HET CONCERT 1

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (68)
EERDERE AFLEVERINGEN

De belangrijke dag, waarop (zoo als de charmante gezegd had) al wat in de stad smaak had, en ik voeg er bij, lid was van het concert Melodia, stond verrukt te worden door het spel van mejuffrouw Henriette Kegge, de mooie dochter van den rijken West-Indiër, was gekomen.
De piano was vroeg in den morgen ter concertzale gebracht om te acclimateeren, en de heer van der Hoogen was er zelf heengegaan om haar te ontvangen; ja, hij was zelfs enigszins martelaar van die gedienstigheid geworden, daar de kastemakersgezellen, die het stuk hadden overgebracht, bij het strijken, een der poten op ’s mans likdoren hadden doen neerkomen, dat hem ‘alleraffreust!’ zeer had gedaan.
Papa had aan het diné zich een paar malen onderwonden op te merken dat zijn dochter toch wel wat bleek werd, als er van het concert werd gesproken, iets hetwelk trouwens maar zeer weinig het geval niet was; maar zij wilde ’t volstrekt niet bekennen en zou er eindelijk zelfs boos om geworden zijn.
Na den eten begon men dadelijk toilet te maken, en tegen half zeven kwam de schone Henriette beneden. Zij droeg een zeer lage japon van gros-de-naples, van een zeer licht bruinachtig geel, en had een snoer volkomen gelijke kleine paarlen door haar lokken gevlochten; verder droeg zij gene versierselen hoegenaamd.
Mama Kegge was veel schitterender. Haar klein hoofd zwoegde onder een grote toque met een paradijsvogel. Een gouden halsketting, die het dubbel kon wegen van dengenen dien zij altijd droeg en waarmede zij, geloof ik, ook sliep, hing over hare schouders, en haar japon was vooral niet minder dan vuurrood. (meer…)

RALPH VAUGHAN WILLIAMS

RALPH VAUGHAN WILLIAMS

Ralph Vaughan Williams (Down Ampney, Gloucestershire, 12 oktober 1872 – Londen, 26 augustus 1958) was een Brits componist en dirigent, die in het algemeen wordt beschouwd als een van de belangrijkste componisten van Groot-Brittannië. Vanwege de nadruk binnen zijn oeuvre op oude Britse volksmuziek wordt hij voornamelijk herinnerd als een sleutelfiguur in het Engels muzikaal nationalisme, hoewel anderen vraagtekens zetten bij de sleutelrol die hij hierbij zou hebben gespeeld. Binnen de Engelse traditie wordt hij gezien als opvolger van zijn leraren en componisten Charles Hubert Parry (Bournemouth, 27 februari 1848 – Knight’s Croft, 7 oktober 1918) en Charles Villiers Stanford (Dublin, 30 september 1852 – Londen, 29 maart 1924) en componisten van een generatie tevoren Edward Elgar (Broadheath, 2 juni 1857 – Worcestershire, 23 februari 1934) en Frederick Delius (Bradford, 29 januari 1862 – Grez-sur-Loing, 10 juni 1934). Parry was het bekendst door zijn compositie And did those feet in ancient time/Jerusalem uit 1916, een patriottistisch lied dat nog steeds jaarlijks luidkeels door het publiek wordt meegezongen tijdens de Last Night of the Proms. Charles Villiers Stanford was een in Ierland geboren en opgegroeide componist, organist en muziekpedagoog, die geldt als een van de gangmakers van de Engelse muzikale renaissance aan het begin van de twintigste eeuw. De werken van de componist Edward William Elgar worden gerekend tot de late Romantiek gerekend wordt. Hij was de grote voorman in het reveil van de Engelse toonkunst rond 1900. De autodidact Delius met zijn impressionistische technieken en zeer persoonlijke stijl wordt gezien als de eerste en misschien wel enige Engelse impressionist. Vaughan Williams wordt door anderen echter niet slechts in deze Britse traditie geplaatst, maar ook in een kosmopolitische traditie met Claude Debussy en Maurice Ravel. Ravel was in 1907-1908 een van Vaughan Williams’ leraren tijdens een aanzienlijk verblijf in Parijs en heeft een behoorlijke invloed op hem uitgeoefend. Mijn platen/cd-verzameling klassieke muziek verraadt dat Ralph Vaughan Williams een van mijn favoriete componisten is. The Lark Ascending is een muziekstuk (‘a pastoral romance for violin and orchestra’) dat het contiinue opvliegen en steeds hoger stijgen van een leeuwerik verklankt. Vaughan Williams liet zich bij het schrijven van het stuk inspireren door een gedicht van 122 regels van de dichter George Meredith. Hij startte met componeren in 1914 maar werd onderbroken door de Eerste Wereldoorlog, waardoor het stuk pas op 14 juli 1921 voor het eerst door viool en orkest werd uitgevoerd. Daarvoor had de première al plaatsgevonden, maar hierbij werd de solist alleen door piano begeleid. Bij beide uitvoeringen was Marie Hall de violist. Voor ingewijden: ‘Vaughan Williams maakt gebruik van pentatoniek en het stuk doet hierdoor impressionistisch aan. De cadenza’s voor de viool zijn zonder maatindeling geschreven (senza misura), wat het geheel een meditatief karakter geeft’. (meer…)

CHRISTIAAN BOERS

Christiaan Boers (Den Haag, 24 oktober 1889 – Oranienburg, 3 mei 1942) was een Nederlandse beroepsmilitair, kapitein bij de Koninklijke Landmacht. Hij bracht zijn jeugd door in Den Haag. Zijn ouders stuurden hem naar een particuliere school en daarna begon hij aan een militaire opleiding. Na de Koninklijke Nederlandse Militaire Academie in Breda en komt hij in Amersfoort terecht. In 1921 woonde de Eerste Luitenant der Infanterie op de Utrechtseweg 100, was hij getrouwd met Helena Wiepkes uit de gemeente ‘Wijk aan Zee en Duin’ en ze had het echtpaar twee zoontjes, Henk (1919) en Dirk (1921). Het huwelijk met Helena liep echter op de klippen en eind twintiger jaren volgde een echtscheiding. In 1933 trouwde hij opnieuw, met de 26-jarige Janna Metz . Christiaan was toen al bevorderd tot Kapitein der Infanterie.

Tijdens de Duitse aanval op Nederland in mei 1940 was hij commandant over de zeer moderne Stelling Kornwerderzand, waar 255 manschappen waren ondergebracht in diverse zware betonnen kazematten. Het complex had een groot aantal bunkers met mitrailleurs en licht geschut; het was voorbereid op een lange geïsoleerde belegering. De verdediging van de open dijk en de maritieme naderingszone was de enige taak van het detachement waar Boers het bevel over voerde. In de eerste oorlogsdagen rukten de Duitsers langzaam op richting Afsluitdijk, waar ze op 13 mei 1940 eerst een ‘gewapende verkenning’ uitvoerde om de paraatheid van de defensie bij Kornwerderzand te testen. Ze openden het vuur op de stelling en stuurden verkenners en stoottroepen op fietsen de Afsluitdijk op. Boers wachtte rustig af tot de Duitsers op circa achthonderd meter waren genaderd en liet toen vuur uitbrengen uit kazemat VI. Daarna werden de vluchtende Duitsers vanuit kazemat II onder vuur genomen. Na anderhalf uur was de strijd voorbij; er volgden verder geen Duitse aanvallen meer. De Slag om de Afsluitdijk was afgelopen en werd op basis van geruchten en militaire overdrijvingen een mythische overwinning op het Duitse leger, een van de weinige plaatsen in West-Europa waar de Duitse troepen tijdens de Blitzkrieg niet wisten door te breken en ze zware verliezen leden. Gesproken werd over vele honderden gesneuvelde Duitsers, terwijl er in werkelijkheid slechts vijf Duitsers het leven verloren en een paar vliegtuigen werden beschadigd of neerstorten. In werkelijkheid besloot de Duitse bevelvoerders dat de Nederlandse capitulatie al nabij was en het zinloos was zwaar strijd om de Afsluitdijk te gaan voeren. Boers was echter zo euforisch over het met succes afslaan van de voorzichtige Duitse aanval dat hij op 14 mei 1940 voorstelde een tegenaanval te lanceren om Friesland schoon te vegen. Een dag later capituleerden de Nederlandse strijdkrachten echter. (meer…)

SLAG OM DE AFSLUITDIJK

De Slag om de Afsluitdijk geldt in veler ogen nog steeds als een poging van nazi-Duitsland om in mei 1940 de Afsluitdijk in te nemen. Een poging die mislukte door heldhaftig optreden van de ongeveer 255 Nederlandse soldaten, onder aanvoering van Christiaan Boers, de commandant van de Stelling Kornwerderzand. Hoewel in de minderheid en minder goed bewapend, wisten de Nederlandse militairen de 1e Duitse cavaleriedivisie bij de Stelling Kornwerderzand tegen te houden. De Stelling Kornwerderzand was de verdedigingslinie op de Afsluitdijk bij Kornwerderzand (Friesland), die vanwege de aanwezigheid van de uitwateringssluizen voor de Afsluitdijk een belangrijke rol speelden bij de plannen voor een mogelijk inunderen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Toen de Afsluitdijk was gerealiseerd, werd de Vesting Holland en de marinebasis in Den Helder kwetsbaar voor een buitenlandse aanval over land vanuit het oosten. Als een aanvallend leger de uitwateringssluizen zou veroveren, konden ze het waterpeil van het IJsselmeer laten zakken en geïnundeerde terreinen weer droog laten vallen. De stelling op de Afsluitdijk bij Kornwerderzand was een van de drie defensieve werken die dit moesten zien te voorkomen. De stelling werd in 1932-1933 gebouwd en niet als één groot en daardoor kwetsbaar verdedigingswerk, maar met gespreide opstellingen van kleine verdedigingswerken. De kazematten werden gemaakt van gewapend beton, op de meest kwetsbare plekken aangevuld met pantserstaal, en moesten bestand zijn tegen een intensieve beschieting van geschut opgesteld op diverse plaatsen langs de Friese kust. Bij het uitbreken van de oorlog waren er zeventien kazematten, verdeeld over twee kazematlinies. De eerste linie was gericht op het5t oosten, van waaruit een aanval normaliter te verwachten was. Vanuit de tweede linie kon ook het westen onder vuur worden genomen in geval vijandelijke troepen op de Afsluitdijk zouden landen en de stelling in de rug zouden aanvallen. (meer…)

JODENSAVANNE

65e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Rond 1640 vestigden zich in Suriname de eerste Sefardische Joden zich aan de Cassipora-kreek in het district Para in het stroomgebied van de Surinamerivier, waarin het ook uitmondt. Het ongeveer vijftig kilometer ten zuiden van Paramaribo. Zij waren voor vervolging door de Inquisitie uit Spanje gevlucht en begonnen met de aanleg van suikerrietplantages waarop zij ook slaven hielden. Rond 1650 kwam een tweede groep Joden, dit keer uit Engeland. Een derde groep kwam uit Mauritsstad (Brazilië) naar Suriname, onder leiding van David Cohen Nassy. Mauritsstad (ook wel Mauritiopolis genoemd) was de hoofdstad van Nederlands-Brazilië en is thans een deel van de Braziliaanse stad Recife. De nederzetting werd gebouwd op een eiland naar een ontwerp van bouwmeester Pieter Post en vernoemd naar stichtend gouverneur Johan Maurits, die er paleis Vrijburgh liet bouwen. Mauritsstad werd het culturele middelpunt van de Nieuwe Wereld, met de eerste botanische tuin en de eerste dierentuin van Amerika, met een museum met driehonderd opgezette apen. In de Jodenstraat verrees de eerste Amerikaanse synagoge. David Cohen Nassy was een professioneel kolonist die verschillende Joodse kolonies stichtte in het Caraïbisch gebied. Hij was naar Amsterdam gevlucht voor de Portugese Inquisitie. In 1662 van Abraham Cohen toestemming om naar Cayenne (Frans Guiana) te vertrekken. In 1664 vertrok hij met een groot aantal Joden, maar het werd hem niet toegestaan daar ‘volksplantingen’ te beginnen. David en zijn gezelschap reisden vervolgens naar Suriname, waar ze zich vestigden aan de Cassipora-kreek. De groep van Nassy waren een decennium eerder vanuit Spanje naar Nederlands Brazilië gevlucht en hadden in Mauritsstad op uitnodiging van gouverneur Johan Maurits samen met de Nederlanders plantages gesticht. (meer…)

CHRIS VAN DEN BERG

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Christiaan Frederik van den Berg (Arnhem, 27 juli 1901) was een kapitein der infanterie die actief was in het verzet in Den Haag voor de Ordedienst. Hij hield zich vooral bezig mer het verzamelen van inlichtingen. Hij was getrouwd met Cornelia Johanna van den Berg-van der Vlis die na zijn dood bij haar broer in Leeuwarden ging wonen en daar begon met verzetsactiviteiten. Ze zou later postuum worden onderscheiden met het Verzetskruis 1940-1945.

In februari 1942 was hij betrokken bij een paar belangrijke wapendroppings, maar op dat moment was zijn verzetsgroep al geïnfiltreerd door de V-Mann Mathijs Ridderhof, eerst via enkele leden van de Ordedienst in Zeeland, daarna in Rotterdam en ten slotte bij Van den Bergh. Via Van den Bergh hoorde Ridderhof over de afhaaloperatie op het Scheveningse strand en wist hij verder door te dringen in het verzet. Daardoor werden vele verzetsmensen opgepakt en uiteindelijk viel op 16 juni 1942 ook Van den Bergh in handen van de Sicherheitsdienst. Van den Berg werd gefusilleerd op de Leusderheide op 29 juli 1943. Na de oorlog werd hij postuum onderscheiden met de Bronzen Leeuw per Koninklijk Besluit van 11 september 1952. Ook ontving hij postuum het Verzets-herdenkingskruis.

DE GROOTMOEDER (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (67)
EERDERE AFLEVERINGEN

Het gelaat der oude vrouw helderde op; en nu voor het eerst schoten er tranen in die oogen, die tot nog toe zoo strak gestaard hadden.
‘Mijn eigen ring!’ riep zij uit. ‘Ja! ik gaf hem dien voor den neusdoek; heeft hij hem altijd gedragen?’
‘Tot weinige uren voor zijn dood!’
En zeide hij, dat hij hem heel dierbaar was? De lieveling! Heeft hij zijn laatste krachten nog gebruikt om dat te zeggen? En waren zijne laatste gedachten ook bij zijn grootmoeder? – Zie je wel, Diaan!’ zeide zij tot den hond; ‘het is het ringetje van de vrouw, dat de lieve Bill gedragen heeft. Hij heeft ons niet vergeten, Diaan! en wij hem niet – ofschoon dan ook… Ach mijnheer!’ ging zij voort, ‘mijne dochter was in ’t eerst zoo hevig bedroefd; maar zij gevoelt niet diep; zij was de laatste, de enige overgeblevene, maar niet de gevoeligste van mijn kinderen. Ook had zij zo veel kinderen over.
Maar ik, ik had mijn hart op William gezet. Hij droeg den naam van zijn grootvader, mijn eigen braven William! Hij was altijd zoo eenvoudig, zoo lief, zoo teer, zoo aanhalig voor mij. Het was een lievejongen! Wat doen wij hier zonder hem, Diaan?’
Weder volgde er een korte pauze. (meer…)

RY X

RY X

RY X (wiens echte naam Ry Cuming is), is een Australische singer-songwriter en muzikant, die blijkbaar ook een begenadigd surfer was.  Hij begon vanaf zijn zestiende serieus muziek te maken en songs te schrijven. De directe inspiratiebron hiervoor was het album Grace van Jeff Buckley. Een andere belangrijke inspiratiebron was de muziek van Pearl Jam. Hij verhuisde rond 2008 naar Los Angeles, Californië, waar hij een contract kon tekenen bij Jive Records en hier in 2010 zijn debuutalbum kon uitbrengen. Een album dat nog gewoon de eigen naam had. Aansluitend toerde hij een tijdje als openingsact bij de concerten van Maroon 5. In 2014 werd hij de leadsinger van de band The Acid, die hij zelf formeerde. Zij brachten het album Liminal uit; later formeerde hij samen met Frank Wiedemann de band Howling, waarmee hij de albums Sacred Ground en Colure uitbracht. Een Belgische recensent zei hierover: ‘Bij het solowerk van Ry X is het altijd wegdromen, maar wij vinden hem nog onweerstaanbaarder in combinatie met de beats van Frank Wiedemann (Âme). De twee maken al bijna een decennium lang samen muziek, met voorlopig slechts een enkel album, Sacred Ground, als resultaat. Vijf jaar later hebben ze eindelijk een opvolger klaar’. Een aantal nummers van RY X werd als filmmuziek gebruikt, waaronder de hitsingle Howling. In mei 2016 kwam zijn tweede solo-album uit (Dawn), in februari 2019 het derde album (Unfurl). Een recensent van The New York Times omschreef zijn stem als ‘… a pearly, androgynous tenor, a vessel for liquid melancholy that blurs words at the edges. He stretches pop structures with repetition that grows devotional, obsessive, hypnotic’. In 2019 verscheen van hem weer een single die niet op het zojuist uitgebrachte album was opgenomen, maar waaraan de woorden van de New Yorkse recensent mooi kunnen worden getoetst: Thunder. (meer…)

CHEWING GIRLS

ARNOLD BORRET 6

Het werk van Arnold Borret (1848-1888) omvatte vooral veel kleurenportretten en zwart-witportretten van de Surinaamse bevolking, zoals hij die tussen 1878 en 1882 aantrof. Het is niet bekend waarom hij maar zo weinig landschapstekeningen heeft gemaakt. Hij heeft mooie tekeningen gemaakt van de melaatsenkolonie Batavia, van de voormalige plantage Bleyendaal en van het indiaanse vissersdorp Kalebaskreek. Werken die duidelijk tot het beste uit zijn werk horen. In de laatste aflevering in de Borret-reeks een tekening van een afgodsboom. Her is niet onwaarschijnlijk dat ook deze tekening is gemaakt in de buurt van Kalebaskreek. De katholieke priesters in Batavia spraken namelijk ook wel van ‘Lazaruskreek’ of ‘Lazaretkreek’, naar de Bijbelse patroon van de lepralijders. De kalebasvrucht nam bij de oorspronkelijke bewoners een belangrijke plaats in, omdat een piaiman de kalebas bij het uitvoeren van rituelen vulden met stenen. Het geluid dat hiermee gemaakt kan worden gaf informatie van de goden door. Een piaiman was een religieus of geestelijk leider binnen hun gemeenschap. Iemand die optrad als ziener en genezer, die door gebruik te maken van bepaalde voorwerpen en ceremonieën contact kon leggen met de wereld van de geesten en boodschappen kon overbrengen.Dergelijk ceremonieën werden uitgevoerd bij afgodsboom, waarvoor ook wel de naam ‘mamaboom’ in gebruik was. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 041


.
Frans van den Muijsenberg, 19 oktober 2003, Dalyan, Turkije

THEO VAN DOORN

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:
.
Jhr Willem Theodoor Cornelis van Doorn (Den Haag, 31 mei 1911 – Leusderheide, 29 juli 1943) zat op de lagere school in Den Haag en Gouda en daarna op het gymnasium in Den Haag en Kampen. In 1931 ging hij rechten studeren in Leiden. Hij was race-roeier en voorzitter van de Pro Patria. Na zijn kandidaats stopte hij met zijn studie om zich verder aan de Oxfordbeweging (1833) te wijden. Dat was een groep anglicaanse geestelijken die uit onvrede met de calvinistische en rationalistische invloeden in de Engelse ‘lagere’ kerk de nadruk legde op het katholieke, ‘hoogkerkelijke’ karakter van de Church of England, die bijzondere belangstelling aan de dag legde voor de liturgische tradities, de sacramenten, devoties en het priesterschap, waarmee de Katholieke Kerk weer meer in zicht kwam. Toen Van Doorn moest in dienst, ging hij naar de school Reserve Officieren Cavalerie in Amersfoort. Hij werd reserve-officier bij het 3de Regiment Huzaren in Den Haag. Tijdens de meidagen van 1940 zat hij bij een Eskadron Wielrijders, onder meer bij Schiebroek.

Als vooraanstaand lid van de Ordedienst werd het nodig gevonden dat de 29-jarige Van Doorn naar Engeland vertrok. Hij had een sportbrevet en een militair brevet en besloot een vliegtuigje te kopen om daarmee vanaf het Tjeukemeer naar Engeland te vliegen. Hij werd gearresteerd, maar wist te ontsnappen en dook onder. In de nacht van 18-19 april 1941 besloot hij een tweede poging te wagen, samen met de Poolse viceconsul Tolo Saryusz Makowski. Door Oscar de Brey en Dirk van Swaay werd een opvouwbare kano geregeld, die in het tunneltje bij het Zeehospitium bij Katwijk aan Zee werd verstopt. Nadat ze in die kano vanuit Katwijk waren vertrokken, stak er een storm op. De Katwijkse vissersboot KW 32, de Sakina, redde hen. Aangezien er twee Duitsers aan boord waren, moest kapitein Willem Ouwehand hun geld en paspoort afnemen, maar stuurman Nico van Beelen fluisterde hun toe dat ze in de haven van IJmuiden niet aan de kade zouden afmeren maar tegen een ander schip, in de buurt van het station. Daar zou hij de Duitsers afleiden zodat ze konden ontsnappen. Van Doorn en Makowski wandelden rustig naar het station en waren weer vrij. De kapitein en de stuurman werden gearresteerd en verhoord maar vervolgens weer vrijgelaten. Van Doorn verrichtte daarna spionagewerkzaamheden voor de Ordedienst totdat hij in november 1941 in opdracht van de Ordedienst naar Vichy vertrok. Onderweg viel de lange, blonde Nederlander op en werd in Reims gearresteerd. Toen bleek dat hij wapens en belastende papieren bij zich had, werd hij naar een gevangenis in Parijs gebracht en vandaar naar het Oranjehotel, Kamp Amersfoort en kamp Vught. In maart 1943 werd hij naar kamp Haaren overgeplaatst voor het Tweede OD-proces. Op 29 juli 1943 werd hij op de Leusderheide gefusilleerd. Hij werd op begraafplaats Rusthof in Leusden begraven.

DE GROOTMOEDER (1)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (66)
EERDERE AFLEVERINGEN

Toen ik den volgenden morgen na het ontbijt de bibliotheek binnentrad, zat daar de oude dame in een ruimen lagen leunstoel met roodlederen zitting en rug, die waarschijnlijk tot de stoffering van haar eigen kamer behoorde, bij het vuur. Een kleine tafel was daarbij aangeschoven, en daarop lag een Engelsche octavo Bijbel, waarin zij ijverig las. Zij hield daarenboven een breiwerk in de hand.
De schone lange-hond zat weder naast haar stoel en keek oplettend tot haar op. Werkelijk volgde hij met zijne goedige oogen iedere beweging van haar hoofd en hand, als zij van den Bijbel naar haar breiwerk keek om de steken te tellen, of een blad omsloeg.
Van alle personen, die het huisgezin uitmaakten, kende ik deze het minst, daar zij nooit dan bij het middagmaal verscheen en na afloop daarvan onmiddellijk weer vertrok. Was het alleen dààrdoor dat zij mijne belangstelling prikkelde, of was het ook door haar deftig, stil, en ingetrokken voorkomen, de weinige, korte, verstandige, maar dikwijls wel wat harde woorden, die zij sprak, en de verknochtheid van haren schoonen langen hond? Hoe het zij, ik hoopte hartelijk, dat zij een gesprek met mij zou aanknopen.
Zij scheen mijn binnenkomen niet bemerkt te hebben, en terwijl ik mij nederzette en mijne boeken opensloeg, hoorde ik haar half overluid de schoone plaats van Paulus oplezen: ‘For we are saved by hope: but hope that is seen is not hope: for what a man seeth, why doth he yet hope for? But if we hope for that we see not, then do we with patience wait for it’ (Rom.VIII. 24, 25).
Zij schoof den Bijbel een weinig vooruit, en leunde met den rug in haar stoel, als om daarover na te denken; zachtjes herhaalde zij de woorden ‘then do we with patience wait for it’.
Plotseling bemerkte zij dat ik mij in het vertrek bevond. (meer…)

AL STEWART

AL STEWART

Al Stewart schreef een geweldig nummer over reïncarnatie, wat de religieuze of filosofische opvatting is dat het niet-lichamelijke deel van een levend wezen (de ziel of geest) na de dood niet verdwijnt maar opnieuw in een ander levend wezen geboren wordt. Vaak wordt gedacht dat het een gedachte is die voortgekomen is uit het hindoeïsme,maar in werkelijkheid hebben alle culturen en geloven dit geloof in de zielsverhuizing wel gekend. Het is weinig bekend maar aanvankelijk geloofden ook christenen in reïncarnatie. Het idee behoorde zelfs tot de officiële leer van de kerk. Pas bij het tweede Concilie van Constantinopel in 553 besloot men om zielsverhuizing te schrappen. Reïncarnatie geeft mensen immers een kans om fouten uit het huidig leven in het volgende te herstellen. Dit paste niet langer in het kraam van de katholieke machthebbers. De kerk wilde steeds meer grip en invloed op de ongeletterde en ongeschoolde massa hebben, dus moesten de gelovigen voortaan sidderen en beven voor het hiernamaals. Geen tweede kans meer om blunders uit het huidige leven te herstellen. Voor fouten en zonden bestonden nog de hel of in het gunstige geval een langdurige kwelling in het vagevuur. De gedachte aan reïncarnatie wint weer aan populariteit, hoewel de meesten het nog steeds de reinste onzin vinden. Na de dood lig je toch gewoon in een graf en meer is er niet? Waarom zou er meer zijn? Maar is het geen mooie gedachte dat men in een vorig leven beroemd en rijk is geweest, dat men toen een avontuurlijk leven had, dat men … alles had en beleefde dat men nu ontbeert. Is het ook geen mooie verklaring om soms vage déjà vu-ervaringen te verklaren. Zeker weten dat je hier nog nooit bent geweest en toch zo’n sterk gevoel heeft dat alles bekend voor komt. Ben ik hier misschien in een vorig leven geweest. Al Stewart schreef er een nummer over, uiteraard over een muzikant die op op het podium meent van alles en nog wat vaag te herkennen. Hieronder ook de integrale tekst van One Stage Before.
(meer…)

ARNOLD BORRET 5

Het werk van Arnold Borret (1848-1888) omvatte vooral veel kleurenportretten en zwart-witportretten van de Surinaamse bevolking, zoals hij die tussen 1878 en 1882 aantrof. Het is niet bekend of hij voor 1878 al veel tekende, maar dat lijkt wel waarschijnlijk. Er is echter niets van bewaard gebleven. Het is ook onduidelijk waarom hij de laatste zes levensjaren niet meer tekende, maar wellicht is daar een verband te vinden mer het feit dat hij in datzelfde jaar alle functies binnen de rechterlijke macht opgaf en toetrad tot de orde der redemptoristen. in 1882 stuurde hij ook alle tekeningen die hij de voorgaande jaren had gemaakt naar zijn broer, waarschijnlijk met als doel dat er een boekwerk van zou verschijnen.dat is echter niet gerealiseerd. Het is ook onduidelijk waarom hij maar zo weinig landschapstekeningen heeft gemaakt. Hij heeft mooie tekeningen gemaakt van de melaatsenkolonie Batavia en van de voormalige plantage Bleyendaal, die duidelijk tot zijn beste werken horen. In dit deel van de Borret-serie een drietal tekeningen van een indiaans vissersdorp, waarschijnlijk allen uit Kalebaskreek, een inheems vissersdorp in het district Saramacca, genoemd naar een gelijknamige kreek aan de rivier de Coppename. Kalebaskreek ligt oostelijk van de Coppename, bij een ondiep gedeelte, ongeveer 13 km ten zuiden van het punt waar de Coppename en Saramacca-rivier uitmonden in de Atlantische Oceaan. Kalebaskreek telde maximaal vijftig woningen, dicht bij elkaar en met bewoners die allemaal familie van elkaar waren. Dat waren overwegend Karaïben, een inheems volk van de Zuid-Amerikaanse kuststreek van Venezuela tot Brazilië. Aanvankelijk werd het dorp door Nederlanders Celebes-kreek genoemd. De gelijknamige Kalebas-kreek was de zuidgrens van een voormalige cacaoplantage, later leprozerie Batavia. Het is dus niet verwonderlijk dat Borret hier graag tekende. De katholieke priesters werkzaam op Batavia spraken ook wel van ‘Lazaruskreek’ of ‘Lazaretkreek’, naar de Bijbelse Lazarus die als patroon van de lepralijders werd beschouwd. Het is mogelijk dat de kalebas (de vrucht) bij de oorspronkelijke bewoners een belangrijke plaats innam. Zo bestond onder de inheemse Surinamers het rituele gebruik dat een piaiman of ‘medicijnman’ een kalebas vult met bepaalde stenen; het geluid dat hiermee gemaakt kan worden gaf informatie van de goden door. (meer…)

FREDERIK PAUL & ARTHUR PHILIP PENARD

63e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

De broers Frederik Paul Penard (Paramaribo, 26 januari 1876 – Paramaribo, 4 september 1909) en Arthur Philip Penard (1880- 1932) behoorden tot een welvarende familie in Suriname. Vader Frederik Paul Penard sr. (1801-1849) maakte een fortuin met de handel in hout en hun moeder Philippa Salomons (1850- 1926) was mogelijk een nazaat van Alexander Salomons, vendumeester in Paramaribo. Frederik Paul Penard jr. was de oudste van de vier zoons van het echtpaar. Hij werkte samen met twee jongere broers, Thomas Edward Penard en Arthur Philip Penard, aan onderzoek naar de vogels van Suriname en de taal, religie en gebruiken van de inheemse bevolking van het land. Toen hij negen was, werd vastgesteld dat Frederik aan lepra leed. Als gevolg werd Frederik, net als zijn broer Arthur, van school gehaald en thuis in isolement geplaatst. Thomas Penard en William Penard, de vierde zoon van het echtpaar, werden naar de Verenigde Staten gestuurd om besmetting met de ziekte te voorkomen. Thomas Penard zou er ook als ornitholoog actief zijn. Al van jong af aan gingen Frederik en Arthur met hun vader mee op zijn tochten door de binnenlanden van Suriname. Op jonge leeftijd werden Frederik en Arthur echter getroffen door lepra, waardoor zij aan huis gekluisterd raakten. In hun ouderlijk huis onderwezen Frederik en Arthur zichzelf over verschillende natuurwetenschappelijke onderwerpen. De grootste interesse had de studie van de Surinaamse ornithologie. Omdat zowel Frederik als Arthur aan lepra leden en daarom aan huis gekluisterd waren, konden zij zelf geen vogels verzamelen. Daarom betaalden zij vissers en jagers, vaak inheemse Kari’na, om vogels en eieren voor hen te verzamelen. Op deze manier verzamelden zij een belangrijke ornithologische collectie, waarvan zij een klein deel schonken aan het British Museum en een groot deel aan het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden. Terwijl Arthur voornamelijk zorgde voor het verkrijgen en voorbereiden van de vogels en eieren, schreef Frederik de publicaties van het gezamenlijke onderzoek, die wél onder hun beider naam werden gepubliceerd. (meer…)

GAELLE WEISSBERG – 016

TON ABBENBROEK

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Anton Willem Marie (Ton) Abbenbroek (Den Haag, 9 december 1917), in het verzet ook bekend onder de schuilnaam Thierens, maar binnen de groep werd hij door zijn medestrijders/vrienden ‘Ab’ genoemd. Hij was bij het uitbreken van de oorlog cadet aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda. In de zomer van 1940 namen Abbenbroek en jonkheer Joan Schimmelpenninck, alias ‘Oom Alexander’, het initiatief om een verzetsorganisatie op te richten. Hij deed verzetswerk als verbindingsofficier van de inlichtingengroep. Nadat Schimmelpennink op 13 november 1941 was gearresteerd nam hij samen met Gerard Dogger tijdelijk de leiding van de Ordedienst op zich. Zijn woonadres in Den Haag functioneerde toen als hoofdkwartier van de Ordedienst).

Op 6 maart 1942 werd Abbenbroek door verraad gearresteerd en opgesloten in de gevangenis van Scheveningen (het Oranjehotel, cel 634). In november 1942 werden hij en de andere gevangen leden van de Ordedienst onder zware bewaking met de trein naar Kamp Amersfoort gebracht. Begin februari 1943 werden zij per trein naar het concentratiekamp Vught overgeplaatst en op 11 maart 1943 naar kamp Haaren. Hier werd Abbenbroek ter dood veroordeeld. In Utrecht was hij op 7 juni 1943 in de echt verbonden met Annie Kientz, met wie hij zes jaar verloofd was geweest. Dit zou gebeurd zijn op verzoek van zijn vader, die hoopte dat dit gratie voor zijn zoon zou opleveren. (meer…)

OM TE BEWIJZEN DAT ….. (4)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (65)
EERDERE AFLEVERINGEN

‘Ach!’ zei zij, ‘mijn bijzijn, mijnheer, is toch anders niet heel aangenaam. Ik schaamde mij onder al die vrolijke mensen. Zat ik er niet treurig bij?’
‘Gij waart zeker niet zoo luidruchtig als de overige. Maar toch…’
‘Neen, zeg het niet! zeg niet dat ik vrolijk was!’ viel zij mij in de rede.
‘Het zou mij spijten. Ik hield mij zoo goed als mogelijk; maar mijn hart was ergens anders… Mijn hart was bij mijn moeder,’ voegde zij er haastig bij.
‘Is uw moeder ziek, of…’
‘Zij is oud, mijnheer! heel oud. Was zij niet wèl geweest, u zou mij daar niet gevonden hebben. Maar wie kan zich bij vriendelijke mensen, die u gaarne zien, verontschuldigen, altijd weer daarmee verontschuldigen, dat zij een oude moeder heeft? Ook had zij van avond iemand die haar gezelschap hield, en wilde zij volstrekt dat ik gaan zou.’
Suzette zuchtte.
‘Is uw moeder zo heel oud?’ vroeg ik. ‘Gij zijt, dunkt mij, nog zo heel jong.’
‘Ik ben drieëntwintig, mijnheer!’ antwoordde zij met openhartigheid, ‘en mijn moeder is vijfenzestig. Maar zij heeft veel ongelukken gehad. Mijn vader stierf, voordat ik geboren werd. Zij had toen negen kinderen; sedert twaalf jaar ben ik haar enigste, en nu kan zij niet wel zonder mij… en ik niet wel zonder haar.’
‘En uw vader…’ (meer…)

MAURICE RAVEL

MAURICE RAVEL

Maurice Ravel (Ciboure, 7 maart 1875 – Parijs, 28 december 1937) was een Frans componist, die wordt beschouwd als een van de voornaamste componisten van de twintigste eeuw en, met zijn oudere landgenoot Claude Debussy, als de belangrijkste impressionist in de klassieke muziek en als voorloper/initiator van het expressionisme. Hij werd geboren aan de kust in Frans-Baskenland nabij de Spaanse grens en was van moederszijde van Baskische afkomst. Zijn vader was een ingenieur uit Franstalig Zwitserland. Nog in Ravels geboortejaar verhuisde het gezin naar Parijs.Hij kreeg op zevenjarige leeftijd zijn eerste pianolessen en werd in 1889 toegelaten aan het Parijse conservatorium, maar hij maakte zijn pianistenopleiding niet af. Na zijn voortijdige vertrek van het conservatorium keerde hij er in 1897 terug om bij Gabriel Fauré compositielessen te volgen. Tijdens zijn compositieopleiding deed Ravel verschillende vergeefse pogingen om de Prix de Rome te winnen. Niettemin begon Ravel naam te maken als componist, aanvankelijk met pianomuziek en liederen en later ook met orkestmuziek. Tot zijn vroegere werken behoren de kleine opera L’Heure espagnole (1907) en de Rhapsodie espagnole voor orkest (1907/8), die beide Ravels voorliefde voor Spanje verraden, en de beroemde Pavane pour une infante défunte (1909). Voor de Ballets Russes van Sergej Diaghilev schreef Ravel in 1912 het grootschalig opgezette ballet Daphnis et Chloé. In 1913 leerde Ravel Igor Stravinsky kennen, met wie hij samen Modest Moessorgski’s onvoltooide opera Chovansjtsjina bewerkte. (meer…)

ARNOLD BORRET 4

Arnold Borret (1848-1888) maakte in de jaren 1878-1882, de korte periode waarin al zijn tekeningen zijn gedateerd hoofdzakelijk kleurenportretten en zwart-witportretten van sw Surinaamse bevolking. Er zijn echter ook een aantal groter zwart-wit landschaps-tekeningen van hem bewaard gebleven. Dat betreft onder meer de leprozenkolonie Batavia, waar hij eigenlijk het liefst had willen werken maar helaas voor hem had het hoofd van de in Suriname actieve congregatie van de Redemptoristen, waarvan Arnold Borret deel uitmaakte, andere plannen met hem. Een van de andere tekeningen betrof de voormalige plantage Bleyendaal aan de Pauluskreek. De Pauluskreek ontspringt in de Surnaukreek en mondt uit in de Surinamerivier. Aan de kreek lagen maar liefst achttien plantages (Aurora, Belasoir, Bischoffsbeeck, Bitterzorg, Bleyendaal, Brandenburg, De Hoop, Hermitage, Hoop, Land van Laarwijk, La Paix, Land van Merveille, Mon Repos, Paracabo, Puttensorg, Sandgrond, ’t Yland, Weergevonden). De suikerplantage  Bleyendaal was in 1737 gestart door Jan Labbadie en was toen 1.000 akkers groot. Labbadie had de onderneming tot 1770. In beschrijving van de plantage in 1819 werd vermeld: ‘suikerplantage in Nederlands-Guiana, kol. Suriname, aan de Pauluskreek, ter regterzijde in het opvaren, palende bovenwaarts aan het verl. Land van Laarwijk en benedenwaarts aan de Suriname. Zij is 1.054 akk. groot, en wordt door 121 slaven bewerkt. Men heeft er eenen door beesten gedreven molen.’ (meer…)

JOAN SCHIMMELPENNINCK (54)

Jonkheer Joan Schimmelpenninck (Rhenen, 30 september 1887 – Leusderheide, Amersfoort, 29 juli 1943), binnen de vriendenkring Jaat genaamd, wasirecteur van hert Nederlandse kantoor van de Franse wijnfirma Mähler-Besse & Cie uit Bordeaux, die in Nederland twwe kantoren had, in Amsterdam aan de Prinsengracht en in Den haag aan de Anna Paulownastraat. Hij was een aangetrouwde neef van de luitenant-generaal b.d., oud-commandant Veldleger jonkheer W. Röell. Hij was goed ingevoerd in de hogere kringen in het Amsterdamse en Haagse wereldje. Voor de oorlog had Joan Schimmelpenninck nauwe contacten onderhouden met François van ’t Sant (Den Helder, 11 februari 1883 – Rotterdam, 3 juni 1966). Op 13 mei 1940 scheepte die zich in op hetzelfde schip als koningin Wilhelmina en stak over naar Londen. Zijn gezin bleef achter en zijn woning Huize Windekind werd later gevorderd door de Duitsers die er de Sicherheitsdienst onder brachten. In Londen werd Van ’t Sant raadsadviseur bij het ministerie van Justitie en hoofd van de Centrale Inlichtingsdienst (CID). Daarnaast bleef hij de particulier secretaris van de koningin. De opeenstapeling van functies leidde tot kritiek en op 14 augustus 1941 trad hij af als hoofd van de CID. Op aandringen van de koningin werd hij per 22 april 1942 benoemd tot hoofd van de afdeling Politie. In 1944 werd hij echter onder druk van Winston Churchill, Anthony Eden en Pieter Gerbrandy, die de hardnekkige geruchten rond Van ’t Sant omtrent het Englandspiel als een bezwaar gingen zien, door Wilhelmina ontslagen als haar secretaris. Na de oorlog keerde hij echter weer terug in als adviseur van Wilhelmina en Juliana. In de zomer van 1940, na de Nederlandse capitulatie, nam jhr. Joan Schimmelpenninck, alias ‘Oom Alexander’, het initiatief tot het oprichten van een verzetsorganisatie, waarvan de leden werden gerekruteerd uit de kringen van adelborsten en cadetten. Deze beweging had twee doelstellingen. Ten eerste dacht zij dat de bezetting niet lang zou gaan duren en het moment van bevrijding zouden de geallieerden gesteund moeten worden en zou het ontstane machtsvacuüm tijdelijk moeten worden opgevuld ter voorkoming van wanorde. Deze gedachtegang lag geheel in lijn met die van de Ordedienst. De tweede doelstelling was het verzamelen van militaire inlichtingen voor de geallieerden. De inlichtingen moesten dus naar Engeland verstuurd worden, naar koningin Wilhelmina en waarschijnlijk via Van ’t Sant met wie Schimmelpenninck immers contacten had gehad. Beide mannen wisten dat ze elkaar konden vertrouwen, geen onbelangrijk gegeven. (meer…)

CIMON EN PERO – 06

Dirck Jaspersz. van Baburen (Wijk bij Duurstede (vermoedelijk), ca. 1595 – Utrecht, 21 februari 1624) was een Nederlands schilder, die gerekend wordt tot de Utrechtse caravaggisten. Al o jonge leeftijd verhuisde zijn familie naar Utrecht. In 1611 was Dirck in de leer bij de kunstschilder Paulus Moreelse,die vooral als portretschilder bekend was. Rond 1612 reisde hij via Parma naar Rome, waar hij met de Rotterdamse schilder David de Haen (Amsterdam, 1585 – Rome, 1622) samenwerkte. De Haen was een barokschilder die al op jeugdige leeftijd naar Rome ging en daar de rest van zijn leven zou doorbrengen. Van Baburen had in Vincenzo Giustiniani en kardinaal Scipione Borghese twee sterke beschermheren. In 1617 ontving hij van de Spaanse diplomaat Pierro Cussida de belangrijke opdracht om de Cappella della Pietà van de kerk San Pietro in Montorio in Rome te beschilderen. Hij vervaardigde daarvoor een monumentale Graflegging, geïnspireerd op de Caravaggio in de Vaticaanse musea. In Rome zou Van Baburen tot de oprichters van de Bentvueghels hebben behoord; zijn bijnaam was Biervlieg. De Bentvueghels was de naam van een soort broederschap van voornamelijk Noord- en Zuid-Nederlandse kunstenaars in Rome. Het werd tussen 1620 en 1627 opgericht als tegenhanger van het conservatieve Lukasgilde en zou tot omstreeks 1720 bestaan. In die pakweg honderd jaar zou het gezelschap ongeveer 480 leden hebben gehad. Het doel van het broederschap was het bevorderen van onderlinge solidariteit en het ondersteunen van leden bij ziekte en problemen, zoals conflicten met buitenlandse collega’s. (meer…)

DE ORDEDIENST 2

De interne beveiliging van de Ordedienst en van andere verzetsorganisaties uit het begin van de oorlog was allesbehalve waterdicht. Op 3 april 1941 was Johan Westerveld al gearresteerd. Zijn plaatsvervanger Pierre Versteegh werd op 12 september 1941 gearresteerd en zijn opvolger Joan Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 opgepakt. De vierde man die de leiding had, Anton Abbenbroek, ging op 6 maart 1942 richting gevangenis in Scheveningen. Vanaf dat moment zat de Ordedienst een tijdlang zonder algehele leiding. Eind maart 1942 worden 65 leden van de Ordedienst door de Duitsers gevangen gehouden. End maart begon in hotel de Witte op de Amersfoortse Berg, vlak bij Kamp Amersfoort het zogenaamde Eerste OD-proces, waarbij door de Duitse Sicherheitsdienst (SD) leden van drie verzetsorganisaties voor de rechtbank worden gebracht: de Ordedienst, de Delftse Mekel-groep en de Schoemaker-groep. Verder werden dertien beroepsofficieren berecht, die ondanks het ondertekenen van de erewoord-verklaring buiten een georganiseerd verband verzet hadden gepleegd.

De Mekel-groep was een verzetsgroep die onder leiding stond van de Delftse professor Jan Mekel. Die had contacten met enkele Nederlandse officieren die lid waren van de Ordedienst. Deze waren in het bezit van een aktetas met geheime Duitse documenten, doordat een van hen, Goris Mante,, een inspecteur voor de scheepvaart en voormalig onderzeebootcommandant, deze aktetas in de zomer van 1940 ergens had gevonden of (wat waarschijnlijker is) van een Duitse officier had gestolen toen hij deze moest begeleiden. Een wat lichtzinnige daad die zware gevolgen zou krijgen. (meer…)

OM TE BEWIJZEN DAT ….. (3)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (64)
EERDERE AFLEVERINGEN

Saartje was allerliefst en, schoon het gehele gezelschap in beschaving vooruit, ook hier volkomen op haar plaats, en enkel eenvoud. Zij liep gedurig af en aan, om ieder van het nodige te voorzien; maar Grietje van Buren begon haar veelbetekenende ogen toe te werpen en op een mysterieuze wijze toe te lachen, waarvan de zin was dat zij haar met mij plaagde, tot groot genoegen van al de anderen. Evenwel kreeg Bartje Blom ook haar beurt, daar men haar laatst, bij het uitgaan van de kerk, zo vriendelijk had zien groeten tegen een zekere Kees; maar zij wendde de scherts af, door haar op die van de rode céphalide over te brengen, die laatstleden kermis met dezelfde Kees in ’t paardespel geweest was; en die van de blauwe céphalide werd opgeroepen om te getuigen dat het tussen haar zuster en Kees, ‘ja, ja! wel zo wat koek en ei was, als men zegt’; waarop die van de rode zei, dat die van de blauwe wel zwijgen mocht; waarop Grietje van Buren aanmerkte, dat ieder zijn beurt kreeg; waarop Bartje Blom uitriep: ‘Nu, nu Grietje; ik vertrouw jou ook niet! je gaat tegenwoordig zo dikwijls naar Amsterdam; ik denk dat daar ook wat zit!’ waarop Grietje verklaarde, dat Bartje een ondeugd was. Ik merkte op dat Suzette Noiret door niemand werd geplaagd. (meer…)

BAP

BAP

BAP is een van de bekendste Duitse rockbands, we hebben in december 2018 het nummer Kristallnacht al eens laten horen. De band komt uit Keulen en zingt ook in het Keuls. De muziek is zowel qua stijl als inhoudelijk geïnspireerd op hun voorbeelden Bob Dylan, de Rolling Stones, de Kinks en Bruce Springsteen. In 1979 brengt de groep, dan nog Wolfgang Niedecken’s BAP geheten, haar eerste album uit. De daarop volgende jaren verschijnt er jaarlijks een nieuw album: Affjetaut (1980), Für usszeschnigge! (1981), Vun drinne noh drusse (1982), Live – Bess demnähx… (1983) en Zwesche Salzjebäck un Bier (1984). Daarna gaat het in een iets rustiger tempo onverdroten verder, na 2011 weer onder de naam Wolfgang Niedecken’s BAP. In 2020 verscheen her laatste album. In 1984 dus het vijfde studioalbum Zwesche Salzjebäck un Bier. Net als de vorige albums werd in maart-april 1984 het opgenomen in Tonstudio Rüssmann in Hennef. Het album was commercieel een groot succes. Het kwam direct op nummer 1 van de Duitse albumcharts binnen en zou een week op zes op die eerste plaats blijven staan. Van juni 1984 tot februari 1985 ging BAP met de nieuwe nummers op tournee.De nummer waren opnieuw allemaal eigen composities van de bandleden en zoals gebruikelijk werd in het Kölsch gezongen. Muzikaal werd wel een iets andere weg ingeslagen en werden instrumenten gebruikt die in de vorige pure rockalbums nooit eerden gebruikt. Zo werd in Auf Drei Wünsch de saxofoon gebruikt, werd in Für Diss Naach ess alles drinn gebruik gemaakt van de diensten van trompettist Markus Stockhausen (een zoon van de componist Karlheinz Stockhausen), speelde gastmusicus Peter Bursch in Schloof Jung, schloof joot de sitar en gebruikte gitarist Klaus Heuser in Sendeschluss de akoestische gitaar en werd het nummer bovendien door een strijkorkest ondersteunt. Verder klonk het nummer Zofall un e janz klei’ bessje Glöck expres wat ‘smeriger’ om een beetje op de Rolling Stones te lijken. De teksten hebben bijna allemaal een ietwat negatieve stemming. Dat werd verklaart door de veranderde levensomstandigheden van Wolfgang Niedecken, die het vrijgezellenleven vaarwel had gezegd en in het huwelijk was getreden. Blijkbaar hoorde daar enig pessimisme bij. De nummers Bahnhofskino en Drei Wünsch frei een apocalyptische ondertoon; Diss Naach ess alles drinn en Sendeschluss gaan over de dagelijkse zorgen van de jeugd. Uit het nummer Sendeschluss komt ook de titel van het album (‘Drusse rähnt et, Mama schlööf zwesche Salzjebäck un Bier.’ Jojo en Zofall un e janz klei’ bessje Glöck gaan over mislukte levens van bijvoorbeeld hoeren en hun erbarmelijke levensomstandigheden. Deshalv spill’ mer he beschrijft de situatie van het indertijd gedeelde Duitsland, wat in 1984 de reden was een tournee door de DDR af te zeggen. Slechts in hert laatste nummer, Schloof Jung, schloof joot, een slaapliedje van Wolfgang Niedecken voor zijn pasgeboren zoon kent een beetje optimisme. mijn favoriet van het album: Sendeschluss. (meer…)

ARNOLD BORRET 3

In de 19de eeuw voltrokken zich grote veranderingen in Suriname. Het was niet langer een particuliere kolonie maar onderdeel van het nieuwe koninkrijk. In het midden van de eeuw werd er de verfoeilijke slavernij afgeschaft. Het was ook een eeuw waarin verschillende reizende (amateur)kunstenaars de kolonie aandeden. Zij toonden de wereld hun indrukken en deze vormen tot vandaag een voorname bron van informatie over de kolonie en haar bewoners. Arnold Borret (1848-1888) was een relatieve laatkomer in het rijtje 19de-eeuwse illustratoren. Hij werd in Maastricht geboren in een gegoed katholiek milieu. Na een gedegen katholieke opleiding besloot Borret, na een retraite, Jezuïet te worden. Familieomstandigheden maakten dat echter onmogelijk. De diepgelovige jongeman begon aan een studie rechten aan de universiteit van Leiden en toen deze succesvol was afgerond, werd hij advocaat in Rotterdam. Een advies van goedbedoelende familieleden om een carrière in Nederlands Oost-Indië op te bouwen wees hij af omdat hij ‘de gevaren vreesde, waaraan de zedelijkheid aldaar is blootgesteld’. Het priesterleven bleef aan hem trekken en dat zal zeker zijn gestimuleerd toen bleek dat hij een niet erg succesvolle advocaat was. Opnieuw moest een retraite uitsluitsel geven over de vraag of hij ‘een roeping’ had. Het werd hem echter niet duidelijk. Zijn leven werd nog gecompliceerder toen er een aardige dame bleek te zijn die ‘genegenheid voor hem koesterde’. Arnold besloot toen om dan maar naar de Oost te gaan. Op advies van de minister van Justitie werd het echter een benoeming tot griffier aan het Hof van Justitie in Suriname. Dat was iets, waar Arnold Borret nog nooit aan had gedacht: ‘Ik wist nauwelijks dat het bestond’. (meer…)

FEMALE BOXERS

Bij de weinige vrouwelijke boxers rond 1900 kan men bij een enkeling (Hattie Stewart) aan de kleding zien dat die serieus met boksen bezig was, maar bij anderen (Hattie Madden) met haar kolderieke kledij is het overduidelijk dat het op zijn best een goede vaudeville-act of circusnummer was en op zijn slechts plat vermaak in de categorie ‘rariteitenkabinet’. Zie bijvoorbeeld de outfit waarmee de Carlson Sisters optraden. Het is schier onmogelijk voor te stellen dat deze zwaarlijvige zusjes in deze pakjes die maar beperkte bewegingsvrijheid gaven een overtuigende sportieve prestatie op de mat lieten zien. Dat gold natuurlijk ook voor de Gordon Sisters, twee boksende keukenmeiden. Trouwens, ook al een opvallend gegeven … vaak werd opgetreden in ‘sister-verband’, waarbij het niet altijd duidelijk was of het daadwerkelijk zussen waren. Dat de dames blijkbaar altijd tegen elkaar uitkwamen, geeft al aan dat het vaudeville moet zijn geweest. Nog zo’n act vormden de Bennett Sisters, die niet alleen aan boksen maar ook aan worstelen deden. In hun voordeel moet worden gezegd dat ze het figuur en de kleding van een echte sportvrouw hadden. Dat gold ook voor een ander duo, Fraulein Kussin and Mrs. Rose Edwards. Van de laatste is bekend dat ze de echtgenote was van de beroepsbokser Joe Edwards. Er mag dus worden verondersteld dat hun partij technisch van een redelijk niveau was. Beiden dames kwamen op 7 maart 1912 in een officiële wedstrijd tegen elkaar uit; de uiteindelijke uitslag is niet bekend. Een dag voor het duel werden enkele persfoto’s gemaakt. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 33

WILLI JAECKEL

Willi Gustav Erich Jaeckel (Breslau, 10 februari 1888 – Berlijn, 30 januari 1944) was een Duitse schilder, die geldt als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het Duitse Expressionisme. Van 1906 tot 1908 was hij leerling aan de kunstschool in Breslau, het huidige Poolse Wroclaw. Vanaf 1908 volgde hij een studie aan de Hochschule für Bildende Künste Dresden waar Otto Gußmann zijn leermeester was, die vooral bekendheid verwierf vanwege zijn werken in de stijl van Jugendstil en Art déco. In 1913 vertrok hij naar Berlijn, waar hij twee jaar later lid werd van de kunstenaarsvereniging Berliner Secession, die in 1898 was opgericht en die de toonaangevende vereniging was tot de kunstenaars uit München die rol overnamen. in 1919 werd Jaeckel lid van de Pruisische Kunstacademie. Vanaf 1925 was hij leraar aan de Hochschule für Kunsterziehung. Zijn stijl was expressief en decoratief; hij bracht onder meer het Expressionisme tot uitdrukking in religieuze thema’s. In 1912 maakte hij zijn eerste belangrijke werk ‘Kampf’, waar op een linnen doek dat de hele wand besloeg een aantal gespierde en naakte mannen brullend op elkaar inslaan. Jaeckel leverde ook bijdragen aan het blad Kriegszeit, dat in augustus 1914 werd opgericht en aanvankelijk niet bepaald tegen de oorlog was. Dat enthousiasme duurde voor de meesten maximaal twee jaar toen de eerste gesneuvelden echtgenoten, zonen en vrienden te betreuren waren. In de twintiger jaren waren Willi Jaeckel en zijn echtgenote Charlotte een vast onderdeel van d Berlijnse kunstscene en het nachtleven. In de kroegen in de binnenstad ontmoette hij bevriende kunstenaars, speelde er graag een partijtje biljard en hij scheen ook een uitstekend danser te zijn geweest. Tot zijn intieme vrienden hoorden onder meer Max Pechstein van kunstenaarsvereniging Die Brücke, de schrijver en cabaretier Joachim Ringelnatz en de toneelspeler Heinrich George. Het echtpaar geeft in hun huis aan de Kurfürstendamm regelmatig feesten waar in de regel meer dan honderd gasten aanwezig waren. In 1924 scheidde Willi en Charlotte. Zij trok eerst naar Wenen waar ze hoopte een zangcarrière te kunnen starten. In 1940 emigreerde ze naar de Verenigde Staten, waar ze in New York een armoedig bestaan leidde. Ze trachtte in haar levensonderhoud te voorzien door zich bezig te houden met astrologie, iets waarmee ze in haar Berlijnse jaren samen met haar echtgenoot al in was verdiept. (meer…)

OM TE BEWIJZEN DAT ….. (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (63)
EERDERE AFLEVERINGEN

Dit voorstel bracht een schaterend gelach en grote vrolijkheid teweeg, die evenwel nog vermeerderde, toen men zag dat ik het waarlijk meende.
Tot de edele kunst van vergulden, ook wel, met een bij alle koekenbakkers voor beledigend gehouden naam ‘plakken’ genoemd, zijn vier dingen nodig, als: de koek die verguld moet worden, het verguldsel zelf, een nat penseel, en dat gedeelte van een hazen- of konijnenvacht, hetwelk jagers de pluim, en gewone mensen de staart noemen, en dat in dit bijzonder geval dient om het opgelegde goud aan te dringen en vast te drukken. Om alles geregeld in zijn werk te doen gaan, zat aan het ene einde van de tafel het lieve Saartje, die de verschillende sinterklaaskoeken uitdeelde, welke de bewerking moesten ondergaan: vrijers, vrijsters, schepen, paradijzen, dagbroers, ruiters, rijtuigen, allen meestal van de eerste grootte; terwijl aan het tegenovergestelde einde moeder de Groot, die ook de thee schonk, boekjes bladgoud in breder en smaller repen knipte, om daarvan ieder behoorlijk te voorzien, de tafel met kopjes met water bezaaid was, en elk der genodigden met een penseel en een konijnenpluimpje was uitgerust. Men voorzag ook mij hiervan en bij ieder materiaal of instrument, dat ik in handen nam, proestte men ’t uit van ’t lachen en ging een kreet van verbazing op.
‘’t Is zonde!’ betuigde Mietje Dekker.
‘Heb ik van mijn leven?’ informeerde Keetje de Riet.
‘Die stedenten hebben alevel altijd wat raars,’ fluisterde die van de rode céphalide.
‘Menheer doet het heus!’ verklaarde die van de blauwe.
‘’k Ben benieuwd hoe dat af zal komen,’ zei Grietje van Buren. (meer…)

PJOTR ILJITSJ TSJAIKOVSKI

PJOTR ILJITSJ TSJAIKOVSKI

Tussen 1797 en 1815 voerde Frankrijk maar liefst zeven zogenaamde coalitie-oorlogen tegen een wisselende bundeling van krachten van Europese landen. Bij de Eerste Coalitieoorlog (20 april 1792 – 17 oktober 1797) streed revolutionair Frankrijk tegen Oostenrijk, Pruisen, de Nederlandse Republiek, Groot-Brittannië, Spanje, Portugal, Napels-Sicilië, Piëmont-Sardinië en enkele kleinere staten, maar ondanks de vele opponenten kwam Frankrijk uit de strijd tevoorschijn als de nieuwe Europese grootmacht. Bij de Tweede Coalitieoorlog (mei 1798 – 25 maart 1802) waren de Europese grote mogendheden Groot-Brittannië, Oostenrijk en Rusland de tegenstanders van revolutionair Frankrijk, waar halverwege de oorlog Napoleon aan de macht kwam. Bij de vrede in 1802 erkende het moe gestreden Groot-Brittannië de Franse republiek en gaf de Kaapkolonie en andere bezette Nederlandse koloniën terug aan de Bataafse Republiek, een Franse vazalstaat. Verder vonden wat territoriale uitruilen in de koloniën plaats. De Derde Coalitieoorlog (1805) was een militair conflict tussen Frankrijk, Spanje, Beieren en de Franse vazalstaten Koninkrijk Italië en Bataafse Republiek tegen Groot-Brittannië, Oostenrijk, Rusland, Napels en Zweden, waarbij Napoleon een gigantische overwinning haalde in de Slag bij Austerlitz en gebieden aan de staat toevoegde en koste van Oostenrijk en het Heilige Roomse Rijk. De Vierde Coalitieoorlog (oktober 1806 – juli 1807) was een militair conflict tussen Napoleons Franse keizerrijk en een coalitie van onder meer Pruisen en Rusland, die opnieuw belangrijke gebiedsuitbreiding voor de Fransen opleverde, de meesten ten koste van Pruisen. De Vijfde Coalitieoorlog (1809) tussen het Franse keizerrijk en een coalitie van onder meer Oostenrijk en Groot-Brittannië mondde bij de Vrede van Schönbrunn uit in zwaar verlies voor Oostenrijk. In 1812 leed het overmoedig geworden Frankrijk een eerste verpletterende nederlaag. in juni 1812 begon keizer Napoleon I van Frankrijk aan de Veldtocht naar Rusland, maar slechts 40.000 soldaten van het enorme leger van 680.000 man overleefde de smadelijke terugtocht die duurde tot december van dat jaar. het zou het omslagpunt van de napoleontische oorlogen worden. De Zesde Coalitieoorlog (maart 1813 – mei 1814) tussen het Franse keizerrijk en Rusland, Oostenrijk, Groot-Brittannië en Pruisen leidde bij de Slag bij Leipzig opnieuw tot een nederlaag voor Napoleon, die uiteindelijk werd verbannen naar het eilandje Elba. Deze coalitieoorlog werd uitgevochten over het hele Europese continent, van Lissabon tot Moskou. Naar schatting vochten twee en een half miljoen soldaten in de oorlog. Er sneuvelden twee miljoen, waarvan één miljoen alleen al in Rusland. Tot slot was er de Zevende Coalitieoorlog met Frankrijk, Rusland, Oostenrijk, Groot-Brittannië, Pruisen en Nederland (een oorlog die ook wel bekend staat als De Honderd Dagen) bestreek de periode vanaf Napoleons ontsnapping van Elba en terugkeer naar Frankrijk in februari 1815 tot zijn nederlaag in de Slag bij Waterloo. De oorlog werd voornamelijk uitgevochten in de Zuidelijke Nederlanden. Napoleon werd verbannen naar Sint Helena. In Europa keerde voorlopig de rust weer terug. (meer…)

ARNOLD BORRET 2

In mei 1878 vertrok Arnold Borret (1848-1888) naar Suriname. Hij was 29 jaar, jurist en had een aanstelling als griffier van het Hof van Justitie in Paramaribo op zak. Al spoedig werd hij rechter en later ook lid van de Koloniale Staten. In 1882 gaf hij al zijn hoge functies op om toe te treden tot de orde der redemptoristen. Ook hier klom hij snel op in de hiërarchie. Hij werd priester en later provicaris. In 1888 maakte de tyfus een einde aan zijn leven. Borret was een gedreven tekenaar en schilder. Hij legde zijn indrukken van Suriname vast in een album. Begin 1882 stuurde hij dit naar zijn broer Theodoor in Nederland. Deze schonk het in 1911 aan het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. Enkele jaren geleden zijn alle 148 tekeningen uit het album gereproduceerd. Tevens bevat dit boek vier tekeningen die zijn gevonden in het archief van de redemptoristen in Wittem, Limburg. Deze publicatie laat zien hoe Borret tegen Suriname aankeek, een land dat hem, zoals hij zelf schreef, voor zijn vertrek geheel onbekend was. Wat gaf hij weer van de natuur, de mensen, de verschillende bevolkingsgroepen met hun kleding en gebruiken? Meteen als zijn schip in Frankrijk van wal steekt, begint hij te tekenen. De aquarellen, pen- en potloodtekeningen en een enkele krijttekening, laten ons delen in Borrets verwondering en belangstelling voor zijn nieuwe land.

Hieronder een aantal van kleurenportretten die Borret maakte. (meer…)

DE ORDEDIENST 1

De Ordedienst was een belangrijke illegale Nederlandse verzetsorganisatie tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de Ordedienst speelden cadetten en adelborsten een belangrijke rol gespeeld. De toekomstige officieren van de land- en zeemacht werden opgeleid aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda en het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) in Den Helder. Toen Nederland op 15 mei 1940 capituleerde werden de cadetten (landmacht-officier in opleiding) en adelborsten (marine-officier in opleiding) naar huis gestuurd, terwijl de KMA en het KIM op 2 juli 1940 op last van de Duitse bezetter werden gesloten en opgeheven. Om hun belangen bij studiefinanciering en dergelijke bij het Afwikkelingsbureau van het Departement van Defensie te behartigen en onderling het sociale contact te onderhouden werd een Contact Commissie Cadetten (CCC) gevormd. Deze bevond zich in Den Haag. De adelborsten hadden een soortgelijke vereniging opgericht, de Contact Commissie Adelborsten (CCA). Er werden onder anderen borreluurtjes, lunches en onderlinge sportwedstrijden georganiseerd. De CCC en de CCA waren dus in eerste aanleg allerminst subversieve organisaties, maar waren gezelligheidsverenigingen zonder commercieel doel. Ze hadden daarom geen toestemming van de Duitse autoriteiten nodig. De onderlinge contacten hadden later wel tot gevolg dat verschillende cadetten en adelborsten binnen de Ordedienst zeer nauw zouden gaan samenwerken. In mei 1940 werden alle officieren en andere manschappen van het voormalige Nederlandse leger door de bezetter in krijgsgevangenschap genomen. Korte tijd later werden ze al weer vrijgelaten in het kader van een Duits charme-offensief. De bezetter veronderstelde dat de Nederlandse bevolking niet echt vijandig tegen hen zouden staan en wilden op deze manier de veronderstelde welwillende houding van de Nederlandse bevolking niet frustreren. Een groot aantal ex-militairen bleef echter met elkaar contact houden en vormden op initiatief van Johan Hendrik Westerveld  in 1940 een organisatie die ze Ordedienst (binnen het verzet meestal afgekort naar OD) noemden. Deze dienst richtte zich in eerste instantie alleen op de bevrijding in de naïeve veronderstelling dat het Duitse leger wel binnen een jaar zou worden verslagen. Met de gebeurtenissen na de Eerste Wereldoorlog in gedachten verwachtte men na de bevrijding communistische revolutiepogingen. In de onvermijdelijke chaos en het gezagsvacuüm na de bevrijding zou de Ordedienst dan de orde moeten handhaven. Ook zouden de Ordedienst de helpende hand moeten bieden aan de geallieerde bevrijders.  (meer…)

PIERRE VERSTEEGH (53)

Pierre Versteegh (Kedung Banteng, Centraal-Java, 6 juni 1888 – Sachsenhausen, 3 mei 1942) was een Nederlands luitenant-kolonel der artillerie, een olympisch springruiter en verzetsman. Hij was een broer van generaal Willem Versteegh, de eerste Nederlandse militair mer een vliegbrevet en de man die aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië enkele vliegtuigen en manschappen van de Koninklijke Nederlandsch-Indische Luchtvaart Maatschappij wist over te brengen naar Australië. Daar werd hij later commandant van het 19e Transport Squadron. Pierre Versteegh begon op 2 oktober 1906 als cadet artillerie zijn opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Op 24 juni 1909 werd hij benoemd tot tweede luitenant en ingedeeld bij het vierde regiment veldartillerie, ingedeeld bij de derde afdeling te Ede. Op 14 oktober 1912 werd hij bevorderd tot eerste luitenant. Tijdens het Concours Hippique in mei 1914 te Breda behaalde hij bij een jachtrit voor officieren en heerrijders (een in de vergetelheid geraakt woord, waarmee iemand werd aangeduid die voor zijn plezier paard reed) met zijn paard Irish Laddy de eerste prijs, wat hem een vergulde zilveren medaille en 75 gulden opleverde. In dezelfde wedstrijd haalde hij met een ander paard, Salomé, de vijfde prijs, goed voor 25 gulden. In juli 1920 won Versteegh tijdens het springconcours voor springpaarden in alle klassen met zijn paard Noske de derde prijs; in 1922 werd hij, dan districtscommandant der Marechaussee te Groningen, eerste met zijn paard Not Yet tijdens het Concours Hippique in het Stadspark te Groningen. In januari 1924 werd hij overgeplaatst naar de marechaussees te Amsterdam als commandant van het district en werd hij woonachtig te Bussum. Op 1 februari 1925 werd hij bevorderd tot kapitein. Hij bleef de jaren daarop doorgaan met wedstrijdrijden. In 1928 behaalde Versteegh een bronzen medaille op de Olympische Spelen van Amsterdam, op het onderdeel dressuurrijden voor teams heren, samen met Jan van Reede en Gerard le Heux. Aan dat Olympisch toernooi deed namens Nederland ook Charles Labouchere mee, die als gedoodverfd kampioen er niet in slaagde de gouden medaille te veroveren. In februari 1928 trouwde hij in London met Emmy Hijmans. Hij was eerder getrouwd geweest met Flora Oudshoorn en had met haar drie kinderen. Emmy was eerder gehuwd geweest met Floris der Kinderen. Mogelijk heeft hij haar via de paarden leren kennen. In 1927 werd in de kranten bericht dat Versteegh met het paard Matador, eigendom van Emmy der Kinderen, deelnam aan springwedstrijden. Het echtpaar vestigde zich op 12 maart 1928 in Bussum. Het was een ruim huis, maar volgens het bevolkingsregister moest het dan ook onderdak bieden aan de drie kinderen van Versteegh en de twee van Hijmans. Waarschijnlijk bood het perceel ook mogelijkheden om een paard aan huis te hebben. (meer…)

HATTIE MADDENS EN HATTIE STEWART

Over Hattie Maddens, bijgenaamd ‘The Mad Hatter’, werd in het bijschrift van de foto vermeld dat ze in 1883 de weinig begerenswaardige titel The Most Scary Woman in the UK won en werd verder opgemerkt dat ze de enige vrouw die ooit wereldkampioen boxen in het zwaargewicht was door in 1883, ik veronderstel dat ze daaraan de reputatie van meest angstaanjagende Britse vrouw te danken had, in een onderling gevecht de Schotse pugilist Wee Willy Harris in de eerste ronde knock-out te slaan. Ze zou verder de zachtaardigheid zelve zijn geweest en zich na haar afscheid uit de ring in Ierland hebben gevestigd om veeboer te worden. Er kunnen grote vraagtekens bij dat kampioen-schap worden gezet, want in geen enkele lijst komt haar naam voor en ook Wee Willy Harris is nergens in de archieven te bespeuren. Wel documentatie dat de Amerikaanse bokser John Lawrence Sullivan (Roxbury, 15 oktober 1858 – Abington, 2 februari 1918) van 1882 tot 1892 algemeen wordt gezien als de eerste wereldkampioen zwaargewicht in de moderne geschiedenis. dat is precies in de overgangsperiode van het boksen met blote vuisten naar boksen met handschoenen volgens de Marquess of Queensberry rules. Sullivan’s gevecht in 1889 in New Orleans tegen Jake Kilrain (die in ronde 75 van de 80 moest opgeven) was het laatste zwaargewichtgevecht met blote handen. Ook wel de opmerking gevonden dat het voor vrouwen verboden was in het professionele boksen mee te doen, zodat hun optreden zich beperkten tot het vaudeville-circuit. De opmerkelijke kledij van Maddens lijkt ook wel aan gegeven dat ze meer een circusact was dan een serieuze beoefenaar van ‘the nobble art of selfdefense’.

Er waren daarbij twee gerenommeerde vrouwelijke boksers die de bijnaam ‘Female John L. Sullivan’ kregen: Hattie Stewart en Hattie Leslie. Laatstgenoemde zou in 1892 onverwachts aan buiktyfus overlijden toen ze op toernee was. Dat Hattie Stewart een tante was om rekening mee te houden spreekt al voldoende uit nevenstaande foto, waarop een lezer van het Amerikaanse niet kon nalaten op gte merken dat Hattie zeker niet achteraan had gestaan toen de benen werden uitgedeeld. Stewaert en Leslie lijken de twee enige boksers te zijn geweest die wel op professionele basis in de rug stonden, zowel tegen vrouwen als mannen. Beidenzouden elkaar nooit in cde ring treffen. Wel was er op 16 september 1888 in Buffalo een stevig gevecht tussen Hattie Leslie en Alice Leary, waarover het New Yotkse blad The World een dag later verslag deed: (meer…)

OM TE BEWIJZEN DAT ….. (1)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (62)
EERDERE AFLEVERINGEN

De verguldpartij zou uiterlijk te half zes aanvangen en tegen dat uur begaf ik mij op weg naar de woning van de koekenbakker De Groot of zoals Henriette altijd zei, van ‘de De Grooten’. Zij was vrij ver van het huis van de heer Kegge gelegen en ik ging op de, voor een stadgenoot waarschijnlijk zeer heldere, maar voor een vreemdeling zeer ingewikkelde aanduidingen van de heer Kegge af. Plotseling bevond ik mij in een donkere steeg, waar aan het eind een hel licht als uit de grond opkwam, voor welk licht zich een duistere massa met zekere golving scheen te bewegen. Naarmate ik verder ging, hoorde ik stemmen, die mij toeschenen van jonge knapen te zijn, uit deze massa voortkomen. Geheel genaderd zag ik een op alle manieren op en over elkander liggende stapel jongens, die door een kelderraam waaruit het licht kwam, het oog hadden op de bewegingen van een meester koekenbakker en zijn gezellen, die in hun witte linnen pakjes zulke schone wonderen kneedden, duimden, schikten en bakten, als welke Henriette versmaad had verder te volmaken. Ik stond een ogenblik stil en verlustigde mij in de belangstelling van die straatjongens, die waarschijnlijk geen beter aandeel in de genoegens van Sint Nicolaas hebben zouden, dan dat zij de lekkernijen zagen toebereiden, die hun begunstigder broederen gelukkig, of, zoals maltentige mensen beweren, ziek zouden maken. (meer…)

BRIAN ENO

BRIAN ENO

Brian Eno (Woodbridge, Suffolk, 15 mei 1948) is een Britse muziekproducent en elektronisch muzikant. Zijn volledige naam is te wonderschoon om niet voluit weer te geven: Brian Peter George St. John le Baptiste de la Salle Eno. In 1971 richtte hij samen met Bryan Ferry (zang, toetsen) de rockgroep Roxy Music op, waarbij Eno de elektronica oor zijn rekening nam. De band bestond tot 1975 en later nog van 1979 tot 1983, maar Eno was er al in 1973 uitgestapt om aan een solocarrière te beginnen. De eerste lp’s waren nog traditionele rocknummrs ofwel gewone vocale nummers. Al snel daarna ging hij zich steeds meer richtte op minimalistische muziek of minimal music. Dat is een muziekstijl met herhaling, vaak van korte muzikale frases, met subtiele variaties gedurende een lange tijd. Soms is er stilstand in de vorm van lang aangehouden tonen. Vanuit deze invalshoek ontwikkelde Brian Eno met zijn synthesizer-muziek de eerste ambient-muziek. Hij zou hiertoe zijn gekomen toen hij ziek op bed lag en een vriend voor hem een lp opzette en door de muziek heen op een bijna gelijk volume door het open raam de geluiden van de straat doorkwamen. Eno wordt algemeen wel gezien als de grondlegger van het genre. Ambient-muziek is een rustige, lang uitgesponnen muziekstijl met elektronische instrumenten, waarbij men meer bezig is met het creëren van soundscapes dan met liedjes en composities. Kenmerkend is dat de muziek zich zonder ritme manifesteert. Ook is vaak het metrum van de muziek niet op te delen in tellen en tempi. Het wordt dan ook wel omschreven als omgevingsmuziek (environmental music). Eno heeft eigenlijk de muzieksoort niet uitgevonden, want begin twintigste eeuw waren er in de klassieke muziek als mensen als Erik Satie die soortgelijke composities schreven, en later waren er personen als John Cage, Charles Ivens en Philip Glass die zo werkte. De term ‘ambient’ stamt van het Latijnse werkwoord ‘ambire’, wat ‘rondgaan’ of ‘omringen’ betekent. Het ging Eno dan ook om het scheppen van subtiele geluiden die de luisteraar zowel insluiten als veranderen. Eno is daarnaast actief als producer voor een hele reeks als artiesten, waaronder David Bowie, Talking Heads, Genesis, Devo, U2 en Coldplay. Hij maakt verder Arabische rock en trad met die muziek vaak op in het kader van de Stop the War Coalition, tegen de Irakoorlog. In mei 2009 ontwierp Brian Eno een audiovisuele installatie die geprojecteerd wordt op het Sydney Opera House aan de haven van Sydney. 77 Million Paintings is de naam van het steeds wisselende kleur- en vormexperiment. Het mooie van de ambient-muziek van Eno is dat je die in een (bijna) eindeloze repeat kunt beluisteren terwijl je aan het werk bent. Een nummer dat ik daarvoor al een jaar of dertig zeer frequent gebruik: Weightless uit 1983. (meer…)

ARNOLD BORRET 1

Arnold Borret (Maastricht, 28 oktober 1848 – Paramaribo, 6 februari 1888) is een Nederlandse jurist die actief werd in de kolonie Suriname als rechter, priester en kunstenaar. Zijn teken- en schilderwerk geeft een breed beeld van het Suriname op het eind van de negentiende eeuw. Hij stamde uit een voorname Bossche, katholieke familie. Zijn vader Eduardus Borret (‘s-Hertogenbosch, 17 augustus 1816 – Den Haag, 10 november 1867), een zoon van Antonius Borret die van 1842 tot 1850 gouverneur van Noord-Brabant was, was een bestuurder en politicus. Hij was eerst advocaat-generaal in Maastricht en later in de Tweede Kamer behoorde hij als katholiek tot de conservatieven. Hij was dertien jaar staatsraad en werd in het kabinet-Van Zuylen van Nijevelt minister van Justitie. Hij overleed in deze functie. Toen Arnold vijf jaar oud was overleed zijn moeder. Op tienjarige leeftijd ging hij naar het college der Jezuïeten te Katwijk. Vanaf zijn achttiende studeerde hij rechten aan achtereenvolgens de universiteiten van Leuven, Leiden en Utrecht. In 1872 promoveerde Borret en vestigde hij zich als advocaat in Rotterdam. In 1878 werd Borret benoemd tot griffier aan het Hof van Justitie in Paramaribo. Twee jaar later werd hij, na het ontslag van J.H. Gilquin, aan dat hof als rechter geïnstalleerd. Daarnaast was hij vanaf 1881 minder dan een jaar een door de gouverneur benoemd lid van de Koloniale Staten van Suriname, de volksvertegenwoordiging van Suriname binne het Koninkrijk der Nederlanden. Borret was bevriend met monseigneur J.H. Schaap (Amsterdam, 27 september 1823 – 19 maart 1889), de apostolisch vicaris van Nederlands Guyana-Suriname en titulair bisschop van Etalonia, die net als hij in Katwijk en Leiden had gestudeerd. In 1882 gaf Borret al zijn hoge functies op en trad toe tot de congregatie der redemptoristen, waarbinnen hij in 1883 tot priester werd gewijd. In 1887 werd hij door mgr. Schaap, bij diens reis naar Europa, benoemd tot plaatsvervangend overste van de missie in Suriname. Borret preekte zowel in het ‘Negerengelsch’ als in het Hindoestaans. Arnoldus Borret stierf op veertigjarige leeftijd aan tyfus. (meer…)

KOENO GRAVEMEIJER

Koeno Henricus Eskelhoff Gravemeijer (Oosthem, gemeente Wymbritseradeel, 25 februari 1883 – Wassenaar, 13 februari 1970) was een Nederlandse calvinistische predikant, secretaris van de Algemene Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk en, samen met kardinaal de Jong, leider van het kerkelijk verzet in de Tweede Wereldoorlog. Hij was afkomstig uit een oud Oostfries predikantengeslacht. Hij studeerde theologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht en werd eerst hulpprediker in Leeuwarden en daarna predikant in Giessen-Oudekerk (1911), Voorburg (1915) en Den Haag (1920). Gravemeijer trouwde in 1911 met Baukje van Popta, die op 23 oktober 1930 zou overlijden. Hij werd bekend als boeiend prediker, ijverig pastor en bekwaam organisator. Binnen zijn calvinistische traditie was hij sterk beïnvloed door H.F. Kohlbrügge (Amsterdam, 15 augustus 1803 – Elberfeld, 5 maart 1875), een Nederlandse gereformeerd theoloog die binnen zijn leer als kern had dat de gelovige onheilig in zichzelf (‘een niets’) is en blijft, maar is tegelijkertijd geheel geheiligd in Christus. Door zijn evangelische radicaliteit werd Kohlbrügge niet gewaardeerd en begrepen door de hoofdstroom van de 19e-eeuwse theologie, maar vond hij wel weerklank bij eenvoudige gelovigen in de rechterflank van de Hervormde Kerk en onder afgescheidenen. Gravemeijer zou gedurende zijn hele leven ijveren voor een reorganisatie van de Nederlands Hervormde Kerk, maar dat moest wel een reorganisatie zijn die paste in zijn theocratische visie op ‘het protestants karakter der natie’. Dit principe zag hij politiek vertolkt door de Hervormd-Gereformeerde Staatspartij (HGS), waarvan hij in 1921 medeoprichter was en vervolgens bestuurslid werd. Zijn broer Henricus Eskelhoff Gravemeijer was van 1921 tot 1936 voorzitter van die partij. Samen met zijn geestverwant, de rechtzinnige dominee C.A. Lingbeek, vertegenwoordiger van deze partij in de Tweede Kamer, die zich op grond van deze beginselen heftig verzette tegen regeringscoalities tussen de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) en de protestantse partijen, bestreed hij een reorganisatievoorstel in 1938 als zijnde in strijd met dit theocratisch principe. Hiernaast bekleedde Gravemeijer tal van bestuursfuncties in maatschappelijke organisaties. Het diaconaat heeft altijd zijn bijzondere liefde gehad. (meer…)

ANDRÉ KERTÉSZ 2

André Kertész (Boedapest, 2 juli 1894 – New York, 28 september 1985) maakte in 1933 het fotoboek Distortion, waarvoor veel ophef ontstond. André Kertész was altijd al geïnteresseerd geweest in de mogelijkheden binnen de fotografie van spiegels, reflecties en vervormingen, maar pas in 1933 ging hij serieus kijken wat de mogelijkheden waren toen het blad Le Sourire hem benaderde met het verzoek een serie foto’s te maken. Le Sourire was een Frans geïllustreerd tijdschrift dat werd uitgegeven tussen 1899 en 1940. Het was een van de vele luchtige en enorm populaire Parijse tijdschriften met tekeningen van semi-geklede demoiselles, evenals verhalen en grappen van soortgelijke aard. In wezen heel onschuldig, maar in het buitenland hadden ze in die periode een bedenkelijke reputatie. Vooral Britten en Amerikanen vreesden dat dit soort publicaties tot een morele vernieling zouden leiden en waarschuwden tegen hun verschijning. In het Parijse amusementspark Luna Parc ontdekte hij de lachspiegel en Kertész, die nog niet eerder naaktfoto’s had gemaakt, ging hiermee aan de slag om te experimenteren. In vier weken tijd maakte hij ongeveer tweehonderd kunstzinnige naaktfoto’s van twee Russische modellen Najinskaja Verakatsj en Nadia Kasine. Het was een bijzondere serie foto’s van vrouwelijke naakten, gedeformeerd door lachspiegels, die onder invloed van de vernieuwingen van het surrealisme tot stand kwam. Een daarvan was nevenstaande foto, die al direct associaties opriep met het beroemde schilderij De Schreeuw (1893) van de Noorse schilder Edward Munch. Het boekte Distortion veroorzaakte veel ophef, maar ook veel waardering. Een criticus beschreef Distortions als ‘….  een briljant onderzoek naar stijlmiddelen met een originaliteit die schuilt in de interpretatie van een klassiek onderwerp: het vrouwelijk naakt in combinatie met de moderne fotografie’ en merkte op dat de ‘anamorphoses’ een dialoog aangaan met de weelderige vrouwenbeelden van Picasso, Arp en Moore. Distortions was wel een uitzondering binnen het oeuvre van Kertész. In tegenstelling tot Man Ray en Raoul Ubac onderzoekt hij het surrealisme niet verder, maar ontwikkelt Kertész zijn eigen stijl van fotografie van het gewone straatleven, die hem veel internationale waardering opleverde. (meer…)

JACQUES SAMUELS

62e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Jacques Salomon Samuels (Paramaribo, 19 september 1859 – Paramaribo, 17 maart 1939) was onderwijzer van beroep en schoolhoofd op Berlijn in het district Para. Hij werd geboren in een joodse familie. Nadat hij het examen voor onderwijzer had afgelegd, werd hij assistent bij J.J. van Meerten en in 1886 hoofd van een school te Berlijn, een dorp in het district Para. Berlijn was een voormalige houtgrond- en suikerplantage aan de bovenstroom van de rivier Para. Daarna bracht hij enige tijd door in Berbice door.  Berbice was een Nederlandse kolonie aan de noordkust van Zuid-Amerika, die in de 17e en 18e eeuw onderdeel was van Nederlands-Guiana. Dat was de verzamelnaam voor alle Nederlandse koloniën op de zgn. Witte Kust van Guyana (de kust van de Orinoco tot de Amazone. Van deze zes koloniën bleef uiteindelijk alleen Suriname Nederlands; de rest werd door de Britten veroverd en in 1831 samengevoegd tot Brits-Guiana. In Berbice was Samuels horlogemaker. Later keerde hij terug naar Suriname en werkte daar als boekhouder en goudhandelaar. Blijkbaar was Samuels een man met veel talenten, want hij speelde toneel bij het genootschap Thalia, waarvan hij ook bestuurslid. In 1900 zou het gezelschap zijn eerste toneelstuk opvoeren: Te laat, of De wraak van een boer. In de jaargang 1904 publiceerde hij een reeks ‘Schetsen en typen uit Suriname’ in het dagblad De Surinamer. Dat was een krant die vanaf 6 januari 1894 twee keer per week werd uitgegeven door de katholieke missiedrukkerij. De krant, die bekend stond als conservatief en gezagsgetrouw, voerde een ideologische strijd tegen de protestantse pers, zoals het Protestantenblad dat het uitzicht tot bestrijding van het ‘catholicisme’ voorstond. In De Surinamer schreef Samuels ook feuilletons onder de schuilnaam Jack. (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (12)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (61)
EERDERE AFLEVERINGEN

Vaderangsten en kinderliefde
deel 4

Wij waren al spoedig klaar en weer te huis. Henriette, die ook al berouw over haar verstoordheid had, keek weer vriendelijk; en toen haar vader haar de bloemen gaf, stonden er tranen in haar mooie ogen. Zij was beschaamd.
‘Je bent toch een lieve papa,’ zei ze, hem kussende, en met haar fraaie hand zijn haren schikkende. ‘Ik had het niet verdiend,’ voegde zij er bij; en zij boog haar hoofd aan zijn hart.
‘Geen coupjes!’ zei de vader. ‘Allemaal gekheid! Een mens moet altijd vrolijk zijn!’
Ik begon tienmaal meer van Henriette te houden. De kaketoe riep: ‘Zoete vrouw.’
Wij zaten nog aan het dessert, toen de heer van der Hoogen, dien ik in mijne gedachten nooit anders dan ‘de charmante’ noemde, aangediend werd en binnenkwam.
Henriette kleurde vreselijk.
‘Dérangeer je niet, lieve mevrouw; dankje mijnheer van Kegge. Een zeer ongelegen uur, inderdaad! Mijn boodschap was aan juffrouw van Kegge; het is alleraffreust; ik ben desperaat!’ (meer…)

DARKWOOD

DARKWOOD

Darkwood is een Duitse neofolk-band uit Dresden, die in 1997 werd opgericht. De vroege wortels van het genre liggen in de jaren zeventig en tachtig en ontstond uit de punk, golthic en industrial muziek. Het is dus geen folkgenre, hoewel de naam neofolk wel de indruk wekt. De muziek werd voortgebracht met een soortgelijk instrumentarium als folk maar de composities en klankkleuren lagen dichter bij industrial en gothic dan bij originele folk. Tijdens de jaren negentig werden steeds meer bands actief. Door het gebruik van Germaanse, heidense en (sporadisch) fascistische en nazi-symboliek binnen dit genre worden veel bands vaak als extreemrechts gezien, maar dit blijkt in de praktijk slechts bij enkele projecten het geval te zijn. Het antifascistische tijdschrift Alert! schrijft veelvuldig over door hen fout geachte neofolk-bands. Darkwood is binnen dat genre wel een van de bands die het dichtst de term folkgroep benard, want ze hebben veel akoestische nummers. De band bestaat vanaf hert begin uit Henryk Vogel en de celliste Nadja Stahlbaum. Sinds het album Notwendfeuer uit 2006 werd de samenstelling van Darkwood uitgebreid met Manuela Zankl (accordeon, begeleidende zang) en Valentin (viool) en daarnaast werkt een keur aan muzikanten uit de neofolk-scene mee aan bepaalde nummers en bij liveoptredens. Vanaf 2004 is de stijl bijna geheel gericht op akoestische gitaar, cello en viool,waarmee zowel de rustige, melancholische nummers als de ruigere nummers worden gespeeld. Qua teksten laat Darkwood zich erg inspireren door historische, mystieke en heidense thema’s, waaronder de gedichten van onder meer Georg Trakl en Otto Ernst. De band flirt verder graag met afbeeldingen van Hitlerjugend of andere beelden uit de Tweede Wereldoorlog, heeft teksten die vaak lijken te refereren aan dappere Duitse soldaten die aan het oostfront aan de verliezende hand zijn, maar heeft ook Engelstalige teksten die een zekere anti-Duitse sfeer oproepen. Het beeld dat resteert is eerder verbonden met de zinloosheid van oorlog. Het hoofdonderwerp van Flammende Welt is de rol van Amerika na de Tweede Wereldoorlog, en in het bijzonder over de invloed op het Duitse en Europese zelfvertrouwen, waarin Darkwood probeerde ook wat hoop te doen gedijen door kracht en optimisme uit te drukken. Ondanks het duidelijke anti-Duitse sentiment wil de cd een trots gevoel over het Duitse cultureel en historisch erfgoed uitdragen, maar geen extreme glorificatie. Van dat album een nummer, met een speech van Winston Churchill: Conquer We Shall. (meer…)

ANDRÉ KERTÉSZ 1

André Kertész (Boedapest, 2 juli 1894 – New York, 28 september 1985) was een uit Hongarije afkomstig fotograaf, die daar als Andor Kertész werd geboren. Hij was de zoon van de Joodse boekhandelaar Lipót Kertész, die wilde dat zijn zoon in het bankwezen ging werken. Andor ging dan ook eerst van 1910 tot 1912 naar de handelsacademie in Boedapest. Zijn vader was toen in 1909 aan tuberculose overleden., waarvan  Lipót Hoffmann, de broer van zijn moeder,  als voogd zijn opvoeding op zich nam. Andor was de tweede van drie zoons; de jongere broer van Imre Kertész, die in 2002 de Nobelprijs voor literatuur zou krijgen, en Jenõ Kertész, zijn oudere broer waarvan hij later vele foto’s zou maken. In 1912 kreeg Andor van zijn moeder zijn eerste camera, waarschijnlijk vanwege zijn afstuderen aan de handelsacademie. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij dienstplichtig in het Oostenrijks-Hongaarse leger. De foto’s aan het front die hij in 1915 maakte zijn de oudst van hem bewaard gebleven foto’s. in datzelfde jaar raakte hij aan het font ook gewond en hield er een gedeeltelijk verlamde arm aan over. In 1916 won hij zijn eerste prijs met een zelfportret en in 1917 publiceerde hij zijn eerste foto’s in het fototijdschrift Érdekes Újság. Eind 1918 ging het grootste deel van zijn negatieven verloren tijdens de Hongaarse revolutie, die uitbrak na het mislukken van de regering van graaf Mihály Károlyi in de nieuwe onafhankelijke Democratische Republiek Hongarije, die was ontstaan na de val van het keizerrijk Oostenrijk-Hongarije. Na minder dan zes maanden werd Károlyi ontslagen door een coalitie van sociaaldemocraten en communisten. Van 21 maart tot 6 augustus 1919 was er de Hongaarse Radenrepubliek onder onder leiding van Béla Kun. Het was de eerste communistische regering die gevormd werd in Europa na de Oktoberrevolutie in Rusland, waarbij de bolsjewieken de macht kregen in dat land. Na vier maanden viel de Radenrepubliek uiteen toen het Roemeense leger Boedapest bezette. De opvolger van de Radenrepubliek was de kortstondige Hongaarse Republiek. Andor Kertész zou in de loop van 1919 uit her leger worden ontslagen en terugkeren naar Boedapest. Daar ontmoette hij op het kantoor waar beiden werkte Erzsébet Salamo, met wie hij in het huwelijk zou treden. In 1922 ontving hij een erediploma van het Hongaarse Fotografische genootschap. Als fotograaf ontdekte Kertész de schoonheid van het lichaam in combinatie met de beweging en gevoeligheid van spiegelend licht. (meer…)

WILLEM IDENBURG

Willem Idenburg (Gouda, 18 februari 1904 – Neustadt, 27 april 1945) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was  aannemer van stukadoorswerk van beroep, was lid van de Ordedienst en later van de Binnenlandse Strijdkrachten en was actief in het lokale verzet in Gouda, waarbinnen hij de belangen behartigde van onderduikers en Joden Zo was hij betrokken bij illegale transporten van bijvoorbeeld wapens of voedsel voor onderduikers. Als eigenaar van een stukadoorsbedrijf beschikte hij over vervoersmiddelen die het verzet goed kon gebruiken bij deze illegale wapendroppings en andere transporten. Tijdens een van die transporten werd hij herkend, vervolgens verraden en op 21 februari 1945 in Gouda gearresteerd. Een poging om hem tijdens zijn transport naar Rotterdam te bevrijden mislukte. Via het ‘Oranjehotel’, de strafgevangenis in Scheveningen waar veel verzetsstrijders gevangen zaten, kwam hij in kamp Amersfoort terecht. Met het allerlaatste transport uit dat kamp werd hij vervolgens overgebracht naar het Duitse concentratiekamp Neuengamme, zo’n dertig kilometer ten zuidoosten van Hamburg. Een brief van 21 maart 1945 is het laatste levensteken dat zijn vrouw en kinderen van hem ontvingen. Nadat de Duitsers eind april 1945 op de vlucht voor de geallieerden dat kamp ontruimden, zetten ze de gevangenen vast op drie passagiersschepen in de Lübeckerbocht. Op 27 april 1945 overleed Willem Idenburg, verzwakt door alle ontberingen, aan boord van het schip Cap Arcona. Nog geen twee weken later was de oorlog voorbij. (meer…)

JEF VERHEYEN

Jef Jozef Verheyen (Itegem 6 juli 1932 – Apt, 2 maart 1984) was een Belgisch kunstschilder. Hij studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen en bij Olivier Strebelle aan het Hoger instituut in de klassen schilderen, tekenen en keramiek. Aan dat instituut leerde hij zijn latere vrouw Dani Franque kennen. In 1954 openden ze samen keramiekatelier-winkel  L’atelier 14, tegenover het Rubenshuis. Vanaf 1956 namen ze met keramiek samen deel aan verscheidene tentoonstellingen en salons in België. Verheyen schilderde meer en meer en reisde naar Milaan, waar hij Piero Manzoni, Roberto Crippa en Lucio Fontana ontmoette. Verheyen was een van de medeoprichters van G-58. Dat was een vereniging van Antwerpse kunstenaars die zorgde voor een heropleving van de vooruitstrevende kunst in Antwerpen en het zwaartepunt van de avant-garde kunstscene verlegde van Brussel naar Antwerpen. Na de oorlog lag het artistieke leven in Antwerpen zo goed als lam, maar vanaf 1950 waren er de eerste tekenen dat Antwerpen weer een progressieve en leidende rol wil spelen in de internationale kunstwereld. Dat begon in 1950 met een openluchttentoonstelling voor beeldhouwkunst in het Middelheimpark. Met het ontstaan van diverse alternatieve en avant-gardistische tijdschriften als De Tafelronde, Het Cahier en Gard-Sivik werden in de jaren ’50 dichters, muzikanten en beeldende kunstenaars met elkaar in contact gebracht. Vooral de wereldtentoonstelling Expo ’58 in Brussel zorgt voor grote verwachtingen en ambities. In 1957 gingen kunstenaars waaronder Jef Verheyen, Herman Denkens, André Comhaire, Walter Vanermen en Jef Kersting op zoek naar een expositieruimte, zodat galerieën hun werk konden vertegenwoordigen. Ze krijgen na enkele acties van het stadsbestuur toestemming om kasteel Middelheim in gebruik te nemen. Dat leidde tot de oprichting van G-58. (meer…)

JACQUES SAMUELS – MIJN EERSTE ‘BEGRAFENIS’

Ik was een opgeschoten lummel van 15 of 16 jaren toen ik voor het eerst eene begrafenis bijwoonde. Wel was ik vroeger van uit de verte getuige geweest van de handeling, maar een deel van een stoet had ik nog niet uitgemaakt. De moeder van mijn nêné, die dikwijls hare dochter bezocht en op die wijze eene ‘bekende’ was geworden, stierf, en op verzoek van nêné en op gebod van moeder, moest ik mij klaarmaken om de uitvaart met mijne tegenwoordigheid te vereeren. Ik had pas een nieuw lakensch pakje gekregen, dat alleen op Zon- en feestdagen mocht aangetrokken worden, en ik was – ronduit gezegd – blij, dat er eene gelegenheid was, om mij op m’n best voor te doen. Als huisgenoot van rêné en als eenige vertegenwoordiger van ’t blanke ras bij de plechtigheid, voelde ik mij heel trotsch, en beeldde mij in, dat mij een grooter deel van den roem toeviel, dan in werkelijkheid het geval was. De inbeelding verdween toen de rechthebbenden ten toneele verschenen. Ik bedoel door ‘rechthebbenden’ zij, die eene rol te vervullen hadden – eene rol! terwijl ik slechts figurant was.
’t Is 15 minuten vóór 5! Zij, die aan de begrafenis zouden deelnemen, waren allen vereenigd in huis of op erf. In het huisje lag op twee schragen de kist, waarin nêné’s moeder, en daarom heen stonden de zoons en andere bloedverwanten van de overledene, met op de borst gekruiste armen, gebogen hoofd en neergeslagen oogen, als in diep gepeins verloren. Naar mijn inzicht van ‘toen’ hadden ze dezelfde houding als schooljongetjes, die de tafels van vermenigvuldiging ‘tot’ 5 geleerd hebben, en aan wie 9 × 6 gevraagd is. (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (11)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (60)
EERDERE AFLEVERINGEN

Vaderangsten en kinderliefde
deel 3

De heer Kegge wachtte volstrekt niet af wat ik in deze zeggen zou.
‘Maar voor een goud vijfje zal ik toch nog wel wat kunnen hebben?’ zei hij ongeduldig.
‘Hoor,’ zei Barend, zijn snoeimes uit de zak halend en openslaand, ‘as ze der binnen, dan hoefje geen goud vijfje te besteeën; dan zelje voor een spiergulden1 al heel wat doen. Maar ’t is maar dat het zo bitter uit dn tijd is. Is het voor mevrouw?’
‘Neen, Barend! voor me dochter.’
‘Kom an!’ hernam hij, ‘da’s etzelfde; de dames zijn onze beste klanten voor de blommen; maar as we ’t van de blommen hebben mosten!’
‘Maar waar drommel moet je ’t anders van hebben?’
‘Wel, van de bollen,’ zei Barend; ‘de blommen betekenen nies. Dat is armoed. Kijk!’ ging hij voort, daar hij een potje aanwees dat niet bloeide, maar met een rijkdom van fijne samengestelde bladeren pronkte; ‘motje zo’n dingsigheidje niet hebben? Of heb je dat al?’
‘Wat is het, Barend?’
‘Dat,’ zei Barend, ‘is nou eigenlijk de effetieve mimosa nolus mi tangere!’
‘Hou op met je potjeslatijn!’ riep Kegge uit; ‘allemaal gekheid! Hoe heet het in je moers taal, man?’
‘Kruidje roer me niet,’ antwoordde Barend.
‘Dankje hartelijk!’ hernam Kegge, zich waarschijnlijk herinnerende dat hij ‘zo’n dingsigheidje’ al had. (meer…)

MATHILDE SANTING

MATHILDE SANTING

Mathilde Santing (Amstelveen, 24 oktober 1958) is de artiestennaam van Mathilde Eleveld. De vader van de Nederlandse zangeres was piloot bij de KLM en haar moeder lerares. Thuis zat het gezin steeds naar muziek te luisteren. Voor de jonge Mathilde was een speciale muziekkamer en dansvloer gemaakt waar ze naar de muziek van haar bandrecorder kon luisteren. Toen ze vijf jaar oud was ging ze op muziekles op de Amstelveense Muziekschool. Van haar elfde tot haar negentiende volgde ze zangles. Tijdens haar middelbareschooltijd speelde ze in verschillende bandjes van haar broers en trad ze op in cafés met een pianist. Eerst deed ze die optredens nog onder haar eigen naam, maar later als Mathilde Santing, naar haar moeders geboortenaam. In 1981 kreeg ze enige landelijke bekendheid door haar optredens in het televisieprogramma Sonja op maandag van Sonja Barend. Een jaar later verscheen haar eerste lp met covers van internationale artiesten. Dat zou voor een groot gedeelte haar repertoire blijven bepalen.  Zo bracht ze in 1993 het album Texas Girl & Pretty Boy uit, waarop ze veertien nummers van Randy Newman vertolkte. Op Sinatra’s Tonic (2010) vertolkte ze nummers van Frank Sinatra. Santing heeft ook grote rollen in musicals gehad, zoals de rol van verbindingsofficier in de musical Joe (1997) en de rol van Glinda in de musical The Wiz (2006-2007). Die rol nam ze op zich na een aantal jaren van betrekkelijke stilte. Haar terugkeer in 2006 kreeg ook gestalte in de cd Under your charms. Op 27 april 2007 werd Santing benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau voor haar verdienste als zangeres en haar bijdrage aan vele goede doelen. Van november 2011 tot mei 2012 speelde Santing de jubileumtournee Given in diverse theaters door heel Nederland om haar 30-jarige carrière als zangeres te vieren. Sinds 2014 heeft ze een ommezwaai gemaakt naar jazz-zangeres. Santing had voorheen alleen relaties met vrouwen, maar sinds 2000 met een man. Ze verklaart haar biseksualiteit doordat ze een zogenaamde DES-dochter is. Van alle geweldige covers die Santing in de loop der jaren heeft opgenomen is er één die er voor mij uitspringt, namelijk haar versie van het nummer waarmee Black in 1987 zijn enige hit had. Zijn versie is al ontroerend, maar die van Santing van dit toch veel gecoverde nummer is onovertroffen: Wonderful Life. (meer…)

MICHIEL VAN KEMPEN

61e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Michiel van Kempen (Oirschot, 4 april 1957) is een Nederlandse schrijver, dichter, letterkundige en surinamist. Van zijn eigen hand verschenen romans, verhalen, essays, reisverslagen, scenario’s en gedichten. Hij stelde een groot aantal bloemlezingen uit de Caraïbische literatuur samen en van zijn vele studies over de Surinaamse literatuur geldt het tweedelige Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur (2003) als het standaardwerk over de Surinaamse literatuur. Die tweedelige handelseditie was gebaseerd op de gelijknamige vijfdelige serie, waarmee hij op 5 juni 2002 aan de Universiteit van Amsterdam promoveerde. In 1400 pagina’s geeft Van Kempen een overzicht van de orale en geschreven literatuur van Suriname. In dit werk veegt Van Kempen vakkundig de vloer aan met het boek Vóór honderd jaren in Suriname: tafereelen uit het plantersleven, dat de geestelijk Joseph Witlox in 1890 publiceerde bij uitgever Mosmans in ‘s-Hertogenbosch. Het boek bevatte een novelle die zich afspeelt in Suriname en zes verhalen die met de kolonie niets van doen hebben, maar het duidelijk dat de schrijver nooit een voet op Surinaamse bodem had gezet en dat er een behoorlijk christelijk sausje over het verhaal hing. Aan zijn grote literatuurgeschiedenis van Suriname gingen enkele deelstudies vooraf: De Surinaamse literatuur 1970-1985 (1987) en het populaire Surinaamse schrijvers en dichters (1989). Hij publiceerde ook een paar grote bloemlezingen als de Spiegel van de Surinaamse poëzie (1985), Mama Sranan; 200 jaar Surinaamse verhaalkunst en (met Wim Rutgers) Noordoostpassanten; 400 jaar Nederlandse verhaalkunst over Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba (2005). Publicaties die veel, bijna vergeten werk onder de aandacht hebben gebracht van lezers. (meer…)

JOE DONOGHUE

Joe Donoghue (Newburgh, 11 februari 1871 – New York, 1 april 1921 was een Amerikaans langebaanschaatser. Hij werd geboren in een gezin met twee broers en drie zussen die ook allen verdienstelijk schaatsten. Donoghue reed zijn wedstrijden op schaatsen die veel langer dan gebruikelijk waren in die tijd. Hierdoor kon hij met zijn handen op zijn rug rijden en had hij een veel rustiger slag dan zijn tegenstanders. Iets wat hem waarschijnlijk veel voordeel bood. Hij had de eigenaardige gewoonte om tijdens het schaatsen voortdurend zijn neus te snuiten in een primitieve zakdoek.

Van 8 tot 9 januari 1889 werd op het Museumplein in Amsterdam het eerste Wereldkampioen-schap Allround Schaatsen gehouden. Het was nog een onofficieel kampioenschap want er was nog geen internationale bond die de wedstrijden organiseerde. De Internationale Schaatsunie (ISU) zou pas in de zomer van 1892 worden opgericht. In de jaren 1889, 1890 en 1891 werd echter wel steeds (onofficiële) wereldkampioenschappen allround op het Museumplein in Amsterdam georganiseerd door De Amsterdamsche Sportclub die het voor dat soort evenementen huurt van de gemeente. Die kampioenschappen werden verreden over drie Engelse afstanden, namelijk de halve mijl (805 meter), 1 mijl (1609 meter) en 2 mijl (3219 meter). Er stonden 22 schaatsers aan de start: 15 Nederlanders, 5 Britten, 1 Amerikaan en 1 Rus. De beste vier in de kwalificatie plaatsten zich voor de finale van die afstand. Bij gelijke stand in de kwalificatie volgde er een skate-off tussen de gelijk geëindigden. Dat zou in 1889 bij de halve mijl het geval zijn. Renners moesten zich dus eerst voor de drie afstanden kwalificeren voor de finales en wie vervolgens alle drie de afstanden won, werd uitgeroepen tot wereldkampioen allround. De Rus Aleksandr Pansjin (die overigens in enkele publicaties Von Panchin werd genoemd) eindigde bij alle kwalificaties als eerste en eindigde ook als eerste bij de finales om de halve en hele mijl. In de finale van de 2 mijl moest hij echter de Amerikaan Joe Donoghue voor laten gaan, waardoor Pansjin zich volgens de regels geen wereldkampioen allround kon noemen. Deze Pansjin was van 1897 tot en met 1900 ook Russisch kampioen kunstschaatsen, een tegenwoordig wat eigenaardige combinatie. De Nederlander Klaas Pander, de latere leermeester van het fenomeen Jaap Eden, werd derde tijdens hert kampioenschap. De toeschouwers waren stomverbaasd over de stijl van de Amerikaan. (meer…)

CIMON EN PERO – 05

Jan Janssens (Gent, 1590 – Gent, omstreeks 1650) was een Vlaams schilder en tekenaar die wordt beschouwd als de belangrijkste van de zogenaamde Gentse caravaggisten. Het caravaggisme is een stroming in de 17de-eeuwse schilder-kunst, naar aanleiding van de revolutionaire stijl van de Italiaanse meester Caravaggio, de meester van het clair obscur. Het gaat hier niet om een groep, school of gestructureerde beweging, maar hoogstens om individuele schilders die door de Italiaanse schilder werden beïnvloed en zijn stijl navolgden. Hiermee zette zij zich af tegen enerzijds de vaste regels van de classicistische retoriek van de academies en anderzijds de illusionistische geestdrift van de barok. In Nederland wordt een groep Utrechtse caravaggisten gezien, in Vlaanderen dus de Gentse caravaggisten. Over Janssens is geen informatie bekend van zijn opleiding, slechts dat hij in de periode 1619-1620 in Rome verbleef. Tijdens zijn verblijf in Italië kwam Janssens in contact met Utrechtse caravaggisten als Dirck van Baburen, Gerard van Honthorst en Hendrick ter Brugghen. Hun werk beïnvloedde hem stilistisch. Hij werd ook beïnvloed door het werk van Bartolommeo Manfredi (Ostiano, ca. 1587 – Rome, ca. 1620/1621), die waarschijnlijk een leerling was van Caravaggio en een grote rol speelde in de verspreiding van het caravaggisme. Janssens bracht de Caravaggiaanse stijl in 1621 met zich mee naar Gent. Hier werd hij direct als meester toegelaten tot het Gentse Sint-Lucasgilde. In de jaren 1634, 1635 en 1646 was Janssens de deken van dat gilde. Op 29 augustus 1623 trouwde hij met Petronilla de Rop, met wie hij 6 kinderen had. Hij kreeg in Gent vooral opdrachten voor altaarstukken. Zijn belangrijkste onderwerpen waren namelijk Bijbelse en in mindere mate mythologische thema’s, die hij op groot formaat schilderde. Zijn favoriete thema’s waren Christus met doornen gekroond en de geseling van Christus. Een van zijn meesterwerken is Het martelaarschap van Sint Barbara (dat in feite gaat over Sint-Agatha) in de Sint-Michielskerk in Gent. Zijn werk voldeed aan de voorschriften van de Contrareformatie en de barok met haar nuchter realisme en dramatische effecten met verborgen licht dat schijnt op de menselijke figuren. Het doel van de schilderijen was een sterke emotionele impact bij de beschouwer teweeg te brengen. In 1623 schilderde Jan Janssens het thema van Cimon en Pero, wat bij hem de titel Caritas Romana meekreeg. Het is een van de eerste keren dat het thema op een manier is uitgewerkt die dicht bij het verhaal past. Bij George Pencz was de voorstelling gesitueerd in de 16e eeuw en deed niets denken aan een ondervoede man in de gevangenis. Dat is bij Janssens wel het geval en deze opzet zou door tijdgenoten navolging krijgen.

DE DRIE GRATIËN – 043

Salvatore Benintende, die werkt onder de artiestennaam TVboy staat bekend om zijn provocerende straatkunst. Hij werd in 1980 in Palermo op Sicilië geboren, maar groeide op in Milaan. Daar begon hij toen hij nog maar net zestien jaar oud was met zijn eerste straatschilderingen. Later ging hij in Milaan naar de Politechnico-school om grafisch ontwerper te worden. Daar nam hij ook de naam TVboy aan. Hij woont inmiddels in Barcelona, waar hij zijn werken ontwerpt en in de straten tot uitvoering brengt. Zijn eerste faam kreeg hij door de geruchtmakende schildering Amor Populi, waarin de twee rechts-radicale politici Salvini en Di Mayo elkaar hartstochtelijk kussen. Die hartstochtelijke kus zou daarna wel een terugkerend thema worden in zijn werk. Een van de fraaiere is de innige omhelzing van de paus en Trump. In een andere kijken Messi en Ronaldo elkaar diep in de ogen. Van Messi maakte hij ook een aantal geweldige straatschilderingen onder meer in in de bekende pose van Che Guevara. Zijn stijl is duidelijk beïnvloed door de Amerikaanse pop-art uit de zestiger jaren (Andy Warhol, Roy Lichtenstein) en de latere werken van Keith Haring. Hij heeft zich echter ook sterk laten inspireren door grootheden uit het verleden, zoals Leonardo, Botticelli, Michelangelo. Zijn werken zijn vaak nogal controversieel, reden voor de overheden om ze weer snel te verwijderen. Dat accepteert Salvatore Benintende als het risico dat je als straatartiest loopt.Zijn werk is echter voldoende gefotografeerd en gefilmd. Dat laatste is onder meer het geval met een van zijn laatste werken, namelijk De Drie Gratiën naar het voorbeeld van Botticelli, maar nu als de zusters die namens drie grote fabrikanten het vaccin tegen covid-19 verspreiden.  (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (10)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (59)
EERDERE AFLEVERINGEN

Vaderangsten en kinderliefde
deel 2

Wij toerden eerst door de voornaamste straten der stad, en lieten de vensters der respectieve bewoners dreunen. Mijnheer Kegge beweerde dat men hard moest rijden, want dat men anders geen ontzag onder de voetgangers krijgen kon. Ik kon dan ook het woord ‘ongepermitteerd’ duidelijk lezen op het gelaat van verscheidene Joden, die de stad met kruiwagens doorkruisten, en van oude vrouwen die van de vismarkt kwamen en op deze of gene hoek niet gauw genoeg uit de weg konden komen. Ook zag ik deftige heren met rottingen onder de arm die, niettegenstaande de straat breed genoeg was, het veiliger achtten hun wandeling te staken, totdat het rijtuig zou zijn voorbijgegaan, en kindermeiden die, twintig huizen vóór ons uit, ‘verschoten’ en de aan haar zorg toevertrouwde lievelingen bij de armen naar zich toe sjorden, om de wereld te tonen hoe goed zij voor hen zorgden. In een koffiehuis kwamen drie of vier heren, met horizontaal opgeheven pijpen in de mond, over het horretje kijken, en alles toonde ontzag voor de fraaie schimmels, het mooie rijtuig, de deftige koetsier, en de zwarte lakei achterop, die met onbeweeglijke plechtigheid zat rond te kijken en iedereen eerbied inboezemde, behalve de boven alle vooroordelen verheven straatjongen, die hem nariep: ‘Mooie jongen, pas op, hoor! dat de zon je niet verbrandt!’
Alle deze bewijzen van opmerkzaamheid en belangstelling in zijn persoon en bezitting schenen ditmaal noch de hovaardij van de heer Kegge te prikkelen, noch zijne vrolijkheid gaande te maken. (meer…)

KOVACS

KOVACS

Sharon Kovacs (Baarlo, 15 april 1990) is een Nederlandse zangeres, die optreedt onder de artiestennaam Kovacs. Ze bracht in augustus 2014 haar eerste single uit, My Love. Sharon Kovacs zong als kind al veel en vanaf haar tienerjaren speelde ze in (school)bandjes en deed ze mee aan talentenjachten en open mic-avonden. Ze studeerde aan het Rock City Institute in Eindhoven. Als invloeden noemt ze zelf zangeressen als Betty Davis, Etta James en Tina Turner. Vanwege haar donkere stem worden ook vergelijkingen gemaakt met Amy Winehouse, Portishead en Shirley Bassey. In 2014 bracht Kovacs haar eerste EP My Love uit, waarvan het gelijknamige nummer de eerste single was. Die kwam binnen in de Nederlandse Tipparade en Kovacs werd meteen uitgeroepen tot 3FM Serious Talent. My Love behaalde de zesde plaats in de Nederlandse iTunes Chart, kwam zelfs op nummer 1 in Griekenland en werd meer dan 19 miljoen keer gestreamd en bekeken op internet. In datzelfde jaar speelde ze op grote festivals als North Sea Jazz en Lowlands. In oktober werd ze uitgeroepen tot ‘Beste Soul & Jazz Talent’ bij de NPO Radio 6 Soul & Jazz Awards. Ze viel aan het begin van haar carrière op vanwege haar bontmuts die ze standaard droeg en die haar de bijnaam Wolflady opleverde. Tijdens de International Documentary Film Festival Amsterdam (IDFA) in november 2014 ging de docufilm Wolflady over Kovacs’ muzikale ontdekkingstocht in première. Nadat haar tweede single Diggin’ werd uitgeroepen tot 3FM Megahit, verscheen in april 2015 Kovacs’ eerste volledige album Shades Of Black, dat op nummer 1 in de Nederlandse albumlijst belandde. Dat jaar deed Kovacs de grote festivals aan, waaronder Paaspop, Pinkpop en Rock Werchter. Daarnaast werd ze beloond met een Edison en een 3FM Award, beide voor ‘Beste Nieuwkomer’. Tijdens het festival Eurosonic Noorderslag in Groningen begin 2016 ontving Kovacs een prestigieuze EBBA (European Border Breakers Award) uitgereikt. In de zomer van 2016 stond ze op grote internationale festivals als het Britse Glastonbury Festival en Sziget in Hongarije. Enkele maanden later volgde een bijzondere samenwerking: Kovacs deed twee optredens met het Metropole Orkest onder leiding van Jules Buckley, in Koninklijk Theater Carré in Amsterdam en Theaters Tilburg. In juni 2017 verscheen Sugar Pill, Kovacs’ eerste nieuwe nummer in twee jaar. Na de lancering van haar debuutalbum begon ze meteen te werken aan haar tweede album, samen met producer Liam Howe, die ook samenwerkt met o.a. Lana Del Rey, Adele, Marina and the Diamonds en FKA twigs. (uit: Wikipedia).
Eerlijk gezegd was Kovacs met totaal ontgaan, totdat ik onlangs een 2 Meter Sessions van  haar op televisie tegenkwam. Een fenomenaal live-optreden met begeleiding op acoustisch gitaar. Hier haar eerste single: My Love. (meer…)

JACQUES PERK – EENE HELLE- EN HEMELVAART 2

In 1879 bezocht Jacques Perk de Belgische Ardennen en bezocht daarbij de grotten van Han-sur-Lesse nabij Rochefort. Das is een stelsel van onderaardse grotten, die zijn ontstaan door de rivier de Lesse, die een deel van de Boineheuvel (van kalksteen) uitgesleten heeft. De rivier verdwijnt over ongeveer 1100 meter (in vogelvlucht) onder de grond, maar ze doet wel 20 uur over deze afstand. Het geheel staat bekend als een van de grootste grottencomplexen van Europa. De grotten van Han vormen voor zover bekend al sinds de 18de eeuw een toeristische attractie. Traptreden en goed begaanbare paden zouden pas later hun intrede doen, dus of de tocht door de grotten beviel was erg afhankelijk van de conditie van de wandelaars. De verlichting in de grot geschiedde aanvankelijk door fakkels, elektrische licht deed in 1897 zijn intrede in de grot. De toeristische wandelroute door de grotten werd meerdere malen gewijzigd. Rond 1860 werd besloten om de route, die aanvankelijk begon met een tocht in een bootje, om te draaien, zodat het boottochtje nu de afsluiting van de tocht vormde. Met kanonschot. In deze schilderachtige natuur, met prachtige rotspartijen, beekjes, bergen en kasteelruïnes, brachten Jacques en zijn familie vijf dagen door. Hij had er de Franstalige schoonheid Mathilde Thomas leren kennen, op wie hij smoorverliefd werd, met een bijna goddelijke verering. Thuis werd het de inspiratie om zich op het dichten te werpen. Hij ging Mathilde in verzen herscheppen, in een reeks van honderd sonnetten, die hij onder de titel Mathilde, een sonnettenkrans wilde doen uitgeven. Een selectie daaruit werd echter nergens geplaatst. Aan de gevestigde literatuur was Perks moderne lyriek met haar krachtige levensgevoel en sterk individualistische inslag (“De Godheid troont…diep in mijn trotsch gemoed.”) nog niet besteed. Een regel die wel eens ten grondslag ligt aan Kloos’ onvolprezen Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten. Kloos zou later zorgen voor de uitgave van de sonnettenreeks. Eerder was een tiental sonnetten onder de naam Eene helle- en hemelvaart al in De Spectator verschenen, waarin Mathilde is vervangen door een andere, even onbereikbare liefde, Joanna. In een eerder blog is het voorwoord van de sonnettenkrans al besproken. (meer…)

JACQUES PERK – EENE HELLE- EN HEMELVAART 1

In 1879 bezocht Jacques Perk de Belgische Ardennen en bezocht daarbij de grotten van Han-sur-Lesse nabij Rochefort, waar hij de Franstalige schoonheid Mathilde Thomas leerde kennen. Hij werd smoorverliefd op haar, met een bijna goddelijke verering. Thuis werd het de inspiratie om zich op het dichten te werpen. Hij ging Mathilde in verzen herscheppen, in een reeks van honderd sonnetten, die hij onder de titel Mathilde, een sonnettenkrans wilde doen uitgeven. Een selectie daaruit werd echter nergens geplaatst. In 1880 begon hij een rechtenstudie in Amsterdam en leerde daar de jonge dichter Willem Kloos kennen. Die was in alles zijn tegenpool, maar er ontstond toch een intieme vriendschap tussen beiden. In oktober 1880 werden eindelijk ook vier van zijn Mathilde-sonnetten gepubliceerd in Spectator van Carel Vosmaer, twee weken later gevolgd door vijf ervan in Nederland van Jan ten Brink. Samen met Kloos ondernam hij in 1880 een reis naar Brussel en La Roche, waar Perk een jaar tevoren vijf zulke bijzondere dagen met Mathilde had doorgebracht. Hij hoefde de echte Mathilde echter niet meer te zien; het beeld van de goddelijke vrouw had in zijn poëzie haar plaats ingenomen. Bij het huwelijk in 1881 van zijn zuster Dora ontmoette Perk de zuster van de bruidegom, Joanna Blancke. Hij begon nu aan haar hartstochtelijke brieven te schrijven en probeerde zijn Mathilde-cyclus te herscheppen met Joanna voor ogen. Maar hij moest die poging opgeven, want Joanna begon een eigen plaats in te nemen in zijn dichterlijk én menselijk gemoed. Joanna bleek echter verloofd. Die verloving maakte ze kort daarna uit, maar voor Perk leek Joanna in haar eenzaamheid weer een onbereikbare liefde. Hij probeerde de kloof te dichten met zijn poëzie, in de hoop haar alsnog voor zich te winnen. Eind 1881 publiceerde hij in de Spectator de cyclus Eene helle- en hemelvaart, waarin hij een aantal sonnetten uit de Mathilde-cyclus opnam, omgewerkt voor Joanna. Kort daarna, in september 1881, werd Perk ziek, na een roeipartij op de Amstel, waarna hij nog lang met natte kleren was doorgelopen. Op het moment van zijn overlijden hadden diverse gezaghebbende literatoren (onder meer Alberdingk Thijm en Vosmaer) hem geroemd. Vosmaer vergeleek hem in de Spectator zelfs met Dante. (meer…)

HITLERS EDELJUDE

De Duits-Oostenrijkse historica Brigitte Hamann, die eerder in 1996 het onvolprezen “Hitlers Wien” schreef over de armoedige jaren van Hitler in Wenen in de jaren 1908-1913 en de verwoestende invloed die deze toenmalige smeltkroes van volkeren op zijn verwarde geest moet hebben gehad, vertelt nu het ongelofelijke verhaal van de Joodse armenarts Eduard Bloch en zijn gezin. Bloch was de voormalige huisarts van de familie Hitler en was zo zorgzaam en behulpzaam geweest bij de ziekte en het overlijden van Hitlers moeder, dat het een onvergetelijke indruk op de latere Führer maakte. Toen ruim dertig jaar later Oostenrijk door de Anschluss deel ging uitmaken van het grote Duitse Rijk stond de eenvoudige huisarts vanaf dag één onder de uitdrukkelijke bescherming van Adolf Hitler. “Das ist eine Edeljude. Wenn alle Juden so wären, gäbe es keinen Antisemitismus”, zou Hitler later over Bloch opmerken.

Eduard Bloch (Frauenberg an der Moldau, 30 januari 1872 – New York, 1 juni 1945) werd geboren in de regio Zuid-Bohemen in een pittoresk plaatsje dat gedomineerd werd door kasteel Hluboká dat aan de rand van het dorp lag. Bij een renaissance rond 1840 was vrijwel de gehele oude burcht gesloopt en werd op dezelfde plek een nieuw kasteel in Tudor-gotische stijl gebouwd. Op de plaats van de afgebroken gebouwen en in de aangrenzende weiden werd een grote Engelse tuin aangelegd. Toenmalig eigenaar van het kasteel was de familie Schwarzenberg, een van de rijkste en machtigste families in Bohemen waar ze talrijke kastelen bezat en heerste over uitgestrekte landerijen en bossen. Ze had dan ook behoorlijk veel invloed binnen het Habsburgse rijk. Joachim Bloch, de grootvader van Eduard Bloch, was ‘Hofjude’ in dienst van de regerende vorsten van het huis Schwarzenberg. Later zou Moritz Bloch, de vader van Eduard Bloch, de functie overnemen. (meer…)

JOHAN WESTERVELD (52)

Johan Hendrik Westerveld (Haarlem, 21 augustus 1880 – Sachsenhausen, 3 mei 1942) was militair tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Westerveld was aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda opgeleid tot beroepsofficier bij het Wapen der Artillerie, waar hij op 1 augustus 1901 werd benoemd tot tweede luitenant. Later vervulde hij onder meer de functie van Commandant School Reserve-Officieren Bereden Artillerie (SROBA). Gedurende zijn diensttijd leerde hij P.M.R. Versteegh kennen, met wie hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet zou samenwerken. In 1920 verliet hij de militaire dienst om een functie te aanvaarden bij de firma Van den Bergh & Jurgens in Rotterdam. Van 1929 tot 1939 was hij namens deze firma bedrijfsleider van de vestiging in het Duitse Goch. Hij maakte dus van nabij de opkomst mee van het nationaalsocialisme in Duitsland. Op 30 oktober 1939 werd hij gemobiliseerd in de rang van van luitenant-kolonel. In de eerste dagen van mei 1940 was hij eerst werkzaam bij de Inspectie der Artillerie; vanaf 12 mei 1940 kwam hij terecht bij het Artillerie Commando Vesting Holland, waarvan het hoofdkwartier in Den Haag was gevestigd. Op 30 mei 1940 werd hij gedemobiliseerd.

Westerveld was in zijn woonplaats Den Haag via de politicus Hendrik Colijn in contact gekomen met andere vooraanstaande politici, waarbij hij vooral een nauwe band kreeg met de socialist Koos Vorrink. In de zomer van 1940 voerde de gedemobiliseerde Westerveld met verschillende personen overleg over de vorming van een militaire organisatie, die zou moeten optreden zodra de Duitsers weer zouden zijn vertrokken. In die situatie moest deze organisatie ervoor zorgen dat er geen chaos ontstond en dus de orde bewaken. De deelnemers aan de gesprekken hadden nog de optimistische verwachting dat de oorlog slechts van korte duur zou zijn en de Duitsers weer zouden vertrekken. Westerveld was een van de oprichters van deze Ordedienst en zou er de grote organisator van worden. Westerveld aanvaardde per 1 september 1940 een hoge functie bij Unilever in Rotterdam, wat hem de perfecte dekmantel gaf om zich met allerlei verzetsactiviteiten bezig te houden. (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (9)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (58)
EERDERE AFLEVERINGEN

Vaderangsten en kinderliefde
deel 1

Wie Hildebrand te logeren vraagt, krijgt, durf ik zeggen, geen al te lastige gast in hem; maar op één ding is hij zeer gesteld. Hij moet niet alleen een afgeschoten hoekje hebben waar hij slaapt, maar ook een afgeschoten hoekje waar hij alleen kan zitten; een plaatsje van ontwijk, al is dat dan ook nog zo klein, waar hij zichzelf kan toebehoren en, ongestoord en onbespied, gedurende een zeker gedeelte van den dag doen wat hij wil; en als het winter is, valt dat bij sommige mensen moeilijk; want dan kan op de ene kamer niet gestookt worden om de valwinden, en op de andere geen vuur aangemaakt omdat het er zo rookt en, schoon hij zich vrij wat koude getroosten kan, ‘in de kou mag hij volstrekt niet gaan zitten’.
Ondertussen is het een schrikkelijk ding tussen het ontbijt en het koffie-uur, te zitten hangen in de huiskamer, eerst in gezelschap van de dames in negligé; daarna in gezelschap van een dienstbode, die u verzoekt uw boek op te lichten om ‘eventjes de tafel te wrijven’, vervolgens met in ’t geheel geen gezelschap, en eindelijk weer in gezelschap van iemand, die een brief gaat zitten schrijven, en dan, af en aan, een flauwe, slaperige en rekkerige conversatie. Neen! de conversable dag begint niet voor één uur. Aan het ontbijt voegt de bijbel en de stilte, en na de ontbijt, eenzaamheid en bezigheid; met de koffie krijgt eerst de gezelligheid haar rechten, en ik heb geen eerbied voor de man, die een anekdote vertelt of een geestigheid zegt vóór dat de klok van énen koud is. (meer…)

MIKE OLDFIELD

MIKE OLDFIELD

Mike Oldfield behoeft geen introductie. Sinds ik zijn Tubular Bells voor het eerst op de radio hoorde, ben ik helemaal aan hem verknocht. Ik moet een van de eersten in Nederland zijn geweest die dat album heeft gekocht en nog steeds, bijna vijftig jaar later, zijn er niet veel weken dat ik Tubular Bells niet een keer heb gedraaid. Dat kan in de oorspronkelijke versie zijn, in de live-versie die hij ooit voor de BBC heeft opgenomen of de orkestrale opname die in de tachtiger jaren verscheen. Of van het Australische duo Aidan Roberts en Daniel Holdsworth, waarvan ik in 2012 in Doetinchem een live-uitvoering van Tubular Bells bijwoonde en natuurlijk ook de cd kocht. Nu acht jaar later treedt het tweetal onder de naam Tubular Bells For Two nog steeds op met live-uitvoeringen van het het beroemde instrumentale album van Mike Oldfield, waarvan inmiddels zo’n twintig miljoen platen zijn verkocht. Mike Oldfield had destijds het album uitgebracht bij Virgin Records, dat speciaal was opgericht om de plaat op de markt te brengen. Richard Branson had namelijk gezorgd voor de opname in zijn opnamestudio The Manor House, maar daarna was geen enkele maatschappij erin geïnteresseerd Tubular Bells uit te brengen. In het contract stond voor Mike de bepaling dat hij de volgende 25 jaar geen nieuwe opnamen van het nummer mocht maken, verkaste Oldfield naar een andere platenmaatschappij. In 1992 verscheen Tubular Bells II, The Performance Live at Edinburgh Castle, een opname van het live-concert voor 8.000 toeschouwers in het kasteel van Edinburgh. Het was het begin van een uitgebreide tour met de nieuwe opnames. Tubular Bells II bevatte allemaal nieuwe nummers, met uitzondering van The Bell, wat het overbekende slot van Tubular Bells I was. Het deel waarin de ceremoniemeester alle gespeelde instrumenten benoemt. Mijn absolute favoriet van deze video (later ook als dvd uitgebracht) is een zweverige nummer, dat ik vaak in de herhaalmodus zet, ofwel een keertje of tien achter elkaar afspeel, op luid volume uiteraard (ik kan hert iedereen aanbevelen!): Weightless. (meer…)

NEDERLANDSE ARBEIDSDIENST

De Nederlandse Arbeidsdienst (NAD) werd op 15 oktober 1940 opgericht, een fusie van de in juli 1940 in het leven geroepen Nederlandse Opbouwdienst en het arbeidsbemiddelingsbureau voor diensten in Duitsland dat de Duitsers van de grond wilden krijgen. De Nederlandse Opbouwdienst was een overgangsorganisatie die de ontmanteling van het Nederlandse leger soepel moest laten verlopen en zorgen dat de werkloosheidscijfers in Nederland niet drastisch op zouden lopen. Parallel daarna wilden de bezetter, als voortzetting van het vooroorlogse beleid van werkverschaffing, werkloze mannen en vrouwen inschakelen voor in eerste instantie het herstel van de oorlogsschade en in tweede instantie voor vrijwillige werkzaamheden in Duitsland. Toen er weinig animo voor deze vrijwillige dienst bleek te zijn, kreeg de Arbeitseinsatz een verplicht karakter. In Duitsland werden tussen 1938 en 1945 zo’n 7,7 miljoen arbeiders van niet-Duitse origine ingeschakeld in de oorlogseconomie; in de Duitse wapenindustrie bleek uiteindelijk de helft van alle arbeidsplaatsen bezet te zijn door Fremdarbeiter. Op 15 oktober 1940 vloeide beide initiatieven dus in elkaar over, waarbij voor de Nederlandse Arbeidsdienst het motto “Ick Dien’ werd gelanceerd en in de propaganda een soort mythologisch figuur werd opgevoerd die Koenraad heette. Deze Koenraad werd neergezet als een ‘echte’ Hollandsche jongen: rechtschapen, welopgevoed, dapper en bereid om te werken. Er verschenen aanplakbiljetten waarop Koenraad met een schop op de schouder figureerde. Zijn goede opvoeding sprak uit afbeeldingen die in dagbladen werden geplaatst. Hij stond keurig zijn plaats in de tram af aan een staande dame en hij gaf een reprimande aan een ondeugende jongen die een hond plaagde. Zo’n brave hendrik wekt bij de gemiddelde Nederlander al snel ergernis op, maar komend uit de koker van de bezetter werd het al snel een voorwerp van spot. Koenraad werd al snel massaal Dollefie Sallefie genoemd. De propaganda werkte dan ook averechts en Koenraad verdween al snel. Dorus (Tom Manders) zou later in zijn sketches een personage opvoeren die Dollefie Sallefie werd genoemd, maar nooit ten tonele zou verschijnen. (meer…)

MARIA DERMOUT – KWAN YIN’S SLANG

Verhaal van de schrijfster Maria Dermoût
Eerder verscheen hier van haar: Het kopje koffie en De slang van Louisa en Dominé Valentijn

De twee vrouwen stonden ieder aan een kant van de hibiscus-haag, die de twee sombere zwaarbeboomde achtertuinen van elkaar gescheiden hield. De haag was glanzend groen in de morgen, en hing vol losse sierlijke roze bloemkelken. Aan de ene kant de blonde jonge vrouw, wat verlept en mager, in een lange witte ochtendjurk, met kousen aan, en hooggehakte schoenen, met keurig gekapte haren, zo ’s morgens in de vroegte al! Aan de andere kant de kleine stokmagere oude halfbloed vrouw – was zij niet een Chinese, met die even scheefgetrokken zwarte kraalogen? – Zij droeg een tot de draad versleten batiksarong en een grove witkatoenen kabaai zonder kant, met veiligheidsspelden gesloten; zij had blote voeten. Haar verkleurde zwarte haren waren strak achterover gekamd, en in een klein knoedeltje gedraaid.
De jonge vrouw zei ademloos: ‘Een slang! betekent dat geen ongeluk? Zegt u het eerlijk! Ik ben bang!’
De oude vrouw zei: ‘Ach wat die slang! Jij bent immers toch altijd bang!’ En zo was het. De jonge vrouw kwam soms zelf in opstand tegen haar eigen angsten voor alles en nog wat, en nu deze nieuwe angst er nog bij! voor slangen!
Zovelen had zij er niet gezien tot nu toe, een paar maal een in de vochtige donkere tuin achter het huis – in een flits – vluchtende naar de rivier, die er vlak langs stroomde. Maar… alsof zij vervolgd werd, begon zij aan slangen te denken, ze te verzinnen, ervan te dromen. En nu was de avond te voren, in het donker – stilletjes – een in het huis gekomen, een volwassen zwart met witgeringde – een vergiftige slang – in de kamer waar het jongste kind lag te slapen, haar liefste kind, dat zo teer was – dat altijd een zorgenkind zou zijn, zei de dokter. De slang werd doodgeslagen, en zij wist niet wat zij erger vond, een levende over een stok, de grond schuifelende slang, of een dode slang, slap neerhangende over bleek dik vocht druppend uit zijn bek, en weg ermee… ‘Niet in de rivier! dan gaat hij weer leven,’ zeiden de bedienden. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 042

Alexander Taratynov (1956) is een Russisch-Nederlandse beeldhouwer en medailleur (ofwel een ontwerper van penningen en munten). Hij studeerde in Moskou in de jaren 1967-1974 aan het Kunstlyceum en aansluitend van 1975-1981 aan de Kunstacademie Soerikov, afdeling beeldhouwen. Deze kunstacademie is vernoemd naar de schilder Vasili Soerikov (1848-1916), die een vooraanstaand lid was van de in 1870 opgerichte kunstenaarsgroepering De Zwervers, die zich ten doel stelde de kunst onder het volk te brengen. In levendige en kleurige doeken beeldde hij bij voorkeur momenten uit het leven van het Russische volk uit. Na afronding van zijn studie besloot Taratynov begin tachtiger jaren naar Nederland te vertrekken, daartoe in de gelegenheid gesteld door een studiebeurs. Hij vestigde zich in Amsterdam, maar vanaf het begin van deze eeuw werkt hij afwisselend in Rusland en Maastricht. In 2015 betrok hij met zijn gezin kasteel Strijthagen, waar hij kunstencentrum ArtLand opende. In de loop der jaren heeft hij een behoorlijke internationale reputatie opgebouwd. In verschillende landen zijn werken van de kunstenaar te bewonderen. De site Nightwatch 3D geeft hiervan een mooi overzicht. Die laatste naam is niet toevallig gekozen, want een van de bekendste werken van Taratynov is De Nachtwacht, een beeldengroep van 22 levensgrote, bronzen figuren uit het beroemde schilderij van Rembrandt op het Rembrandtplein in hartje Amsterdam. De beeldengroep uit 2005 zijn een gezamenlijk project met Michael Dronov, een beeldhouwer met wie hij de opleiding aan de Kunstacademie Soerikov heeft gevolgd. Beelden van Taratynov werden onder meer regelmatig geëxposeerd in de tuin van Museum Geelvinck (Geelvinck Hinlopen Huis) en Nederland bevinden zich werken van hem in de openbare ruimte in verschillende steden. Er zijn van hem ook werken te koop bij Steyls Art, waaronder een bronzen beeld van 48 cm. hoog van De Drie Gratiën.

MIJN LIEF IS VANDAAG JARIG 2

Drie jaar geleden voor het laatst een verjaardagsbericht voor mijn lief geplaatst. Werd weer eens tijd voor wat extra aandacht.
U mag haar gerust via Facebook persoonlijk feliciteren hoor: https://www.facebook.com/dinie.groen

DE FAMILIE KEGGE (8)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (57)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een juffertje en een mijnheer
deel 2

Mijnheer van der Hoogen plaatste zich vervolgens op de hem aangeboden stoel, bracht de duim van zijn rechterhand ter hoogte van zijn rechterschouder, en stak hem door het armsgat van het gebrocheerde vestje, zodat zijne taille fine allerschitterendst uitkwam. Daarop begon hij met een krakende stem tot mevrouw:
‘En hoe maken het Azor en Mimi? Charmante hondjes. Gisteren dineerde ik bij de heer van Nagel; nu, u weet wel dat freule Constance ook een aardig hondje heeft…’
‘Ik weet het heel goed; het is een King Richard,’ zei Henriette, ‘een allerliefst dier.’
‘Niet waar? allerliefst en allercharmantst; maar toch het haalt niet bij Azor en Mimi.’
‘Zou je dat waarlijk denken?’ vroeg mevrouw, met zichtbaar welgevallen.
‘O Mevrouw!’ antwoordde de heer van der Hoogen, geheel opgewondenheid: ‘het scheelt hemel en aarde. Ik kon ook niet nalaten het te zeggen. Freule Constance! zei ik, uw hondje is charmant; maar de hondjes van mevrouw Kegge zijn charmanter.’
Ik had nog zo veel bewijs van leven op het gelaat van mevrouw Kegge niet gezien; met een soort van geestdrift stak zij Azor en Mimi, die bij haar op een tabouret lagen, ieder een klompje suiker toe, en streelde hen dat hun koppen blonken als spiegels. (meer…)

LONDONBEAT

LONDONBEAT

Londonbeat was een popgroep uit Londen, die in Nederland vooral bekend van hun hit I’ve been thinking about you uit 1990, die een paar weken op nummer 1 van de hitparade stond. Het begin van het succes van Londonbeat is in Nederland, want in ons land scoorden ze met There’s A Beat Going On hun eerste top-20 hit. Londonbeat werd gekenmerkt door hun close harmony. Pas hun vijfde single I’ve been thinking about you werd een grote internationale hit. Ook in de Vs zou het nummer op nummer 1 staan en vijf maanden lang in de hitcharts verblijven. Zanger Jimmy Helms (27 september 1941) was van oorsprong een Amerikaanse soulzanger uit Florida. Zijn grootvader was een predikant en een Black Seminole, een zwarte Amerikaan met indiaans bloed. Helms speelde voorheen een rol in de musical Hair en maakte daarna in Groot-Brittannië radiojingles voor verschillende zenders. De leden Jimmy Chambers (Trinidad, 29 januari 1946) en George Chandler waren voorheen achtergrondzangers geweest bij Paul Young, voor diens album The Secret Of Association. George Chandler was eerder de zanger geweest van de funkband Olympic Runners. De groep werd verder aangevuld met de multi-instrumentalist William Henshall. In deze samenstelling zou de groep bestaan tot 1995. Na een mislukte poging om deel te nemen aan het Eurovisiesongfestival 1995 viel de band uit elkaar. In 2003 hergroepeerde Londonbeat en brachten in een gewijzigde samenstelling nog twee albums uit: Back in the hi-life en Gravity. In Nederland heeft de groep in de jaren 1988-1995 toch nog negen hits gehad, wat me wat verbaasde want in mijn herinnering is slechts één nummer blijven hangen, het swingende I’ve been thinking about you. (meer…)

NEDERLANDSE OPBOUWDIENST

De Nederlandse Opbouwdienst (N.O.D.) werd op 15 juli 1940 opgericht door de Nederlandse overheid, die op dat moment al door de Duitse bezetters werd aangestuurd. Het as een overgangsorganisatie die als doel had te zorgen dat de ontmanteling van het Nederlandse leger in de bezettingstijd ordentelijk zou verlopen. Er was in Nederland nog steeds een behoorlijk hoge werkeloosheid en de Duitsers wilden ervoor zogen geen onvrede in de Nederlandse samenleving te laten ontstaan door een verdere stijging van het werkloosheidspercentage doordat er vele ontslagen binnen defensie zouden moeten worden gedaan. Na de Nederlandse capitulatie in mei 1940 was het verslagen Nederlandse leger an 270.000 man in zijn geheel door de Duitsers krijgsgevangen verklaard. Daarvan werden 30.000 man naar Duitsland overgebracht, de overige militairen moesten in de kazerne blijven. Maar al in juni 1940 mocht iedereen weer naar huis, een gebaar van de bezetters om de Nederlanders gunstig te stemmen. Er werden 60.000 werkloze ex-soldaten ondergebracht in de Nederlandse Opbouwdienst, een organisatie die moest helpen bij het herstel van de oorlogsschade in Nederland. Dat beleid was een voortzetting van een eerder werkverschaffingsbeleid in Nederland. De Opbouwdienst was officieel politiek neutraal en zou praktisch werk in het algemeen belang gaan doen. Het was daarom verboden tijdens de diensttijd lid te zijn van een politieke partij of organisatie. In de praktijk diende de organisatie echter ook om de mensen binnen de Opbouwdienst op te leiden in de nationaalsocialistische leer. Verder zou in de leiding ook plaats kunnen zijn voor burgers, die zich vrijwillig aanmelden en die op grond van hun deskundigheid, ontwikkeling en geschiktheid om met mensen om te gaan, hiervoor in aanmerking kwamen. In de propaganda werd dan ook veel gesport in de frisse buitenlucht, met de schop gemarcheerd in het platteland en nuttige karweitjes gedaan.
(meer…)

MIMMO ROTELLA

Domenico “Mimmo” Rotella (Catanzaro, 7 oktober 1918 – Milaan, 8 januari 2006) was een Italiaans beeldend kunstenaar. Hij werd bekend om zijn vroege décollage-techniek waarbij delen van opgeplakte posters losgemaakt en verwijderd worden, waarbij de onderliggende lagen tevoorschijn komen en deel gaan uitmaken van het nieuwe beeld. Décollage heeft verwantschap met demontage en vormt in deze betekenis het omgekeerde van collage. Ook andere kunstenaars van de Franse Nul-beweging (hier Nouveau Réalisme genaamd) zoals Jacques de la Villeglé, Raymond Hains en François Dufrêne en de Duitse kunstenaar Wolf Vostell gebruiken deze techniek. Rotella maakte ook gebruik van psychogeografie, een richting die onderzoekt welke invloed de architectonische en geografische omgeving heft op de waarneming en de psychische beleving. De richting heeft verbanden met stromingen als het letterisme en ultra-lettersme, die op hun beurt teruggrijpen op het dadaïsme en surrealisme. Het kenmerkende van beide eerstgenoemde stromingen is dat veelgebruik wordt gemaakt van letters en symbolen in de kunstwerken.
(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 32

JEF LAMBEAUX – DE MENSELIJKE DRIFTEN

De Belgische beeldhouwer Jef Lambeaux werkte tussen 1886 en 1898 aan een monumentaal werk dat hij De Calvarieberg des Menschdoms wilde noemen, maar bekend zou worden onder de naam De menselijke driften. Het ontwerp was een houtskooltekening op doek op ware grootte, dat eerst werd voorgesteld op het driejaarlijkse Salon van Gent. Het ontwerp veroorzaakte beroering, maar koning Leopold II plaatste in 1889 toch de bestelling bij de kunstenaar. Bedoeling was om het klaar te krijgen voor de Wereldtentoonstelling van 1897. Leopold II belastte zijn hofarchitect Alphonse Balat met het ontwerp, maar deze stelde voor om het over te laten aan zijn stagiair Victor Horta. Voor de uitvoering van het reliëf van acht bij twaalf meter in marmer uit Carrara betaalde hij 136.000 frank. Het is een allegorische voorstelling van alle menselijke gevoelens, emoties en toestanden zoals blijdschap, geluk, verliefdheid, jeugd, ouderdom, moederschap, zonden, kwellingen en andere zielstoestanden van de menselijkheid. Centraal staat de triomftocht van ‘Pietje de dood’ in plaats van een goddelijke macht. De theatrale, neobarokke figuren refereren aan Rubens, Michelangelo en de Hellenistische beeldhouwkunst. In het werk staat niet de goddelijke macht centraal maar de triomftocht van wat in Vlaanderen ‘Pietje is dood’ heet en in Nederland bekend staat als Magere Hein. (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (7)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (56)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een juffertje en een mijnheer
deel 1

Terwijl wij nog zaten te schemeren ging de deur open, en door twee of drie van de kinderen werd een vrouwelijke gestalte meer binnen gegooid dan ingeleid, onder het gejuich van ‘Saartje met een mof! Saartje met een mof!’
Een diepe zucht rees op uit de schone boezem van Henriette. De gestalte, uit het licht in de donker komende, kon waarschijnlijk geen hand voor ogen zien, en bleef in de deur staan; de kinderen trokken weder af, en wij hoorden hen in den gang voortjuichen: ‘Saartje met een mof! Saartje met een mof!’
‘Kind!’ zei Henriette tot de binnengekomene: ‘wat kom je ontzaglijk vroeg; mama slaapt nog.’
‘Wat zeg je, Harriot?’ riep mevrouw met een schorre stem, wakker wordende: ‘wat wil je kind? is er iets? Heb je nog geen licht op?’
‘Nicht Saartje is daar al,’ was het antwoord. ‘De kinderen zeggen;’ voegde zij er lachend bij; ‘de kinderen zeggen, met een mof!’
De gestalte kwam, op het geluid af, naderbij, en vroeg met een hele lieve stem naar de gezondheid van nicht Kegge en nicht Henriette.
‘Och!’ zei de laatste, ‘je bent er toch niet ver af; schel reis om het licht, wil je?’ (meer…)

ASAF AVIDAN

ASAF AVIDAN

Asaf Avidan (Jeruzalem, 23 maart 1980) is een Israëlische singer-songwriter en muzikant. Hij is tevens frontman van de folkrock-band Asaf Avidan & The Mojos. Zijn stem wordt vaak vergeleken met die van Janis Joplin en Robert Plant. Zijn ouders waren diplomaten voor het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken. Zijn kinderjaren bracht hij door op Jamaica. Na zijn dienstplicht in Israël studeerde hij aan de Bezalel Academy of Art and Design in Israël. Na zijn studie verhuisde hij naar Tel Aviv en werkte daar als animator. Nadat zijn relatie met zijn vriendin was verbroken nam hij ontslag en keerde weer terug naar Jeruzalem en richtte zich op zijn hobby, muziek. In 2006 richtte hij de band Asaf Avidan & The Mojos op. The Mojos bestaan uit bassist Ran Nir, drummer Yoni Sheleg, gitarist Roi Peled en cellospeler Hadas Kleinman. De band bracht drie albums uit. In 2012 werd hij ook in Nederland en Vlaanderen bekend nadat de Duitse house- en techno-dj Wankelmut (Jacob Dilßner) een remix-versie maakte van het nummer The reckoning. De remix One day / Reckoning song genaamd, werd een nummer 1-hit in de Nederlandse Single Top 100, de Nederlandse Top 40 en in de Vlaamse Ultratop 50. Ook in Duitsland en Wallonië werd de single een nummer 1-hit. Deze mix is hier te beluisteren en is al fantastisch, maar nu van Asaf Avidan een gevoelige live-versie (Tel Aviv, 24 februari 2018) van Reckoning Song (One Day). (meer…)

CLAUDE MONET IN DE BOLLENSTREEK

Claude Monet (Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926), de Frans impressionistisch kunstschilder, bezocht Nederland drie keer in de jaren 1870-1880. In 1871 verbleef hij vier maanden in Zaandam, begin 1874 bezocht hij Amsterdam en in 1886 werkte hij in de bollenstreek. Tijdens deze verblijven zou hij 42 schilderijen maken met typisch Hollandse onderwerpen als riviergezichten met molens en bootjes, stadsgezichten van Amsterdam en tulpenvelden. Over de bezoeken aan Zaandam en Amsterdam is in twaalf blogs al bericht. In dit afsluitende blog wordt bericht over Monets laatste bezoek aan Nederland in mei 1886, op uitnodiging van de Franse ambassade. Hij was toen al duidelijk meer bekend dan begin jaren 1870, zodat er in de media bericht werd over het bezoek van de Franse schilder. Ongeveer een maand lang verbleef hij in Den Haag, maar dat verblijf heeft hem blijkbaar niet kunnen inspireren tot het maken van schilderijen. In plaats daarvan trok hij met zijn schildersspullen een maand lang door de bollenstreek om er de tulpenvelden in de buurt van Rijnsburg en Sassenheim te schilderen. In tijdschrift De Portefeuille stond daarover te lezen dat ‘… de bonte schakering dier bloemen, even schitterend als Perzische kleedjes, ongetwijfeld veel aantrekkelijks moeten hebben voor dien schilder’. In tegenstelling tot zijn eerdere bezoeken had hij deze keer goed weer, maar niet veel tijd. De vijf schilderijen die hij er schilderde (twee in de omgeving van Sassenheim en drie in de buurt van Rijnsburg, met de molens) heeft hij vrijwel allemaal nog in Frankrijk af moeten maken. Een aantal werken lijken ook enigszins haastig gemaakt, leunen op een globaal uitgewerkte onderschildering Ze horen zeker niet tot zijn sterkste werken, maar kennen vanwege de kleurenpracht een bijzondere levendigheid. (meer…)

JEF LAMBEAUX

Jef Lambeaux (Antwerpen, 14 januari 1852 – Brussel, 5 juni 1908) was een Belgisch beeldhouwer met een Waalse vader en een Vlaamse moeder. Door die dubbele beïnvloeding voelde hij zich een echte Belg. Hij is ook de broer van de kunstschilder Jules Lambeaux. Hij studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen als leerling van Nicaise De Keyser en Joseph Geefs, maar ze zouden weinig of geen invloed hebben op zijn later werk. Hij sloot zich aan bij een groep jonge kunstenaars, die een beetje berucht was vanwege hun excentriek gedrag. Zo maakte het groepje graag wandelingen in Antwerpen gekleed in historische kostuums. Zijn eerste werk Oorlog werd in 1871 tentoongesteld en werd gevolgd door een lange reeks humoristische, pittoreske groepen. Daarna vertrok hij naar Parijs, waar hij een ellendig leven had. Hier maakte hij echter wel in 1881 De Bedelaar en De Kus, dat wordt beschouwd als zijn meesterwerk. Bij een bezoek aan Italië werd hij geïmponeerd door de beeldhouwwerken van Giambologna (1529-1608), een beeldhouwer van Belgische oorsprong die in Bologna werkzaam was. Onder diens invloed ging Lambeaux steeds meer werken produceren met effecten van kracht en beweging in de menselijke figuur. In 1887 zou hij de Brabofontein (1887) maken voor de Grote Markt in Antwerpen (zie onderaan het artikel), dat onder invloed van de bewegingseffecten van Giambologna is gemaakt. Het beeldt Silvius Brabo uit, de legendarische stichter van Antwerpen, en is inmiddels het officiële symbool van de stad Antwerpen. Op het voetstuk zijn zeemeerminnen, zeerobben en andere zeedieren te zien, uitgebeeld met een soepelheid die reeds art nouveau anticipeert. In 1883 werd hij een der stichtende leden van de kunstenaarskring Les Vingt, maar al een jaar later vertrok hij uit deze groep wegens zijn onvrede met de te avant-gardistische ideeën van de groep. (meer…)

EMMANUEL GONNET – 015

ODALISKEN – 030

Francesco Ballesio (Turijn, 1860 – Tivoli, 1923) was een Italiaanse schilder die zeer gespecialiseerd was in schilderijen met oriëntalistische voorstellingen, waaronder behoorlijk wat odalisken. Zelf was hij nooit in het Midden-Oosten geweest, zodat hij zich bij zijn schilderijen geheel baseerde op fotowerk van de Oriënt. Hij studeerde in zijn geboorteplaats aan de Accademia Albertina di Belle Arti, een hoge onderwijs opleiding die vooral in het leven was geroepen voor schilders, beeldhouwers en architecten. Later trok Bellasio naar Rome om zijn studie af te maken.hij zou zich definitief in deze stad vestigen. Hij kreeg in zijn tijd een behoorlijke internationale reputatie, vooral nadat hij als jongeman in 1883 in Rome mocht meedoen aan een grote internationale tentoonstelling. Zijn werken vonden met name gretig aftrek bij Engelse en Amerikaanse privé-verzamelaars. Naast zijn oriëntalistische schilderijen maakte hij ook romantische voorstellingen van het plattelandsleven, waarbij hij zich vooral liet inspireren door het werk va de Romeinse kunstenaar Bartolommeo Pinelli. Vandaag is Ballesio zo goed als vergeten voor het grote publiek, wellicht omdat zijn werk momenteel te clichématig overkomt. Er is geen portret van hem te vinden, slechts een eindeloze reeks erg op elkaar lijkende afbeeldingen van op sofa’s liggende of dansende haremvrouwen, bijna steeds zeer kuis afgebeeld. (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (6)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (55)
EERDERE AFLEVERINGEN

Kennismaking met mensen en dieren
deel 4

Ik beschrijf u het diné niet, met al zijn opscherpende tomaat- en andere sausen, cayenne, soya, kruiderazijn, atjarbamboe, engelse pickles en wat dies meer zij; noch zal het wagen u een denkbeeld te geven van den portwijn van de heer Kegge, die hij door een extra-extra gelegenheid had, maar die dan ook zó was, dat de heer Kegge verklaarde een zeeuwse rijksdaalder te willen zijn als men hem ooit, als men hem ergens anders dan misschien bij de koning van Engeland, zó drinken zou. Mevrouw at veel, en Henriette weinig; maar men moet bedenken dat de laatste oneindig meer sprak; ook regelde zij de tafel, en droeg zorg, dat men de gerechten in behoorlijke orde nuttigde, niettegenstaande haar papa zich daar wel eens tegen bezondigde, en dan met een ‘allemaal gekheid’ de fout verschoonde. De hazewindjes van mevrouw waren allerbescheidenlijkst stil, omdat zij ontzag hadden voor de langen-hond der oude dame; maar de kinderen, die ‘vrij werden opgevoed’, maakten een vreselijke drukte.
Na den eten bood de zwarte knecht koffie aan, en moest ik een schotse likeur proeven, die als vuur in de keel was. (meer…)

ANDERSON AND VANGELIS

ANDERSON AND VANGELIS

Het gelegenheidsduo Jon Anderson and Vangelis nam in 1981 het album The Friends of Mr. Cairo op, hun tweede samenwerking nadat tot hun verbazing hun eerste gezamenlijke album Short Stories goed werd verkocht. In Nederland kwam het zelfs op nummer 1 in de albumlijst. Het album verscheen al vroeg nadat de compact disc zijn intrede had gedaan op dat medium. Het album werd opgenomen in Parijs, Davout Studio en Londen, Nemo Studio van Vangelis zelf. Op de eerste versie ontbrak I’ll Find My Way Home, dat een onverwachts succes werd en vanaf de tweede versie in 1983 werd toegevoegd met op de hoes daarvan een speciale vermelding.  Het album bevatte ook nog een andere single,die voor hen geen grote hit werd maar later wel voor de soulzangeres Donna Summer en weer later voor de punk- en new wave-zangeres Chrissie Hynde. Jon Anderson (Accrington, 25 oktober 1944) was de voormalige hoofdzanger van de progressieve rockband Yes. Deze legendarische band ontstond in de zomer van 1968 en bestond naast zanger Jon Anderson uit bassist Chris Squire, gitarist Peter Banks, drummer Bill Bruford en keyboardspeler Tony Kaye. Hun debuutalbum kwam in 1969. 1980 nam Anderson afscheid van de band, na voltooiing van het album Tormato, maar van 1983 tot 1988 nam Anderson opnieuw deel uit van Yes. Daarna kwam het gezelschap incidenteel bij elkaar, in 2004 voor de laatste keer. Vangelis (Volos, 29 maart 1943) is een Grieks componist, muzikant en multi-instrumentalist, die bekend verwierf als lid van de Griekse band Aphrodite’s Child, met onder meer Demis Roussos. Vangelis gebruikte vooral de synthesizer, piano, keyboards en andere elektronische instrumenten. Hij is vooral bekend van de filmmuziek Chariots of Fire uit 1981 (waarvoor hij een Oscar won), voor de muziek van de film Blade Runner en de nummer 1-hit Conquest of Paradise uit de film 1492: Conquest of Paradise. Hij wordt vaak de Godfather van new age-muziek genoemd, maar ziet new age zelf als een stijl die de deur opengezet heeft voor ongetalenteerde musici om erg saaie muziek te maken. De titelsong The Friends of Mr. Cairo is een ode aan de oude Hollywoodfilms van de jaren dertig en veertig op het gebied van de misdaad. Er zijn schoten te horen uit geweren en ook filmfragmenten. Het eerbetoon is gericht op The Maltese Falcon met Humphrey Bogart en Peter Lorre met stemgeluiden en vluchtauto’s en een uitermate boeiende tekst. (meer…)

CIMON EN PERO – 04

Jean Pénicaud II (1515-1588) was een van de leden van de beroemde Franse familie Pénicaud, emailleerders uit Limoges. De kunstenaarsfamilie begon met Nardon Pénicaud (circa 1470–1542) en zijn neef Pierre Pénicaud en werd daarna voortgezet door de broers Léonard Pénicaud (circa 1510-1540), Jean Pénicaud I en Jean Pénicaud II. Daarna werd de familietraditie voortgezet door Jean Pénicaud III (erg vindingrijk in de naamgeving was de familie niet). De stad Limoges, gelegen in het zuidwesten van Frankrijk, was al vanaf de 12e eeuw een belangrijk centrum van de emailleer-industrie, die zich aanvankelijk geheel richtte op religieuze voorwerpen. Vanaf het eind van de 15e eeuw rukt echter de seculiere kunst binnen de industrie op. Tijdens de Renaissance werd Limoges een belangrijk centrum voor die seculiere kunst, met talrijke familie-ateliers die niet zelden hun producten van een keurmerk voorzagen. De familie Pénicaud was slechts een van de vele families die tijdens dat tijdvak actief was, maar wel een van de meest vooraanstaande. Van alleen Jean Pénicaud II heeft het British Museum al 25 voorwerpen in haar collectie, variërend van religieuze afbeeldingen tot voorstellingen die verwijzen naar Griekse of Romeinse verhalen. Na ongeveer 1630 zou de emailleer-industrie in Limoges een langdurige crisis doormaken omdat het de concurrentie met de opkomende porselein-industrie niet aankon. Pas vanaf het midden van de 19e eeuw was er vanwege de Art Nouveau en andere moderne kunstrichtingen weer een bescheiden revival. Ook Jean Pénicaud II maakte een afbeelding van het Romeinse verhaal van Cimon en Pero, waarvan min of meer in dezelfde tijd in Neurenberg een schilderij werd gemaakt door Georg Pencz en gravures door de broers Hans Sebald Beham en Barthel Beham. In vergelijking met het zeer verfijnde en gestileerde werk van Pénicaud valt op dat het werk dat de Duitse graveurs ineens uitermate grof overkomt. Het kunstwerk van Jean Pénicaud II (1545, geschilderd emaille op koper, 35 bij 30,5 cm.) bevindt zich momenteel in het Walters Art Museum in Baltimore, nadat in 1931 door Henry Walters (26 september 1848 – 30 november 1931) bij testament zijn omvangrijke kunstcollectie werd ondergebracht in een naar hem vernoemd museum. Henry Walters, een zakenman die net als zijn vader een fortuin vergaarde door het aanleggen van spoorwegen waarvan de Atlantic Coast Line Railway (de verbinding tussen Washington en Miami, met talrijke aftakkingen) de belangrijkste was, had het werk in 1906 in Parijs gekocht van Seligmann Brothers, die het een jaartje eerder had verworven uit de Michel Boy Collection. Hoe die het had verkregen en waar het werk vanaf 1545 in bezit was, is onbekend.

ALBERT HEMELMAN

Albert Hemelman (Neede, 7 januari 1883 – Amsterdam, 25 januari 1951) was een Nederlandse graficus, kunstschilder, tekenaar, etser, boekbandontwerper, en lithograaf. Hij was een van de drie zoons van Antoine Hemelman en Berendina Willink. Zijn vader was smid en de bedoeling was dat hij en zijn twee oudere broers ook smid zouden worden. Hij kwam in eerste instantie als leerling-huisschilder in dienst van de firma Sprokkereef in zijn geboorteplaats. In plaats echter dat hij de huizen van een verflaag voorzag, zat hij in de dakgoot en tekende en schilderde het dorp met zijn vele mooie hoekjes. Het was duidelijk: Albert wilde echter kunstschilder worden en koos voor een artistieke opleiding. Zijn opleiding genoot hij in 1905 aan de Rijksnormaalschool voor Kunstnijverheid en van 1908 tot 1909 aan de Rijksakademie van beeldende kunsten beide in Amsterdam. Hij was een leerling van Pieter Dupont, George Sturm en Nicolaas van der Waay. Hij werkte in Amsterdam van 1902 tot 1951 en heeft ook gewerkt in Noorwegen, IJsland en Spitsbergen. Zijn onderwerpen betroffen havengezichten, industriële landschappen, landschappen, stadsgezichten en stillevens. Hij ontwierp ook affiches en kalenders. Albert Hemelman schilderde grote oceaanstomers en deze werken trokken de aandacht van Nederlandse kunstkopers en zij bezorgden hem verschillende opdrachten. Tot zijn belangrijkste klanten behoorden de Koninklijke Hollandsche Lloyd en de Amro-Bank in Amsterdam. Een opdracht om leden van het koninklijkhuis te schilderen heeft hij helaas niet kunnen voltooien. Hemelman bleef Neede altijd trouw en keerde geregeld naar zijn geboorteplaats terug om te schilderen. Hij maakte daarbij veel etsen van Neede.Hij was lid van de Vereeniging Sint Lucas en Arti et Amicitiae beide in Amsterdam. Hij overleed op 25 januari 1951 en werd begraven op de begraafplaats Zorgvlied in Amsterdam. (meer…)

WALTER WINANS

Walter W. Winans (5 april 1852 – 12 augustus 1920) is een apart heerschap geweest. Iemand met vele talenten en een onwaarschijnlijk divers leven. Hij was de zoon van het Amerikaanse echtpaar William Louis Winans en Maria Ann de la Rue, die op het moment van zijn geboorte in het Russische Sint Petersburg woonde. In 1836 was in het keizerrijk begonnen met de aanleg van spoorwegen met een bescheiden lijntje van 27 kilometer. Na een studiereis van twee ingenieus naar de Verenigde Staten drong pas goed door welke enorme economische en culturele voordelen de aanleg van een groots spoorwegennetwerk zou hebben. Binnen de geplande industriële revolutie voor Rusland, dat op dit punt ver achter liep op de rest van de westerse wereld, zouden de spoorwegen een belangrijke rol moeten gaan spelen. In 1842 werden plannen ontwikkeld voor een spoorlijn van Sint Petersburg naar Moskou. In acht jaar tijd werd het plan gerealiseerd, goedkoper dan elders in Europa omdat men gebruik kon maken van een grote hoeveelheid slavenarbeiders en sneller dan gedacht omdat men de expertise van Amerikaanse ingenieurs had ingehuurd. In de periode 1851-1852 werden de twee indrukwekkende begin- en eindstations van de spoorlijn gerealiseerd: het Nikolaevsky (Moskovsky) Railway Station in Sint Petersburg en het Nikolaevsky (Leningradsky) Railway Station in Moskou. Pa Winans werkte in de Sint Peterburgse deel van het traject. Tot zijn achttiende jaar woonde Walter in Rusland; daarna vertrok hij naar Kent in Groot-Brittannië om een opleiding te gaan volgen. Alvorens te vertrekken legde hij op de Amerikaanse ambassade de eed van trouw (oath of allegiance) af om zijn Amerikaans staatsburgerschap veilig te stellen. Het zou daarna overigens nog veertig jaar duren voor hij voor het eerst voet op Amerikaanse bodem zou zetten, want hij zou zijn gehele leven veder in Groot-Brittannië blijven wonen en werken. Dar waren uiteenlopende werkzaamheden, want Walter Winans wordt genoemd als scherpschutter, paardenfokker, beeldhouwer, schilder en schrijver. (meer…)

JOSEPH WITLOX

60e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Joseph Witlox (1867 – 1941) was een Nederlands geestelijke van de rooms-katholieke kerk en schrijver. Witlox vertaalde een aantal boeken uit het Engels, Frans en Deens, meest van katholieke signatuur. In 1921 richtte hij samen met Th. Goossens en Henricus Huijbers het Historisch Tijdschrift op, dat bol stond van nieuws over de katholieke kerk, het missiewerk en stichtelijke verhalen. Voor het tijdschrift was J.C.J. Kleijntjens een veelvuldig schrijver. In het redactioneel commentaar bij het eerste nummer laten de drie oprichters weten: ‘Hoe een volk meeleeft met zijn geschiedenis, wisten wij het nog niet, de wereldoorlog zou het ons afdoende bewezen hebben. Zoals elk christendom zich beroept op de Schrift, heilig geroemd om haar verheven gezag, zoo grijpt elke nationaliteit naar haar eigen geschiedboek, daarin zoekend het vertrouwen in haar zelfstandig bestaan. De historicus is de priester der vaderlandsliefde’. Dat laatste is natuurlijk een fantastische omschrijving, maar zelfs in 1921 zullen er nog maar weinig historici zijn geweest die deze taakomschrijving voor de geschiedkunde zouden delen. Zoals er wel meer aspecten van Witlox’ levensvisie als achterhaald konden worden beschouwd. Zo schreef Witlox veel over de toenmalige kolonie Suriname, maar het was voor een beetje ingewijde direct duidelijk dat hij daar nooit was geweest. Witlox publiceerde in 1890 bij uitgever Mosmans in ‘s-Hertogenbosch Vóór honderd jaren in Suriname: tafereelen uit het plantersleven, een bundel die in 1894 bij uitgever F.H.J. Bekker te Amsterdam herdrukt werd zonder dat vermeld werd dat het om een herdruk ging. Het boek bevat een novelle die zich afspeelt in Suriname en zes verhalen die met de kolonie niets van doen hebben. (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (5)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (54)
EERDERE AFLEVERINGEN

Kennismaking met mensen en dieren
deel 3

Juffrouw Henriette Kegge stond op, om met zeer veel ijver op de piano een boek te zoeken.
De knecht had intussen bevel gekregen de aangebodene verkwikkingen te brengen, en zette te dien einde een onmetelijk grote vierkante sandelhouten kist op tafel, met het woord L i q u e u r s in sierlijke trekletters bemaald. Ik houd niet van die coffres-forts der gastvrijheid, die door slot en grendel schijnen aan te tonen hoeveel prijs men zelf op hun inhoud stelt. Naar de woorden van den heer Kegge evenwel te oordelen, geloof ik dat ik hem wezenlijk zou hebben verplicht, indien ik had kunnen besluiten al de zes karaffen, die er, met haar bijbehorend gezelschap van glazen, in eens werden uitgelicht, na elkander leeg te drinken. Met een glas madera heette hij mij welkom.
‘Hoor reis, onsterfelijke!’ ging de heer Kegge voort, ‘dit is nu mijn huis, dit mijn vrouw, dit mijn oudste dochter, en straks zul je al de kinderen zien; niet waar Hanna? Dan ken je hier de taal en de spraak zo wat. Je moet maar denken: wij in de West zijn familiaar. In Europa is men vrij wat stijver. Je hebt hier adellijke heren en grote hanzen; daar behoor ik niet toe; waarachtig niet; ik ben niet van adel; ik ben geen grote hans; ik ben een parvenu, zo je wilt.’
Henriette verliet de kamer. (meer…)

RUM

RUM

Rum (1969-1983) was een Belgische Nederlandstalige folkgroep, die invloeden uit de Engelse/Ierse folk en Vlaamse traditionele muziek combineerde. Hun bekendste liedje is Ik hou van alle vrouwen (1974). Rum werd als trio in 1969 opgericht door Dirk Lambrechts, Paul Rans en Wiet Van de Leest. Dirk Lambrechts vertrok al in 1972, voordat de groep echt zou doorbreken. Hij werd vervangen door Dirk Van Esbroeck, die als zanger met zijn karakteristieke stem tot de opheffing van de groep in 1983 de gezichtsbepalende figuur zou worden. Dirk Van Esbroeck (Gent, 1 juni 1946 – Berchem, 23 mei 2007) was weliswaar in Gent geboren geboren, maar vanwege de emigratie van zijn ouders opgegroeid in Argentinië te emigreren. In 1964 keerde de dan achttienjarige Van Esbroeck terug naar België in 1964 op 18-jarige leeftijd. In 1970 studeerde hij af aan het RITCS, afdeling film, en werkt daarna bij het productiehuis van cineast Roland Verhavert. Tegelijkertijd speelde hij al folkmuziek om zich in 1972 bij Rum aan te sluiten. De groep werd één van de grote namen binnen de Europese folkrevival van de jaren zeventig. In deze periode experimenteert hij soms nog met andere instrumenten, bv. de hobo, maar de gitaar is zijn belangrijkste instrument. Vanaf 1979 ging hij samen met gitarist Juan Masondo Zuid-Amerikaanse muziek spelen; het duo zou later met de komst van bandoneonspeler Alfredo Marcucci een trio worden, om later tot het sextet Tango al Sur uit te groeien. Daarnaast nam Van Esbroeck deel aan een groot aantal andere artistieke projecten. Hij zou op woensdag 23 mei 2007 aan darmkanker overlijden. Het hoogtepunt van Rum vond plaats in de jaren 1972-1978. In dat laatste jaar vertrok Paul Rans om een solocarrière te beginnen en weer een jaar later vertrok met Wiet Van de Leest ook het laatste oorspronkelijk lid van de groep. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 040

Frans van den Muijsenberg / 25 november 2017 / Stevenskerk Nijmegen, kunstwerk Rob Platel

CORNELIA VAN DEN BERG – VAN DER VLIS (51)

Cornelia (Cor) van den Berg – van der Vlis (‘s-Gravenhage, 28 oktober 1892 – Vries, 8 september 1944) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog, die actief was in Friesland en werkte onder de verzetsnaam ‘Annie Westland'(waarschijnlijk een verwijzing naar het feit dat ze oorspronkelijk uit Den Haag kwam, dus uit ‘het westen. Ze was getrouwd met kapitein in de infanterie Christiaan Frederik van den Berg (Arnhem, 27 juli 1901 – Leusderheide, 29 juli 1943), die in Den Haag actief lid van de Ordedienst was. Hij was daar inlichtingenofficier en leider van een sabotagegroep. Eind december 1941 kwam hij in contact met de geheim agenten Thijs Taconis en Huub Lauwers. Thijs Taconis (Rotterdam, 28 maart 1914 – Mauthausen, 6 september 1944) was in mei 1940 vanuit zijn woonplaats Scheveningen in een logger van Scheveningen naar Engeland gevaren om zich aan te sluiten bij het verzet. Huub Lauwers (Amsterdam, 19 juli 1915 – Utrecht, 13 juni 2004) had zich eveneens naar Engeland begeven om zijn diensten aan te bieden aan de Nederlandse regering. Beiden werden door de Special Operations Executive (SOE) te Beaulieu opgeleid als geheim agent. Op 7 november 1941 werden ze vanuit Engeland bij Ommen geparachuteerd, met als opdracht een radioverbinding met het hoofdkwartier in Londen te onderhouden. Op 3 januari 1942 werd het eerste codebericht naar Londen verzonden, maar al op 9 maart 1942 valt het duo in Duitse handen. Thijs Taconis zou op 6 september 1944 in Mauthausen worden gefusilleerd, samen met 23 andere Nederlandse geheim agenten. In de periode 6 -8 september 1944 zouden in het Duitse concentratiekamp in totaal 54 geheim agenten worden neergeschoten. Huub Lauwers ging in op het aanbod van de Duitsers met hen samen te werken, maar trachtte vele malen via de vooraf afgesproken security-checks tevergeefs Londen erover te informeren dat hij en Taconis gearresteerd zijn. Het was het begin van het Englandspiel dat 59 Nederlandse geheime agenten het leven zou kosten en waarvan de Beweegredenen vanuit Londen nog steeds in nevelen zijn gehuld. (meer…)

JUDITH EN HOLOFERNES – HEER HALEWIJN – HALLOWEEN 4

Naast een groot aantal voornamelijk Italiaanse schilders, waarvan Caraveggio het meest indrukwekkende schilderij maakte, waren er ook enkele Nederlandse en Vlaamse schilders die zich stortte op het Bijbelse verhaal van Judith en Holofernes. Ook Rembrandt hield zich met het thema bezig. ‘Artemisia’ is de traditionele titel van een schilderij uit 1634 dat momenteel zich in het Museo del Prado in Madrid bevindt. Het gaat om een schilderij met een bijbels scene; de correcte titel dient ‘Judith aan het buffet van Holofernes’ te zijn. Het schilderij toont een jonge vrouw in mooie kleren en sieraden met een bediende die een drankje aanbied. Er wordt aan genomen dat hij zijn vrouw Saskia van Uylenburgh, met wie hij in 1634 trouwde, model was. De vrouw poseert in een grote jurk en laat haar rechterhand op haar buik rusten, het is een detail waarvan sommige deskundige zeggen dat Saskia in die periode zwanger zou zijn. Er is lang over gediscuteerd welk mythologische of historische figuur hier vertegenwoordigd wordt. Eerder werd aangenomen dat het in dit schilderij om Koningin Artimesia van Caria ging, die uit liefde voor haar overleden man Mausolus zich voorbereid om zijn as uit de beker te drinken. Er werd ook gedacht dat hier ging om de Carthaagse prinses Sofonisba, dochter van Hasdrubal Gisco, die, om te voorkomen dat zij als gevangenen in een triomftocht van de Romeinen geparadeerd zou worden, het gif dronk dat Masinisa haar had gestuurd. Vandaar dat er twee verschillende titels mogelijk waren voor dit werk: Artemisia ontvangt de beker met as van Mausolus en Sofonisba ontvangt de gifbeker. (meer…)

LAURENS RIJNHART BEIJNEN (50)

Laurens Rijnhart Beijnen (Brummen, 23 september 1896 – Brummen, 13 april 1945) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was lid van de patriciërsfamilies Beijnen, die van oorsprong afkomstig was uit het Brabantse Waalre. De stamreeks gaat terug tot 1650 naar de schoolmeester Christiaan Beijnen. Een van zijn nazaten verkreeg in 1829 bij Koninklijk Besluit het recht de familienaam te wijzigen in Koolemans Beijnen; een andere nazaat, toevallig (?) met de naam Laurens Rijnhart Beijnen (1811-1897) wijzigde na zijn huwelijk met Catharina van Duijfhuijs (1814-1888) de naam in Van Duijfhuijs Beijnen. Laurens Beijnen had in Delft mijnbouw gestudeerd en werkte daarna ongeveer een jaar in Nederlands-Indië in Weltevreden, een door Europeanen bewoonde voorstad van Batavia, ongeveer tien kilometer van het stadscentrum verwijderd. In de loop van de achttiende eeuw verrezen hier statige herenhuizen waarmee de koloniale Nederlandse machthebbers de ongezonde levensomstandigheden in de hoofdstad konden ontvluchten. Weer terug in Nederland in 1934 stichtte hij in het Gelderse Eerbeek de zeefplatenfabriek Veco, een nog steeds florerend bedrijf.

Toen de oorlog uitbrak weigerde hij voor de Duitsers te gaan werken en wilde geen opdrachten laten uitvoeren in zijn fabriek, hoewel de commissarissen van de onderneming daar bij de eigenaar-directeur op aandrongen. Door plaatsgenoot mr. L.A.S.J. baron van der Feltz, die zijn standvastige opstelling wel kon waarderen, raakte hij betrokken bij het werk van de illegaliteit. Hij werd lid van de Ordedienst (OD); in de lente van 1944 werd Beijnen door de Gewestelijk Commandanten van de OD in Gewest 5 (Achterhoek), de reserve-luitenant W.A. van der Wall Bake en chef-staf jonkheer P.J. Six, gevraagd hoofd te worden van Sectie V van Gewest 5 van de Binnenlandse Strijdkrachten. De beide commandanten waren onderling zeer bevriend en kwamen veelvuldig bijeen in het landhuis ’t Kiefkamp te Vorden van de eer Van der Wall Blake. Beijnen hield zich onder meer bezig met inlichtingenwerk en speelde deze door aan de Ordedienst, waarvoor hij vooral in Amsterdam contact onderhield met majoor J. Kok, hoofd van Sectie v van het Algemeen Hoofdkwartier van de OD.Voor die bezoeken aan Amsterdam ging hij per fiets en leverde dan inlichtingenrapporten af. Beijnen trof namelijk de voorbereidingen voor de provisorische brugslag ten behoeve van de verwachte opmars van de geallieerde legers en wist te voorkomen dat allerlei materiaal van de brandweer naar Duitsland werd overgebracht.  (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (4)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (53)
EERDERE AFLEVERINGEN

Kennismaking met mensen en dieren
deel 2

‘Als je studeren wilt,’ zei hij; ‘ik heb een mooie portie boeken; en is er wat nieuws uitgekomen van Bulwer of zo iemand, breng het voor mijn rekening mee; maar vooral een beste editie!’
Een paar weken daarna kreeg ik een brief ter herinnering aan deze mijne belofte, begeleid door een onmetelijk grote pot West-Indische confituren, bestaande, voor zo veel ik er van begreep, uit vele schijven rhabarber en grote stukken hengelriet, in quintessence van suiker ingelegd. De heer Kegge meldde mij, dat ‘zijne vrouw en dochter, welke laatste, tussen twee haakjes gezegd, een mooie brunette was, van verlangen brandden om mij te zien’.
Aan dit verlangen voldeed ik, en weinige dagen daarna zat ik tegenover de vrouw en de mooie brunette, onder een geweldig geblaf van twee spaanse hazewindjes, ten huize van den heer Jan Adam Kegge.

De kamer waarin ik mij bevond leverde een schouwspel op van de weelderigste pracht, met de grootste achteloosheid gepaard. Overvloed van zwierige meubelen vervulde haar, welke allen het onhuiselijk aanzien hadden van splinternieuw te zijn. Een brede, veeloctavige piano-forte stond opengeslagen en lag bevracht met een aantal boeken, een hoop dooreengeworpen muziek, en een gitaar. Een gladhouten muziekkastje stond open, en een der spaanse hazewindjes vermaakte zich een weinig met dat gedeelte van de inhoud hetwelk niet op de piano zwierf. Een allersierlijkst pronktafeltje stond beladen met allerlei aardigheden en mooie beuzelingen, reukflessen, hand-vuurschermen, magots, kinkhorens, sigaarbusjes en kostbare plaatwerken. (meer…)

HERMAN VAN VEEN 2

HERMAN VAN VEEN

Herman van Veen (Utrecht, 14 maart 1945) behoeft geen introductie. Hij werd opgeleid tot violist, zanger en muziekpedagoog en zijn aansluitende carrière vanaf 1965 als podiumkunstenaar, schrijver, componist, regisseur, muzikant, acteur, presentator en activist voor de rechten van het kind is zo indrukwekkend dat hij eenvoudig bij iedereen bekend moet zijn. Om een kleine indruk te geven: er verschenen van hem 184 cd’s, 21 dvd’s, ongeveer 70 boeken, tientallen scenario’s voor films (die hij niet zelden zelf regisseerden) en muziektheatervoorstellingen, hij presenteerde diverse televisieprogramma’s, hij richtte het theatergezelschap Harlekijn op, hij is de bedenker van Alfred Jodokus Kwak, was jarenlang vrijwilliger, bestuurslid en welwillendheids-ambassadeur voor UNICEF Nederland, stichtte verschillende organisatie die zich inzetten voor de rechten van het kind, zit in het bestuur van vele comités en stichtingen, maakt abstracte schilderijen, runt in het bosrijke landgoed De Paltz in Soest het Herman van Veen Arts Center, waar tentoonstellingen en voorstellingen plaatsvinden en heeft ook nog de tijd gevonden om drie maal te trouwen. Een van die vele cd’s van Herman van Veen is Kerstliederen, waarvoor hij samenwerkte met het AVRO’s Kinderkoor en The Amsterdam Baroque Orchestra onder leiding van Ton Koopman. In een uitermate sfeervolle vertolking worden 25 bekende (Nu Zijt Wellekome, Wij Komen Tezamen, Stille Nacht, ed.) en onbekende kerstliederen vertolkt. Zelfs een verstokt hater van de jaarlijkse kerstliedjesterreur weet te genieten van zijn Kerstliederen. (meer…)

KERST 2020

CIMON EN PERO – 03

Hans Sebald Beham was een Duits schilder, kopergraveur en tekenaar, die in 1500 in Neurenberg werd geboren en op 22 november 1550 in Frankfurt overleed, waar hij het laatste deel van zijn leven had gewoond. Er is niks bekend over zijn ouders en vroege opleiding. Vast staat dat hij in 1525 in zijn geboortestad een eigen atelier bezat, maar in januari van dat jaar werd hij samen met zijn broer Barthel Beham en Georg Pencs uit Neurenberg verbannen op beschuldiging van blasfemie, ketterij en het niet erkennen van het gezag van de stadsraad. De drie ‘goddeloze schilders’ weken uit naar Italië, maar konden al weer snel terugkeren nadat ze het lutheraanse geloof hadden aangenomen. In 1528 moest hij echter opnieuw hals over kop vluchten vanwege een hoogoplopend geschil over het veronderstelde pornografische karakter van een deel van zijn werk. Hij werkte vervolgens in verschillende Duitse steden. Hij geldt als een van de belangrijkste kunstenaars uit de groep van de Neurenbergse miniaturisten. Hij werkte veel aan kleine gravures, soms niet groter dan een postzegel, maar toch erg gedetailleerd. Sebald was een leerling van Albrecht Dürer en werd in zijn werk beïnvloed door Holbein en Altdorfer. Zijn omvangrijke grafische oeuvre bestond uit 252 kopergravures, 18 etsen en ongeveer 1.500 houtsneden, waaronder velen voor illustraties an boeken. Voor kardinaal Albrecht van Brandenburg maakte hij in 1543 een geschilderd tafelblad, dat zich nu in het Louvre bevindt. Tot zijn hoofdwerk behoren onder meer houtsneden met de planeten en illustraties voor het Oude Testament. Veel van zijn houtsnedes betreffen mythische of historische taferelen en voorstellingen van het eigentijdse plattelandsleven. Zijn houtsnede ‘Boerendorpsfeest’ inspireerde Pieter Breughel de Oude tot zijn beroemde taferelen van dorpskermissen en andere boerentaferelen. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 039

Frans van den Muijsenberg / 20 december 2020 / Klimmendaal Arrnhem

JUDITH EN HOLOFERNES – HEER HALEWIJN – HALLOWEEN 3

Het verhaal van Judith en Holofernes inspireerde niet alleen Caraveggio maar ook tal van andere Italiaanse schilders. Ook Michelangelo (zie deel van zijn fresco hiernaast), Botticelli, Paolo Veronese, Artemisia Gentileschi hebben Judith geschilderd. In de Nederlanden maakte Peter Paul Rubens, Rembrandt en Jan de Brayer een versie van. In Duitsland schilderde Lucas Cranach het Bijbelse tafereel. Na deze 17e eeuwse periode daalde de belangstelling voor het verhaal. Er zijn dan ook maar een paar moderne schilderijen van Judith en Holofernes, waarvan de drie versies van Franz von Stuck verreweg de bekendste (en mooiste) zijn. Andere latere werken, steeds abstracter zijn er van John Luke, Kees Maks, Walter Jacob, John Graham en Andre Masson. De componist Alessandro Scarlatti schreef in 1693 La Giuditta, een oratorium dat voor het eerst in Napels werd opgevoerd. Antonio Vivaldi componeerde in 1716 Judita triumphans. Het werk was een opdracht na de overwinning van de Venetianen in Korfoe op de Turken. Mozart componeerde in 1771 muziek bij het dramatische oratorium La Betulia Liberata. In 1914 verscheen ook een film Judith of Bethuliaonder regie van D.W. Griffith. De Duitse componist Siegfried Matthus componeerde een opera Judith op dit thema. Deze opera ging in 1985 in première bij de Komische Oper in het toenmalige Oost-Berlijn. Hieronder een selectie van de diverse versies van Judith en Holofernes. (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (3)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (52)
EERDERE AFLEVERINGEN

Kennismaking met mensen en dieren
deel 1

Enige tijd na de ontvangst van dit ‘reukoffer’, hetwelk mijne vrienden niet nagelaten hadden van lieverlede voor mij in geur te doen opgaan, zat ik op een regenachtige Octobermorgen, waarop ik juist niet te vroeg was opgestaan, in stil gepeins voor mijn ontbijt, toen zich beneden mij een buitengewoon gestommel horen deed.
‘Nog al hoger?’ vroeg een zeer luide stem, die ik niet kende, ‘drommels, tante! dat is in de hanebalken. Sakkerloot, ’t is hier suffisant donker, hoor! ik ben een kuiken als ik zien kan!’
Het is niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat zich de kapiteins van vergane schepen met onleesbare brieven in de met hen gestrande portefeuilles, of de ‘professeurs’ van onbekende lycaea, die ‘tijdstromen’ aanbieden, of de doorgevallen kruideniers, die uit hun verbrande pakhuizen niets anders hebben gered dan een mooie partij Zeeuwse chocolade van duizend A’s, of de goedkope portretteurs en silhouettemakers, die de eer hebben gehad uw beste vriend ook af te beelden, of de konstenaars, die voor een spotprijs de gehele koninklijke familie in gips op uwe tafel willen zetten, of de reizigers met intekenlijsten op onmisbare boeken, waarvan een professor zich heeft afgemaakt door ze een student op de hals te schuiven; het is, zeg ik, niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat opgemelde heren, en al wat verder zich op een listige wijze bij de studerende jeugd indringt, om op haar medelijden, onervarenheid, of bloheid te speculeren, gewoon zijn zich aan te bieden; want indien zij geen Frans of Duits of Luikerwaals spreken om uw hospita te overbluffen, dan nemen zij de beleefdste, beschaafdste en tevredenste houding der wereld jegens haar aan; en wat de trap betreft, zij veinzen niet zelden er ten volle mede bekend te wezen. Ik was dus op dit punt gerust, en daar ik in een stemming verkeerde, die voor afleiding vatbaar was, verheugde ik mij bij voorraad, een vreemd gezicht te zullen zien. (meer…)

LOUISIANA BLUES 2

LOUISIANA BLUES 1

Louisiana blues is een bluesstijl die in de jaren na de Tweede Wereldoorlog in de staat Louisiana ontstond en die wordt gekarakteriseerd door de sjokkende ritmes wat het een duistere tint geeft. Binnen deze bluesstijl worden twee subgenres onderscheiden, namelijk de New Orleans Blues en de Swamp Blues. De variant uit New Orleans was erg gebaseerd op de oude jazz zoals die traditioneel in de havenstad werd gespeeld, vermengd met invloeden uit het Caraïbisch gebied. Belangrijke instrumenten waren de piano en saxofoon. De belangrijkste vertolkers van dat genre waren Professor Longhair en Guitar Slim. De Swamp Blues kent een veel trager tempo en heeft invloeden van zydeco en cajun-muziek uit het gebied rond Baton Rouge.  Zydeco is een muziekvorm die ontstond in het begin van de twintigste eeuw onder de creoolse bevolking van Zuidwest-Louisiana onder invloed van Franssprekende Cajuns. De muziek is uptempo en wordt gedomineerd door de accordeon, de melodeon en een soort wasbord (rub-board of frottoir genaamd) en ver gebruikt men drums, gitaar, koperblazers en basgitaar. Het woord ‘zydeco’ schijnt een verbastering te zijn van de Franse uitdrukking ‘Les haricots sont pas salés’, waarmee mogelijk wordt bedoeld: ‘ik heb geen zout om de bonen op smaak te brengen, zo arm ben ik’. Cajunmuziek, een muziekstijl die teruggaat tot de achttiende eeuw, ontstond in het Frans sprekende deel van Louisiana in de Verenigde Staten uit een mengeling van de volksmuziek en de muziek van de zwarte bevolking. De oorspronkelijke bezetting van de instrumenten was viool, accordeon en  triangel, instrumenten die tamelijk zeldzaam zijn in de traditionele blues. In de Swamp Blues werd een gitarist toegevoegd. Belangrijke vertegenwoordigers van dit subgenre waren Slim Harpo en Lightnin’ Slim. Vooral van de laatste werden heel wat nummers gecoverd door de Britse band die vanaf eind aren zestig de Amerikaanse markt veroverde, de zogenaamde ‘British Invasipn’. Beide genres waren enorm populair in de zestiger jaren, aar daarna nam de belangstelling af, met zo af en toe een opleving.

Belangrijke Louisiana blues-artiesten zijn: Nathan Abshire, Marcia Ball, Guitar Junior, Slim Harpo, Lazy Lester, Lightnin’ Slim, Raful Neal, Tabby Thomas, Katie Webster, Robert Pete Williams, Snooks Eaglin, Clarence Frogman Henry, Little Walter, Clarence Garlow, Bobby Charles, Louisiana Red, Muddy Waters, Big Bill Broonzy, Big Joe Reynolds, Warren Storm, Smiley Lewis, Al Ferrier, Big Bopper, Boozoo Davis, Earl King, Huey Piano Smith, Rod Bernard, Frankie Ford, Rod Bernard, John Fred, Al Terry, Joe Jones, Big Boy Myles, Charles Sheffield, Jimmy Clanton en Warren Storm.

Onder de ruim twee uur durende video de complete tracklist. (meer…)

HIPPOCRATES IN DE HEL

Michel Cymes (geboren te Parijs op 14 mei 1957) is als specialist verbonden aan een kliniek in de Franse hoofdstad. Hij presenteert medische programma’s voor de publieke omroep France Télévisions. De grootouders van Cymes waren Poolse Joden, die in 1922 naar Frankrijk waren uitgeweken. Zijn beide grootvaders zijn in Auschwitz vermoord. Vanuit die achtergrond stelt hij aan alle Duitse nazi-artsen de vraag: “Hoe kun je een beroep kiezen dat leven redden als hoogste doel heeft en vervolgens de levens beëindigen van degenen die je niet langer beschouwt als mensen?”. Daarop volgend komt de vraag op of alle weerzinwekkende experimenten in de kampen de geneeskunde ook maar een millimeter verder hebben gebracht. Om het nog wat lastiger te maken, werpt Cymes een derde vraag op: Klopt zijn aanname dat alle folteraars tweederangs artsen waren, die door hun leraren en jaargenoten werden bespot en gemeden en nu de kans zagen te bewijzen dat ook zij, de minkukels, een grote wetenschappelijke bijdrage konden leveren aan het krankzinnige project van het Derde Rijk? Zij zouden wel eens even uitvinden hoe het Duitse volk het gezondste in de hele geschiedenis van de mensheid kon worden. Drie grote vragen, die een jarenlange studie naar een groot aantal betrokkenen vereisen, kennis van veel wetenschappelijke studies veronderstelt, waarvoor een behoorlijke dosis psychologisch inzicht onontbeerlijk is en een auteur moet beschikken over veel historisch inzicht in de ontwikkeling van de medische wetenschap. Het kan zijn dat dit boek een opwarmertje is voor zo’n magnum opus, maar dit blijkbaar snel geschreven boekje van een drukbezet iemand doet anders vermoeden. De tekst op de achterzijde geeft het min of meer al aan: (meer…)

PROF. HENRICUS HUIJBERS

 59e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Henricus Franciscus Maria Huijbers (Utrecht, 26 december 1881 – Nijmegen, 17 maart 1929) was een Nederlands historicus. Hij was de zoon van notaris Johannes Henricus Huijbers. De lagere school volgde hij in Instituut Saint-Louis en daarna ging hij naar het Stedelijk Gymnasium in Utrecht. Hij studeerde vervolgens Nederlandse letteren en geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht, waar hij in 1907 zijn doctoraalexamen behaalde. Tijdens zijn studietijd was hij bestuurslid van de jonge katholieke studentenvereniging Veritas, opgericht in1889, en redacteur van het jaarboek dat de Nederlandse rooms-katholieke studenten uitgaven. In deze periode legde Huijbers de grondslag voor zijn dissertatie. In 1913 promoveerde hij bij G.W. Kernkamp op de dissertatie Don Juan van Oostenrijk. Landvoogd der Nederlanden I (deel II verscheen in 1914). In datzelfde jaar (17 juni 1913) trouwde hij met Maria Baesjou, een huwelijk dat kinderloos bleef. In 1914 verscheen van hem Een kranige Hollander, een biografie van Jan Pieterszoon Coen, die indertijd nog algemeen werd gezien als een Nederlandse held uit een glorierijk verleden. In 1914 richtte hij samen met Th. Goossens en J. Witlox het Historisch Tijdschrift op. Al vanaf zijn studietijd in 1910 tot 1917 werkte Huijbers als leraar in het middelbaar onderwijs in Goes,Bergen op Zoom en Tiel en aan de Rijkslandbouwschool te Wageningen, waar hij een der oprichters was van de katholieke studentenvereniging St. Franciscus Xaverius, waarvan hij tot zijn dood redactielid zou blijven. (meer…)

JUDITH EN HOLOFERNES – HEER HALEWIJN – HALLOWEEN 2

Rond 1600 werden veel kunstenaars geïnspireerd door het dramatische en bloederige verhaal van Judith en Holofernes. ‘Judith onthoofdt Holofernes’ moet als kunstwerk geplaatst worden in de tijd van de reformatie, rond 1600, toen veel protestantse groeperingen zich afkeerden van de katholieke kerk. In Rome, het absolute centrum van de katholieke kerk, werden de volgelingen van Luther, Calvijn en Zwingli niet alleen gezien als afvalligen, maar nadrukkelijk als ketters en dus dienden ze zo streng mogelijk te worden bestreden. Dat hield in dat alle middelen geoorloofd waren. Zo riep paus Gregorius XIII herhaaldelijk op om Elizabeth I van Engeland te vermoorden, omdat zij ernstige schade had toegebracht aan de katholieke kerk. Toen in 1572 tijdens de Bartholomeusnacht duizenden Hugenoten waren vermoord werd in Rome het Te Deum gezongen. In de bestrijding van ketterij was elk middel geoorloofd en als het nodig was om daartoe iemand te vermoorden was dat geen misdaad maar een heroïsche, bijna heilige daad.

Donatello was de eerste kunstenaar die met het thema aan de slag ging. Hij goot als eerste kunstenaar een bronzen plastiek voor de paleistuin van de Medici. Michelangelo schilderde Judith in een hoek van het plafond in de Sixtijnse Kapel. Waar tal van andere schilders Judith weergaven met het dode hoofd van Holofernes in de hand (Donatello, Botticelli), schildert Caravaggio haar precies op het moment van de gruweldaad. Het hoofd van Holofernes is nog niet geheel van zijn lichaam gescheiden en hij is nog steeds in leven. De angst en wanhoop stralen uit zijn ogen, daar waar Judith zonder triomf of passie maar eerder met afgrijzen op haar gezicht ambivalent wordt afgebeeld: ze doet wat ze moet doen. (meer…)

JUDITH EN HOLOFERNES – HEER HALEWIJN – HALLOWEEN 1

De katholieke kerk en de oosters-orthodoxe kerken erkent tien (of volgens sommigen elf) boeken als gezaghebbend, hoewel ze niet behoren tot de traditionele Hebreeuwse canon behoren. Deze boeken, die stammen uit de periode uit de periode tussen de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament (ca. 225 en 100 v.Chr.), worden deuterocanonieke boeken genoemd. Ze werden opgenomen in de Vulgaat, de belangrijke Bijbelvertaling in het Latijn die tussen 390 en 405 na Chr. door Hiëronymus in opdracht van paus Damasus gemaakt. Ze dankt haar naam aan de uitdrukking ‘versio vulgata’ (‘volkse versie’) van het Latijn waarin ze is geschreven zodat een voor iedereen beter begrijpbare versie voorhanden kwam. De Vulgaat was de eerste en eeuwenlang de enige christelijke Bijbelvertaling die het Oude Testament uit het oorspronkelijke Hebreeuws vertaalde. Vanaf het Concilie van Trente in 1546 aanvaardde het Vaticaan deze editie als enige gezaghebbende, waardoor vanaf dat moment de katholieke vertalingen van de Bijbel gebaseerd waren op het Oudgrieks en Hebreeuws, de oorspronkelijke talen van de Bijbel. Veel vertalingen in het Nederlands zijn op de Vulgaat gebaseerd. De protestante kerken kende Bijbelvertalingen die gebaseerd waren op de zgn. Lutherbijbel uit 1534. Maarten Luther en andere hervormers erkenden de tien boeken niet als gezaghebbend en sindsdien worden ze door protestanten apocrief genoemd, waardoor dat woord een negatieve bijklank kreeg. (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (51)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een treurige inleiding
deel 2

‘Het was niemendal goed met meheer!’ Hij was in ’t midden van de nacht wakker geworden, had haar thee laten zetten, en was, wat zij volstrekt niet van haar meheer gewend was, zeer knorrig geweest; daarbij had hij haar zo verwilderd aangekeken, dat ze ‘der tranemontane haast was kwijt geraakt en de schrik haar nog in de benen zat’. Zij geloofde, ‘dat het niet goed was geweest, dat meheer zoo veul met een open raam zat, want daar waren die mensen uit vreemde landen toch maar niet aan gewend’, en zo vervolgens. Ik kleedde mij en ging hem terstond zien.
Hij had nog koorts, en nu veel heviger, was zeer ontevreden over zijn bed, zijn slaapkamer, zijn hospita, in één woord, over alles; hij wilde een groot vuur op de voorkamer hebben aangelegd, en had daar alle verwachting van. Ik verzocht hem te blijven waar hij was, en liet ogenblikkelijk een dokter halen.
De dokter kwam en verklaarde de ongesteldheid voor bedenkelijk. De studeerkamer werd tot een ziekenkamer ingericht, de patiënt met zijn bed derwaarts gebracht; aan zijn voogd geschreven. Deze kwam na een paar dagen. Het was een oud vrijer, die nooit zieken had bijgewoond en wie de handen buitengewoon verkeerd stonden, klein van verstand en dof van gevoel. Hij liet mij het bestier in alles over. De hospita was gelukkig een zeer handige, bedaarde, knappe, dóórtastende en tegelijk hartelijke vrouw. Zij deed haar best; de dokter deed zijn best; een paar jongelingen, die ik, uit de menigte van die volstrekt waken wilden, gekozen had, deden met mij al het mogelijke; maar het hielp niet. De ziekte nam een noodlottige loop; en na drie weken van angst en tobben, droegen wij de arme William Kegge naar het graf. (meer…)

BEDRICH SMETANA 2

BEDRICH SMETANA

Bedřich Smetana (Litomyšl, 2 maart 1824 – Praag, 12 mei 1884) was een Tsjechisch componist die bekend werd door onder meer de opera Prodaná nevěsta (De verkochte bruid) en de cyclus van zes symfonische gedichten: Má Vlast (Mijn vaderland, waaronder het meest bekende de Moldau). Bedrich Smetana was de zoon van een brouwer. Op jonge leeftijd speelde hij al piano en viool en speelde mee in het familiestrijkkwartet. Ondanks de aanvankelijke bezwaren van zijn vader studeerde hij muziek aan het conservatorium van Praag. Nadien kreeg hij een baan als muziekdocent bij een gegoede familie. In 1848 financierde Franz Liszt Smetana, zodat hij zijn eigen muziekschool kon oprichten; nadien nam Smetana deel aan demonstraties tegen de overheerser Oostenrijk en trouwde met de pianiste Kateřina Kolařová. Liszt introduceerde hem ook bij de muziekuitgeverij Kistner. In 1856 ging Smetana naar Göteborg in Zweden waar hij het dirigeren onderwees en kamermuziekrecitals gaf. Hij werd er ook dirigent van de Philharmonische Gesellschaft. In 1859 vertrok Smetana weer naar Praag, omdat zijn vrouw niet tegen het koude weer kon; ze overleed vlak na de terugkeer (19 april 1859) in Dresden. Hij hertrouwde in 1860 met Bettina Fernandová; vertrok weer naar Zweden, maar kwam weer terug in 1861. In 1863 opende hij opnieuw een muziekschool, deze keer om de Tsjechische muziek te promoten. In 1866 werd hij dirigent van het Nationale Theater, om vooral Tsjechische opera’s uit te voeren. In 1874 werd hij in korte tijd doof, een symptoom van syfilis, maar hij ging desondanks door met componeren. Má Vlast werd grotendeels geschreven na zijn doof worden. Zijn eerste strijkkwartet Uit mijn leven is een autobiografisch werk dat de tinnitus uitbeeldt waaraan hij tijdens zijn doofheid leed. Als gevolg van de syfilis werd Smetana in 1883 geestesziek; zijn familie kon hem uiteindelijk niet meer verzorgen en op 23 april 1884 liet men hem opnemen in de psychiatrische kliniek Kateřinky in Praag, waar hij een paar weken later op 60-jarige leeftijd overleed. Hij werd begraven op de Nationale Begraafplaats op de vesting Vyšehrad in Praag. Smetana staat bekend als de eerste componist die muziek met een specifiek Tsjechisch karakter componeerde. Veel van zijn opera’s zijn gebaseerd op Tsjechische thema’s, met als bekendste De verkochte bruid uit 1866. Hij gebruikte veelal Tsjechische dansritmes en zijn melodieën hebben wel wat weg van volksliedjes. Hij was van grote invloed op Antonín Dvořák die op soortgelijke wijze Tsjechische thema’s in zijn muziek verwerkte. (meer…)

SPROOKJES VOOR KLEINE EN GROTE KINDEREN

Angeline Schoor, geboren en opgegroeid in Haarlem, woont met haar Schotse partner, vier ratten en twee harpen in een oud dijkhuisje op het platteland van de Hoeksche Waard. Op deze idyllische plek heeft zij een praktijk als coach en trainer. Omdat zij in hart en nieren muzikant is, speelt de muziek in haar praktijk een centrale rol. Zo nu en dan staat zij met haar harp op het podium. Tussen de familiebezoeken naar haar tweede thuisland Schotland bereizen zij en Roy zo veel mogelijk nieuwe bestemmingen. De afgelopen jaren heeft uitgeverij Sylfaen al vijf reisverhalen van Angeline uitgegeven. Recent verscheen van haar een sprookjesboek,waarvan hieronder het verhaal ‘De grote beer’ wordt gepubliceerd. In het voorwoord merkte ze over de bundel sprookjes hert volgende op:

‘Verhalen vertellen is onlosmakelijk verbonden met de mensheid en sprookjes zijn al zo oud als de wereld. Het woord sprookje is afgeleid van het middeleeuwse ‘sproke’, dat verhaal of vertelling betekent. In een tijd dat er nog geen televisie en Netflix bestond, vertelden mensen elkaar verhalen. Vaak gingen die verhalen over het leven van alledag, waarbij de verteller putte uit de wereld om hem heen en vooral ook de fantasie de vrije loop liet. In sprookjes zie je vaak koningen, prinsessen en andere adellijke personages, want arme lieden van weleer spiegelden zich graag aan mensen die zij als machtig en succesvol zagen. In dat opzicht is er vandaag aan de dag nog niet veel veranderd. Maar ook figuren als tovenaars, reuzen, dwergen en draken waren populair. Niets leuker dan bovenmenselijke krachten in je verhaal verweven om het allemaal wat smeuïger en spannender te maken. Na een dag van hard werken zaten mensen samen om het vuur en vertelden elkaar verhalen. Deze waren bedoeld als vermaak en om ervaringen op een speelse manier te delen, maar hadden ook een educatief element. Er zat altijd een moraal in en tijdloze normen en waarden als goed en kwaad of arm en rijk vormden de basis van het verhaal. In ieder sprookje zat een les of diepere wijsheid. Gaandeweg transformeerde het sprookje in een vertelling voor kinderen. De volwassenen namen de rol van leermeester aan en gebruikten de oude verhalen als pedagogisch werktuig om hun kinderen te leren over gewenst en ongewenst gedrag. Oude wijsheden, verpakt in een verhaaltje voor het slapen gaan. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 038

Frans van den Muijsenberg / 27 november 2020 / Klimmendaal Arrnhem

CIMON EN PERO – 02

Georg Pencz (Wroclaw, omstreeks 1500 – Leipzig, 11 oktober 1550) was een Duitse graveur, schilder en graficus. In 1523 vertrok Pencz naar Neurenberg om inde leer te gaan bij Albrecht Dürer. Net als zijn leermeester bezocht hij voor een studiereis Italië en raakte daarbij erg onder de invloed van de Venetiaanse schilderkunst. Naar alle waarschijnlijkheid heeft hij een tijdlang samengewerkt met Marcantonio Raimondi (c. 1470/82 – c. 1534), de beroemde Italiaanse graveur die aan de wieg heeft gestaan van de reproductieve kunst. In 1525 werd hij samen met de broers Barthel Beham en Hans Sebald Beham, ook leerlingen van Dürer, gearresteerd en verbannen uit luteraanse Neurenberg. Het drietal, dat bekend stond als ‘de goddeloze schilders’ omdat ze aanhangers waren van de radicale theorieën van Thomas Müntzer, werd na een tijdje toch weer toegelaten en verwierf al snel de reputatie als ‘Kleine Meesters’ vanwege hun kleine grafische werken met veel gedetailleerd werk. Pencz schilderde in Neurenberg een groot aantal trompe l’oeil-plafonds in de huizen van rijke patriciërs, daarbij geïnspireerd door soortgelijk werk dat hij in Italië had gezien. Van deze schilderingen is weinig bewaard gebleven. Op een van de tekeningen is te zien dat hij werklui tekenden die allerlei materialen naar boven brengen. op de achtergrond ziet men  de buitenlucht, wat de indruk geeft dat de kamer nog steeds onder constructie is. In 1539 keerde Georg Pencz kort terug naar Italië, waar hij voor het eerst Rome bezocht. vanaf 1540 was hij definitief terug in Neurenberg en kende er als officiële stadsschilder veel succes. In 1550 werd hij gevraagd om hofschilder te worden van hertog Albert van Pruisen, maar hij overleed onderweg naar het hof in Leipzig. Van Pencz is deze ingetogen versie van Cimon en Pero.

CIMON EN PERO – 01

Valerius Maximus was een Latijns schrijver uit de eerste decennia van de 1e eeuw na Chr. Over zijn leven is niet al te veel bekend. Hij zou uit een arme Romeinse familie afkomstig zijn. Hij had in Sextus Pompeius, een mecenas voor literaire jongelui waaronder naast Valerius Maximus ook Ovidius en de latere keizer Germanicus hoorde, onder zijn hoede zijn genomen. Sextus Pompeius was in het jaar 14 na Chr. een invloedrijk consul, die later proconsul van de Romeinse provincie Asia zou worden. Omstreeks 27 na Chr. begeleidde Valerius Maximus zijn mecenas op een reis naar het oosten van het Romeinse Rijk. in 31 na Chr. droeg Valerius Maximus aan keizer Tiberius zijn boekwerk Factorum ac dictorum memorabilium libri IX (‘Negen boeken memorabele daden en uitspraken’) op.Er wordt geschat dat de schrijver ongeveer tien jaar nodig heeft gehad om het gehele boekwerk te voltooien. Het werk omvat negen boeken met in totaal ongeveer duizend korte verhalen met gedenkwaardige anekdoten, door compilatie samengebracht, ten behoeve van redenaars. het doel was hen het maken van redevoeringen makkelijker te maken door het aanreiken van allerlei voorbeelden, zodat ze ten allen tijde voldoende materiaal tot hun beschikking hadden. Met deze anekdotische verhalen wilde Valerius Maximus de materiële en morele superioriteit van de oude Romeinen aanprijzen. Aan het einde van sommige hoofdstukken zijn ook enkele buitenlandse verhalen opgenomen, meestal over filosofen of koningen van het oude Griekenland. Valerius beschouwde zijn verhalen als ‘voorbeelden’ die een morele leidraad moesten bieden. De aangereikte voorbeelden, veel materiaal van Cicero, Livius, Sallustus, Pompeius Trogus, Terentius Varro en andere historici, waren gegroepeerd in 91 rubrieken (bijv. dankbaarheid, gestrengheid van vaders, godsdienstzin, voortekens, dromen, vriendschap, zelfvertrouwen). (meer…)

DE FAMILIE KEGGE (1)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (50)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een treurige inleiding
deel 1

Wie kent niet die ontzettende ziekte, die men in het dagelijks leven met de gevreesde naam van zenuwzinkingkoorts gewoon is te bestempelen? Wie heeft onder haar geweld geen dierbaren zien bezwijken? Wie heeft haar nimmer bijgewoond, die verschrikkelijke worsteling der zenuwen en vaten, waar deze zich onderling het gezag betwisten, totdat de lijder – meestal, helaas! – onder die kampstrijd bezwijken moet. Voor mij rijst menige angstige herinnering aan haar verschijnselen op. Ik zie nog die lijders, met die gebroken ogen, die zwarte lippen, die droge lederachtige handen, die vingers in altoosdurende beweging. Zij staan mij voor de geest, zo als zij nu eens in een dof en mompelend ijlen als verdiept waren en in stilte bezig met hun visioenen, en dan met een kracht, die niemand hun meer zou hebben toegeschreven, zich in hun bed ophieven, om daarna weder ineen te krimpen als in dierlijke angst. Zij staan mij voor den geest, ook in hun noodlottig stilliggen, in die treurig heldere tussenpozen, die de dood voorbeduiden. Nog zie ik al die droevige toestel van zuurdeeg om af te trekken, van natte omslagen om terug te drijven; die gewichtige overgang van afwassende tot prikkelende middelen. Nog ruik ik de kamfer en de muscus, die de omstanders zo zeer plegen te verschrikken. (meer…)

COMMON & BILAL

COMMON & BILAL

Bij het kijken van de indrukwekkende documentaire 13th over de manieren waarop de slavernij in aangepaste vorm mi of meer gewoon is doorgegaan in de Verenigde Staten kwam een nummer langs van de rappers Common en Bilal. Nu is rapmuziek bepaald niet mijn favoriete muziekgenre, maar dit nummer sprong er toch wel uit. Nu speelt natuurlijk mee dat muziek en documentaire elkaar goed aanvullen,niet echt verwonderlijk want Common schreef het nummer speciaal voor de documentaire. Maar ook zonder de film en zelfs zonder naar het youtube-filmpje te kijken, bleef dit nummer helemaal overeind. Wat natuurlijk ook meehelpt is dat de beginregel van de tekst (‘Southern leaves, southern trees we hung from‘) veel herinneringen oproept aan de tekst van het onvolprezen Southern Trees van Billie Holiday over de tijd dat in het zuiden van de States lynchpartijen geen ongewoon verschijnsel waren; ‘Southern trees, bear strange fruit. Blood on the leaves and blood at the root. Black bodies swinging, in the Southern breeze. Strange fruit hanging, from the poplar trees’. de volledige tekst van het nummer Letter to the free is hier na te lezen. (meer…)

MOUNTAIN CHIEF (1916)

Mountain Chief (1848–1942) was een strijder van de South Piegan-clan van de grote Blackfoot-stam. Toen hij vijftien jaar oud was, mocht hij als volleerd strijder voor het eerst deelnemen aan een gevecht van zijn stam tegen de steeds verder oprukkende blanken. Hij verdiende er de tweede naam Big Brave mee, maar liet zich in latere jaren ook graag Frank Mountain Chief noemen, wat al genoeg zegt over de mate waarin hij ‘veramerakiseert’ was. In 1870 was hij zijdelings betrokken bij het Marias Massacre, waarbij een groot aantal leden van zijn stam op het eigen grondgebied van de stam, ondanks vrijgeleidebrieven van de Amerikaanse overheid, werden vermoord. Een afslachting die voor de soldaten van het Amerikaanse leger ongestraft bleef. Vanaf 1868 was hij een van de leiders van de indianenstammen die verdragen met de Amerikanen sloten, waarmee het grondgebied van de stammen stelselmatig werd verkleind. Mountain Chief werkte op latere leeftijd samen met een aantal antropologen. In de zomer van 1898 werd het Blackfoot-reservaat bezocht door Walter McClintock van Yale University, die met de wasrol opnamen van verschillende bejaarde stamhoofden willen maken. Zo’n wasrol, een van de uitvindingen van Thomas Edison, was de eerste methodes om geluid op te nemen en via een fonograaf weer af te spelen. Ze werden tussen 1880 en 1915 op grote schaal gebruikt, tot ze werden vervangen door de grammofoonplaat. in 1903 en 1905 zou McClintock het reservaat opnieuw bezoeken, ditmaal om foto’s te nemen voor zijn boek The Old North Trail (1910), waarin een portretfoto van Mountain Chief uiteraard niet ontbrak. (meer…)

RIA GEERDINK – 014

HET 13e AMENDEMENT

Op Netflix een tijdje geleden geleken naar de Amerikaanse documentaire 13th, een indringende film over het eeuwenlange racisme in Amerika. Er wordt in uiteengezet hoe in de Verenigde Staten telkens een nieuw systeem ontstond om de Afro-Amerikaanse bevolking te onderdrukken. In 1865 werd voorgesteld via Amendement XIII van de Grondwet van de Verenigde Staten om de slavernij in de Verenigde Staten af te schaffen. Dat proces al in1863 door president Abraham Lincoln begonnen met diens Emancipatieproclamatie, die alleen de slaven uit de zuidelijke Geconfedereerde Staten, en niet die uit de noordelijke Unie bevrijdde. Het Dertiende Amendement geeft de staten en de federale overheid wel de mogelijkheid om veroordeelden onvrijwillig werk te laten verrichten, zolang die arbeid niet aangevuld werd met wrede of ongebruikelijke straffen, die worden verboden door het achtste amendement. De letterlijke tekst van sectie 1 van het amendement luidt: ‘Neither slavery nor involuntary servitude, except as a punishment for crime whereof the party shall have been duly convicted, shall exist within the United States, or any place subject to their jurisdiction’. Dat korte zinnetje dat bij gevangenisstraf wel de verplichting tot dwangarbeid kan worden opgelegd, zou al direct ingrijpende consequenties krijgen voor de Afro-Amerikaanse bevolking.  Op 1 februari 1865 was de staat Illinois de eerste staat van de VS die dit amendement ratificeerde. Georgia ratificeerde het amendement op 6 december 1865 als 27e staat. Daarmee was het vereiste aantal stemmen gehaald. Op 18 december 1865 trad het amendement in werking. andere staten ratificeerden het amendement pas vele, vele jaren later. Kentucky tekende pas op 18 maart 1976 en Mississippi op 16 maart 1995. Omdat de staat Mississippi de ratificatie niet had gemeld aan de nationale archivaris, was de ratificatie in die staat niet officieel tot 7 februari 2013.
(meer…)

J.C.J. KLEIJNTJENS

58e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Jean Chrétien Joseph Kleijntjens werd 3 Maart 1876 geboren te Maastricht, waar hij ook zijn jeugd doorbracht en zijn gymnasiale studies deed. Op zeventienjarige leeftijd werd hij Jezuiet en na zijn studies voor het priesterschap voltooid te hebben, ontving hij de opdracht, om zich voor het examen M.O. Geschiedenis voor te bereiden. Deze studie pakte hij zo degelijk aan, dat hij niet alleen een succesvol leraar werd, maar ook door het uitgeven van een serie leerboeken invloed heeft uitgeoefend op de ontwikkeling van het katholieke Geschiedenisonderwijs. Deze boeken, die hij later met medewerking van o.a. Prof. Dr. H.F.M. Huijbers uitgaf, beleefden een zeer groot aantal edities. Maar niet alleen had hij zich voor het onderwijs bekwaamd, ook in de wetenschap van de Geschiedenis was hij doorgedrongen. Bijna tegelijk met zijn boeken voor het onderwijs, begon ook zijn wetenschappelijk werk: in samenwerking met de toenmalige Gemeentearchivaris van Nijmegen, H.D.J. van Schevichaven, en Mej. L. Sormani gaf hij in een achtdelig werk de stadsrekeningen van Nijmegen uit. De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde verkoos hem reeds in 1911 tot één van haar leden.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 deed een van zijn mooie eigenschappen, de menslievendheid, bijzonder uitkomen. Dadelijk was hij erbij, om de zorg voor de Belgische vluchtelingen te Nijmegen, waar hij leraar was, te organiseren. Dit bracht echter zijn werk op wetenschappelijk- en onderwijsgebied in gevaar en daarom achtte men het raadzamer, hem naar het St. Willibrordus College te Katwijk a/d Rijn over te plaatsen. Deze overplaatsing bracht voor hem het voordeel, dat hij gemakkelijker contacten kon leggen met wetenschappelijke kringen en bovendien beter in staat was, om bibliotheken en archieven te raadplegen. (meer…)

NAREDE EN OPDRACHT AAN EEN VRIEND

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (49)
EERDERE AFLEVERINGEN

(Eerste uitgave)

Beste Vriend!
Toen ik de voorgaande bladen gedrukt zag, begreep ik dat er nog iets aan ontbrak, alvorens ik ze de wereld in kon zenden. Eerst had ik gedacht er een scherpe Voorrede vóór te schrijven, zeer hatelijk tegen deze of gene collega-auteur, die mij nooit kwaad had gedaan, maar daar ik een hekel aan had of jaloers van was. Doch daar ik niemand kon bedenken, die in deze termen viel, moest ik wel van dit fraaie plan afstappen. Toen meende ik een gehele slagorde van onderkraste en tweemaal onderkraste duchtigheden tegen de heren recensenten te richten, die ik niet ken, en die mij… ik had kunnen zeggen: ‘zullen verguizen’; het is een plechtig woord en bij teleurgestelde schrijvers zeer gebruikelijk. Maar het was duizend tegen een, dat men mij verweet die uitvallen te hebben nageschreven. Daarop heb ik van alle hatelijkheden afgezien, hetwelk te beter was, daar ik ze in mijn boek ook niet had toegelaten. En dewijl ik plan had dat boek aan u op te dragen, besloot ik eindelijk al wat ik er nog over te zeggen had met die toewijding aan u samen te smelten, en daartoe schrijf ik deze Narede. Iets onaangenaams te zeggen zou mij nu geheel onmogelijk zijn; want hoe zou het gaan kunnen in de nabijheid van uwen naam? (meer…)

MIDNIGHT OIL

MIDNIGHT OIL

De Australische groep Midnight Oil is hier al twee keer gepasseerd. De eerste keer met Beds are burning over de positie van de Aboriginals, de oorspronkelijke bewoners van het continent. De tweede keer met Blue Sky Mine dat was geïnspireerd op de ervaringen van de mijnwerkers in de beruchte asbestmijnen in Wittenoom, die als gevolg van hun werk verschillende aan asbest gerelateerde ziekten opliepen. Ditmaal een nummer uit 1990 dat was gebaseerd op de ervaringen van de grootvader en vader van drummer Rob Hirst, die in de Eerste en Tweede Wereldoorlog op de slachtvelden van Europa vochten. Zij riepen in latere jaren de na hen komende generaties op niet te vergeten hoe vreselijk die beide oorlogen waren gewest en riepen op alles in het werk te stelen een nieuwe wereldoorlog te vermijden. De clip bij het nummer werd opgenomen in het Ossuarium van Douaumont, een monument bij het Franse fort Douaumont bij Verdun, waar in de Eerste Wereldoorlog vreselijke gevechten hebben plaatsgevonden. In het monument bevinden zich de resten van 130.000 ongeïdentificeerde Franse en Duitse soldaten, die allen zijn gesneuveld tijdens de slag om Verdun. Het eerste ossuarium dateert uit 1919, het huidige monument komt uit 1932. Het nummer was de tweede single die van de LP Blue Sky Mine werd uitgebracht. Het was slechts een bescheiden hitje: Forgotten Years. (meer…)

JOHAN MIERA – LEVE DE BURGERORLOG

In de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw voelde een groot aantal Nederlandse schrijvers zich aangetrokken tot het Rusland van na de revolutie en was lid of sympathisant van de Communistische Partij Holland (CPH). In 1930 deden Freek van Leeuwen, Jac. van Hattum, Klaas Smelik en Jef Last in het tijdschrift De Nieuwe Weg een oproep om een Arbeiders-Schrijverscollectief op te richten. Wat zij met dit collectief voor ogen hadden, wordt goed uitgedrukt door de volgende tekst: ‘Kameraden, de tijd is rijp, de burgerlijke literatuur sterft aan haar eigen rotheid, het proletariaat hunkert naar beter voedsel. Alle arbeiders en alle jonge auteurs die bereid zijn zich aan de proletarische discipline te onderwerpen, zijn welkom.’ Er was vrij veel animo en nog datzelfde jaar werd het ‘arbeiders-schrijverscollectief’ Links Richten werd opgericht. Niet lang daarna werd besloten het gelijknamige tijdschrift uit te geven, waarvan in de jaren 1932 en 1933 elf nummers zouden verschijnen. De eerste publicatie van het collectief was echter een manifest naar aanleiding van een huurstaking in de Rotterdamse Tuinderstraat. De tekst was van Bertus Meijer en Freek van Leeuwen en het pamfletje werd voor één cent verkocht. De latere uitgever Geert van Oorschot, van wie de gedichtenbundel Gevangenis door het collectief werd uitgegeven, was in de beginfase van Links Richten van organisatorisch belang. Het tijdschrift Links Richten bevatte, naast beschouwingen over communistische literatuur, korte verhalen, poëzie en boekbesprekingen. Tot de vaste auteurs behoorden Freek van Leeuwen, Bertus Meijer (1900-1980), Jef Last, Maurits Dekker (1896-1962), G.J.M. van het Reve (1892-1975), A.J. Koejemans (1903-1982) en Anton de Kom (1898-1945). Bekende kunstenaars zoals Joris Ivens, Theun de Vries, E. du Perron en Jacques Gans leverden eenmalig een bijdrage. Het tijdschrift hield op te bestaan toen er onenigheid ontstond over de aanleiding tot de Rijksdagbrand. Velen waren het niet eens met het officiële standpunt van de CPH dat Marinus van der Lubbe een handlanger van de nazi’s was geweest en beëindigden hun medewerking.
(meer…)

07 – VERSPREIDE FRANSE EILANDEN

.
De Franse Zuidelijke en Antarctische Gebieden zijn een groep zeer dunbevolkte vulkanische eilanden in de zuidelijke Indische Oceaan, het zuiden van Afrika en een gedeelte van Antarctica. Het is een overzees gebied van Frankrijk en omvat vijf districten, waarbij voor de vijfde district (Verspreide Eilanden in de Indische Oceaan) enige territoriale claims van toepassing zijn.

1 – Saint-Paul en Amsterdam (Saint-Paul-et-Amsterdam) zijn twee eilandjes van uitgedoofde vulkanen in het zuidelijke deel van de Indische Oceaan. Er is geen permanente bewoning, maar op Amsterdam is een kleine nederzetting, genaamd Martin-de-Viviès, waar twintig wetenschappers verblijven.

2 – De Crozeteilanden (Îles Crozet) bestaan uit zes over het algemeen vulkanische eilanden (Île aux Cochons, Brisants de l’Héroïne ofwel Rochers de la Meurthe, Îles des Pingouins, Îles des Apôtres, Île de la Possession, Île de l’Est en Îles Crozet) en vele uiterst kleine eilandjes en rotsen dicht bij deze zes eilanden. De zes eilanden vormen samen een boog. Op het sinds 1963 permanent bewoonde bezoekerscentrum Alfred Faure aan de oostkust van Île de la Possession na zijn alle eilanden onbewoond. Door de 18 tot 30 bewoners van het onderzoekscentrum wordt meteorologisch, biologisch en geologisch onderzoek gedaan. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 041

Jean-Baptiste Carpeaux (Valenciennes, 14 mei 1827 – Courbevoie bij Parijs, 12 oktober 1875) was een Frans beeldhouwer en kunstschilder. Van 1854 tot 1861 woonde hij in Rome, waar hij het werk bestudeerde van Michelangelo, Donatello and Verrocchio en een smaak ontwikkelde voor beweging en spontaneïteit. Bij zijn terugkeer in Frankrijk werd hij geïntroduceerd aan het hof van Napoleon III. Hij maakte bustes van verschillende leden van de familie van de Franse keizer en gaf les in tekenen en modelleren aan de jonge prins Lodewijk. Het werk van Carpeaux wordt gerekend tot de stijl van het realisme, waarbij kunstenaars ernaar streven de werkelijkheid weer te geven zoals die is. Dus niet geïdealiseerd naar het voorbeeld van de klassieke oudheid en niet gedramatiseerd in de stijl van de romantiek, maar gewoon eerlijk zoals gewone vrouwen eruit zien. zijn beeld De dans uit 1866 veroorzaakte een behoorlijk schandaal. Carpeaux was één van de vier winnaars van de Prix de Rome, die in 1863 opdracht kreeg een groep met figuren te maken voor de gevel van de entree van het nieuwe operagebouw te Parijs, dat tussen 1861 en 1875 door de architect Charles Garnier (1825-1898) werd gebouwd. Elke groep figuren moest één van de vaardigheden representeren, die nodig zijn om een opera te kunnen maken: compositie, instrumentale muziek, toneel en dans. De drie andere groepen werden volgens de maatstaven van het neoclassicisme ontworpen, de stijl die gangbaar was voor de beeldhouwkunst van die tijd. Carpeaux kwam met een compleet ander ontwerp, dat hem op de nodige kritiek kwam te staan. Zijn beeld was niet plechtig en statisch, maar oogde uitzinnig en dynamisch. Bovendien hield hij zich niet aan de ongeschreven regel, dat vrouwfiguren gekleed moesten zijn in draperieën. In plaats daarvan waren zijn dansende vrouwen geheel naakt. (meer…)

CHARLY LEONARD

Charly Leonard (Brussel,1894 -Ukkel, 1953) was een leerling van Alfred Bastien, de bekendste van 44 kunstschilders die enige tijd deel uitmaakte van de Section Artistique. Een aantal van die groep bouwde na de Eerste Wereldoorlog een mooie carrière op, maar het merendeel verdween al snel in de vergetelheid. Leonard hoort toch vooral tot de laatste groep, hoewel zo af en toe wel werken van hem op veilingen opduiken. in de eerste dagen van de oorlog waren er heel wat kunstenaars die lid van een burgerwacht werden. Alfred Bastien, James Thiriar, Maurice Wagemans en Adrien-Jean Le Mayeur bewaakte in Brussel de straten, terwijl André Lynen in Antwerpen wacht liep. Luc Filliaert, de schrijver van De Groote Oorlog op doek waarin alle Belgische frontschilders worden beschreven, merkten hierover op: ‘Met wapens en uniformen uit de napoleontische tijd vormden hun driloefeningen hilarische taferelen op het schaakbord van de Europese geschiedenis’. Filliaert meldt ook dat uit alle uithoeken van het land kunstenaars zich vrijwillig melden voor het leger, waaronder Medard Maertens, Marcel Caneel, Achiel Van Sassenbrouck, Jos Verdegem, Victor Thonet, Samuel De Vriendt, Edmond Demeulenaere, Leon Huygens en Charly Leonard. Zonder al te veel opleiding werden ze in de strijd geworpen, een aantal van hen raakte al snel gewond. Leonard raakte pas aan het eind van de oorlog in 1918 gewond en moest een zware operatie ondergaan. Allen werden op een gegeven moment toegevoegd aan de Section Artistique. Hieronder enkele schilderijen die Leonard gedurende de oorlog maakte, allen in sombere kleurstelling en van soldaten die tegen de avond- of ochtendschemering op wacht staan en onderweg zijn naar de frontlinie of juist naar de veilige verblijven achter de frontlijn. Na de oorlog zou Leonard vooral een bescheiden faam opbouwen als landschapsschilder. Verlaten landschappen met kubistisch aandoende gebouwen en in frisse kleuren. In de eerste jaren werkte hij echter mee aan het grote wek van Bastien, het Panorama van de IJzer. (meer…)

VERRE VRIENDEN 3

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (48)
EERDERE AFLEVERINGEN

Daar stond hij eensklaps vóór mij, na een afwezigheid van vijf grote jaren, een geheel ander en toch dezelfde. Hij had Rusland, Duitsland, Frankrijk, België en Engeland, zowel als de Levant, doorreisd en doorkropen, maar hij was toch Antoine gebleven; zijn gelaat en zijn gemoed waren niet veranderd. Van geslacht een Italiaan, van vaderland een Turk, van moedertaal een Fransman, van opvoeding een Hollander, van geloof een Catholiek, en van hart een goede jongen. Doch hoe verrijkt aan inzicht, kennis, wereldburgerschap en ondervindingen! Hij sprak behalve Frans en Hollands, als vroeger, nu ook de talen van al die landen die hij had bezocht. Wij voerden ’t gesprek meest in ’t Engels, of in ’t Frans; want zijn Hollands had hij wel goed onthouden, maar hij had zoveel te zeggen waaraan hij nooit in ’t Hollands had gedacht. Zijn Hollands was niet rijker dan ’t woordenboek van iemand van zeventien jaar. Nu telde hij tweeëntwintig. (meer…)

JOAN ARMATRADING 2

JOAN ARMATRADING 1

Joan Armatrading (Basseterre, Saint Kitts, 9 december 1950) is een Britse zangeres, songwriter en gitarist. Haar repertoire is niet onder één noemer te plaatsen; haar muziek omvatte aanvankelijk elementen uit de rock, rhythm-and-blues en folk en later ook uit de jazz en reggae. Armatrading groeide op in Birmingham, Engeland. Ze bracht in 1972 haar eerste album uit (Whatever’s for us). In 1980 had ze in Nederland een Top 40-notering met Rosie en in Vlaanderen had ze in 1981 een kleine hit met het nummer I’m lucky van het album Walk Under Ladders. Dat Rosie heet een tijdje in de lagere regionen van de Top 2000 gestaan, de laatste maal in 2013 toen het nummer 1994 had. Slechts een beperkt groepje mensen schijnt in Nederland weet te hebben van de muziek van Armatrading, die vooral in Groot-Brittannië een goede reputatie heeft en talrijke onderscheidingen kreeg. Ze heeft inmiddels 25 albums gemaakt. waar haar Nederlandse Wikipedia-pagina slechts enkele nietszeggende zinnetjes bevat, heeft de Britse pagina van Joan Armatrading een ruime omschrijving van haar carrière. de laatste jaren ben ik haar zelf ook wat uit het oog verloren,hoewel met enige regelmaat haar elpees uit de zeventiger jaren weer eens op mijn draaitafel komen. met soms een aantal keren het absolute favoriete nummer draaien: Save Me. (meer…)

GERTRUDE VAN TIJN

De gezaghebbende Britse historicus Bernard Wasserstein beschrijft in zijn laatste boek de rol van de Joodse maatschappelijk werkster Gertrude van Tijn bij de concentratie van de Nederlandse Joden in Westerbork en de daarop volgende deportatie naar de Duitse vernietigingskampen. Het verhaal begint in de eerste dagen van april 1941, toen Gertrude van Tijn vanuit Berlijn per vliegtuig aankwam in Lissabon om daar met vertegenwoordigers van de Portugese overheid en het American Jewish Joint Distribution Committee (meestal kortweg de Joint genoemd) in opdracht van de Duitse bezetter in West-Europa te onderhandelen over een grootschalig vertrek van Europese Joden naar geallieerd of neutraal terrein. De missie had weinig kans van slagen omdat de Amerikaanse en Britse overheid nog maar mondjesmaat vluchtelingen toelieten. Van Tijn keerde onverrichter zake terug naar Amsterdam om haar werk voort te zetten bij de afdeling Emigratie van de Joodse Raad. Ze bleef zich daar gedurende de eerste jaren van de oorlog intensief inzetten om zoveel mogelijk mensen via emigratie uit de Duitse klauwen te houden. In een latere fase, toen de kansen op emigratie eigenlijk nog slechts een utopie waren, werd de afdeling omgevormd tot de afdeling Hulp aan Vertrekkenden, die mensen die door de bezetter naar Oost-Europa gedeporteerd werden, voorzag van advies en hulpmiddellen.

Gertrude van Tijn werd op 4 juli 1891 als Gertrud Francisca Cohn in Braunschweig geboren in een welgestelde familie. Als twintigjarige vertrok ze naar Londen, waar ze min of meer toevallig in de vrouwenbeweging terecht kwam. Ze werd er lid van de organisatie van Millicent Garrett Fawcett, die zich in tegenstelling tot de aanzienlijk strijdbaardere suffragettes in de strijd om het vrouwenkiesrecht strikt aan de wet hield. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, kwam Gertrude als veronderstelde ‘vijandelijke buitenlander’ in een loyaliteitsconflict, dat voor haar begin 1915 werd opgelost door het besluit van de Britse overheid dat ze per direct het land diende te verlaten. Ze koos voor het neutrale Nederland, waar ze een nieuwe passie ontdekte: het zionisme. Tot dan hadden zij en haar familie nog maar amper het besef dat ze Joods waren. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 31

CLAUDE MONET IN ZAANDAM 6

Claude Monet (Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926), de Frans impressionistisch kunstschilder, bezocht Nederland drie keer in de jaren 1870-1880. In een eerste reeks van blogs is al bericht over alle schilderijen die Monet in 1874 in Amsterdam maakte (zes blogs), het schilderij dat hij in Zaandam maakte van juffrouw Guurtje van de Stadt (20 oktober 1854 – 5 januari 1936), de drie Zaanse schilderijen van de molen Het Oosterkattegat, de drie schilderijen in het Westzijderveld, in het buitengebied van Zaandam met haar vele molens, pittoreske slootjes en bruggetjes, de vier schilderijen van de Achterzaan, met het groene theehuis en het Parijs aandoende L’embarcadère en de zeven stadsgezichten van de stad die midden in de negentiende eeuw nog helemaal gekenmerkt werd door de typische Zaanse groene houten huizen, molens en oude industriële panden.

Hij maakte ook nog zeven schilderijen waarin de Voorzaan belangrijk is. De Voorzaan is het deel van de Zaan tussen het Eiland, de Prins Hendrikkade en de sluis te Zaandam, ofwel het deel van de Zaan vóór de Dam. Het water was van groot belang voor de Zaanse economie, vooral voor Zaandam. Rond de Voorzaan was een concentratie van de Zaandamse industrie. Het Vissershop was de aanlegplaats van de schepen van de Zaandamse zee- en IJ-vissers, op de Ooster- en Westerhem (het huidige Eiland) stonden vele houtzaagmolens en na de verwijdering van de Overtoom (1718) concentreerde ook de scheepsbouw zich rond de Voorzaan. Voorts werden hier de walvisvaarders uitgereed, terwijl via Voorzaan en Grote Sluis de Achterzaan kon worden bereikt. (meer…)

GUSTAAF HENRI GELDER (49)

Gustaaf Henri Gelder (Batavia, 8 juli 1919 – Den Haag, 21 januari 1944) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toen in oktober 1941 door de Duitse bezetters werd afgekondigd dat Joden niet langer lid mochten zijn van een studentenvereniging, besloten die verenigingen zich op te heffen. Dat betekende echter ook dat er een eind dreigde te komen aan veel van de onderlinge contacten. Zo waren er literaire salons, waar door wetenschappers als de hispanoloog dr. Johan Brouwer (Delfshaven, 31 mei 1898 – Haarlem, 1 juli 1943) lezingen werden gehouden. Deze Brouwers was binnen het academische wereldje een curieus figuur. Zijn jeugdjaren werden gekenmerkt door een chronisch gebrek aan geld, reden voor hem en zijn broer een bankoverval te plegen. Een bekende die hiervan op de hoogte was, probeerde hen hiermee te chanteren en werd daarom in 1921 door de broers om het leven gebracht. Van 1922 tot 1928 moest hij zijn studie onderbreken om de opgelegde gevangenisstraf uit te zitten. Hierna pakte hij zijn studie Romaanse Talen weer op en studeerde in 1930 aan de Rijksuniversiteit Groningen cum laude af in de Spaanse letterkunde; in 1931 promoveerde hij er met een proefschrift over de Spaanse mystiek. Hij reisde daarna veel door Spanje en Portugal, publiceerde wetenschappelijke werken over de Spaanse letterkunde, vertaalde oude Spaanse literatuur en schreef enkele leerboeken Spaans. Door zijn reizen naar Spanje en het meemaken van de Spaanse Burgeroorlog, waar hij duidelijk koos voor de Republikeinen die tegen Franco vochten, werd hij zich bewust van de oorlogsdreiging en gaf hij waarschuwende lezingen in Nederland over het gevaar van non-interventie en de opkomst van het nationaalsocialisme. Toen begin 1941 dr. J.A. van Praag, de lector Spaans aan de Universiteit van Amsterdam, werd ontslagen omdat hij joods was, werd Brouwer tot zijn opvolger benoemd. (meer…)

VERRE VRIENDEN 2

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (47)
EERDERE AFLEVERINGEN

De vader van Antoine is een Italiaan van geboorte, maar genaturaliseerd Hollander, en bekleedt een hoge rang onder ons gezantschap bij de Porte. Als zodanig resideert hij sinds een aantal jaren te Pera. Antoine was als kind te Marseille gekomen en had daar zijn eerste onderwijs ontvangen. Als knaap werd hij op een van de kostscholen in mijn vaderstad gedaan, en wij leerden elkaar in het gelukkige tijdperk van veertien tot zeventien kennen, en droegen elkander wederkerig een warme en trouwe jongensvriendschap toe. De jongensleeftijd is waarlijk zo kwaad niet voor de vriendschap, daar het toch welbekend is dat deze het geluk bemint. Ja, ik zou bijna de jongenstijd de àllergeschiktste voor een wederzijdse genegenheid achten. De latere jongelingschap moge nog even belangloos zijn en evenmin afhankelijk van maatschappelijke scheidsmuren van rang, stand, en wat dies meer zij, maar zij is te rijp; men kent alsdan elkander te veel, te veel van nabij; men heeft reeds te veel kijk op de inwendige mens! Een jongen is geheel buitenkant! Men heeft later geleerd zich rede van zijn genegenheid te geven; te onderzoeken, na te gaan, te verdenken; ook heeft men zo vele zedelijke behoeften, en eist zo velerlei in een vriend! (meer…)

CUBY AND THE BLIZZARDS 2

CUBY AND THE BLIZZARDS 1

Cuby and the Blizzards was een Nederlandse bluesband uit de jaren zestig, afkomstig uit het Drentse Grolloo. In de grootste succesjaren bestond de band uit: Harry Muskee (zang), Eelco Gelling (gitaar), Herman Deinum (bas), Herman Brood (piano) en Hans la Faille (drums). De groep ontstond uit The Rocking Strings met Eelco Gelling (gitaar), Nico Schröder (basgitaar, vervangen door bassist Willy Middel, ex-Sinister Silhouettes), Hans Kinds (slaggitaar) en Wim Kinds (drums). Zanger Harry Muskee was voormalig contrabassist van The Old Fashioned Jazz Group. De groep trad in de jaren rond 1964 regelmatig op in de voormalige fabriekshal “’t Krotje” in Groningen, waar de concurrentiestrijd werd aangegaan met de lokale band Little John and the Rocking Tigers. Toen de eerste single, Stumble and fall, voor platenmaatschappij CNR werd opgenomen, was Dick Beekman drummer. De drummer vertrok in 1966 naar de beatgroep Ro-d-Ys, maar zou in 1968 voor een jaar terugkeren in de band. Zijn vervanger was Hans Waterman uit Groningen. De groep repeteerde in die tijd in een deel van het boerderijtje dat Muskee in Grolloo had gehuurd. In de formatie Muskee, Gelling, Middel, Waterman en Hans Kinds werd een aantal singles opgenomen voor het Philips-label van Phonogram Records, waarvan Back Home de lagere regionen van de Top 40 haalde. Voor de opname van de eerste elpee, Desolation, werd de groep uitgebreid met Henk Hilbrandie (piano), die daarvoor ook al een jaar met de groep rondtoerde. Harry Muskee en Henk kenden elkaar al uit The Old Fashioned Jazzgroup, waarvan ze beiden deel uitmaakten. Deze elpee werd in 1968 bekroond met een Edison. In 1967 moest Hans Kinds in militaire dienst en werd hij vervangen door pianist Herman Brood uit The Moans. Met Brood in de band werd de elpee Groeten uit Grollo opgenomen, waarvan Another day another road een redelijke hit werd. Het album bevatte ook de klassieker Somebody will know someday, geïnspireerd op Muskees verbroken relatie met Miep Huisman. (meer…)