ACHTTIEN KOLONIALE MACHTEN

Het proces van kolonisatie begon zodra de Spanjaarden en Portugezen de wereld gaan ontdekken en dan al direct in elkaars vaarwaters terecht kwamen. De Canarische Eilanden waren het eerste slachtoffer van de overwinningstocht van Spanje. De eilanden waren al onder de Romeinen bekend, maar daarna door de Europeanen vergeten. Pas in 1312 werden ze opnieuw ontdekt door de uit Genua afkomstige Lancelotto Malocello, die zijn voornaam zou geven aan een van de eilanden. Pas in 1402 zette de Franse ontdekkingsreiziger Jean de Béthencourt opnieuw voet aan land toen hij een expeditie naar de Canarische Eilanden leidde om in opdracht van de Kroon van Castilië de eilanden te veroveren. De Guanchen, de toenmalige bewoners van de eilanden, gaven zich echter niet zonder slag of stoot gewonnen. Pas na twee jaar en vele, vele gesneuvelde Guanchen later werden de eiland bezet. De rest werd gevangen genomen en als slaaf verkocht. De toon van de kolonisatie was gezet. Langs de haven van Tenerife herinneren een rij beelden aan de oorspronkelijke bewoners. Inmiddels hadden ook de Portugezen, die met hun buren streden om de hegemonie op zee, een begerig oog op de eilanden laten vallen, maar ze waren te laat. Vanaf het begin van de 15e eeuw ontdekten beide landen de kust van Afrika en de eilanden in de Atlantische Oceaan (Madeira en de Azoren). In 1415 had Portugal Ceuta al veroverd om effectiever tegen de Moren te kunnen strijden. Want niet alleen onderlingen wedijver en machtsstreven dreven de Spanjaarden en Portugezen, maar ook  christelijke zendingsijver of een kruistochtmentaliteit. Elementen die bij andere landen en latere kolonisaties steevast zouden terugkeren. (meer…)

Advertenties

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 027

Frans van den Muijsenberg / 21 april 2019 / Veurne, België

EEN UITSTAPJE NAAR IJ-MUIDEN

In De Gids, jaargang 12(1848), pag 667-683 verscheen het verhaal Een uitstapje naar Y-Muiden van Simon Vissering over een denkbeeldige reis over een al even denkbeeldige Noordzeekanaal. Pas in 1876 zou er daadwerkelijk een kanaal zijn. De nieuwe havenplaats die ontstond kreeg als eerbetoon aan Vissering de door hem bedachte naam, met een kleine aanpassing.

Het was in Augustus. De zon had reeds langer dan eene week dag aan dag aan den blaauwen hemel gebrand, zonder dat een enkel mededoogend wolkje een oogenblik zich tot een sluijer voor zijnen gloed had gehangen, zonder dat eene enkele onweêrsbui lafenis had geschonken. Ongelukkig hij, die op zulk eenen dag om den middag de Vijzelstraat, of tegen drie uren de Leydsche-straat af moet loopen, op welke uren hij in die straten tusschen de hooge huizen noch ter regter noch ter slinker zijde eenige schaduw vindt, al tracht hij ook elken voorbijganger door eene welberekende wending van de kleine steentjes te dringen. De straatmodder op den Dam, tot pulver verdroogd, dwarrelde bij elk zuchtje van den oostewind omhoog, en stoof den beursgangers, die uit de Kalverstraat of tusschen het Stadhuis en de Huizen (die leelijke trechter, waar het altijd tocht, hoe de wind ook zijn moge) kwamen aanstroomen, in mond, neus en oogen. Op de Beurs was het benaauwd warm, en enkelen der beursgangers, die zich den goeden ouden tijd herinnerden, hadden er nu wel spijt van, dat men het middenvak met een misselijk dak had overtogen. De fondsen waren er flaauw op, want in zulk eene benaauwdheid elkaâr om een zestientje plat te dringen, ging de natuur te buiten. Ieder maakte, dat hij weder wegkwam, zoodra hij mogt. Kwart voor vieren was de Beurs nagenoeg ledig. (meer…)

23 JUNI – SIMON VISSERING

Simon Vissering (Amsterdam, 23 juni 1818 – Ellecom, 21 augustus 1888) was een Nederlands jurist, journalist, econoom, statisticus, en politicus. Vissering volgde de Latijnsche School in Amsterdam, studeerde van 1835 tot 1838 letteren en rechten aan het Athenaeum Illustre in Amsterdam (algemeen beschouwd als de voorloper van de Universiteit van Amsterdam; sinds 1815 had de instelling een wettelijke erkenning voor hoger onderwijs, sinds 1877 ook het promotierecht) en begon in 1837 de studie rechten aan de Universiteit Leiden, waar hij onder andere les kreeg van Thorbecke. In 1842 promoveerde hij in Leiden. Een jaar later vestigde Vissering zich als advocaat in Amsterdam en wijdde zich hiernaast aan literaire en economische studies. Hierbij was hij korte tijd journalist bij het Algemeen Handelsblad en sinds 1846 medewerker en redacteur bij De Gids, een algemeen cultureel en literair tijdschrift dat sinds 1837 verscheen. In 1847 werd hij door het Amsterdamse stadsbestuur aangesteld als hoofdredacteur van de Amsterdamsche Courant, maar na nog geen jaar stapte hij op na onenigheid met het stadsbestuur over de journalistieke vrijheid. In 1850 kreeg hij een aanstelling als hij hoogleraar staatshuishoudkunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden als opvolger van zijn oude leermeester Thorbecke. Hij bleef hoogleraar in Leiden tot 1879. (meer…)

ÖZGÜR BABA

Een kat ligt om een boomstam loom voor zich uit te kijken, de kippen lopen heen en weer over het erf, op de achtergrond zie je de ruisende bomen en hoor je de duiven die buitenbeeld zitten te koeren. Zo af en toe hoor je een luide knal van jagers die blijkbaar iets verderop in de weer zijn. Op de voorgrond zit de Turkse musicus Özgür Baba die op zijn saz, een klassiek driesnarig instrument, een oude Turkse ‘folksong’ zingt en speelt. Het geheel straalt een enorme rust uit. Het nummer is Dertli Dolap, gebaseerd op een gedicht van de soefi-mysticus Ynus Emre (1240-1321). Dat was een van de belangrijkste mystieke soefi-dichters van Turkije en een prominent figuur binnen het Alevitisme en Bektashisme, twee belangrijke onderstromingen binnen de islam. De laatste stroming is religieus tamelijk onbekend buiten Turkije, maar geniet toch grote bekendheid omdat de dansende derwisjen er een belangrijke rol spelen. Emre had grote invloed op de Turkse literatuur en filosofie. Met zijn gedichten in het Turks bracht hij zijn mystieke ervaringen dicht bij het volk bracht. Dat was uniek, want in die periode waren het Perzisch en Arabisch de talen van de wetenschap en het intellectuele leven.  Unesco riep 1991 uit tot ‘Yunus Emre jaar’ en ter gelegenheid daarvan werden zijn gedichten in ongeveer veertig talen vertaald. U vindt hieronder de Engelstalige vertaling hieronder van Dertli Dolap. (meer…)

MARIANNE VON WEREFKIN

Marianne von Werefkin (Toela, 10 september 1860 – Ascona, 6 februari 1938) was een Russisch expressionistische schilder; haar oorspronkelijke naam was Marianna Vladimirovna Verjovkina. Ze stamde uit een rijke adellijke familie; haar vader was de commandant van het regiment van Jekaterinenburg. Toen zij acht jaar oud was, verhuisde de familie naar een landgoed in Litouwen. Haar moeder was schilderes van iconen en moedigde haar dochter aan op het artistieke vlak. Na gedegen privé-onderwijs in tekenen en schilderen ging ze in 1883 naar de Moskouse kunstschool. In 1886 verhuisde het gezin opnieuw, ditmaal naar St. Petersburg. Daar kreeg Marianne tien jaar lang privé-lessen bij de beroemde Russische realistische kunstschilder Ilja Repin (1844 – 1930). In 1888 schoot ze zichzelf bij de jacht per ongeluk in haar rechterhand, waardoor ze die hand hand nooit meer optimaal heeft kunnen gebruiken. Bij Repin ontmoette ze in 1891 de kunstschilder Alexej von Jawlensky, juist op het moment dat ze haar eerste successen kende als kunstschilder. Vanwege haar realistische schilderijen, met veel portretten op groot formaat tegen een donkere achtergrond, kreeg ze de bijnaam ‘de Russische Rembrandt’. Marianne raakte gefascineerd door de drie jaar jongere Jawlensky. Samen met hem en de elfjarige huishoudster Helene Nesnakomoff verlaat zij in 1896 haar vaderland. Het stel vestigde zich in München, waar dan een groep Russische kunstenaars is neergestreken. Het echtpaar vond direct aansluiting bij deze kunstenaarskolonie. Jawlensky begon onder invloed van zijn Franse tijdgenoten al snel met krachtige penseelstreken en felle kleuren te schilderen, waarbij zijn omgeving een belangrijk onderwerp werd. Zijn kennismaking met de landschappen van Van Gogh vormde een langdurige bron van inspiratie. Werefkin geeft negen jaar lang haar schilderscarrière geeft op om zich volledig wijden aan die van Jawlensky. Mogelijk vond ze dat hij over meer talent beschikte dan zijzelf, maar wellicht speelde ook mee dat ze vreesde dat men haar werk als vrouwelijke kunstenaar niet op waarde zou weten te schatten. Ook kan een rol hebben gespeeld  dat haar rechterkant een tijdlang schilderen niet echt mogelijk maakte. (meer…)

DE HYPERBOREALE WERELD 2

Helena Petrovna Blavatsky (Jekaterinoslav, 31 juli 1831 – Londen, 8 mei 1891) was een occultist, medium en auteur van Duits-Russische aristocratische afkomst. Ze was de dochter van kolonel Pyotr Alexejevitsj von Hahn, afkomstig uit een Duitse aristocratische familie. Haar moeder was de romanschrijfster Helena Andreyevna de Fadayev, die afkomstig was uit een van de oudste Russische adellijke families, de Dolgorukov. De grootmoeder van moederskant was prinses Helena Pavlovna Dolgorukov. Haar vader was beroepsmilitair en als gevolg daarvan was er sprake van frequente verhuizingen en verplaatsingen naar andere delen van het Russische rijk. In 1835 verhuisden de moeder en Helena naar Odessa waar haar grootvader Andrei Fadeyev een bestuurlijke functie had gekregen. Een jaar later verhuisde het gezin naar Sint-Petersburg waar Von Han een nieuwe functie had gekregen. Toen die een jaar later weer beroepshalve moest verhuizen, bleef de rest van het gezin in Sint-Petersbrug wonen. Pas in 1838 werd men herenigd in Poltava, de nieuwe standplaats van Von Hahn. Haar moeder bevond zich inmiddels in slechte gezondheid en verhuisde met haar twee dochters weer naar Odessa, waar ze in 1842 op de leeftijd van achtentwintig jaar overleed aan tuberculose. De drie kinderen werden verder opgevoed door de grootouders in Saratov en later in Tbilisi. Blavatsky kreeg de klassieke aristocratische opleiding in onder meer Frans, muziek- en dansles. In haar latere geschriften vermeldde zij, dat zij in deze periode veel tijd doorbracht in de bibliotheek van haar grootvader die veel boeken over esoterie bevatte. Hier zou ze ook de eerste visioenen ontvangen waarin ze een mysterieuze Indiër ontmoette, die zij later als Mahatma Morya zou leren kennen. Al op zeer jonge leeftijd werden Helena magische vermogens toegedicht. Ze joeg de lijfeigenen de stuipen op het lijf met griezelverhalen over waterspoken en demonische bosgeesten, een voorteken van de horrorverhalen die ze aan het eind van haar leven zou schrijven. Nog voor haar vijftiende verslond ze de hele bibliotheek met occulte klassiekers die haar overgrootvader prins Paul bij zijn dood aan haar grootmoeder had overgedaan. De bibliotheek bevatte honderden boeken over alchimie en magie. Een van haar favorieten was de Occulta Philosophia van Heinrich Cornelius Agrippa von Nettesheim (1486-1535). Al voor haar vijftiende, zo schreef madame Blavatsky, ‘had Agrippa geen geheimen meer voor mij’. (meer…)