteurs: ‘de cafés waar schrijvers samenkwamen, de uitgeverij en de boekhandels die ze bezochten, de stad die ze zagen.’

Vanaf het moment dat Hitler in 1933 aan de macht kwam, ontvluchtte veel Duitse schrijvers hun land. De eerste boekverbrandingen op 10 mei 1933 maakte iedereen volkomen duidelijk dat het beter was de biezen te pakken. De minste van hun angsten was nog dat hun werk niet langer in eigen land uitgegeven kon worden; velen hadden echter de terechte vrees dat ze weldra vanwege hun joodse afkomst en/of politieke standpunten voor hun vrijheid moesten vrezen, om over gezondheid en leven maar te zwijgen.  (meer…)