DENEMARKEN 008

EEN OUDE KENNIS 6

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (44)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een oude kennis
Hoe voortreffelijk zij was
1e deel

Mevrouw Deluw was niet ver af, bezig met Jansje te beknorren over het leven dat zij maakte; ‘zij wist ook niet,’ zei ze met een oog op den tuinknecht, ‘waarom er altijd wat aan dien tuin gedaan moest worden, als de familie er in was.’
Deluw droeg zijn vriend aan zijne vrouw op, en wilde vertrekken.
‘Nog een woordje!’ zei mevrouw Deluw.
‘Wat, liefste?’ zei de dokter.
‘Zou daar niets aan te doen zijn?’
‘Waaraan?’
‘Aan die jongens.’
‘Welke jongens? Willem en…’
‘Och neen! aan die jongens daar in ’t veld.’
‘Wat wou je dan hebben dat er aan gedaan werd?’
‘Dat het ze verboden werd,’ zei mevrouw de doctorin.
(meer…)

PROCOL HARUM 2

PROCOL HARUM 1

Procol Harum is een Britse band die in 1967 werd gevormd. De band is vooral bekend van hun nummer 1-hits A Whiter Shade of Pale en Homburg. De band wordt gezien als een van de wegbereiders van het genre progressieve rock. De samenstelling van de band is in de loop der tijd veelvuldig gewijzigd. De enige constante leden zijn zanger/pianist Gary Brooker en tekstschrijver Keith Reid. De wortels van Procol Harum lagen in een live band genaamd The Paramounts, die door Gary Brooker en Robin Trower werd geleid, populaire artiesten in het begin van de jaren 60. Zij sloten in 1963 een contract af bij Parlophone en brachten de single Poison Ivy uit, die een gematigd succes was in Groot-Brittannië. Zij konden dit succes echter niet vasthouden en de band viel in 1966 uiteen. Brooker ging werken als liedjesschrijver en kwam hierbij in aanraking met tekstschrijver Keith Reid, met wie hij een aantal nummers schreef. Om deze nummers uit te voeren, werd een nieuwe band opgericht, Pinewoods geheten, met daarin naast Brooker onder andere organist Matthew Fisher en bassist Dave Knights. Met deze band werd het nummer A Whiter Shade of Pale opgenomen. Nog voordat dit nummer uitkwam, werd de naam van de band veranderd in Procol Harum. Het was hun manager die het idee kreeg om de band naar de kat van een vriend te noemen. A Whiter Shade of Pale werd een enorm succes en is een van de weinige nummers die tot twee keer toe de nummer 1-positie in de hitparade behaalden. Het nummer wordt algemeen beschouwd als een van de grootste popklassiekers. Voor de melodie werd er gebruikgemaakt van (een deel van) Bachs “Ouverture nr. 3 in D, BWV 1068”. De samenstelling van de band werd gewijzigd door twee leden te vervangen door oud-Paramounts Robin Trower (gitaar) en B.J. Wilson (drums). Een eerste album werd opgenomen, eenvoudig Procol Harum geheten. Ook verscheen een tweede single, Homburg, dat weliswaar minder succes had dan de voorganger, maar wel weer de 1ste plaats behaalde in de hitparade. Latere singles hadden vaak weinig succes maar de lp’s vonden hun weg naar een groot en trouw publiek, echter vooral in het buitenland, met name in Nederland. (Uit Wikipedia, met een verdere tekst over het vervolg van de carrière van Procol Harum) (meer…)

DENEMARKEN 007

DENEMARKEN 006

DENEMARKEN 005

DENEMARKEN 004

DENEMARKEN 003

DENEMARKEN 002

DENEMARKEN 001

EEN OUDE KENNIS 5

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (43)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een oude kennis
Hoe aardig het was
2e deel

De heer Dr. Deluw dacht dat hij een krankzinnige voor zich zag, en daar hij pas zeer boos was geweest, stond hij op het punt om het andermaal te worden, vermits het toch in één moeite door kon gaan, en hij het waarlijk anders zeer zeldzaam en niet dan met veel moeite werd.
‘Wat belieft u, mijnheer?’
‘Wel, heb je dan niet met Buikje gegeten?’
De heer Dr. Deluw herinnerde zich geen ander eten dan met zijn mond.
Hij trok de schouders op.
‘Hij is zeker in dien tijd nog vrij wat gezetter geworden, Zwarte Daan!’ zei de dikke man opstaande van den stoel, waarop hij gezeten was.
‘Bruis!’ riep eensklaps Dr. Daniel Deluw uit. ‘Dat’s waar ook, ik heette Zwarte Daan, en jij heette Buikje; ik zou je niet gekend hebben, man! Wat ben je veranderd! Samen gegeten. Welzeker, welzeker. In de Pleizierige Sauskom.’ Maar den toon van vroegere gemeenzaamheid even spoedig latende varen: ‘Wat mag ik u aanbieden, heer Bruis?’ (meer…)

THE BUFFOONS 2

THE BUFFOONS 1

The Buffoons was een Nederlandse closeharmonygroep uit Twente. En ook niet zomaar de eerste de beste. Het verhaal gaat dat ze op een moment werd gevraagd het voorprogramma te verzorgen van The Beach Boys die aan een uitgebreide Europese tour zouden beginnen. Op het laatste moment ging dat echter niet door toen het management van de Amerikanen er achter kwam dat The Buffoons het repertoire van The Beach Boys beter zongen dan The Beach Boys zelf. in de jaren 1966-1969 had de groep een aantal hits, maar vanaf 1969 werden de successen minder. De groep kwam nog wel in de publiciteit door een bezoek aan John Lennon tijdens diens bed-in met Yoko Ono in het Hilton Hotel in Amsterdam, maar de singles van The Buffoons haalden de hitlijsten niet meer. De groep was in 1966 ontstaan en vooral geformeerd rond de broers Gerard van Tongeren (zang, gitaar) en Ely van Tongeren (sologitaar, zang). in 1979 werd de groep definitief opgeheven; in latere jaren is diverse malen in wisselende samenstelling rondom de Van Tongeren-broers een terugkeer te maken, maar toen binnen korte tijd Gerard van Tongeren een hersenbloeding kreeg (2003) en Ely van Tongeren een hartinfarct (2004) eek het einde van de band definitief. Leek, want Ely probeerde het nog een keer, maar in 2007 werd de groep echt definitief opgedoekt. Hun grootste hit hadden ze in 1968 met The End, dat op nummer 4 van de hitlijst eindigde. (meer…)

TREINRAMP RUINERWOLD

Op 3 januari 1888 vond een treinramp plaats van twee stoomtreinen tussen Stopplaats Ruinerwold en Station Koekange. Vijf personen verloren hun leven bij de treinramp. Stopplaats Ruinerwold lag aan Staatslijn C tussen Meppel en Groningen, enkele kilometer verwijderd van Meppel. Het station werd op 1 mei 1870 geopend en zou tot 15 mei 1933 dienst doen. In 1940 werd het in 1910 gebouwde station gesloopt. Weer enkele kilometers verder (8,2 kilometer buiten Meppel) lag het station Koekange, dat ook op 1 mei 1870 was geopend en tot 15 mei 1938 dienst zou doen; in de maanden mei t/m november 1940 werd het station tijdelijk weer geopend. Het stationsgebouw werd later gebruikt voor bewoning door spoorwegpersoneel en eind zeventiger jaren gesloopt. Staatslijn C is de spoorlijn tussen Meppel en Groningen, die op 1 mei 1870 officieel werd geopend. Samen met Staatslijn A (de lijn Zwolle-Leeuwarden) en Staatslijn B (de lijn Harlingen-Nieuweschans) moest ze zorgen voor aansluiting van de grote steden in Noord-Nederland met de rest van het Nederlandse spoorwegnet. In 1888 was het spoor tussen Groningen en Zwolle enkelsporig en moesten treinen op vooraf bepaalde stations elkaar kruisen. (meer…)

MOORDKRUIS DRUTEN

Op de Waalbandijk bij Afferden staat al sinds mensenheugenis een kruis in de berm, dat in de plaats bekend staat als ‘het stenen kruis’. Volgens de overlevering is het een aandenken aan de moord op een pater in 1542. Op de dag voor Kerstmis liep de Franciscaner pater Fidelis, waarschijnlijk afkomstig van het Franciscaner klooster ‘Onze Lieve Vrouw op de Holtmeer dat op de grens van Bergharen en Horssen lag, over de dijk bij Afferden.Hij was op weg naar Kasteel Druten om aan een stervende de laatste sacramenten toe te dienen. Hij trof op de dijk twee vechtende ridders aan. De pater wees beide  edelen erop dat ze de kerst niet met bloedvergieten moesten ontheiligen. De strijders wilden echter niet luisteren en gingen door met het bloedige duel. De pater sprong tussenbeide om een eind aan het gevecht te maken. In het strijdgewoel werd de pater door de zwaarden dodelijk getroffen. Onmiddelijk waren de beide edelen eensgezind. Met hun zwaarden maken ze in de berm van de weg en begroeven daar de ongelukkige pater-monnik. ook zorgde ze ervoor dat op de plaats een zogenaamd moordkruis werd geplaatst. Op het kruis staat een oude afbeelding van een miskelk, een duidelijke verwijzing naar een geestelijke. Volgens de overlevering waren de ridders zo geschrokken van hun wandaad dat beide het klooster ingingen om te boeten voor hun zonde. in de loop der eeuwen was het kruis gebroken, maar met ijzeren banden werd het kruis weer hersteld. In 2005 werd het kruis door de gemeente Druten gerestaureerd en herplaatst. (meer…)

EEN OUDE KENNIS 4

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (42)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een oude kennis
Hoe aardig het was
1e deel

‘Jansje! daar wordt geklopt;’ riep een vrouwelijke stem.
‘Ik hoor het wel, juffrouw!’ riep Jansje.
Het was evenwel meer dan waarschijnlijk dat Jansje er niets van gehoord had; nademaal zij allerijselijkst veel pleizier had met den tuinknecht, die haar met water gooide.
Mijnheer Bruis had juist lang genoeg bij den vuilnishoop uitgerust om een lief plan van verrassing te vormen. Zodra Jansje hem dus opendeed en hem onderricht had dat dit dégelijk Veldzicht was, en dégelijk Dr. Deluws
tuin (want daarin scheen de stem uit het pothuis toch maar gelijk te hebben, dat het een Tuin was en geen Buiten) zeide hij:
‘Goed, meidlief! wijs me dan den weg maar naar den koepel; ik ben een oud vriend van mijnheer; ik wou mijnheer maar verrassen.’
‘Wil ik dan niet eerst gaan zeggen dat meheer er is?’ vroeg Jansje.
‘Vooral niet, kind; ga maar vooruit, wil je?’
(meer…)

DE LANGZAME ONTBINDING VAN HET BRITSE RIJK 4

In de afgelopen eeuw is er een enorme lijst ontstaan aan Britse kolonies, mandaten, protectoraten, territoriale claims en pure veroveringen. Hieronder een chronologisch overzicht, waarbij is gestreefd naar volledigheid, maar met name over de activiteiten in Azië en de Thirteen American Colonies een verdere detaillering gewenst is. In rood is aangegeven welke landen momenteel lid zijn van de Commonwealth of Nations en waarmee Groot-Brittannië dus stevige diplomatieke banden heeft. In blauw de landen van de British Overseas Territory aangegeven, die dus nog steeds behoren tot het grondgebied van Groot-Brittannië. In groen de gebieden die het moederland Groot-Brittannië en Noord-Ierland vormen.
.
(meer…)

DE LANGZAME ONTBINDING VAN HET BRITSE RIJK 3

De British Commonwealth startte in 1931 dus voorzichtig met zeven leden: Groot-Brittannië en zes dominions (Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, de Unie van Zuid-Afrika, Newfoundland en de Ierse Vrijstaat). Daarnaast had Groot-Brittannië een groot aantal kolonies, waarvan Brits-Indië vanwege haar grootte en belang voor het koloniale rijk een soort ‘status aparte’ had. Het omvatte de huidige landen India, Pakistan, Bangladesh en delen van Myanmar (Birma) en in bredere zin werd onder het begrip Brits-Indië het geheel aan koloniale bezittingen op het Indisch subcontinent bedoeld die al vanaf de 17e eeuw stapsgewijs in Britse handen kwamen. Tot 1858 werd dat land bestuurd door de Britse Oost-Indische Compagnie, maar vanaf 1876 regeerde koningin Victoria deze kolonie niet meer als koningin van het Verenigd Koninkrijk en het Britse Rijk, maar nam zij ook de titel keizerin van India aan. Men spreekt van 1876 tot 1947 dan ook wel van het keizerrijk India. Victoria regeerde overigens niet zelf, maar had een onderkoning als haar plaatsvervanger. Deze maakte op zijn beurt weer gebruik van de macht van Indiase adel (radja’s en maharadja’s). Deze inheemse vorsten werden weer bijgestaan en in de gaten gehouden door Britse bestuursambtenaren. Hoewel de vorsten soms zelfs een eigen leger en luchtmacht bezaten, was hun onafhankelijkheid door verdragen en de dominante positie van de Britten sterk ingeperkt. Op deze manier lukte het de Britten om India, met een bevolking die vele malen groter was dan die van het ‘moederland’, onder controle te houden. Tot 1947, toen het uit was met de pret. (meer…)

FRANK BOEIJEN

FRANK BOEIJEN

Frank Boeijen (Nijmegen, 27 november 1957) is een Nederlands zanger, dichter, componist en muzikant. In de jaren tachtig was hij populair met de Frank Boeijen Groep, een band uit de Nederlandstalige golf die de Nederpop uit die tijd doormaakte. Het werk van Boeijen kenmerkt zich door poëtische, vaak melancholieke teksten en melodieuze muziek in een stijl tussen pop en chanson.Frank Boeijen is geboren en getogen in Nijmegen. Hij is de jongste uit een katholiek gezin met tien kinderen. Zijn jeugd stond al in het teken van veel muziek: thuis, waar zijn oudere broers muziek meebrachten van Bob Dylan en Neil Young en op school, waar hij vaak mocht voorzingen. In de jaren na de middelbare school stortte Boeijen zich volledig in de muziek, eerst (in 1977) als duo met de zeven jaar oudere gitarist en vanaf 1979 met de Frank Boeijen Groep. In 1983 had de groep een eerste bescheiden hitje met Linda, maar de carrière ging goed van start met het nummer Zwart Wit (1984) geschreven naar aanleiding van de dood van Kerwin Duinmeijer. Absolute hoogtepunt is toch wel Kronenburger Park (1985), met het in die tijd bekende trio Mai Tai die de achtergrondzang voor hun rekening nam. Na die tijd ging Frank Boeijen steeds meer zijn persoonlijke stempel op de muziek van de band drukken. Er waren daarom nogal wat personele wisselingen in de band. Na elf jaar stopte de band in 1991; Frank Boeijen ging solo. Ook toen name hij een aantal memorabele nummers en cd’s op, maar het hoogtepunt blijft toch liggen bij de muziek die hij met zijn band maakte. De dubbel-verzamel Het Mooiste & Het beste van de band ligt hier nog steeds met regelmaat op de draaitafel. Hiervan: Waar kom jij vandaan. (meer…)

TERRITORIALE GESCHILLEN 6 – HANS ISLAND (deel 2)

Hanseiland is vernoemd naar ontdekkingsreiziger Hans Hendrik (2 juni 1832 – 11 augustus 1889). Dat is best bijzonder, want zoals hierboven al is gebleken was het een vaste gewoonte net te doen of de oude benamingen van de Inuit nooit hadden bestaan en werden de ‘nieuw ontdekte’ eilanden en wateren voorzien van de namen van westerse poolreizigers. Overigens was het wel gebruikelijk de achternaam te hanteren bij naamgeving, maar voor hem werd simpelweg de voornaam gebruikt. Hans Hendrik was echter een volbloed Inuit met als oorspronkelijke naam Suersag, die voor het gemak in de boekjes wordt aangeduid als een ‘Groenlands-Deens poolreiziger en tolk, voorzien van een nieuwe, westerse naam. Hij werd geboren in Kitaa, midden op de westkust van Groenland, als lid van de grootste Inuit-stam, de Kalaalit, en werd als kenner van de streek en als tolk in 1853 door de Amerikaanse ontdekkingsreiziger Elisha Kent Kane (3 februari 1820-16 februari 1857) ingehuurd voor de Tweede Grinnell Expeditie, die moest onderzoeken wat er was gebeurd met de Franklin Expeditie. In 1845 was John Franklin (ja, degene naar wie één van de eilandjes in Straat Nares is genoemd) met twee schepen vanuit Engeland vertrokken met als doel het laatste onontdekte gebied in het Canadees arctisch gebied in kaart te brengen. De twee schepen (HMS Erebus en HMS Terror) met hun 129 bemanningsleden kwamen echter al snel in het ijs vast te zitten. In april 1848 waren Franklin en een man of dertig al aan de ontberingen gestorven en werd besloten de schepen te verlaten. Onder leiding van Franklin’s assistent Francis Cozier (die van het andere eilandje) werd geprobeerd het vasteland van Canada weer te vinden, maar de complete groep verdween zonder enig spoor achter te laten. (meer…)

TERRITORIALE GESCHILLEN 6 – HANS ISLAND (deel 1)

Hans Island is een klein onbewoond eiland van 1,3 km² in de Straat Nares, een kilometer of honderd ten zuiden van het dorp Alert, de noordelijkst gelegen permanent bewoonde nederzetting ter wereld, met 75 inwoners. Alert ligt op het eiland Ellesmere, een afstand van 817 km van de geografische noordpool en aan de kust van de Noordelijke IJszee (die tegenwoordig vanuit het Engels vertaald steeds vaker de Arctische Oceaan wordt genoemd). Vanwege de ligging boven de noordpoolcirkel gaat de zon in Alert tussen 8 april en 5 september niet onder en komt de zon tussen 13 oktober en 1 maart niet boven de horizon. Alert bevat een basis van de Canadese strijdkrachten met onder meer een weerstation dat de lokale atmosfeer onderzoekt. Tegenover het Canadese eiland Ellesmere ligt Groenland. Het deel van de Noordelijke IJszee direct ten noorden van Groenland heet de Lincolnzee, die bijna het hele jaar door bevroren is. Het ijs is er gemiddeld 15 meter dik, zodat de Lincolnzee het dikste zee-ijs ter wereld heeft. De zee is genoemd naar Robert Todd Lincoln (1843-1926), voormalig Amerikaans minister van defensie en zoon van Abraham Lincoln. Aan de Zuidkant van Ellesmere ligt de Baffinbaai, een zee tussen de Atlantische Oceaan en de Noordelijke IJszee. Ook deze zee is vanwege de vele ijsbergen het grootste deel van het jaar. De baai is vernoemd naar William Baffin (1584-1622), een Britse zeevaarder en cartograaf die in 1616 als eerste persoon door de baai voer. De Baffinbaai in het zuiden en de Lincolnzee in het noorden worden met elkaar verbonden door Straat Nares. De zeestraat werd in 1964 in overleg tussen de Canadese en Deense regering vastgesteld en werd vernoemd naar de Britse marine-officier George Strong Nares (1831-1915), die vele ontdekkingsreizen in het poolgebied heeft gedaan. (meer…)

EEN OUDE KENNIS 3

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (41)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een oude kennis
Hoe warm het was, en hoe ver,
3e deel

Het was blijkbaar dat de heer Bruis de verkeerde laan had ingeslagen,en hoewel de vuilnishoop onaangenaam was, deed toch de nabijheid van het water hem zoveel genoegen, dat hij besloot daar een ogenblik uit te rusten alvorens hij terugkeerde. Hij zette zich tot dat einde zoo dicht mogelijk aan den waterkant neder, en met zijn zakdoek waaierende, en met zijne rede zijn ongeduld afkoelende, slaagde hij er vrijwel in zich een weinigje tot kalmte te brengen. Rechts en links langs den oever kijkende, bemerkte hij aan zijn linkerhand op enige afstand een vierkanten zeegroene koepel, waarin zich enige mensen bewogen, en, hoewel hij ze niet kon onderscheiden, was het als of ’t hem ingegeven werd, dat dit het Veldzicht van zijn vriend den dokter wezen moest; en dat het dien naam dragen kon, bewees het vergezicht aan den overkant van de vaart; want het was weiland links en rechts, ver en wijd, tot aan den blauwen horizont; niets dan groen en geel en zonnig weiland!
(meer…)

DE LANGZAME ONTBINDING VAN HET BRITSE RIJK 2

Van 4 april tot 6 mei 1887 werd in Londen de First Colonial Conference gehouden, ter gelegenheid van het gouden jubileum van koningin Victoria. De naam geeft perfect aan hoe de verhoudingen lagen. De bijeenkomst diende namelijk allereerst om de onderlinge band van Groot-Brittannië met enkele belangrijke kolonies te verstevigen. De Ierse Vrijstaat, Canada, Newfoundland, Australië, Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika hadden allemaal al enige zelfstandigheid verworven. De oude benaming ‘kolonie’ leek niet meer helemaal gepast en in plaats daarvan werd de term ‘dominion’ ingevoerd, waarmee tot uiting kwam dat er toch nog wel voldoende Britse zeggenschap over die landen was. Ook India, hoewel aanzienlijk minder ver op de weg naar zelfstandigheid, had een hogere status dan de gemiddelde kolonie had. Deze leiders van het Britse Rijk ontmoetten elkaar in een vriendschappelijk treffen, waar tussen wijn en eten beleidsafspraken werden genomen. Er waren meer dan honderd aanwezigen, waaronder veel onofficiële vertegenwoordigers. Er werd onder meer besloten dat de kolonies Australië en Nieuw-Zeeland jaarlijks 126.000 pond aan de Britse schatkist zou betalen, in ruil waarvoor de Britten beloofde niet zonder toestemming van de kolonies de aanwezigheid van de Britse vloot in de Pacific terug te brengen. Ook werd ingestemd met de aanleg van een telegrafiekabel tussen Vancouver en Australië.

Binnen verschillende koloniën begon met deze constructie te benauwend vinden en de naam ‘colonial’ stuitte ook op weerstand. Vanaf mei 1907, toen de vijfde samenkomst werd gehouden, heette deze dan ook Imperial Conferences, waarbij beter tot uitdrukking kwam dat de dominions hun eigen voorstellen hadden, die er zonder uitzondering op neerkwamen dat men wilde loskomen van de koloniale status. (meer…)

DE LANGZAME ONTBINDING VAN HET BRITSE RIJK 1

Een kolonie is een territorium dat onder bestuur van een soevereine staat valt, maar geen deel uitmaakt van het eigenlijke grondgebied van dat moederland. Oorspronkelijk was kolonisatie de vestiging van een deel van een bevolking buiten het eigenlijke territorium van dat volk, zoals de Oude Grieken die kolonies stichten in onder meer het huidige Turkije en op Sicilië. Bij latere kolonisaties werd echter de inheemse bevolking ook onderworpen. Deze vorm van westerse kolonisatie begon in de eerste jaren van de 15e eeuw toen de Spanjaarden en Portugezen de wereld gingen ontdekken en al doende diverse landen, kuststroken en steden aan hun territorium gingen toevoegen. Bij het Verdrag van Tordesillas verdeelde de paus de niet-Europese gebieden tussen Spanje en Portugal. In de Tachtigjarige Oorlog verschenen eerst Nederland als rivaal op het koloniale toneel. Groot-Brittannië speelde allereerst een marginale rol naast Spanje, Portugal en Nederland. De Britse activiteiten beperkten zich hoofdzakelijk tot piraterij. In de 17e en 18e eeuw manifesteerden de Britten zich echter in Amerika, India en Brits-West-Indië. Delen van het huidige Canada werden op de Fransen veroverd. De Kaap en de Franse gebieden in India kwamen aan Engeland na 1815. In het Victoriaanse Tijdperk bereikte het Britse Rijk (British Empire) zijn hoogtepunt met de consolidatie van macht in India. (meer…)

ARVO PÄRT

ARVO PÄRT

Arvo Pärt (Paide, 11 september 1935) is een Estse componist, die geldt als een van de belangrijkste hedendaagse componisten van gewijde muziek. Hij kreeg zijn eerste muzieklessen toen hij zeven jaar oud was. Van 1957 tot 1963 volgde Pärt een opleiding aan het conservatorium van Tallinn, waar hij compositieles kreeg van Heino Eller, een Estse componist en muziekpedagoog. Zijn eerste composities dateren uit zijn studietijd. Necrolog, zijn eerste orkestwerk, was erg gebaseerd op de twaalftoonstechniek van Arnold Schönberg, waarmee het toenmalige Sovjetregime bepaald niet gelukkig was. Vanaf 1962 (zijn laatste studiejaar) tot 1974 componeerde hij de muziek voor animatiefilms en kreeg hij een baan als klankregisseur bij de radio van Estland. Daarnaast ging hij door met componeren. Pärt experimenteerde na zijn studie met diverse compositietechnieken en schreef aanvankelijk vooral seriële muziek. Volgens zijn biograaf Paul Hillier raakte hij hierna in een spirituele en professionele crisis. Hij ging op zoek naar andere muziek en bestudeerde gregoriaanse muziek en de opkomst van de polyfonie (meerstemmige muziek) in de renaissance. In die tijd trad hij toe tot de Russisch-orthodoxe Kerk. In 1968 componeerde hij het werk Credo voor piano, koor en orkest, wat hem opnieuw in conflict bracht met het antireligieuze regering van Sovjet-Rusland waartoe Estland dan nog steeds behoorde. Hij trok zich terug om middeleeuwse muziek te bestuderen, waaronder die van Franse en Vlaamse componisten als Josquin Des Prez, Guillaume de Machault, Jacob Obrecht en Johannes Ockeghem. In werken uit die periode is die invloed te herkennen. Hierna sloeg Pärt een heel andere weg in en ging componeren in een stijl die hij zelf de tintinnabuli-stijl noemde. Die naamgeving verwijst naar het Latijnse tintinnabuli, wat klokjes of belletjes betekent. Ofwel, hij ging muziekmaken die klinkt als het geluid van bellen of klokken. Deze muziek wordt gekenmerkt door simpele harmonieën, vaak ook door enkele noten of drieklanken die volgens de componist als bellen klinken. Het eerste stuk waarin hij van deze techniek gebruikmaakt is Für Alina, een pianowerk uit 1976. Daarna volgden de drie werken die tot op heden toe het meest bekend zijn: Fratres, Cantus In Memory Of Benjamin Britten en Tabula Rasa. In 1980 vestigde Pärt zich in Wenen, een jaar later vertrok hij naar West-Berlijn. Sinds zijn vertrek uit de Sovjet-Unie schrijft Pärt veel religieuze werken, vaak in opdracht van koren en kathedralen. Arvo Pärt wordt weleens schertsend een van de leden van “The God Squad” genoemd. Op 10 december 2011 werd hij door paus Benedictus XVI voor een hernieuwbare periode van vijf jaar benoemd tot lid van de Pauselijke Raad voor de Cultuur. Het pianowerk uit 1973 blijft wonderschoon: Für Alina.
.

CLAUDE MONET IN ZAANDAM 5

Claude Monet (Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926), de Frans impressionistisch kunstschilder, bezocht Nederland drie keer in de jaren 1870-1880. In een eerste reeks van negen blogs is al bericht over alle schilderijen die Monet in 1874 in Amsterdam maakte (zes blogs), het schilderij dat hij in Zaandam maakte van juffrouw Guurtje van de Stadt (20 oktober 1854 – 5 januari 1936), de drie Zaanse schilderijen van de molen Het Oosterkattegat, de drie schilderijen in het Westzijderveld, in het buitengebied van Zaandam met haar vele molens, pittoreske slootjes en bruggetjes en de vier schilderijen van de Achterzaan, met het groene theehuis en het Parijs aandoende L’embarcadère. Hij maakte verder ook zeven stadsgezichten van de stad die midden in de negentiende eeuw nog helemaal gekenmerkt werd door de typische Zaanse groene houten huizen, molens en oude industriële panden. De Zaanstreek was belangrijk in de houtverwerking en voedingsmiddelenindustrie. Ooit was de streek de provisiekast van Nederland. Er hebben honderden molens gestaan. Op het hoogtepunt, rond 1720, waren er circa 600 molens gelijktijdig in bedrijf. In totaal zijn er ongeveer 1.100 verschillende molens in bedrijf geweest. Tientallen molens zijn in de loop der eeuwen herbouwd doordat hun voorganger werd verwoest door brand of storm. Ook werden er wel molens verplaatst. De stad kende in de 17e en 18e eeuw een grote economische voorspoed. Er was in Europa geen streek te vinden waar op zo’n kleine oppervlakte zoveel verschillende nijverheid te vinden was: weverijen, stijfselfabrieken, zeildoekmakerijen, papier, tabak, verf, kaarsen, snuif, blauwsel, cacao, kuiperijen, smederijen, traankokerijen, zagerijen, scheepsbouw, zeevaart, handel en veeteelt. Ook de walvisvaart was belangrijk, bijna elk dorp in de Zaanstreek deed er aan mee. In 1697 kwamen maar liefst 78 Groenlandvaarders met de vlag in top tegelijkertijd op hun thuisreis de Zaan opvaren. Zij brachten bijna 40.000 vaten walvisspek binnen. De dorpen en stadjes waren ook bekend om de vele houten huizen, doorgaans in typerend groen en wit geschilderd. Om echt een goede indruk te krijgen hoe het ooit de traditionele Zaanse bouwstijl eruit heeft gezien kan men terecht bij het openluchtmuseum de Zaanse Schans. Monet heeft zeven stadsgezichten in de oude Zaanstreek geschilderd. (meer…)

ARTHUR LUCIEN CHARROIN (48)

Arthur Lucien Charroin ( Saint Martin-de-Valgargues, 16 juni 1906 – Bergen-Belsen, februari 1945) was een inspecteur van de Sûreté nationale, het Franse onderzoeksinstituut dat al in de negentiende eeuw werd opgericht en als voorbeeld diende voor de opzet van bijvoorbeeld Scotland Yard. Zijn geboortedorp Saint-Martin-de-Valgalgues ligt in het Zuid-Franse arrondissement Alès van het departement Gard. Dat is dus in de Vrije Zone ofwel Vichy-Frankrijk dat onder leiding stond van de oude held uit de Eerste Wereldoorlog, maarschalk Pétain. Dit bewind collaboreerde met de nazi’s. Charroin was binnen de Sûreté nationale gedetacheerd bij de douanepost St. Julien-en-Genevois, gelegen aan een spoorwegverbinding van vlak aan de grens bij Genève. Inspecteur Charroin was op verschillende manieren betrokken bij het verzet, maar zijn voornaamste activiteit daarbij was voor de groep Dutch-Paris, het ondergrondse netwerk van het Nederlands, Belgisch en Frans verzet. Dat netwerk had als doel mensen te redden en documenten over de grens te smokkelen. Het was een van de belangrijkste en meest succesvolle ondergrondse netwerken om vervolgden vanwege geloof en ras, geallieerde piloten, en personen van groot Nederlands belang te helpen ontsnappen via Zwitserland en Spanje gedurende de Tweede Wereldoorlog. De ontsnappingsroute heeft in belangrijke mate bijgedragen aan het Frans verzet, en is verantwoordelijk voor de redding van meer dan 1.080 mensen, waaronder 800 Nederlandse Joden en meer dan 112 neergehaalde geallieerde piloten. Zo’n 300 mensen maakten deel uit van dit ondergrondse netwerk, daarvan werden er ongeveer 150 gearresteerd. Veertig leden werden gedood of stierven aan de gevolgen van gevangenschap. Door zijn functie bij de Franse douanepost was hij de ideale contactpersoon op de zogenaamde Zwitserse Weg. De reis naar Zwitserland liep van Nederland naar Brussel, Parijs en Lyon naar Annecy om daarna over de Alpen de Zwitserse grens over te steken. Charroin maakte het mogelijk dat Jean Weidner, de grote organisator achter Dutch-Paris, met regelmaat van en naar Zwitserland kon reizen. Hij werkte verder samen met met P.C. Naeff, de Nederlandse vice-consul in Lyon en voorheen de directeur van het Casan (Centres d’Assistance Social aux Réfugiés Néerlandais) in Perpignan. Die beide plaatsen waren vooral belangrijk voor de Pyreneeën-route van Dutch-Paris. (meer…)

EEN OUDE KENNIS 2

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (40)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een oude kennis
Hoe warm het was, en hoe ver,
2e deel

De heer Bruis was ondertussen nog warmer dan warm geworden, waar zijn ongeduld en de jas over den arm niet weinig aan toebrachten. Hij schelde dus voor den vierden keer, en nu zoo luide, dat de juffrouw naast de deur, die in haar spiegeltje keek en hem al lang gezien had, ‘er akelig van werd’, haar naaiwerk van haar knie losspeldde (zij moedigde de uitvinding van schroeven, plombs en spanriemen niet aan), een bovendeur opendeed en aan den heer Bruis verklaarde: ‘dat er niemand inwas’.
‘De dokter ook niet?’
‘Neen, menheer.’
‘Mevrouw ook niet?’
‘Neen, menheer; ik zeg je ommers dat ze der allemaal op uit zijn…’
‘Waar zijn ze dan naar toe?’
‘Dat weet ik niet, menheer! Ze zijn allemaal uit, en de meid is alleen
thuis.’
‘Waarom doet dan de meid niet open?’
‘Wel, omdat ze der niet inis, menheer.’
‘En je zegt, ze is thuis?’
(meer…)

MGR. JOANNES VAN HOOYDONK

57e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Joannes van Hooydonk (2 augustus 1782 – 25 april 1868) was een rooms-katholiek geestelijke en de eerste bisschop van Breda na het Herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland in 1853. Dr. F. A. Brekelmans schreef in het jaarboek 1965 van De Oranjeboom een uitvoerig artikel over het geboortehuis van mgr. Joannes van Hooydonk, waarvoor hier ten behoeve van de leesbaarheid enkele noten in de tekst zijn verwerkt en de beschrijving van het geboortehuis en de huidige stand van zaken is gelaten voor wat het is: ‘De gemeente Nieuw-Ginneken kan er zich op beroemen de geboorteplaats te zijn van de eerste bisschop van Breda, mgr. Joannes van Hooydonk. Deze zag in 1782 het levenslicht in het gehucht Notsel onder het kerkdorp Ulvenhout. Hij werd 2 augustus 1782 gedoopt in de schuurkerk te Ulvenhout. Als peter en meter traden op Martinus van Hooydonk (vermoedelijk een broer van Jan’s vader) en Maria Catharina van Hooydonk. De naam der familie wordt in de doopakte steeds gespeld als Van Hoydonck. J. B. Krüger merkte in zijn Kerkelijke Geschiedenis van het Bisdom van Breda II (Roosendaal 1874, pag. 435) hierover op: ‘Zijn brave ouders die hem in deugd en godsdienstigheid” opvoedden, beiden telgen uit een oud boerengeslacht, waren Adriaan Michielss. van Hooydonk en Sijke (Lucia) Pebergen. Dit echtpaar was in 1776 te Ginneken gehuwd. Hun gezin telde zes kinderen, waarvan de latere bisschop het vierde was. (meer…)

ODALISKEN – 029

Thea Duskin is een tattoe-kunstenaar en de medeoprichter en eigenaar van Ghostprint Gallery in Richmond, Virginia.De mede-eigenaar is haar zus Geraldine Duskin, die naast haar bezigheden in de kunsthandel een succesvolle carrière heeft als kunstontwerper voor het New York State Theater en binnen de filmindustrie. De naam ghostprint verwijst naar een drukproces waarbij slechts één originele afdruk vanaf de geschilderde plaat wordt gemaakt. De afdruk zal aanzienlijk lichter zijn dan de oorspronkelijke kleurstelling, en dus als het ware een ‘geest’ van het origineel zijn. Thea Duskin houdt zich naast het tattoeëren bezig met het maken van collages en schilderijen. Op een trompe l’oeil-manier probeerde ze dat werk in haar tattoes in haar werk te integreren, waarbij haar werk op de huid de vorm van het lichaam moet volgen. Haar motieven ontleend ze vooral aan de natuur, waarbij de traditionele Japanse schilderkunst een belangrijke inspiratiebron is. De laatste jaren heeft ze tentoonstellingen gehad in Miami, Hamburg (2015), Winterthur (2013), Richmond, Philidelphia (2012), Richmond (2011) weer Richmond en New York (2011), Houston (2008) en Seattle (2006). Van haar is bijgaande foto, waarbij een fleurige tattoe van Duskin is aangebracht op een deel van de ruh en schouderpartij van het model. Die is gefotografeerd in een klassieke opstelling van een odalisk.
. (meer…)

SHIGERU UMEBAYASHI

SHIGERU UMEBAYASHI

Shigeru Umebayashi (Kitakyushu, Fukuoka, 19 februari 1951) is a Japanse componist. Hij begon als leider en basgitarist van de Japanse new-wave rockband EX. De term new-wave is een wat vage omschrijving voor elke vorm van muziek die in de tachtiger jaren wat moeilijk te classificeren was. Het blad Rolling Stone noemt de term dan ook terecht ‘virtually meaningless’. Met de term wordt momenteel alles behalve punkmuziek aangeduid. In het algemeen zijn meer de kernwoorden ‘donker, meeslepend en zweverig’ van toepassing. Wat voor muziek EX precies maakte is niet te achterhalen voor me, maar wat belangrijker is, is dat Shigeru omstreeks 1985 met de band stopte en zich ging toeleggen op het schrijven van filmmuziek. En daarin werd hij gigantisch goed, want hij heeft inmiddels voor een stuk of veertig Japanse en Chinese films de muziek geschreven. In het Westen is van al die films In the Mood for love (2000) het best geworden. Het verhaal speelt in Hongkong in 1962, waar Chow Mo-Wan en Su Li-Zhen op dezelfde dag naast elkaar komen te wonen. Chow is journalist bij een plaatselijke krant, Su werkt als secretaresse. Hun respectievelijke partners zijn niet veel thuis: haar man moet vaak op zakenreis en zijn vrouw maakt als receptioniste regelmatig overuren. Daardoor brengen de twee steeds meer tijd met elkaar door. Uiteindelijk realiseren ze zich waarom hun partners zo vaak weg zijn: ze hebben een verhouding. Samen proberen ze te achterhalen hoe het begonnen is. Doordat ze zoveel tijd met elkaar doorbrengen, komen ze er pas laat achter dat ze verliefd op elkaar zijn geworden. Mooie, ingetogen film. Voor die film werd zijn Yumeji’s Theme gebruikt, wat in 1991 de titeltrack was geweest van de film Yumeji van de Japanse regisseur Seijun Suzuli over de dichter en schilder Takehisa Yumeji (16 september 1884 – 1 september 1934). Dat is inderdaad een fenomenaal nummer, waarnaar ik in een bijna eindeloze herhaling kan luisteren. Dat komt goed uit, want een gelijkgestemde heeft het nummer een keer of veertig achter elkaar gezet, zodat meer dan een uur kan worden geluisterd naar Yumeji’s Theme. (meer…)

GAUCHO (1868)

We hebben een romantisch beeld van Amerikaanse cowboys, opgedrongen door de vele films en tv-series die we in de loop der jaren hebben gezien. Dat beeld draait in eerste instantie om hun uiterlijk en de rest van hun voorkomen: hoed, laarzen, overhemd en gillet, eendagsbaard en altijd een paard in de buurt en een fles whiskey ook nooit ver weg. Gigantisch goede paardrijders, die cowboys. Altijd. Hun persoonlijkheid is al net zo rotsvast, wel afhankelijk of ze onder ‘the good guys’ of onder de bandieten vallen, maar altijd: stoer, snel genegen het recht in eigen handen te nemen, triggerhappy. Net zoals wij deze Amerikaanse cowboys hebben gegeneraliseerd en in onze geest het idee heeft postgevat dat vóór 1900 de gemiddelde Amerikaan er zo uitzag, is in mindere mate ook een vergelijkbaar beeld ontstaan van hun Argentijnse collega, de gaucho. Net zo stigmatiserend en generaliserend, want gaucho’s maakten sinds hun opkomst in de 18e eeuw maar een heel klein deel uit van de Argentijnse bevolking. Die kleine groep heeft echter wel een dikke stempel gedrukt op de Argentijnse cultuur. Dankzij de gaucho kan men vandaag de dag in Argentinië niet zonder maté, niet zonder asados en niet zonder het kaartspel truco; ook speelt men graag iets op de guitarra criolla en geniet men van de folkloremuziek van de pampa waarvan Mercedes Sosa het grote voorbeeld is. Zoals de cowboys hun vrije tijd graag in de saloon doorbrachten, lurkend aan de whiskey of aan de pokertafel, zo kon je de Argentijnse gaucho tot in de late uurtjes vinden in de pulpería, onveranderlijk met zijn poncho om het bovenlichaam. In deze eenvoudige tavernes kwamen ze om een warme hap te eten, jenever te drinken en wellicht een potje truco te spelen. In de pulpería had men vaak wat gitaren, zodat er folkloremuziek kon worden gespeeld en gedanst. Zo zijn onder meer chamamé, zamba, malambo en chacarera ontstaan: indrukwekkende dansen in plattelandsstijl waar veel voetenwerk, messen, laarzen en zelfs stierenballen aan te pas kwamen. (meer…)

EEN OUDE KENNIS 1

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (39)
EERDERE AFLEVERINGEN

Een oude kennis
Hoe warm het was, en hoe ver,
1e deel

Het was een brandend hete vrijdagachtermiddag in zekere Hollandse stad; zoo heet en zoo brandend, dat de mossen op het dak gaapten, ’t welk op gezag der Hollandse manier van spreken, de grootste hitte is, die men zich voor kan stellen. De zon scheen vinnig in de straten en glinsterde op de van droogte poeierig geworden keien. In die straten, die tegen het zuiden liepen en dus geen schaduwkant hadden, bracht zij de voorbijgangers letterlijk tot wanhoop. De kerels, die met kroosjes en wijnperen rondwandelden, veegden alle ogenblikken hun voorhoofden met hun linnen voorschoten af; de sjouwermannen, die anders gewoon zijn in hydrostatische, verstrooidheid hun leden over de leuningen der bruggen te doen hangen, een houding waaraan zij hier en daar den vererende naam van baliekluivers te danken hebben, lagen aan den oeverkant voorover op hun ellebogen uitgestrekt, met een pot karnemelk in plaats van jenever; de metselaren op karwei, aan den voet van een steiger op een balk neergezeten, met hun ellebogen op de knieën en hun twee handen om een spoelkom geklemd, bliezen wel eens zolang over hun thee als gewoonlijk, en dus zeer opmerkelijk en verwonderlijk lang; de dienstmeiden, die boodschappen deden, konden de kinderen, die meegegaan waren op hope van een pruim of een vijg bij den kruidenier toe te krijgen, nauwelijks over de straat voortslepen, en uitten in ’t voorbijgaan een diep en innig medelijden jegens de werkmeiden die de ‘straat deden’ met geblakerde gezichten en onder de kin losgemaakte mutsen. Niemand was bedaard, dan hier en daar een enkel grijsaard, die met blauwe slaapmuts op en zwarte muilen aan, met de benen op zijn stoepbankje uitgestrekt, een pijp zat te roken, in gezelschap van een violier en een balsamine, zich verheugende in den ‘ouërwetschen dag weer’.
(meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 037


.
Frans van den Muijsenberg / 28 september 2012, Sfinx van Gizeh, Egypte

DE SFINX VAN GIZEH (1867 – 1878)

De Sfinx van Gizeh is het grootste en bekendste beeld van een sfinx ter wereld. Het staat bij de drie grote piramiden in Gizeh met de rug naar de Piramide van Chefren. De Sfinx ligt naast de dodentempel van Chefren en is gehouwd uit een rotsachtige formatie. Deze rotsformatie had al de ruwe kenmerken van de sfinx doordat ze jarenlang was blootgesteld aan de wind. Het beeld werd uitgehakt en gemodelleerd naar de vorm van een sfinx. De sfinx is 73 meter lang, 19 meter breed en 20 meter hoog. Hij bestaat uit drie lagen kalksteen. De onderste lagen bestaan uit zachte kalksteen, terwijl het hoofd uit een hardere laag bestaat. De neus van de sfinx is er gedurende de tijd afgevallen. Over die neus wordt in het stripalbum Asterix en Cleopatra een grappige uitleg gegeven. Een bekende theorie  is dat Napoleon Bonaparte toen hij Egypte binnenviel de neus zou hebben afgebroken met de bedoeling om de Egyptenaren (en dus indirect ook hun voorvaderen) te beledigen. Onzin, want op schetsen uit 1737 van de Deense ontdekkingsreiziger Frederick Lewis Norden werd de sfinx al zonder neus afgebeeld en al drie eeuwen daarvoor, in de vijftiende eeuw, schrijft de Egyptische historicus al-Maqrizi  dat het verloren gaan van de neus te wijten is aan vandalisme in 1378 door Muhammad Sa’im al-Dahr, een soefifanaticus die in woede uitbarstte toen hij zag dat Egyptische boeren offerandes uitbrachten aan de sfinx in de hoop dat ze zo hun oogst konden verhogen. Het hoofd van de sfinx beeldde hoogstwaarschijnlijk een farao uit en is voorzien van de koninklijke nemes (hoofdtooi). (meer…)

DADAMAINO

Dadamaino is de artiestennaam van Eduarda Emilia Maino (2 october 1930 – 13 april 2004), die is ontstaan door samenvoeging van haar bijnaam ( ‘Dada’ als verbastering van Eduarda) en achternaam. Ze was in de zestiger jaren een lid van de Milanese avant-garde. Ze rondde eerst een medische opleiding af voordat ze eind jaren vijftig besloot zich helemaal op de kunst te storten. Ze sloot zich aan bij een groep jongelui die werden geïnspitreerd door de Argentijnse kunstenaar Lucio Fontana (1899-1968) en zijn spatialisme. Fontana maakte vooral conceptuele kunst en was een van de eersten die zogenaamde environments maakte. Dat zijn ‘omgevings-sculpturen’ waarbij in een bepaalde ruimte (een kamer, theater, straat of plein) verschillende materialen, bewegingen, klank, licht en andere communicatiemiddelen een rol spelen. Het betreft dan meestal tijdelijk opgebouwde installaties of constructies. Een enkele keer werd dan ook gewerkt met geluid of geurstoffen. Fontana kreeg bekendheid met schilderijen waarin hij het linnen doorsneed of doorstak. Een dergelijk werk noemde hij een ‘concetto spaciale’ (ruimtelijk concept). Dat idee werkte hij uit in het spatialisme, dat later veel invloed op latere kunststromingen, waaronder performance-art en environmental-art. (meer…)

SOAP & SKIN

SOAP & SKIN

Soap & Skin is een experimenteel muziekproject van de Oostenrijkse zangeres Anja Plaschg. Ze werd op 5 april 1990 geboren in het dorpje Poppendorf in de deelstaat Stiermarken, vlak bij de Hongaarse en Sloveense grens, waar haar ouders een boerderij hadden. Vanaf haar zesde jaar kreeg ze pianoles, vanaf haar veertiende begon ze ook viool te spelen en kort daarna verschoof haar aandacht naar elektronische muziek. In Graz volgde ze een opleiding voor grafisch design, maar amper zestien jaar oud stopte ze daarmee en vertrok naar Wenen om een kunstopleiding te gaan volgen in een masterclass van Daniel Richter, een redelijk bekend Duits abstract schilder. Blijkbaar is Plaschg geen volhoudertje, want ook hier houdt ze het als achttienjarige niet lang uit. Misschien had ze dat als muzikante ook niet nodig, want al na een paar concerten werd ze in de media omschreven als ‘wonderkind’. In 2008 vertolkte ze in Berlijn en Wenen de rol van de Duitse zangeres Nico, die in de zestiger jaren furore maakte in het gezelschap van Andy Warhol, in het toneelstuk ‘Nico – Sphinx aus Eis’ van regisseur Werner Fritsch in Berlin and Vienna. Ze vertolkte daarbij enkele nummers die op een EP (die bestonden in 2008 bij de oosterburen dus nog) uitkwamen, waaronder ‘Janitor of Lunacy’. In 2009 kwam haar eerste lp uit: Lovetune for Vacuum, die goed scoorde in Oostenrijk en het blijkbaar ook niet onaardig deed in Duitsland, Frankrijk en België. Ze werd door verschillende critici al gepromoot als de nieuwe grote Oostenrijkse ster die het internationaal wel even zou gaan maken. Trouw schreef in juni 2009 over haar tweede lp: De pianopop op Lovetune For Vacuum wordt al vergeleken met de muziek van Kate Bush, Nico en Tori Amos. Het zijn voor de hand liggende associaties, al is het werk van Soap & Skin zowel qua muziek als teksten veel donkerder en grimmiger dan het werk van haar beroemde voorgangers. Plaschg combineert romantische pianomelodieën (’Mr. Gaunt pt 1000’) die aan Yann Tiersen (’Le Fabuleux Destin d’Amélie Poulain’) doen denken met rauwe elektronische klanken en indringend ijle vocalen. (meer…)

CLAUDE MONET IN ZAANDAM 4

Claude Monet (Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926), de Frans impressionistisch kunstschilder, bezocht Nederland drie keer in de jaren 1870-1880. In 1871 verbleef hij vier maanden in Zaandam, begin 1874 bezocht hij Amsterdam en in 1886 werkte hij in de bollenstreek. De achtergronden van die reizen zijn in eerdere blogs over het verblijf van Monet in Nederland al uit de doeken gedaan. Tijdens deze verblijven zou hij 42 schilderijen maken met typisch Hollandse onderwerpen als riviergezichten met molens en bootjes, stadsgezichten van Amsterdam en tulpenvelden. In een eerste reeks van acht blogs is al bericht over alle schilderijen die Monet in 1874 in Amsterdam maakte (zes blogs), het schilderij dat hij in Zaandam maakte van juffrouw Guurtje van de Stadt (20 oktober 1854 – 5 januari 1936), de drie Zaanse schilderijen van de molen Het Oosterkattegat en van drie schilderijen in het Westzijderveld, in het buitengebied van Zaandam met haar vele molens, pittoreske slootjes en bruggetjes. Daarnaast maakte Monet drie schilderijen van de Achterzaan waarop het groene theehuis centraal staat en een schilderij dat een opvallend andere uitstraling heeft en dat in Frankrijk de naam L’embarcadère heeft, waarmee de steiger voor het instappen in een bootje wordt bedoeld.
(meer…)

LOUIS LONCIN

Louis Loncin (Dubuy, 1875 – Waulsort, 1946) Was in 1917 naar Nederland was gevlucht, maar keerde in oktober 1917 terug naar België om zich als oorlogsvrijwilligers te meden. Naar de beweegreden van vlucht en terugkeer is het slechts raden. In elk wordt de inmiddels 42-jarige blijkbaar niet erg geschikt bevonden voor actieve dienst. Hij werd in november 1917 ingedeeld bij de Artistieke Afdeling en ging daarvoor werken vanuit Lo. Zie hier alle informatie die in het standaardwerk De Groote Oorlog op doek van Luc Filliard te vinden is over Loncin, met de kanttekening dat locatie en datum van geboorte en overlijden nog uit een andere bron is toegevoegd. Verder hier geen informatie over de schilder en ook geen enkele tekening of schilderij. Toch de reden dat hij in Lo gestationeerd was!. Ook op internet zo goed als niks over de schilder te vinden, slechts een aantal naoorlogse landschappen. Een daarvan (een armzalig zwijntje dat in de Ardense sneeuw staat) op een site over de Luikse School van Ardense Landschapsschilders, wat blijkbaar toch echt geen echte schildersbeweging is geweest, maar een door iemand bijeengebrachte collectie schilders uit de Ardennen die allerhande landschappen schilderen. Op een blog over een van die schilders tref ik de vermelding dat de naam Louis Loncin automatisch geassocieerd wordt met landschappen van de Ardennen en die hem in 1928 in de Salon d’Art de Paris de bijnaam ‘de Belgische Millet’ opleverde, wat voorwaar geen misselijke bijnaam is. Maar schilderijen en tekeningen, ho maar. En is die ene publicatie van de lokale historicus Adolphe Pickart, die in een van zijn artikelen over de geschiedenis van Durbuy en omgeving de vergeten lokale beroemdheid even weer voor het voetlicht haalde. (meer…)

GENOEGENS SMAKEN 2

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (38)
EERDERE AFLEVERINGEN

Vreugde is een aardig ding, mijn goede vriend! niet alleen om te smaken, maar ook om te zien. Jongens, gij moest eens een boerekermis bijwonen! Des namiddags, het hele dorp en de nabijgelegen gehuchten op de been. Honderd boerewagens, honderd roodwangige boeren met zilveren haken in de broek en gouden knopen aan de das, die een dikke kuit tegen den disselboom uitstrekken; en de boerinnetjes netjes uitgestreken in lichtgroen en donkerrood, met wapperende linten aan de strohoeden, met al het goud dat zij hebben aan ’t hoofd, en de onderom van het jak vooral niet lager dan de schouderbladen. Dan wordt er uitgespannen en men zit neder aan de lange smalle tafels op schragen van de kleine herberg ‘Het Dorstige Hart’ of ‘de Laatste Stuiver’; of men drentelt langs de kleine kraampjes; of men schaart zich rondom de kleine loterijen van beschilderde karaffen en kelken, houten naaldekokers en stalen vorken. En dan moet ge de dikke proppen van kleine jongens zien, met wit haar en witte tanden, bezig met ‘koek te smakken’, en hun winst in broekzak, buiszak, en tot in de pet wegstoppende; of de kleine boeremeisjes, gegroept om een kruiwagen met gouden ringen van een cent het stuk, allen met een kraakamandel tussen de tanden en kruidnoten in de hand. Dat ’s nog maar een begin.
(meer…)

HERMANN KESTEN – DIE KINDER VON GERNIKA (1939)

Hermann Kesten is in een van de eerste artikelen over de exitliteratuur en uitgeverij De Lange al gepresenteerd. Om de uitgeverij echt goed van de grond te krijgen had de Amsterdamse uitgever en boekhandelaar Allert de Lange (1855-1927) contact gezocht met de Duitse schrijver Hermann Kesten (Pidwolotschysk, Oekraïne, 28 januari 1900 – Bazel, 3 mei 1996), die in het Duitsland van de twintiger jaren een belangrijk vertegenwoordiger was van de literaire Nieuwe Zakelijkheid. Kesten werd in 1933 vanwege zijn Joodse afkomst uitgewezen uit Duitsland. In de herfst van 1934 ontstaat door allerlei verbanningen in Nice een van de interessantste woongezelschappen van de twintigste eeuw. Aan de beroemde Promenade des Anglais vestigen op huisnummer 121 op de eerste verdieping Hermann Kesten en zijn echtgenote Toni, op de tweede verdiepingen vestigen zich Joseph Rot en zijn partner Manga Bell en op de derde verdieping trekken heinrich Mann en levensgezel Nelly Kroeger in. Na Parijs en Marseille werd Nice snel een van de belangrijke Duitse exilsteden. Tussen 1933 en 1940 vestigen zich daar onder meer ook Ferdinand Bruckner, Magnus Hirschfeld, Valeriu Marcu, René Schickele, Fritz von Unruh en Theo­dor Wolff. Klaus Mann zou later in zijn autobiografie verklaren dat het literaire klimaat in Nice niet onderhoefde te doen voor dat in Parijs. Kesten schreef later in zijn Erinnerungen. Meine Freunde, die Poeten over ‘blauwe avonden op onze balkons, waar we elkaar onderhielden met kleine verhalen en mooie anekdotes. Joseph Roth vertelde een liefdesverhaal uit Podolië, Heinrich Mann een romance uit Palestina en mevrouw Nelly Kroeger verhalen uit haar jeugdjaren aan de Kurfürstendamm, .. berlinerisch ausgezogene, sozusagen splitternackte Geschichten, die mehr nach rotem Wein als nach Nachtigallenzungen schmeckten. (meer…)

YUMEJI TAKEHISA

Yumeji Takehisa (Okayama, 16 september 1884 – Tokio, 1 september 1934) was een Japanse schilder die werkte in de Nihonga-stijl. Dat zijn Japanse schilderijen die vanaf ongeveer 1900 werden gemaakt, geheel in overeenstemming met de traditionele Japanse artistieke stijl, technieken en materialen, maar met duidelijke westerse invloeden. De kunstenaars gebruiken meer onderwerpen dan onder de traditionele Japanse schilderkunst gebruikelijk was en gebruikte ook realistische Westerse technieken, zoals perspectief en schaduwen. Tegelijkertijd wilden de kunstenaars zich afzetten tegen de grote verandering in de Meji-periode toen de westerse cultuur steeds dominanter werd en de schoonheid van de traditionele Japanse kunsten benadrukken. Takehisa werd geboren in het toenmalige Oku (dat momenteel Okayama heet), waar zijn geboortehuis nog steeds te bezichtigen is. Zijn vader werkte er als een brouwer van sake. Als jongeling wilde hij dichter worden, maar hij realiseerde zich al snel dat daar geen droog brood mee te verdienen was en stapte over op de schilderkunst. Van jongsaf was hij namelijk al een hartstochtelijk tekenaar, dus de overstap zal hem niet moeilijk zijn gevallen. Nu kende Japan verschillende traditionele scholen (zoals de Kanō-ha, Rinpa, Yamato-e en Maruyama Ōkyo), maar Takehisa volgde nooit een officiële opleiding aan een van die scholen en had ook nooit een schilder bij wie hij in de leer was. Hij maakte zich ook niet erg populair binnen de schildersgemeenschap door zich af te zetten tegen het pretentieuze concept ‘kunst’. Het gevolg was dat hij steeds slechte kritieken vanuit de gevestigde orde op zijn werk kreeg. Buiten dat kringetje kreeg zijn werk echter steeds meer populariteit, een waardering die tot op de huidige dag doorgaat. Hij geldt als een van de belangrijkste schilders, illustrators en grafici van de Taishōperiode (‘de periode van grote rechtschapenheid’), een periode in de Japanse geschiedenis van 30 juli 1912 tot 25 december 1926 toen keizer Yoshihito aan de macht was. Daarmee kwam een eind aan de Meiji-periode, die werd gemarkeerd door immense binnenlandse en overzeese investeringen en defensieve programma’s. Onder zijn bewind ging steeds meer politieke macht over naar het parlement en hun democratische partijen. Deze liberale periode eindigde met het overlijden van de keizer in 1926, waarna zijn zoon Hirohito (Tokio, 29 april 1901 – Tokio, 7 januari 1989) als 124e keizer van Japan aan de macht kwam. (meer…)

PETER GREEN / FLEEDWOOD MAC

PETER GREEN / FLEEDWOOD MAC

Peter Green, geboren als Peter Allen Greenbaum (East End, Londen, 29 oktober 1946 – Canvey Island, 25 juli 2020) was een Brits gitarist, vooral bekend geworden als oprichter van Fleetwood Mac. Op tienjarige leeftijd kreeg hij een akoestische Spaanse gitaar van zijn oudere broer Michael, die hem een paar akkoorden leerde. Hank B. Marvin van The Shadows en bluesgitaristen Muddy Waters en B.B. King beïnvloedden hem. Peter noemde zichzelf Peter Green toen hij vijftien was en speelde basgitaar in diverse bandjes. Hij werd sologitarist in de band ‘Peter B’s Looners’ van Peter Bardens (ex-Them, later onder andere in Long John Baldry’s Bluesology en Camel). De drummer in deze band was Mick Fleetwood. Green was een bewonderaar van Eric Clapton en was avond aan avond aanwezig bij de optredens van (eerst) The Yardbirds en later John Mayall’s Bluesbreakers. Deze band trok later, na het vertrek van Eric Clapton, een andere gitarist aan. Green stak zijn mening over de beperktekwaliteiten van deze gitarist niet onder stoelen of banken en na een aantal keren liet John Mayall Green meespelen. Toen Clapton in november 1966 uit Griekenland terugkeerde, werd Green echter weer aan de kant gezet. Green ging spelen bij Steampacket met zanger Rod Stewart. Clapton vertrok echter in juni 1966 alweer naar Cream en Green werd door Mayall gevraagd terug te keren in de rangen van de Bluesbreakers. Met Mayall nam Green in 1967 het album A Hard Road op, waarmee hij grote indruk maakte. Op dit album staan twee composities van Green, waaronder het instrumentale en latin-achtige The Supernatural, waarover Oor in een korte necrologie van Green opmerkte dat Carlos Santana een hele carrière zou bouwen op de stijl van dit nummer. Ik kende het nummer niet en het leek me zwaar overdreven, maar het is een minder boute stelling dat ik aanvankelijk dacht. (meer…)

JUVENAAT DER BROEDERS VAN DE HEILIGE ALOYSIUS

56e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

De congregatie der Broeders van van de H. Aloysius werd in 1840 opgericht door de cisterciënzer pastoor Willem Hellemons (Roosendaal, 17 april 1810 – Oudenbosch, 12 december 1884) en Johannes Huybrechts (1812-1889), een jongeman uit zijn parochie die later als vader Vincentius door het leven zou gaan. Hellemons trad als jongeling trad in bij de cisterciënzers van Hemiksem, net onder Antwerpen. Hun abdij was echter sinds de Franse tijd door de staat geconfisqueerd en dus verspreidden de leden van de gemeenschap zich over diverse plaatsen, waar zij meestal werkten in de geestelijke verzorgers. Hellemons kwam terecht in Oudenbosch, van waaruit hij naar Rome vertrok om daar verder te studeren. Daar werd hij bevriend met kardinaal Bartolommeo Alberto Cappellari kennen, de latere paus Gregorius XVI. In 1833 werd hij in Rome in de Sint-Jan van Lateranen priester gewijd. Vanaf 1842 was hij pastoor in Oudenbosch, waar hij actief was in de katholieke emancipatie die vanaf het begin van de negentiende eeuw van de grond begon te komen. Tegelijkertijd was ook een proces van eenmaking van Italië op gang gekomen, de Risorgimento (herrijzenis’), die politiek begon met het Congres van Wenen (1815). Het proces kwam pas goed op gang in 1820 met opstanden in Napels en Piëmont. In 1861 werd de Italiaanse staat uitgeroepen, met eerst Turijn en later Florence als hoofdstad. In 1866 kreeg de jonge staat Venetië in handen dankzij een bondgenootschap met Pruisen tegen het Keizerrijk Oostenrijk. De grote Pauselijke Staat deelde toen het land nog doormidden deelde, wat tot constante spanningen en gevechtshandelingen leidde. In 1860 had paus Pius IX een oproep gedaan aan de gehele katholieke wereld om jonge, ongehuwde mannen te sturen om hem bij te staan bij de verdediging van zijn grondgebied. In de jaren 1861-1870 streden de Pauselijke Zoeaven om de Kerkelijke Staat te verdedigen, maar uiteindelijk zou in 1870 de Italiaanse eenheid tot stand komen en van de Kerkelijke Staat slechts Vaticaanstad resteren. In Nederland was pastoor Hellemons zeer actief in de werving van Nederlandse vrijwilligers voor het Zoeavenleger. (meer…)

CLAUDE MONET IN ZAANDAM 3

Claude Monet (Parijs, 14 november 1840 – Giverny, 5 december 1926), de Frans impressionistisch kunstschilder, bezocht Nederland drie keer in de jaren 1870-1880. In 1871 verbleef hij vier maanden in Zaandam, begin 1874 bezocht hij Amsterdam en in 1886 werkte hij in de bollenstreek. Monet, zijn vrouw Camille en hun zoontje Jean waren in september 1870 vanuit Le Havre naar Londen afgereisd. Dat was kort nadat de Duitse troepen in de Frans-Duitse Oorlog de hoofdstad hadden bezet. Het lijkt waarschijnlijk dat de onstabiele politieke situatie de reden was van het onverwachte vertrek, maar helemaal zeker is dat niet. Moment had op dat moment ook ernstige financiële problemen, dus dat kon evengoed de reden van de snelle vlucht zijn geweest. Het gezin zou zeven maanden in de Engelse hoofdstad blijven. Begin juni 1871 vertrok hij er echter en belandde via Rotterdam in Zaandam, waar hij zijn intrek nam in hotel ‘De Beurs’. Nog steeds leek de onstabiele situatie in Frankrijk de reden te zijn om niet direct huiswaarts te keren. Het is onduidelijk waarom hij Nederland als nieuwe locatie koos. Op 2 juni 1871 schreef hij aan zijn vriend Camille Pissarro: ‘Eindelijk zijn we aan het einde van onze reis gekomen. We hebben bijna heel Holland doorkruist en werkelijk, wat ik ervan gezien heb is veel mooier dan men zegt. Zaandam is wel heel bijzonder en er is genoeg te schilderen voor een heel leven. Ik geloof dat we een goed onderkomen hebben gevonden. De Hollanders maken een prettige en gastvrije indruk.’ Mogelijk dat zijn belangstelling voor Nederland was gewekt door Johan Barthold Jongkind, met wie hij in Frankrijk bevriend was geraakt. Ook zijn aandacht voor de verfijnde tonaliteit van de Hollandse luchten en de weerspiegelingen ervan in het aanwezige water, kan daarbij hebben meegespeeld. Monet zou ruim vier maanden in Zaandam blijven en er 25 werken produceren. Op 8 oktober 1871 verliet hij Zaandam om terug te reizen naar Parijs. Op 19 november 1871 kwam hij weer terug in Frankrijk, waar hij zich vestigde in Argenteuil. Tijdens deze verblijven zou hij 42 schilderijen maken met typisch Hollandse onderwerpen als riviergezichten met molens en bootjes, stadsgezichten van Amsterdam en tulpenvelden. In een eerste reeks van acht blogs is al bericht over alle schilderijen die Monet in 1874 in Amsterdam maakte (zes blogs), het schilderij dat hij in Zaandam maakte van juffrouw Guurtje van de Stadt (20 oktober 1854 – 5 januari 1936) en drie Zaanse schilderijen van de molen Het Oosterkattegat. (meer…)

GENOEGENS SMAKEN 1

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (37)
EERDERE AFLEVERINGEN

Uit de correspondentie met Augustijn

‘Of ik de Rotterdamse kermis ben gaan bijwonen? De hemel behoede mij, hoe komt gij aan dat bericht? Wie is de boze lasteraar die mij zulk een smet aanwrijft? Wie heeft er behagen in mijne blanke, kermishatende ziel zoo zwart te maken in de ogen der mensen? Weet gij ’t dan niet hoe ik reeds in het jaar 1833, op den dag, waarop men in mijn geboortestad goedvond de kermis in te luiden, het akelige klokgebengel begeleidde met een improvisatie:
Voor mij geen kermisfeestgerel,
Geen weids betiteld kinderspel,
Geen dwaasheid op haar zegewagen,
Bij raadsbesluit en klokgeklep
Gerechtigd voor een tiental dagen,
Wat eerlijk mens er tegen heb’?

Laat mij, laat mijn ziel met rust!
Wien ’t aansta, mij ontbreekt de lust
Om zoveel mens getitelde apen,
Zo’n aapgelijkend mensenras
Op straat en marktveld aan te gapen,
Als of die klucht iets zeldzaams was!

Weet ge wat een kermis is, Hildebrand? Het is een allerakeligste mislukking van publieke vermakelijkheid; de parodie en de charge der feestvreugde; het ideaal van een opwinding over niets; het tegendeel van al wat welluidt, welstaat en welvoegt. Weet gij wat een kermis is, Hildebrand? Het is de bacchantendienst der nieuwere tijden, de vergoding der uitzinnigheid. Het is één enkel groot marionettenspel, waarin wij ons vervelen en onze kleren vuil maken. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 040

Peter Paul Rubens (Siegen,[1] 28 juni 1577 – Antwerpen, 30 mei 1640) was een Zuid-Nederlands schilder van Vlaamse barok, tekenaar, tapijtontwerper en diplomaat, werkzaam in Antwerpen. Hij begon als page bij de adellijke familie Lalaing in Oudenaerde, studeerde bij drie Vlaamse schilders en stelde daarna achtereenvolgens zijn diensten ter beschikking aan het hof van Mantua, de aartshertogen Albrecht en Isabella van Brussel en Ferdinand, die Isabella opvolgde als landvoogd van de Zuidelijke of Spaanse Nederlanden. Hij trad voor hen ook op als diplomaat. Rubens schilderde veel altaarstukken en had daarbij hulp van een groot atelier in Antwerpen, maar ook verbeeldde hij het levensverhaal van Maria de’ Medici in het Palais du Luxembourg in Parijs en dat van de Engelse koning Jacobus I in Whitehall in Londen. Rubens maakte ook werk voor de Spaanse koningen Filips III en Filips IV. Hij had een prachtig huis aan de Wapper, het ‘Rubenshuis’ en kocht later kasteel ’t Steen. Peter Paul Rubens bestudeerde zijn hele leven lang de kunst van de Oudheid en de renaissance en gebruikte veel mythologische motieven in zijn kunst. Met name was Titiaan van de Venetiaanse School een groot voorbeeld voor hem. Hij had nauwe contacten met de jezuïeten en zette zich met hart en ziel in voor de Contrareformatie en de verheerlijking van verschillende personen. Zijn liefde voor de Oudheid kwam onder meer tot uitdrukking in de diverse schilderijen die hij van de Drie Gratiën maakte. Zo schilderde hij in 1635 een versie, die tegenwoordig in het Prada in Madrid hangt. Een tweede versie bevindt zich in de Galleria Palatina di Palazzo Pitti in Florence. Deze derde olieverfschilderij dateert uit 1636 in is te bewonderen in de Dulwich Picture Gallery in Londen. Ook dit schilderij heeft weer de bekende volslanke dames, die zo kenmerkend voor zijn stijl zijn dat gesproken wordt over een Rubensiaans figuur als de betreffende dame wat aan de dikke kant is. Dit schilderij is waarschijnlijk bedoeld als een ontwerp voor een metalen kunstwerk of voor een graveur. Dergelijke samenwerkingen tussen verschillende vaklieden was in die periode niet ongebruikelijk.

VEEL VALSE HOOP

Katja Happe (1970) is een Duitse historica die in Siegen en Groningen studeerde en als afstudeeronderzoek zich verdiepte in de behandeling van de ‘moffenmeiden’ in Nederland. Sinds 2011 is ze geassocieerd onderzoeker bij het NIOD. Het is voor de eerste keer dat een Duitstalig onderzoek verschijnt over de Jodenvervolging in Nederland in de oorlogsjaren, met haast vanzelfsprekend een Nederlandse vertaling. Vanwege haar achtergrond lijkt Happe ook de uitgelezen persoon om de achtergronden, het verloop en de uitwerking van de Jodenvervolging in ons land voor een Duits publiek te presenteren. Een publiek waarvoor de massamoord op de Nederlandse Joden één van de vele grootschalige misdrijven namens het Duitse volk is geweest; met ‘slechts’ iets meer dan honderdduizend slachtoffers is men dan wellicht geneigd over het hoofd te zien welke enorme impact de grootschalige schending van de menselijkheid en Nederlandse rechtsorde en de brute moord van veel van haar onderdanen heeft gehad en nog steeds heeft in de Nederlandse samenleving.

De eerste boodschap die de Duitse bezettingsmacht in mei 1940 van de Nederlandse topambtenaren te horen kregen was dat er hier geen ‘Joods vraagstuk’ bestond. Wellicht met het naïeve idee dat die bezetter dat wel prettig vond, want bij het ontbreken van een vraagstuk hoeft er immers geen oplossing worden bedacht. Daar dachten Seyss-Inquart en zijn ondergeschikten echter anders over. Zij zagen wel een probleem en hadden de oplossingen ook al voorhanden. Er was in eigen land immers als jarenlang ervaring opgedaan en sinds bijna een jaar was men ook in Oost-Europa al drukdoende te werken aan ‘het Joodse vraagstuk’. Binnen de kortste keren werd een hele reeks anti-Joodse maatregelen afgekondigd, die leidden tot steeds verdergaande discriminatie, ontrechting, marginalisatie, deportatie en moord van de Nederlandse Joden en alle Joden die voor de Duitse inval vanuit Duitsland, Oostenrijk en Oost-Europa naar ons land waren gevlucht, in de hoop hier een veilig onderkomen in neutraal Nederland te hebben gevonden. Zoals de titel al aangeeft was het allemaal slechts valse hoop en de nazi’s hadden genoeg trucs in huis om alle denkbare illusies over veiligheid en barmhartigheid zo lang mogelijk in stand te houden. (meer…)

FUNGUS

FUNGUS

Fungus is een Nederlandse popgroep uit de jaren zeventig die een aantal hitjes had met gepopulariseerde volksliedjes. In de oorspronkelijke opzet speelden de groep met Fred Piek (zang en gitaar), Kees Maat (toetsen en zang), Sido Martens (gitaar, mandoline en zang), Louis Debij (drums), Koos Pakvis (basgitaar) en Rens van der Zalm (viool, gitaar, mandoline, doedelzak en zang). De bakermat van Fungus lag in Vlaardingen, waar op Martens na alle leden woonden en zich daar bezighielden met op volksmuziek geïnspireerde popmuziek. Ze hadden in 1973 door veldwerker Ate Doornbosch (de samensteller van het NOS-radioprogramma Onder de groene linde) thuisopnamen laten maken, waaronder een wondermooie versie van de oude Schotse ballad Farewell to Tarwathie. Het nummer bleef onopgemerkt bij het grote publiek. Dat werd anders toen van hun eerste elpee, simpelweg Fungus genaamd, een moderne versie van een oud Nederlands lied over de walvisvangst: Al die willen te kaap’ren varen, op single werd uitgebracht. Het nummer kwam tot hun eigen verrassing terecht in de Top 40. Aanleiding om meer elpees en singles uit te brengen. Echte hits kwamen er niet meer. Natuurlijk waren er de muziekpuristen die de aanpak van Fungus, met elektrische versterking en scherpe gitaarsolo’s, verguisde, maar goed, dat deden hun Angelsaksische collega-puristen ook toen Bob Dylan en Fairport Convention afstapten van het pure akoestische werk. Fungus zelf liet trouwens koeltjes weten nooit te hebben gepretendeerd volksmuziek te maken en zichzelf in de eerste plaats te zien als een popband. De groep trad in die jaren op bij Pinkpop en maakte tournees door Engeland en Zweden. (meer…)

MOISEJ KOGAN 2

Kasper Niehaus (Groningen, 29 oktober 1889 – Bergen, 29 april 1974) was een Nederlands kunstschilder, tekenaar, auteur, kunstcriticus, wandschilder en kunstverzamelaar, die tot de groep van de Bergense School wordt gerekend. Hij was als kunstcriticus verbonden aan het dagblad De Telegraaf en enkele magazines en schreef enige boeken op kunstgebied, onder meer over Daumier en Millet (1928), Gaugain en Rousseau (1928), W. Schumacher (1940) en Nederlandsche kunstenaar (1941). Over Moisej Kogan, waarvan gisteren een biografie is geplaatst, schreef hij in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift (1934, jrg 44, pag. 76-78) een artikel onder de titel ‘Werken van den beeldhouwer Moissy Kogan’. Bij het artikel een aantal werken van Kogan. Meer werken van hem zijn te vinden op Artnet en The Moissey Kogan Catalog.

De thans vijftigjarige beeldhouwer Moïssy Kogan komt uit het wonderland der kunst, uit het Oosten: hij is geboren te Orguiew in Bessarabië. Hij behoort tot de begenadigde menschen, die een stuk klei van den grond opnemen en als zij het weer uit handen geven, is het bijna van zelf en als spelend een vorm, de vorm het nobel lichaam van een jong meisje geworden. Sinds tientallen jaren maakte hij kleine figuren en reliefs in z’n atelier te Parijs. De kleine, gemeubileerde hotelkamer, die hij vroeger jaren lang bewoonde en den stoel in het café du Dôme kon men in ernst niet zoo noemen; het was hoogstens een atelier voor den teekenaar. Maar daarna had hij een echt beeldhouwersatelier in de cité-Falguière, een afgelegen atelierwijk in Parijs. Kogan heeft veel technischen zin, hij werkt in velerlei aesthetisch materiaal, in steen en klei, in hout en metaal, met wol en zijde; hij maakt gesneden steenen en gemmen, weef- en borduurwerken, terra-cottas, munten en médailles. En daarnaast figuren of reliefs in hout, cement en brons, zwart- en roodkrijtteekeningen, houtsneden en droge naald-gravures: elke schoone stof beeft voor dezen kunstenaar en wordt door hem bezield met het leven der kunst, dat een goddelijk leven is. De weef- en borduurwerken die de meester maakte, behooren tot de beste versieringen van onzen tijd. Als allen wien het hierbij op edel materiaal en goede techniek aankwam, is hij hiervoor bij Aristide Maillol in de leer gegaan. Er zijn overigens betrekkelijk weinig werken van zijn hand. Veel is verloren gegaan. (meer…)

MOISEJ KOGAN 1

Moisej Kogan (Orhei, Moldavië, 24 mei 1879 – Auschwitz, 3 maart 1943) was een Joods-Russische beeldhouwer en graficus. Kogan werd geboren in het voormalige Bessarabië, dat destijds deel uitmaakte van Rusland, als zoon van een kleine Joodse zakenman. In 1889 nam hij in de Hongaarse kunstenaarskolonie Nagybánya les van de Hongaarse schilder Sim Hollósy. Hij verhuisde in 1903 naar München, waar hij eerst het Lehr- und Versuchs-Atelier für angewandte und frei Kunst bezocht en vervolgens bij Wilhelm von Rümann studeerde aan de Akademie der Bildenden Künste. In 1908 nam hij in Parijs deel aan de expositie van de Salon d’Automne. In München werd hij in 1909 lid van de expressionistische kunstenaarsvereniging Neue Künstlervereiniging München. Karl Ernst Osthaus uit Hagen bood hem een docentschap aan de kunstopleiding van het Folkwang Museum aan, maar Kogan hield het er niet lang uit. Op uitnodiging van Henry Van de Velde gaf hij kortstondig les aan de Kunstgewerbeschule Weimar (het latere Bauhaus zu Weimar) in Weimar. De rusteloze kunstenaar woonde afwisselend in München, Berlijn, Zwitserland en Parijs, waar hij na 1911 voornamelijk leefde. Vanwege die rusteloosheid werd hij wel omschreven als ‘de beeldhouwer zonder thuisland’. Hij was als weinig succesvol beeldhouwer en graficus werkzaam en illustreerde boeken met litho’s en houtsnedes. Kogan kreeg wel erkenning voor zijn werk van de beeldhouwers Auguste Rodin en Aristide Maillol en was jurylid van de Salon d’Automne, waarvan hij in 1925 werd gekozen als vicevoorzitter. In 1927 maakte de jonge Duitse beeldhouwer Arno Breker (Elberfeld, 19 juli 1900 – Düsseldorf, 13 februari 1991) een buste van zijn leermeester (zie hieronder), die dan al 48 jaar oud was. Arno Breker zou uitgroeien tot een zeer omstreden beeldhouwer omdat hij in hoge mate betrokken was bij de ontwikkeling van de zogenaamde ‘arische’ of ‘nationaalsocialistische’ kunst onder Hitlers Derde Rijk. Breker herinnerde Kogan later als een bescheiden man, die nooit enige jaloezie had ten opzichte van succesrijkere collega’s en steeds bleek hopen op de grote doorbraak. Daniel-Henry Kahnweiler, de man die Pablo Picasso onder zijn hoede nam,  beschreven Kogan echter als een moeilijk kunstenaar, niet zozeer vanwege zijn karakter maar omdat Kogan zo langzaam werkte en erger, zijn werk nooit op de afgesproken tijd klaar had. Kahnweiler voegde eraan toe dat dit kunsthandelaren kopschuw maakte, want het is lastig de carrière van iemand te bevorderen als die persoon zelf in dit aspect niet betrouwbaar is. (meer…)

VAREN EN RIJDEN 4

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (36)
EERDERE AFLEVERINGEN

Dan, keren wij tot onze stoomboot terug! Eerst gaat het goed. Men komt vrolijk en luchtig, lustig, fris en vatbaar voor allerlei soort van genoegens aan boord. Men blijft op het dek totdat de stad waar men afvoer uit het gezicht verdwijnt. Men vindt het genoeglijk naar den linker of rechter oever uit te kijken. Dan gaat men tevreden naar beneden en vindt de kajuit heel mooi, heel gemakkelijk, de sofa alleruitmuntendst; het is een hele aardigheid zich op een vouwstoeltje te zetten. Men schikt zich in gezellige groepen; men bestelt ontbijt; men praat, men lacht, men heeft anecdoten, stads- en staatsnieuws; men speelt met belangstelling een partij schaak; men is op zijn gemak. Zoo is het begin. Maar een uur later, en gij ziet van tijd tot tijd dan dezen, dan dien het hoofd uit het luik steken en op dek komen, dit is de verveling nog niet; ’t is de ongedurigheid die haar voorafgaat. Men wil eens weten waar men in de wereld is; men wil in de lucht zijn; men wil de mooie gezichtspunten niet verbeuren; – men blijft een poosje boven, links en rechts en voor en achter kijkende; het twijfelziek gemoed vraagt: ‘Amuseer ik mij?’ De beurs antwoordt: ‘Ik wil het hopen.’
(meer…)

JACOB BEEKMAN (47)

Jacobus Andreas Beekman (Delft, 17 augustus 1912 – Dordrecht, 8 juni 1945) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Beekman was rooms-katholiek, gehuwd, vader  van vier kinderen en woonachtig in de Van Baerlestraat in Dordrecht. In die plaats werkte als ingenieur bij de Meterfabriek (voluit: Maatschappij ter vervaardiging van gasmeters en toestellen voor gasfabrieken; deze uitgebreide bedrijfsnaam werd in de praktijk nooit gebruikt). De Meterfabriek was een metaalbewerkingsbedrijf dat vanaf 1858 in Dordrecht was gevestigd en zich na de opkomst van de lichtgasfabricage in het midden van de 19e eeuw bezighield met de reparatie van onderdelen zoals gasmeters. De Meterfabriek had een vooraanstaande positie binnen de Nederlandse gasbedrijven: zo’n 80% van de (munt)gasmeters kwam uit de Dordtse fabriek. Beekman was reserve-tweede-luitenant der Genie en tijdens de meidagen 1940 ingedeeld bij de Eerste Zoeklichtafdeling tegen luchtdoelen in de luchtverdedigingskring Amsterdam.In de loop van de oorlog raakte hij betrokken bij het verzet in zijn woonplaats. Zijn huis ging dienen als verzamelplaats van zijn Dordtse verzetsgroep. 

Op 5 september 1944 werden plannen gesmeed om te komen tot de oprichting van de Binnenlandse Strijdkrachten als bundeling van de tot dan toe weinig samenwerkende eigenlijke verzetsgroepen in Nederland. Vooruitlopend daarop was in Dordrecht al een bundeling van de verzetsgroepen gerealiseerd. In de Wilhelminakerk werd in juni 1944 de oprichtingsvergadering gehouden van een nieuwe verzetsgroep. Deze verzetsgroep Paul was de bundeling van de diverse kleine clubjes die tot dan hun eigen koers voeren. Alle leden van die clubjes die te kennen gaven bereid te zijn oer te gaan tot gewapend verzet werden op papier overgeheveld naar de verzetsgroep Paul. Het clubje waarvan Beekman deel uitmaakte was er één van. (meer…)

13 – MARK CARROLL

PATTI SMITH

PATTI SMITH

Patti Smith (Chicago, 30 december 1946) is een Amerikaanse singer-songwriter en dichteres. Zij wordt beschouwd als een van de grondleggers van het punkgenre in New York. Vandaar ook haar bijnaam “The Godmother of Punk”. Haar werk is een fusie van rock en poëzie. In 2005 werd Smith benoemd tot Commandeur in de Franse Ordre des Arts et des Lettres door de Franse minister van cultuur en in 2007 werd haar naam toegevoegd in de Rock and Roll Hall of Fame in Ohio. Op 17 november 2010 won ze de National Book Award voor haar memoires Just Kids. In 2011 won Smith een Polar Music Prize. Smiths ouders waren Jehova’s getuigen en ze kreeg een strenge, religieuze en Bijbelgerichte opvoeding. In haar tienerjaren verliet ze deze organisatie omdat ze deze te beklemmend en te begrensd vond. Jaren later schreef ze in haar coverversie van het nummer Gloria van de band Them de zinsnede Jesus died for somebody’s sins, but not mine. In 1964 haalde ze haar diploma aan de highschool en ging aan de slag in een fabriek. Ze beviel op 26 april 1967 van haar eerste kind, een dochter, en koos ervoor het kind af te staan voor adoptie. In 1967 verhuisde ze naar New York, waar ze eerst een intense en tumultueuze had met de fotograaf Robert Mapplethorpe. Het koppel worstelde met armoede en Mapplethorpe met zijn eigen seksualiteit. Toch beschouwt Smith Mapplethorpe als een van de belangrijkste personen in haar leven en in haar biografie verwijst ze naar hem als ‘the artist of my life’ Mapplethorpes foto’s van Smith werden later covers voor de albums van de Patti Smith Groups. Patti en Robert bleven vrienden tot aan Mapplethorpes dood in 1989. In 1969 vertrok Smith met haar zus naar Parijs en ging er aan de slag als straatkunstenares. Toen ze terugkeerde naar New York woonde ze samen met Mapplethorpe in Hotel Chelsea. De jaren daarop bracht ze door met schilderen, schrijven en acteren. Ze was ook korte tijd popjournalist en vanaf 1974 ging ze zelf muziek maken. Een jaar later nam ze haar eerste elpee (Horses) op, een mengeling van punkrock en gesproken poëzie. De sobere foto op de platenhoes, genomen door Mapplethorpe, is ondertussen een klassieker op het gebied van popfotografie. Een val in een vijf meter diepe orkestbak, Smith danste per ongeluk het podium af, dwong tot een langdurige rustperiode, waarna in 1979 de elpee Wave uitkwam. Minder succesvol, maar vanwege de nummers Frederick en Dancing Barefoot nog steeds mijn favoriet. Vanaf de jaren tachtig was het een hele tijd stil rondom Smith, maar vanaf 1995 wisten vrienden als Bob Dylan haar weer te inspireren om opnieuw te gaan optreden en platen op te dwingen. De rest van haar carrière is uitgebreid op Wikipedia na te lezen. Van het album Twelve (2007) haar versie van Dylan’s Change of the Guards. (meer…)

JACQUES PERK – IRIS

Jacques Perk (Dordrecht, 10 juni 1859 – Amsterdam, 1 november 1881) was een dichter, die al op 22-jarige leeftijd door een longaandoening overleed, maar ondanks dat korte leven een belangrijke plaats inneemt in de vaderlandse literatuurgeschiedenis. Een uitgebreide biografie van Jacques Perk is hier eerder verschenen en ook is een drietal gedichten uit de Mathilde-cyclus hier gepubliceerd.  Die gedichten verschenen postuum in 1882 onder de wat fantasieloze titel ‘Gedichten’, nadat Willem Kloos zich intensief met de inhoud had bemoeid en er een inleiding voor produceerde die de geschiedenis is ingegaan als het ‘poëtisch programma van Tachtig’. Perk en Kloos maakte kennis met elkaar op 15 mei 1880 in de Kalverstraat te Amsterdam. Perk sprak Kloos, die een jaar hoger op dezelfde HBS had gezeten en al gedichten had gepubliceerd, aan met de mededeling dat hij ook gedichten maakte. Kloos vroeg en kreeg die te zien en ging ermee aan de slag. Het leidde kortstondig tot een dichterlijke vriendschap, hoewel het vermoeden bestaat dat het wat Kloos betreft daarbij niet had hoeven te blijven. In april 1881 kwam het tot een breuk tussen hen beiden. Toen had Kloos er echter ook al voor gezorgd dat Carel Vosmaer, de gezaghebbende redacteur van De Spectator, in het dichtwerk van Perk geïnteresseerd was geworden. Na die gedichten heeft Perk nog een laatste gedicht geschreven, Iris.

Iris is een figuur uit de Griekse mythologie. Zij is de boodschapster van de goden en tevens de personificatie van de regenboog. Wanneer de godin Iris een boodschap van hemel naar aarde brengt, verschijnt volgens de Griekse mythologie als brug een regenboog. Iris zou een dochter van de zeegod Thaumas en de Oceanide Elektra zijn. Dat zij de dochter van een zeegod genoemd wordt, laat zich hieruit verklaren dat bij de Grieken de regenboog uit zee scheen op te stijgen. Als boodschapster van de goden, maakten vooral Zeus en Hera gebruik van haar diensten; later was zij de dienares van Hera alleen. Haar snelheid is verbazend; evenals de hagel of de sneeuw die uit de wolken neerstort, snelt zij van het ene uiteinde van de wereld naar het andere, zelfs tot op de diepste bodem van de zee en tot in de diepte van de onderwereld, om de bevelen van de goden ten uitvoer te brengen. In de literatuur wordt ze vanwege haar grote snelheid, vaak Iris ‘met de gouden vleugels’ genoemd. Ook beeldende kunstenaars versierden haar beelden met vleugels, zodat het moeilijk zou zijn haar te onderscheiden van Nikè als Iris niet de herautstaf (de caduceus) in de hand had. Op sommige beelden draagt ze in haar hand een kam, want zij zou ook degene zijn die het water aan de wolken toevoerde. Een afzonderlijke verering van Iris is er nooit geweest. Meestal werd aan haar gedacht als een jonkvrouw die niks wil weten van het huwelijk. Soms echter is er sprake van haar verbintenis met Zephyros (een van de vier winden en de personificatie van de westenwind), waaruit volgens enkele verhalen Eros zou gesproten zijn.
(meer…)

ODALISKEN – 028

Jean-Léon Gérôme (Vesoul, 11 mei 1824 – Parijs, 10 januari 1904) was een Frans schilder en beeldhouwer. In 1865 werd Gérôme verkozen als lid van het Institut de France. Hij stierf op 79-jarige leeftijd en werd begraven op het Cimetière de Montmartre. Hij weigerde mee te gaan in het door Monet en Manet begonnen impressionisme en trachtte vast te houden aan de traditie van het Franse neoclassicisme. Veel van zijn werk ademt een historische, oriëntalistische sfeer. In Odalisken 16 (een schilderij van een bad in een Turkse harem, uit 1876) en Odalisken 17 (La grande piscine à Bursa’, uit 1885) zijn al twee van zijn oriëntalistische werken getoond. Dit Moors bad stamt uit 1870 en opnieuw schildert Gérôme met grote precisie een intiem beeld van een vrouw die in een Turkse harem een bad neemt, daarbij geholpen door een zwarte eunuch. Een tafereel dat de schilder zo goed als zeker nooit zelf zal hebben aanschouwd, althans niet in een Turkse harem, maar dat geheel aan zijn fantasie is ontsproten en voldeed aan de toenmalige criteria voor een oriëntalistisch schilderij. Met dergelijke schilderijen was Gérôme eind van de negentiende eeuw in die stroming commercieel de succesvolste schilder geworden. De roodharige slavin moet waarschijnlijk een tot slaaf gemaakte vrouw voorstellen uit de Kaukasus, indertijd een verre uithoek van het grote Osmaanse Rijk. (meer…)

VAREN EN RIJDEN 3

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (35)
EERDERE AFLEVERINGEN

De stoomboot, zei ik tot mij-zelven, en ik nam een plaats van Rotterdam tot Nijmegen, zal alles verbeteren en overtreffen; zij zal mij met de middelen van vervoer en met het reizen en trekken verzoenen; de snelle, de ruime, de gemakkelijke, de sierlijke, de gezellige, de rijke stoomboot! Is zij niet een vlottend eiland van genoeglijkheden, een betoverd stroompaleis, een hemel te water? Nu ja: het is een drijvend koffiehuis, zegt men wel. Voor kleine afstanden niets gelukkiger dan een stoomboot. Maar het is voor de grote, dat men haar nodig heeft. Zeg niet: men is er zo goed als tehuis. ’t Is waar, men zit er op brede banken met zachte kussens, aan gladde tafels, men kan er alles krijgen wat men verlangt, al doen wat men begeert. Maar die korten schok, als van een paard dat hoog draaft, die gemengde stank van olie en steenkolen, de duurte der verkwikkingsmiddelen, de aanmatigingen van den hofmeester, het slechte eten en de verveling: dit alles heeft men tehuis niet. Ik zei verveling – want waar ter wereld ontmoet men meer mensen, die voor hun pleizier reizen, dan op een stoomboot? en wat is vervelender dan hun gezelschap?
(meer…)

TERRITORIALE GESCHILLEN 5 – CONDOMINIUM

De wereld heeft altijd al vol territoriale geschillen gezeten en in deel 1 zijn hieraan wat inleidende woorden besteed en in deel 2 is een onderverdeling conflictgebieden in historisch niet-erkende staten, niet-erkende staten, micronaties en betwiste gebieden. Dat is een te lange lijst om in zijn geheel te bespreken zodat noodgedwongen een beperking moet worden ingebouwd. Er is daarbij gekozen voor het uitgangsprincipe dat minimaal een Europees land bij het conflict moet zijn betrokken, dat het om staten moet gaan uit het recente verleden en dat wordt geconcentreerd op de betwiste grondgebieden. Vanaf deel 6 begonnen worden met het eerste van de betwiste grondgebieden, namelijk Hermansisland dat door Canada en Denemarken (namens Groenland) wordt geclaimd. Al die territoriale geschillen hoefden gelukkig niet altijd via oorlog of ander geweld te worden opgelost. Er zijn in de loop der tijden wel zinvolle oplossingen voor territoriale geschillen gevonden, zoals het bestempelen van een gebied tot niemandsland, het inrichten van een neutrale zone en het oprichten van een condominium. In dit blog het begrip Niemandsland. De wereld heeft altijd al vol territoriale geschillen gezeten, maar die hoefden gelukkig niet altijd via oorlog of ander geweld te worden opgelost. Er zijn in de loop der tijden wel zinvolle oplossingen voor territoriale geschillen gevonden, zoals het bestempelen van een gebied tot niemandsland, het inrichten van een neutrale zone en het oprichten van een condominium. In deel 3 is het begrip Niemandsland besproken, in deel 4 het begrip Neutrale Zones en in dit blog het begrip Condominium.

Een condominium is een ‘staat van gedeelde soevereiniteit’, wat als staatsvorm een zeldzaam fenomeen is en over het algemeen ook zeer instabiel is. In het verleden heeft de wereld veel condominia gekend. Ook Nederland en België hebben ook een condominium gekend: het ministaatje Neutraal Moresnet, vaak kortweg Moresnet genaamd. Het was een dwergstaatje met een oppervlakte van 344 hectare (ter vergelijking, dat is ongeveer twee keer zo groot als het huidige dwergstaatje Monaco). Het lag ongeveer zeven kilometer ten zuidwesten van Aken en vlak onder Vaals en was ruim een eeuw lang een vrijbuitersplaats, met een wild leven vol smokkel, drank en prostitutie. Moresnet stond van 1816 tot 1919 onder formeel Nederlands-Pruisisch, vervolgens Belgisch-Pruisisch en Belgisch-Duits gezag. Toen in 1839 België onafhankelijkheid werd en Limburg bij Nederland werd gevoegd, ontstond op de Vaalserberg een vierlandenpunt. Pas toen in 1920 Moresnet ophield te bestaan ontstond in Vaals het Drielandenpunt, dat iedereen kent. Op een eerder blog is uitgebreid ingegaan op de geschiedenis van Neutraal Moresnet. (meer…)

TERRITORIALE GESCHILLEN 4 – NEUTRALE ZONES

De wereld heeft altijd al vol territoriale geschillen gezeten en in deel 1 zijn hieraan wat inleidende woorden besteed en in deel 2 is een onderverdeling conflictgebieden in historisch niet-erkende staten, niet-erkende staten, micronaties en betwiste gebieden. Dat is een te lange lijst om in zijn geheel te bespreken zodat noodgedwongen een beperking moet worden ingebouwd. Er is daarbij gekozen voor het uitgangsprincipe dat minimaal een Europees land bij het conflict moet zijn betrokken, dat het om staten moet gaan uit het recente verleden en dat wordt geconcentreerd op de betwiste grondgebieden. Vanaf deel 6 begonnen worden met het eerste van de betwiste grondgebieden, namelijk Hermansisland dat door Canada en Denemarken (namens Groenland) wordt geclaimd. Al die territoriale geschillen hoefden gelukkig niet altijd via oorlog of ander geweld te worden opgelost. Er zijn in de loop der tijden wel zinvolle oplossingen voor territoriale geschillen gevonden, zoals het bestempelen van een gebied tot niemandsland, het inrichten van een neutrale zone en het oprichten van een condominium. In deel 3 is het begrip Niemandsland besproken, in dit blog het begrip Neutrale Zones

Neutrale Zones Saoedi-Arabië, Koeweit en Irak
Eind negentiende eeuw was de Arabische regio in handen van het Ottomaanse rijk, maar Groot-Brittannië was al in de regio rond de stad Koeweit doorgedrongen. In 1899 werd Koeweit een Brits protectoraat. Tussen 1911 en 1913 volgde overleg tussen Groot-Brittannië en het Ottomaanse rijk, maar door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog leidde de overeenstemming nooit tot een ondertekend en geratificeerd verdrag. De onafhankelijkheid van Koeweit groeide, maar het land bleef onder Britse protectie. De grenzen van het emiraat werden bepaald vanuit de stad Koeweit, van waaruit een eerste cirkel op 40 mijl afstand van het centrum werd getrokken. Een tweede grotere cirkel gaf de grenzen aan van het autonoom provinciaal district Koeweit binnen het Ottomaanse rijk. Tegen het einde van de oorlog kende Koeweit grote economische problemen doordat de Britten de haven hadden geblokkeerd om de bevoorrading van het Turkse leger te verhinderen. Na de oorlog moest het emiraat Koeweit veelvuldige aanvallen door bedoeïenen uit Nadjd afslaan. De saoedie’s wilden hun gebied uitbreiden ten koste van Koeweit, maar slaagde daar pas aan de onderhandelingstafel echt in. (meer…)

ATHENS CREEK

ATHENS CREEK

Athens Creek is an Americana roots band out of Southeast Michigan. They have a strong emphasis on male/female vocal harmony and a versatile sound that sways from soft and melodic to punchy and rhythmic. Created as a folk/rock/country cover band in 2014, they’ve adopted those sounds to create an explosively unique and original sound. Athens Creek has been defined as an excellent blend of Modern and Classic, and the perfect listening band for all ages. Taylor Haring and Nate Jones are the driving force behind the band and its success. Taylor Haring: A classically trained, powerhouse vocalist with a love for country; will absolutely blow you away with Underwood and Lovato-esque vocal runs. A pianist, praise and worship leader, and career musician; it’s no wonder TV’s American Idol invited her to Hollywood in back-to-back seasons; Nate Jones: A ten year industry performer and songwriter, is the lyricist and male counterpart to Haring. With Johnny Cash lows, and a “Silver-Bullet” grit, Jones brings a true Detroit Rock-N-Roll attitude and sound. With lyrics that focus toward overcoming obstacles and being the best You that You can be. Athens Creek is a true inspiration; A powerful and enjoyable combination of sound. (Info: https://www.athenscreekmusic.com) (meer…)

LINTHORST HOMANKANAAL (2)

Gisteren aandacht geschonken aan de historische ontwikkeling van het Linthorst Homankanaal. Hieronder eerst een beschrijving die een kleine twintig jaar geleden over het kanaal werd geplaatst in De Volkskrant, als onderdeel van een serie columns over bijzondere waterwegen. Daaronder een kleine fotografische sfeerimpressie van het kanaal.

Het VAM-kanaal

Op gewone wegenkaarten staat het VAM-kanaal niet. Wie zou er ook iets te zoeken hebben? Het is eigendom van de Vuilafvoermaat-schappij (VAM), een kanaal van hooguit 2,5 kilometer lang. En wie er toch heen wil, hoeft in de buurt van Wijster maar te zoeken naar een berg in het vlakke land. Daar is de VAM, daar begint het kanaal. In 1931 groef de VAM een eigen doorvaart naar het Linthorst Homankanaal. Vandaar voeren de schepen diep het Drentse kanalennet op om de begeerde compost – gemaakt van Haags huisvuil – naar de schrale akkers op de afgegraven veengronden te brengen. Inmiddels is de VAM uitgegroeid tot een afvalgigant, de compost gaat per trein het hele land door, en op het kanaal vaart al zo’n dertig jaar geen schip meer.
Het terrein om de VAM is nieuw aangeplant, op de afvalberg weiden schapen. De weg wordt versperd door een heuphoog wit hek dat op een landgoed thuishoort. Het bordje verboden toegang art. 461 W.v.S. lijkt ook niet echt op zijn plaats. Een asfaltweggetje voert naar de top. Het uitzicht wordt steeds weidser, de stank steeds adembenemender, een mengeling van riool, rotting en gas. Boven is de bron te zien, een enorme vuilberg, als een afgraving, honderden zeemeeuwen zwermen er krijsend rond. Ondanks de verboden toegang spreekt een helder blauw bord bezoekers toe: ‘U bevindt zich op het hoogste punt van de provincie Drenthe. 56 Meter boven zeeniveau, 40 meter boven maaiveld.’ Wat aardig van de VAM, denk ik, hier is vast een recreatiegebied gedacht. Later hoor ik dat het een kwestie was van ‘voor wat hoort wat’. De VAM mocht de stortplaats verhogen, als ze zo’n 130 hectare bos-, erf- en wegbeplanting zou aanbrengen op en om de berg. (meer…)

LINTHORST HOMANKANAAL (1)

In Nederland werd vanaf de jaren twintig van de twintigste een groot aantal werkverschaffingsprojecten opgezet. In de werkverschaffing kregen de werklozen geen echte baan aangeboden, maar werden ze door de overheid verplicht om in grote werkploegen ongeschoold werk uit te voeren, bijvoorbeeld het ontginnen van een hoogveengebied of het graven van kanalen. Dit alles gebeurde met schop, kruiwagen en kiepkar. De werkverschaffing was omstreden, en niet ten onrechte want het kan met een gerust hart worden beschouwd als een vorm van uitbuiting. Deze gedachtegang hoe met werklozen moet worden omgegaan, leeft overigens in liberale kringen in ons land onverdroten verder. Het werk binnen de werkverschaffingsprojecten was zwaar: de werkweken  bedroegen gemiddeld zo’n 50 uur, de omstandigheden waren erbarmelijk slecht en het loon was maar net genoeg om met een gezin rond te komen. In 1939 verdiende iemand in de werkverschaffing 14 tot 17,50 gulden per week (omgerekend naar 2020 tussen de € 150,00 en € 200,00). Met de schop werd bijvoorbeeld in Nijmegen het Goffertpark en het NEC-stadion aangelegd, reden voor de Nijmeegse bevolking om het decennialang de ‘bloedkuul’ te noemen. Een naam die in de volksmond nog steeds niet is vergaten. In de nabijheid van de projecten liet de overheid vaak zogenoemde ‘werkkampen bouwen, waar de tewerkgestelden woonden. Alleen zaterdagavond en zondag konden zij thuis zijn.’ Veel van deze werkkampen werden overigens door de Duitsers in de eerste jaren van de bezetting gebruikt als Joodse werkkampen, tot ze in oktober in één nacht werden overgebracht naar Westerbork. Werklozen die weigerden of zij die het werk niet konden volhouden, kregen geen steun en waren aangewezen op de armenzorg, wat in die dagen als een blamage werd gezien. Veel werkverschaffingsprojecten werden uitgevoerd onder leiding van de Nederlandse Heidemaatschappij; zover mij bekend heeft de Heidemij nooit excuses aangeboden voor deze dwangarbeid maar maakt ze nog steeds goede sier met deze projecten. (meer…)

VAREN EN RIJDEN 2

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (34)
EERDERE AFLEVERINGEN

De Slapers staan bij mij op de laagste, de minst schuldige trap van overlast. Hun onaangenaamheid is voor drie vierde negatief. Maar, ziet ge, zij snorken somtijds; – en hatelijk zijn zij, als men ze voorbij moet met in- en uitgaan op de pleisterplaatsen, – en eindelijk, ze worden hoe langer hoe breder! Hun posteriores, hun ellebogen, hun knieën, alles zet zich uit; – en ik heb gereisd met slapende passagiers, die zich op een tocht van nog geen vier uren tot het dubbel van hun omtrek hadden uitgebreid. Voor het overige moet ik hen wel dragelijk vinden, aangezien ik de meesten tijd de eer heb tot hun klasse te behoren. – Volgen de Rokers! Daar was een tijd, mijne vrienden! maar toen waren de Goudse pijpen nog fatsoenlijk, en de blikken sigaar-kokers en zilveren pijpjes nog in de mode; dat geen welopgevoed man, geen commis-voyageur, geen kwajongen zelfs (dat wel het onbeschaamdste slag van wezens is!) een blad tabak zou hebben aangestoken, zonder eerbiedig te vragen: ‘Zal het niemand’ of althans: ‘Zal het de dames niet hinderen?’ Hoe ook binnen ’s kamers aan de pijp (die nu eenmaal de toenaam van ‘vaderlandse’ verkregen had) verslaafd, buiten ’s huis rookte men niet dan bij gedogen en goedkeuring met algemene stemmen en, mocht men die wegdragen, men maakte er met kiesheid gebruik van; men rookte met zekere bedachtzaamheid, kleine wolkjes! (meer…)

HOE LENIE DICKE WERD BEVRIJD

Dordtse verzetshelden wisten in januari 1945 koerierster Lenie Dicke uit een strengbewaakte gevangenis te bevrijden. Maar de actie kwam de familie Dicke duur te staan. Een reconstructie van een riskante gevangeniskraak.

Woensdag 3 januari 1945 – De inval: Het is enkele dagen na Nieuwjaar, de bel gaat. Niets vreemds, want de familie Dicke krijgt veel bezoek over de vloer. Legaal én illegaal. ‘De bel stond nu eenmaal nooit stil’, aldus opgetekend uit Lenies mond. ‘Onbevangen ging ik zelf opendoen.’ Als ze de deur opent, staan er twee automatische pistolen op haar hoofd gericht. ‘Ze zochten ein schwarzes Mädchen. Ik begreep onmiddellijk dat het hen om Truus (Trix Brouwer) te doen was.’
Truus was koerierster in het verzet en een goede vriendin van Lenie. Ze is die dag ‘toevallig’ niet aanwezig. ‘Hände hoch! An der Wand! Schnell!’, tieren de Duitsers. De hele familie, die nog aan de eettafel zit, staat in een mum van tijd overeind. Lenie wordt meegenomen naar het hoofdkantoor van de Duitse Sicherheidsdienst (SD) aan de Singel. Op het kantoor wordt ze verhoord door de Gestapo. Carol Neumann, hoofd van de Dordtse Gestapo, wil alles van haar weten. Dat gaat niet zonder geweld. ‘Neumann sloeg haar in het gezicht of stompte haar met zijn vuist’, blijkt uit zijn eigen memoires. Hij sloot Lenie enige tijd op in een kast om haar tot spreken te dwingen. Alle details wilde hij weten. Waar werden de illegale blaadjes gedrukt? Wie kende Lenie nog meer uit de ondergrondse? Hoe kwam ze aan bonkaarten? Waren er wapens? Hoeveel en waar? Het verhoor gaat de hele dag door, tot ze uiteindelijk naar de gevangenis aan de Doelstraat wordt gebracht. (meer…)

TERRITORIALE GESCHILLEN 3 – NIEMANDSLANDEN

De wereld heeft altijd al vol territoriale geschillen gezeten en in deel 1 zijn hieraan wat inleidende woorden besteed en in deel 2 is een onderverdeling conflictgebieden in historisch niet-erkende staten, niet-erkende staten, micronaties en betwiste gebieden. Dat is een te lange lijst om in zijn geheel te bespreken zodat noodgedwongen een beperking moet worden ingebouwd. Er is daarbij gekozen voor het uitgangsprincipe dat minimaal een Europees land bij het conflict moet zijn betrokken, dat het om staten moet gaan uit het recente verleden en dat wordt geconcentreerd op de betwiste grondgebieden. Vanaf deel 6 zal worden begonnen met het eerste van de betwiste grondgebieden, namelijk Hermansisland dat door Canada en Denemarken (namens Groenland) wordt geclaimd. Al die territoriale geschillen hoefden gelukkig niet altijd via oorlog of ander geweld te worden opgelost. Er zijn in de loop der tijden wel zinvolle oplossingen voor territoriale geschillen gevonden, zoals het bestempelen van een gebied tot niemandsland, het inrichten van een neutrale zone en het oprichten van een condominium. In dit blog het begrip Niemandsland.

Een niemandsland of neutrale zone is een (grens)gebied dat aan niemand toebehoort. Bij grensovergangen is bijna altijd sprake van twee verschillende grensposten, wat betekende dat men eerst via de ene grenspost het land verliet en bij de tweede grenspost het andere land binnenging. Het gebied tussen beide grensposten geldt dan als niemandsland. Het betekent dat de grensposten nooit precies op de grens staan maar altijd een eindje verderop. Eigenlijk zou dat niet nodig moeten zijn (met de invoering van Schengen is dit overigens in de Europese Unie grotendeels het geval), maar werd het nooit als plezierig ervaren dat beide grenswachten naast elkaar stonden. Soms werd het ook niet toegestaan om zich, persoonlijk of zakelijk, erg dicht aan de grens te vestigen. Veel mensen wilden dat zelf trouwens ook niet omdat men bij een gewapend conflict erg snel klem kwam te zitten tussen twee strijdende partijen. (meer…)

FIVE HAND REEL

FIVE HAND REEL

Five Hand Reel was een Schots-Engels-Ierse band uit het eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Zij experimenteerden met de traditionele Schotse en Ierse folkmuziek met electrische rock-arrangementen. De medewerkers waren: Dick Gaughan, Bobby Eaglesham, Tom Hickland, Barry Lyons en Dave Tulloch. Oorspronkelijk werd Five Hand Reel in 1974 gevormd uit de restanten van de Engelse electric folkband Spencer’s Feat. Toen hun violist Chuck Fleming die band in 1975 verliet, werd hij vervangen door de Schotse zanger en gitarist Dick Gaughan (Glasgow, 17 mei 1948). Gaughan bracht de eerste tijd van zijn leven door in Rutherglen (South Lanarkshire); later verhuisde het gezin waarin hij opgroeide naar Leith, een haven aan de rand van Edinburgh, waar zijn vader vandaan kwam. Zijn moeder sprak Gaelic en had in 1930 een zilveren medaille gezongen door haar Gaelic-songs. Gaughan zelf zou de taal nooit echt vloeiend spreken, maar zong er wel in. Al op de leeftijd van zeven ging Gaughan gitaar spelen. Op jonge leeftijd ong hij in de folkclubs van Edinburgh; in 1970 werd hij beroepsmuzikant en speelde voornamelijk traditionele liederen op een akoestische gitaar. Hij schreef nu zijn eigen nummers. Hij maakte een soloalbum voordat hij bij The Boys of the Lough ging zingen en gitaarspelen op hun debuutalbum in 1972.In 1975 voegde hij zich dus bij Five Hand Reel, die werkte in clubs, op folkfestivals en toerden in Engeland en Noord-Europa. De band maakte drie lp’s: Five Hand Reel (1976), For A’ That 1977) en Earl O’Moray (1978). In 1978 verliet Gaughan de band en werd vervangen door gitarist en zanger Sam Bracken uit Belfast. Dat zou niet lang duren, want kort daarna werd de groep opgeheven en begonnen verschillende leden een solocarrière. Bobby Eaglesham overleed 14 oktober 2004. Gaughans soloalbums van de jaren tachtig vallen terug op de akoestische stijl waarin hij was begonnen. Van hun tweede lp: P stands for Paddy. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 037

Frans van den Muijsenberg / 26 augustus 2015, Weimar

TOUR DE FRANCE 1903

Op 1 juli 1903 was in Montgeron, een voorstadje van Parijs, de eerste Tour de France van start gegaan. Van de zestig renners die gestart waren, zouden uiteindelijk 21 man op 19 juli de eindmeet in Ville-d’Avray halen. Die eerste Tour de France had een eigenaardige organisatie. Niet vreemd, want het was een enorm organisatorische en financieel waagstuk om een dergelijke ronde op te zetten en ook nog maar de vraag of voldoende malloten konden worden gevonden voor de monsterachtige ritten over de onverharde wegen. Dat leek nog niet mee te vallen, want een paar dagen voor de start was het aantal inschrijvingen minimaal. Men verzon toen de list dat renners ook voor maar een paar ritten konden inschrijven en ook werd het toegestaan dat iemand die was uitgevallen en dus niet meer meedeed voor het algemeen klassement, de eerstvolgende etappe weer rustig op de fiets kon stappen om mee te strijden voor de dagprijzen. Dat alles had tot gevolg dat op de officiële lijst van deelnemers maar liefst 102 namen staan. Er zouden 78 renners hebben ingeschreven met de ambitie het gehele parkoers te gaan afleggen. Toen puntje bij paaltje kwam, ontbraken op de vroege ochtend van 1 juli 1903 achttien man op het appel. In onderstaande lijst de nummers 61 t/m 78. Daaronder een opvallende naam, namelijk de latere tweevoudig Tourwinnaar Lucien Petit-Breton (1907-1908) Blijkbaar was hij in 1903 nog niet zo overtuigd van zijn capaciteiten. Maar er stonden dus toch nog zestig dapperen ( de nummers 1 t/m 60) aan het vertrek, waarvan we in vorige blogs al vijftien man de revue hebben laten passeren: de Belgen Marcel Kerff, Julien Lootens, Aloïs Catteau en Jules Salés, de Italiaanse Fransman Rodolfo Müller, de Duitser Josef Fischer en het Zwitserse kwartet Anton Jaeck, Charles Laeser, Marcel Lequatre en Paul Mercier, de Italiaan Emile Torisani, de Duitser Ludwig Barthelmann, de latere Luxemburgse Tourwinnaar François Faber en de Fransen Edouard Wattelier en Eugène Christophe. En dan was er nog het eigenaardige gezelschap van mannen, waarvan er twee (de nummers 79 en 80) die twee etappes meededen en de grotere groep (de nummers 81 t/m 102) die maar één etappe vertrokken en bijna zonder uitzondering niet in de eindrangschikking van die dag voorkomen ofwel er voortijdig de brui aan gaven. (meer…)

VAREN EN RIJDEN 1

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (33)
EERDERE AFLEVERINGEN

Men is bezig in mijn vaderland spoorwegen aan te leggen. Het heeft lang geduurd eer men er toe komen kon. De plannen varen bij ons te lande altijd nog met de trekschuit; de lijn breekt wel zesmaal eer zij hun bestemming bereiken: eindelijk komen zij er toch; maar hemel! wat duurt het lang eer de bagage aan wal en te huis is; eer de koperen stoof en de schansloper en de parapluie aan de kruier zijn terhand gesteld. Wat mij betreft, ik ben een Hollander van ouder tot ouder, maar ik heb, bij andere onvaderlandse ondeugden, een recht onhollands ongeduld; schoon ik mijzelf het recht moet doen te verklaren dat er niemand zijn kan, die met meer kalmte dan ik een lieve vrouw een streng breikatoen of zijde helpt uit de war maken. Trouwens, dat is ook geheel iets anders. Voor al wat doen is heb ik het meest mogelijke geduld; voor langzaam doen heb ik eerbied; maar niet doen verveelt mij verschrikkelijk; ik kan niet wachten; geen lijdelijkheid! Het leven is er te kort en mijn bloed te gauw voor. ‘Festina lente!’ Recte, sed festina! – Wat in ’t bijzonder de spoorwegen aangaat: ik zit er sedert jaren pal op te wachten; niet omdat ik er een commercieel of financieel belang bij heb; niet omdat ik er een weddenschap over heb aangegaan; maar alleen omdat er tot nog toe geen middel van vervoer bestaat, dat mij bevalt, zoo niet eigen rijtuig en postpaarden, waar ik, om voor mij zeer gewichtige redenen, slechts zelden gebruik van kan maken.
(meer…)

TERRITORIALE GESCHILLEN 2 – ONDERVERDELING

De wereld heeft altijd al vol territoriale geschillen gezeten en in deel 1 zijn hieraan wat inleidende woorden besteed. Er kan een onderverdeling conflictgebieden gemaakt worden in historisch niet-erkende staten, niet-erkende staten, micronaties en betwiste gebieden. De lijst is te lang om in zijn geheel te bespreken zodat noodgedwongen een beperking moet worden ingebouwd. Er is daarbij gekozen voor het uitgangsprincipe dat minimaal een Europees land bij het conflict moet zijn betrokken, dat het om staten moet gaan uit het recente verleden en dat wordt geconcentreerd op de betwiste grondgebieden. Veel van onderstaande landen/gebieden zullen dan ook niet worden besproken, maar er blijft gelukkig genoeg te genieten over. Vanaf deel 6 begonnen worden met het eerste van de betwiste grondgebieden, namelijk Hermansisland dat door Canada en Denemarken (namens Groenland) wordt geclaimd.

De historische niet-erkende staat betreft staten die in het verleden naar erkenning hebben gestreefd, maar daar niet in zijn geslaagd en nu onderdeel zijn van een andere erkende staat: Republiek Acre, Republiek Ararat, Republiek van de Aras, Koninkrijk Araucanië en Patagonië, Republiek Bergachtig Armenië, Republiek Biafra, Bophuthatswana, Ciskei, Duitse Rijk 1848/1849, Finse Democratische Republiek, Finse Socialistische Arbeidersrepubliek, Vrijstaat Flessenhals, Itsjkerië, Italiaanse Sociale Republiek, Karpato-Oekraïne, Katanga (land), Koninkrijk Koerdistan, Republiek van de Krim (land), Onafhankelijke Staat Kroatië, Mantsjoekwo, Martyazo, Republiek Rhodesië, Republiek van Servisch Krajina, Transkei, Unie van Erfurt, Republiek Užice, Venda (thuisland). (meer…)

TERRITORIALE GESCHILLEN 1 – INLEIDING

De wereld heeft altijd al vol territoriale geschillen gezeten. Geschillen die heel vaak te herleiden zijn naar het proces van kolonisering van de wereld door de West-Europese landen, later gevolgd door Noord-Amerikaans staten. Daar horen fraaie filosofische en theologische ‘oplossingen’ bij, zoals het begrip terra nullius en het principe van vreedzame kolonisatie, om de veroveringen te legitimeren. Er zijn in de loop der tijden wel zinvolle oplossingen voor territoriale geschillen gevonden, zoals het bestempelen van een gebied tot niemandsland, het inrichten van een neutrale zone en het oprichten van een condominium. Maar er bleven er legio over waarover tot op de dag van vandaag wordt gediscussieerd, vergaderd en in de rechtbank bijeen wordt gekomen. Want ook anno 2020 is er nog een gigantische lijst aan conflicten tussen staten onderling, afscheidingsbewegingen (al dan niet grensoverschrijdend), staten die geen of slechts een gedeeltelijke erkenning op het wereldtoneel hebben en gebieden die door verschillende staten betwist worden.

Het Handvest van de Verenigde Naties stelt: ‘Alle lidstaten zullen zich in hun internationale relaties onthouden van de dreiging met of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van elke staat of op welke wijze dan ook, die niet consistent is met de Doelen van de Verenigde Naties.’ Het internationale recht spreekt zich dus duidelijk uit tegen het gebruik van geweld door een staat om daarmee gebied van een andere staat te annexeren. Anno 2020 is de wereld echter nog steeds vergeven van de gebieden waarover door minimaal twee staten een territoriaal geschil bestaat over het bezit en/of bestuur van een bepaald gebied. (meer…)

ROB HOEKE

ROB HOEKE

Rob Hoeke (Haarlem, 9 januari 1939 – Krommenie, 6 november 1999) was een Nederlandse zanger-pianist-songwriter, die bekendheid verwierf door begin jaren 1960 vier keer achter elkaar de tweede plaats in het Loosdrecht Jazz Concours te halen. Daarnaast door zijn deelname in de groepen The Rob Hoeke Rhythm & Blues Group en Rob Hoeke’s Boogie Woogie Quartet. In de jaren 1960 nam hij een promotieplaat op met de Philips Philicorda, een elektronisch orgel. De formaties van Rob Hoeke kenmerkten zich door veeltallige wisselingen van de bezetting. Bekende titels van Rob Hoeke zijn Drinking on My Bed (nr. 11 in 1968), Down South (nr. 8 in 1970), Margio (nr. 15 in 1966), What is Soul, When People Talk, Double Cross Woman en Gettin’ Higher. Ongelukkigerwijs moest hij in 1974, na een poging een kleine reparatie aan zijn auto uit te voeren, twee vingers missen. Overigens had Rob Hoeke buiten de muziek veel belangstelling voor techniek. Hij had een opleiding autotechniek gevolgd aan het IVA Driebergen en hij haalde daarnaast zijn vliegbrevet. Rob Hoeke trad ook veel in het buitenland op, waaronder in Zweden, Duitsland, België, VS, Canada en Denemarken. De single What Is Soul wordt in 1967 ook in Engeland uitgebracht. In 1977 neemt Rob Hoeke het album Two of a Kind op met Alan Price. Rob Hoeke overleed in 1999 na een kort ziekbed aan de gevolgen van maagkanker. Vlak voor zijn dood gaf hij in café Langs de Lijn in Bussum nog een afscheidsconcert waar veel bevriende muzikanten optraden. Onder hen waren Herman Brood, Jan Akkerman en collega-pianisten Eric-Jan Overbeek, Jaap Dekker, Henk Pepping en Gerbren Deves. Ook zijn zoons Ruben en Eric Hoeke traden hier op. Ruben heeft zijn eigen band, de Ruben Hoeke Band. (Bron: Wikipedia) (meer…)

FERRY VAN DER VINNE

Ferry van der Vinne (Haarlem, 19 juli 1886 – onbekend, 15 november 1947) verhuisde als jongen van Haarlem naar Apeldoorn om er naar de hbs te gaan. Hij was te jong om lid te worden van Robur et Velocita, opgericht op 6 mei 1882 en daarmee de oudste club van Gelderland en op vier na de oudste Nederlandse clubs. Slechts zeven clubs waren ouder, waarvan er momenteel nog vier nog steeds spelen. Zoals Kees van der Waerden in zijn boek over het ontstaan van het Nederlandse voetbal aantoonde is niet zoals nog steeds ten onrechte wordt beweerd HFC Haarlem de oudste club, maar komt die eer toe aan de Amsterdamse voetbalclub AFC Sport, die al in 1880 het zogenaamde Association Footbal ofwel het huidige voetbal speelde. Omdat Van der Vinne te jong was om voor deze club uit te komen, richtte hij zijn eigen club op: SSS wat staat voor Sport Staalt Spieren. Toen hij kort daarna terugkeerde naar Haarlem ging hij spelen voor HFC Haarlem, waarvoor hij vier jaar lang uitkwam voor het eerste elftal. In zijn tijd als HFC’er was Ferry van der Vinne een bekend voetballer. Er circuleerde rond 1905 in Haarlem de volgende spreek: ‘Wie Uwer, oud of jong, heeft niet van onzen grooten Ferry gehoord? Wie Uwer weet niet van ‘zelf zien’ of van hooren vertellen, wat deze kranige linksbuiten voor de kleuren der Good Old beteekend heeft.’ Hij was dus bekend en goed, maar voorlopig bleef dat bekend tot Haarlem. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 039

James Pradier (Genève, 23 mei 1790 – Parijs, 4 juni 1852) was een Franse beeldhouwer in de neoklassieke stijl. Jean-Jacques Pradier, zoals zijn oorspronkelijke naam luidde, werd in de toenmalige Republiek Genève geboren als zoon van een protestantse familie die oorspronkelijk uit Toulouse afkomstig was. In 1781 was in de stad-republiek, die heel lang het middelpunt van het calvinisme was (zeg maar ‘het Rome van de protestanten’), in de hand gekomen van de burgerij en arbeiders, die echter al een jaar later moesten vluchten omdat de oude machthebbers met behulp van troepen uit Bern en Savoyse de macht heroverde. Op 15 april 1798 werd de republiek Genève door Frankrijk geannexeerd, maar nadat Napoleon definitief werd verslagen sloot de stad zich als kanton bij Zwitserland aan te sluiten. In 1807 was de dan zeventienjarige Jean-Jacques vertrokken naar Parijs, waar zijn oudere broer Charles-Simon Pradier (1786-1847) al woonde. Die zou uitgroeien tot een van de beste Franse graveurs in die tijd. Hij werkte vaak samen met Jean Auguste Dominique Ingres. In 1808 begon Jean-Jacques aan zijn studie aan de École des Beaux-Arts. Hij won daar een Prix de Rome, die hem in staat stelde van 1814 tot 1818 in Rome te studeren in de Villa Medici. In 1819 debuteerde hij in de beroemde Salon de Paris en bouwde daarna snel een goede reputatie als beeldhouwer op. Via zijn broer maakte hij kennis met Jean-Auguste-Dominique Ingres, waarvan hij een tijdlang les kreeg. In 1827 werd hij toegelaten als lid van de Académie des Beaux-Arts en werd hij tevens professor aan de École des Beaux-Arts. In tegenstelling tot veel tijdgenoten, werkte Pradier zijn beelden helemaal zelf af. Tijdens de Salon van 1834 veroorzaakte Pradiers beeld Sary et Bacchante, met de voor Pradier kenmerkende erotische uitstraling,  een sensatie en klein schandaal. Enkele critici meenden in het beeld de kenmerken te herkennen van de kunstenaar en zijn maitresse Juliette Drouet. Vanwege die kritiek weigerde de preutse koning Louis-Philippe het beeld aan te kopen, waarna graaf Anatole Demidoff dat onmiddellijk weldeed en overbracht naar zijn paleis in Florence. Vele jaren later wist het Louvre het beeld weer naar Parijs te halen. (meer…)

DE FAMILIE STASTOK (19)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (32)
EERDERE AFLEVERINGEN

Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan (6)

De levenslustige Christien stiet Koosje aan, en de beide meisjes lachten achter haar zakdoek.
Amelie zeeg ‘doodaf’, en waarschijnlijk met een halfhonderd steken in haar zij, op een stoel neder; maar op dit ogenblik ging de deur open, en de vrolijke Dolf van Brammen schoot met dezelfde uitgelatenheid op de persoon van Pieter af, die met een wijd duffelse buis aan, een rode bouffante van Teeuwis om de hals, en een pakje nat goed, in zijn zakdoek samengebonden, onder den arm, binnentrad; en dezelve Pieter ogenblikkelijk bij de linkerhand grijpende en zijn eigen rechter om Pieters midden slaande die vruchteloos zich poogde los te worstelen, galoppeerde hij met hem door de kamer, onder het juichen van dezelfde regels, die hem zoo bijzonder schenen te bevallen.
‘Laat me los, Van Brammen!’ riep Pieter, voor de eerste maal sedert ik hem kende zijne manlijkheid tonende; en met een fikse zwaai wierp hij, vonkelende van woede, den op zulk een krachtsbetoning niet verdachte Dolf van zich af en bijna tegen de muur. Deze evenwel, zonder zijne bedaardheid te verliezen, greep zijn degenstok op, stak den van zichzelve verbaasden Stastok den knop toe:
(meer…)

LOUIS PASTEUR

Louis Pasteur
scheikundige en bioloog
Dole, 27 december 1822 – Saint-Cloud, 28 september 1895

De microben-verdelger

Louis Pasteur (Dole, 27 december 1822 – Saint-Cloud, 28 september 1895) was een Franse scheikundige en bioloog. Hij werd geboren in Dole, in de Franse Jura, als derde kind van Jean-Joseph Pasteur en Jeanne-Étienne Roqui; zijn vader was leerlooier van beroep. Pasteur studeerde scheikunde en biologie en werd wereldberoemd vanwege de naar hem vernoemde pasteurisatietechniek en door zijn ontdekking van het vaccin tegen hondsdolheid. Tot 1885 bleef de kleine man, met een dun sikje en een half verlamd been, voor de buitenwereld echter nagenoeg een on­bekende. Anderen hadden weliswaar microben al gezien en beschreven, maar Pasteur was de eerste die hun geweldige macht – ten goede en ten kwade – pas echt besefte. Zijn wetenschappelijke carrière begon in 1848 met onderzoek aan wijnsteenzuurkristallen. Wijnsteenzuur is een zuur dat wordt aangetroffen in onder andere druiven, bananen, pompelmoezen en vruchten van de tamarinde en overeenkomsten heeft met appelzuur. De zuivere stof komt voor als een wit kristallijn poeder dat zeer goed oplosbaar is in water. Hij ontdekte dat er twee vormen van wijnsteenzuur bestaan waarvan de kristallen elkaars spiegelbeeld zijn. Ook ontdekte hij dat de ene vorm wel, maar de andere vorm niet door bacteriën kon worden gebruikt als voedsel. Het wordt nu gebruikt in de geneeskunde, de textielnijverheid, de cosmetica (haarverf) en in warme klimaten om wijn wat frisser van smaak te maken. In de voedingsindustrie wordt het gebruikt als antioxidant en heeft het E-nummer E334. Pasteur was met zijn ontdekking een van de eersten die macroscopische effecten van de ruimtelijke bouw van moleculen beschreef en de vader van de stereochemie (de studie van de ruimtelijke opbouw van (organische) verbindingen en de manier hoe stoffen op elkaar reageren). Pasteur schreef hierover handboeken over de gisting die voor wijnbouwers, bierbrouwers en azijnfabrikanten nog steeds bijbels zijn. (meer…)

HERMAN VAN AALDEREN (46)

Herman Jan van Aalderen (Zwolle, 4 oktober 1886 – Bergen-Belsen, 31 mei 1945) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Van Aalderen was ingenieur en chef van het seinwezen bij de Nederlandse Spoorwegen, waarbij de ene bron vermeldt dat hij werkzaam was in Zwolle en een andere bron in Utrecht. Gezien het feit dat hij woonachtig was aan de Rembrandtlaan 99 te Bilthoven lijkt Utrecht als de correcte werkplaats. Binnen de Nederlandse Spoorwegen was hij een zeer geziene persoonlijkheid, die zijn anti-Duitse gevoelens niet onder stoelen of banken stak. Hij gebruikte zijn werk om allerlei illegaal werk te doen. Zo gaf hij in 1942 tekeningen aan H. Leeuw, een machinist bij de spoorwegen en ook lid van de illegale groep-Hamelink, een verzetsgroep rond vakbondsman Jaap Hamelink, een lasser bij de Centrale Werkplaats van de Nederlandse Spoorwegen te Haarlem. De groep-Hamelink maakte van de tekeningen microfilms die werden opgestuurd naar het coördinerend verzet in Londen, die ze nodig had voor aanslagen op het spoor. De verzetsgroep was onder meer actief met hulp aan Joden en het vervalsen van persoonsbewijzen. Vanaf het begin van de bezetting spoorde Jaap Hamelink (Kruiningen, 24 juli 1902 – Rotterdam, 18 oktober 1942) zijn collega’s aan om het arbeidstempo te verlagen en de ‘bazen’ om de controles te matigen. In het hele land riep hij NS-medewerkers op de gelijkgeschakelde spoorwegvakbond te verlaten. In 1941 riep hij het NS-personeel op deel te nemen aan de Februaristaking. Op verdenking deze staking mede te hebben georganiseerd, werd hij gearresteerd, maar korte tijd later vrijgelaten. Uit principieel bezwaar nog langer voor de bezetter te werken, nam hij in september 1941 ontslag en zette hij zijn verzetswerk verder via huiskamerbijeenkomsten. Vanaf februari 1942 gaf Hamelink het illegale blad De Kern uit. Hierin protesteerde hij vooral tegen het inzetten van werklozen voor Duitse bouwactiviteiten. Daarnaast verspreidde zijn groep het illegale blad Verzet, een blad dat onder leiding stond van de sociaaldemocraat Koos Vorrink. Op 18 oktober 1942 gaf Hamelink leiding aan een vergadering in Rotterdam om het Nederlands verzet beter te organiseren. De vergadering bleek verraden te zijn door een kennis van één van de deelnemers. Bij de inval van de politie trok Hamelink een revolver en werd direct doodgeschoten. (meer…)

ALQUIN

ALQUIN

Alquin was een Nederlandse popgroep uit Delft, die in de jaren zeventig bekendheid genoot met progressieve rock. De oorspronkelijke bezetting bestond uit Ferdinand Bakker (gitaar, piano, viool en zang), Dick Franssen (orgel, piano en Wurlitzer), Hein Mars (basgitaar), Ronald Ottenhoff (saxofoon en fluit), Job Tarenskeen (zang, saxofoon, slagwerk en percussie) en Paul Weststrate (slagwerk). Sinds 2003 bestaat Alquin uit gitarist Ferdinand Bakker, zanger Michel van Dijk, fluitist/saxofonist Ronald Ottenhoff, basgitarist Walter Latuperissa, toetsenist Dick Franssen en drummer Job Tarenskeen. Eerder is op deze site al hun nummer Wheelchair Groupie geplaatst, het enige nummer van hen dat met enige tussenpozen in de Top 2000 terecht kwam. Ondanks het ontbreken van een echte grote hit wordt Alquin wel gezien als één van de belangrijkste Nederlandse bands van de jaren zeventig. Begonnen als progressieve rockgroep met vaak lang uitgesponnen composities vol elementen uit jazz, folk en klassieke muziek, verlegt Alquin halverwege haar bestaan de koers naar kortere nummers en een meer funkrock-achtige aanpak. Toen de internationale doorbraak uitbleef, viel de band in 1977 uit elkaar om in het nieuwe millennium de draad weer op te pakken. Een van de nummers die het had verdiend een grote (internationale) hit te worden: Convicts of the air. (meer…)

HET KEIENMONUMENT APELDOORN 3

Op 22 november 1944 waren in Apeldoorn door de Sicherheitsdienst vijftien kopstukken van het verzet aangehouden en opgesloten in de zwaar bewaakte Koning Willem III kazerne. Het verzet heeft haast om de gevangengenomen kopstukken te bevrijden, want de kans dat iemand tijdens de verhoren doorslaat neemt met de dag toe. De kazerne werd echter zwaar bewaakt, waardoor het Apeldoornse verzet er niet in slaagde een incomplete omgevingsschets te maken. Daarom besloten Johannes ‘Frank’ van Bijnen, Samuel ‘Paul’ Esmeijer en Huibert Verschoor om op 28 november 1944 de bewaking van de Willem III kazerne te bekijken. Het eindigt met de directe dood van Esmeijer omkomt; Van Bijnen overleed enkele dagen later. Verschoor wist te ontsnappen, maar zal later in de oorlog alsnog om het leven komen. Op 2 december 1944 werden als represaille elf verzetsstrijders en de Amerikaanse piloot Bill F. Moore opgesloten in de Koning Willem III kazerne en gefusilleerd: A. L. Ansems, J. Balk, Ph. Corts, H.G. Drost, J. Engelaan, T.J. Kroeze, L.J. Kleiboer, S. Postma, J.D. Suyling, J. Vos, G. Westdijk en J. van Zanten. A. L. Ansems, Ph. Corts, H.G. Drost, J. Engelaar, L.J. Kleiboer, S. Postma, J.D. Suijling, J. Vos, G. Westdijk en J. van Zanten. Ter nagedachtenis aan de omgekomenen werd op 2 december 1946 vlakbij de kazerne het zogenaamde Keienmonument onthuld, ontworpen door Gerard Post Greve en bestaande uit drie zwerfstenen die piramidevormig tegen een talud zijn geplaatst. In eerste instantie stonden op de kleine zwerfkei alleen de namen van Van Bijnen en Esmeijer, maar in 1985 is in overleg met de ontwerper besloten ook de naam van Verschoor, de derde deelnemer de de mislukte verkenning, hier aan toe te voegen. Vandaag een eerste aflevering over deze vergeten verzetshelden.
(meer…)

HET KEIENMONUMENT APELDOORN 2

Op 22 november 1944 waren in Apeldoorn door de Sicherheitsdienst vijftien kopstukken van het verzet aangehouden en opgesloten in de zwaar bewaakte Koning Willem III kazerne. Het verzet heeft haast om de gevangengenomen kopstukken te bevrijden, want de kans dat iemand tijdens de verhoren doorslaat neemt met de dag toe. De kazerne werd echter zwaar bewaakt, waardoor het Apeldoornse verzet er niet in slaagde een incomplete omgevingsschets te maken. Daarom besloten Johannes ‘Frank’ van Bijnen, Samuel ‘Paul’ Esmeijer en Huibert Verschoor om op 28 november 1944 de bewaking van de Willem III kazerne te bekijken. Het eindigt met de directe dood van Esmeijer omkomt; Van Bijnen overleed enkele dagen later. Verschoor wist te ontsnappen, maar zal later in de oorlog alsnog om het leven komen. Op 2 december 1944 werden als represaille elf verzetsstrijders en de Amerikaanse piloot Bill F. Moore opgesloten in de Koning Willem III kazerne en gefusilleerd: A. L. Ansems, J. Balk, Ph. Corts, H.G. Drost, J. Engelaan, T.J. Kroeze, L.J. Kleiboer, S. Postma, J.D. Suyling, J. Vos, G. Westdijk en J. van Zanten. A. L. Ansems, Ph. Corts, H.G. Drost, J. Engelaar, L.J. Kleiboer, S. Postma, J.D. Suijling, J. Vos, G. Westdijk en J. van Zanten. Ter nagedachtenis aan de omgekomenen werd op 2 december 1946 vlakbij de kazerne het zogenaamde Keienmonument onthuld, ontworpen door Gerard Post Greve en bestaande uit drie zwerfstenen die piramidevormig tegen een talud zijn geplaatst.  In eerste instantie stonden op de kleine zwerfkei alleen de namen van Van Bijnen en Esmeijer, maar in 1985 is in overleg met de ontwerper besloten ook de naam van Verschoor, de derde deelnemer de de mislukte verkenning, hier aan toe te voegen. Vandaag een eerste aflevering over deze vergeten verzetshelden.
(meer…)

DE FAMILIE STASTOK (18)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (31)
EERDERE AFLEVERINGEN

Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan (5)

Het was ondertussen halfzes geworden en, schoon ’t nog zeer licht was, de zon was al ondergegaan en wij konden ons nog alleen in de koude naglans verheugen. Het bleek nu welk een dolle streek het eigenlijk was,
in de maand October na de middag een watertochtje te beginnen; er stak een zéér koel windje op, en wij vonden ’t beter binnen te gaan. Wij werden alzo in het beste vertrek van ’t huis gelaten, waar het pronkbed was, een friese klok en een dambord hingen, en vier schilderijen aan den wand ons de geschiedenis van Willem Tell herinnerden, om niet te spreken van een dier tabelletjes, welke men verkorte uitgaven van Trommius zou kunnen noemen, en waarop men lezen kan hoeveel kapittels, hoeveel verzen, hoeveel ende’s in de bijbel staan, en dergelijke wetenswaardige dingen meer. Zulk een hing er in een verguld lijstje. Hier zetten wij ons op de matten stoelen neder en begonnen, nadat Amelie, die het op haar zenuwen zeide te heb, een weinig bedaard was, rijnse wijn te drinken en sinaasappelen te eten alsof het een lauwe avondstond in Juli geweest ware.
(meer…)

TSUGUHARU-LÉONARD FOUJITA 2

Tsuguharu-Léonard Foujita (Tokio, 27 november 1886 – Zürich, 29 januari 1968) was in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw verreweg de beroemdste artiest, waar zijn extravagante gedrag flink aan bijdroeg. Op de verjaardag van Lucie Badoul, zijn derde echtgenote, gaf hij haar een peperdure wagen met open dak en op de motorkap een klein bronzen beeld van Auguste Rodin. Foujita had ook gezorgd dat hij de juiste look had: een opvallend kapsel, een bril met ronde glazen, kleurrijke kleding en een hip snorretje (zou ene Adolf Hitler dit van de Japanner hebben afgekeken?), die allemaal bijdroegen aan een status van beroemdheid. Hij schroomde ook niet om als vrouw gekleed het uitgaansleven in te stappen. Hij ontwierp ook kleding, die in de Parijse modebladen alle aandacht kregen. Hij fotografeerde en filmde zichzelf terwijl hij aan het werk was in zijn appartement, dat als een van de eerste in Parijs een bad met stromend water had. Ook maakte hij een grote rij zelfportretten. Alle critici prezen zijn werk en werden fortuinen neergeteld voor zijn tekeningen, schilderijen en waterverftekeningen. In die periode was hij vele malen succesrijker dan Pablo Picasso en Henri Matisse. Waarschijnlijk was Tsuguharu-Léonard Foujita de eerste kunstenaar die van zichzelf een brand maakte. Het nadeel was wel dat zijn werk steeds meer naar de achtergrond verdween. (meer…)

TSUGUHARU-LÉONARD FOUJITA 1

Tsuguharu-Léonard Foujita (Tokio, 27 november 1886 – Zürich, 29 januari 1968) was een Japans-Frans kunstschilder en graficus, die de traditionele Japanse inkt-technieken combineerde met de westerse stijl van schilderen. Hij geldt als de belangrijkste Japanse kunstschilder van de 20e eeuw. Foujita was de zoon van een Japanse generaal. Na de middelbare school wilde hij het liefst direct naar Frankrijk vertrekken om een kunstopleiding te gaan volgen, maar op advies van zijn vader en diens legerarts besloot hij een aantal jaren in Japan te blijven om daar de westers kunst te bestuderen. Deze legerarts was luitenant-generaal Mori Rintarō (1862-1922), die onder de naam Mori Ōgai bekendheid verwierf als schrijver en vertaler van de belangrijke Duitse literatuur. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste hervormers van de Japanse literatuur. Foujati bezocht in Tokyo de  National University of Fine Arts and Music, die hij in 1910 op 24-jarige leeftijd afmaakte. Zijn Japanse carrière begon veelbelovend en hij kreeg zelfs portretopdrachten vanuit de keizerlijke familie. Na een reis naar Engeland en Frankrijk in 1912 ontdekte hij echter de modernistische West-Europese kunst en verhuisde in 1913 naar Parijs. Hij vestigde zich in Montparnasse waar hij verkeerde onder vooraanstaande avant-gardistische kunstenaars, zoals Georges Braque, Henri Matisse, Jules Pascin, Fernand Léger, Jean Cocteau, Juan Gris en Pablo Picasso. Hij nam er danslessen van de beroemde danseres Isadora Duncan en raakte nauw bevriend met Amedeo Modigliani. Hij werd al snel door iedereen benijd omdat hij genoeg geld had om in zijn woning een badkuip met stromend water liet installeren. Vanaf dat moment was het voor Foujita, die toch al een reputatie had opgebouwd een enorm vrouwenversierder te zijn,geen enkele probleem meer om modellen naar zijn luxueuze appartement te lokken. Een daarvan was de fameuze Kiki de Montparnasse, die voor hem onder meer naakt in de tuin poseerde. Op het schilderij Reclining Nude with Toile de Jouy is Kiki de Montparnasse te zien, naakt liggend tegen een ivoorwitte achtergrond. Het schilderij was de absolute sensatie tijdens de Salon d’Automne in 1922, waar het voor het destijds gigantische bedrag van 8.000 francs werd verkocht. Een prima investering want in 2013 werd het schilderij door Christie’s New York verkocht voor $ 1.205.000. Het geruchtmakende leven van Foujita in Montparnasse is in een aantal boeken gedocumenteerd. (meer…)

SANTANA

SANTANA

Santana is een latin rockband die in 1966 is opgericht door Carlos Santana, de gitarist, de naamgever en de enige constante factor in alle samenstellingen die deze band heeft gekend. En dat zijn er heel wat geweest. Mede-oprichters in 1966 waren bassist David Brown en toetsenist Gregg Rolie en de band heette oorspronkelijk The Santana Blues Band op. Hoewel de band de naam van Carlos Santana droeg (het was van de muzikantenvakbond verplicht om de band naar de muzikale leider te noemen) was het meer een collectief zonder leider. Na verloop van tijd werd de naam ingekort tot Santana. Op 16 juni 1968 maakte de band zijn debuut in de Fillmore. In 1969 maakte Carlos Santana zijn albumdebuut op The Live Adventures of Mike Bloomfield and Al Kooper. Dat bracht de groep onder contract bij Columbia Records en bracht een titelloos debuutalbum uit met de single Evil Ways (een cover van Willie Bobo). Dat album heeft me altijd gefascineerd, niet alleen vanwege de vele swingende nummers, maar ook vanwege de fantastische hoes met de dreigende leeuwenkop. Een perfecte illustratie van de tomeloze energie die de band steeds had. Dit album werd goed ontvangen en leverde een uitnodiging om in 1969 op Woodstock te spelen. In 1970 verscheen het album Abraxas met de covers Black Magic Woman (Fleetwood Mac) en Oye Como Va (Tito Puente). Met het succes kwamen ook de drank, de drugs en de artistieke meningsverschillen. Gregg Rolie en een paar andere leden wilden verdergaan met het karakteristieke rockgeluid; Carlos Santana wilde een andere koers omdat hij zich steeds meer begon te interesseren voor spiritualiteit, meditatie en jazz. Timbalesspeler Chepito Areas werd getroffen door een bijna fatale hersenbloeding werd hij vervangen, maar daar waren anderen zoals congaspeler Mike Carabello het mee oneens. Het drugsgebruik van Mike Carabello leidde tot interne problemen, waarna Carabello, David Brown en Chepito Areas de band verlieten. Kortom, het hechte collectief begon al heel snel flinke scheuren te vertonen. Het wel en wee van de groep Santana is verder te omvattend om hier even samen te vatten, dus daarvoor kunt u beter terecht op Wikipedia. Op Woodstock was iedereen er echter nog bij. Dat optreden betekende de doorbraak van de band, want Santana speelde eigenlijk bijna alle voorgangers en wat na hen kwam van het podium. Vooral de drumsolo van de pas twintigjarige Michael Shrieve (hij zou op de eerste zeven albums van Santana spelen) tijdens het nummer Soul Sacrifice werd omschreven als ‘electrifying’. Een nummer dat alles heeft: latino, blues rock, jazz, funk, bossa nova, tribal, psychedelic rock. Met de kanttekening dat zijn drumsolo in hetzelfde nummer in 1970 in Tanglewood door iedereen als nog beter wordt gezien. Deze uitvoering heeft ook zo ongeveer de dubbele lengte, dus die doen we: Soul Sacrifice. (meer…)

DUITSE KOLONIËN 12

Duitsland had als laatkomer in de imperiale wedloop in de jaren 1884-1900 in sneltreinvaart een redelijk groot koloniaal rijk opgebouwd, verdeeld over Afrika, de Stille Zuidzee en China. Nadat in 1682 de Brandenburgisch-Afrikanische Compagnie kortstondig actief was geweest aan de Afrikaanse Goudkust gesticht, waardoor het koninkrijk Brandenburg-Pruisen kon worden toegevoegd aan het lijstje achttien koloniale mogendheden bleef het twee eeuwen rustig in de Duitse staten en vorstendommen. Pas na 1871 begon Duitsland voorzichtig koloniale ambities te ontwikkelen, maar bij het Congres van Berlijn (1878) was men toch vooral gericht op het verzekeren van een vaste plaats onder de Europese mogendheden en de bemoeienissen om het rijk van ‘de zieke man van Europa‘ te verdelen. Een strijd die overigens heel erg veel overeenkomst had met de verdeling van enkele decennia later van het Chinese Keizerrijk. Pas na de Koloniale Conferentie van Berlijn (1884-1885) werd serieus begonnen met het opbouwen van een Duitse koloniale macht. Otto von Bismarck, aanvankelijk een tegenstander van het verwerven van overzeese gebiedsdelen, wilde naar Brits voorbeeld allerlei handelspunten opzetten die staatsbescherming zouden genieten. Achtereenvolgens werden Duits-Kameroen, Togoland en Duits-Nieuw-Guinea (in 1884), Duits-Oost-Afrika, Duits-Zuidwest-Afrika en Duits-Witu (in 1885), Duits-Samoa (in 1900) en Neukameroen (in 1911) als kolonie aan het Duitse Keizerrijk toegevoegd. Daarnaast had Duitsland vanaf 1897 Kiautschou als protectoraat in China, vanaf 1895 in de Chinese stad Hankow en vanaf 1899 in Tianjin. Pas rond 1900 bezat het Keizerrijk een koloniaal rijk dat enigszins met dat van de genoemde te vergelijken was, hoewel het veel kleiner en van minder belang was. Het gehele koloniale rijk ging tijdens de oorlog of als gevolg van het Verdrag van Versailles (1919) verloren.
(meer…)

DUITSE KOLONIËN 11

Duitsland was een laatkomer in de imperialistische strijd om kolonies omdat het pas in 1871 een staatkundige eenheid was geworden. De Brandenburgisch-Afrikanische Compagnie had vanaf 1682 koloniën (handelsposten) op de Goudkust gesticht, maar dat was maar een zeer kortstondig avontuur geweest. Het kreeg er overigens wel de twijfelachtige eer van een plaatsje in de lijst van achttien koloniale mogendheden. Pas na 1871 begon Duitsland voorzichtig koloniale ambities te ontwikkelen, maar bij het Congres van Berlijn (1878) was men toch vooral gericht op het verzekeren van een vaste plaats onder de Europese mogendheden en de bemoeienissen om het rijk van ‘de zieke man van Europa‘ te verdelen. Een strijd die overigens heel erg veel overeenkomst had met de verdeling van enkele decennia later van het Chinese Keizerrijk. Pas na de Koloniale Conferentie van Berlijn (1884-1885) werd het serieus en werd begonnen met het opbouwen van een Duitse koloniale macht. Otto von Bismarck, aanvankelijk een tegenstander van het verwerven van overzeese gebiedsdelen, wilde naar Brits voorbeeld allerlei handelspunten opzetten die staatsbescherming zouden genieten. Achtereenvolgens werden Duits-Kameroen, Togoland en Duits-Nieuw-Guinea (in 1884), Duits-Oost-Afrika, Duits-Zuidwest-Afrika en Duits-Witu (in 1885), Duits-Samoa (in 1900) en Neukameroen (in 1911) als kolonie aan het Duitse Keizerrijk toegevoegd. Daarnaast had Duitsland vanaf 1897 Kiautschou als protectoraat in China en vanaf 1899 een concessie in de Chinese stad Tianjin. Pas rond 1900 bezat het Keizerrijk een koloniaal rijk dat enigszins met dat van de genoemde te vergelijken was, hoewel het veel kleiner en van minder belang was. Het gehele koloniale rijk ging tijdens de oorlog of als gevolg van het Verdrag van Versailles (1919) verloren.
(meer…)

DE FAMILIE STASTOK (17)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (30)
EERDERE AFLEVERINGEN

Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan (4)

Voor een sentimenteel meisje was er op die werf niet veel te zien. Wij zaten aan een vrij verveloos tafeltje, waarvan maar drie poten de grond raakten, op een door kippen en hanen omgewoeld terrein, van een aarden
dijkje aan drie kanten omgeven, en hadden het uitzicht op een vrij grote kroosgroene eendenkom, een loods, en een zeker ander klein gebouwtje. Het duurde een hele poos, eer een kleine lelijke bastaard van een mop en een fikshond geheel ophield uitvallen van vijandigheid te plegen; maar wat het toneel enige schilderachtigheid bijzette, waren drie kinderen, waarvan het oudste, een meisje van een jaar of zes, het kleinste, een wicht van even zoo veel maanden, op schoot had, terwijl de derde, een jongen van omstreeks vijf jaren met spierwit haar, op zijn rug op den grond lag. Deze groep bevond zich aan de rand van de eendenkom, en keek dan eens schichtig naar ons en dan weer vertrouwelijk naar de eenden.
Het waren deze lieve kinderen, die Amelie in staat stelden al de liefderijkheid van haar zachtgestemd gemoed te tonen; zij trok dus de kleine linkerhandschoen van de kleine linkerhand, en besloot ze op de innemendste en wegslependste wijze toe te spreken.
(meer…)

HET KEIENMONUMENT APELDOORN 1

Als in september 1944 Zuid-Nederland is bevrijd neemt in de rest van het land het verzet toe. Allerlei groepjes gaan zich formeren en gaan verzetsactiviteiten ontplooien. Om enige structuur in het geheel te krijgen en te zorgen voor goed onderling overleg en afstemming leek het koningin Wilhelmina wel een aardig plan te bevelen dat het verzet moest worden gecentraliseerd. Al heel snel werd die beslissing van Wilhelmina gekenschetst als ‘een betreurenswaardige domheid’. Een snoeihard oordeel die nog stamde uit een tijd dat eerbied voor het koningshuis nog vanzelfsprekend was. Het grensde haast aan majesteitsschennis om dit hardop te zeggen. Toch was dat oordeel toen al goed verdedigbaar want het besluit heeft honderden verzetsmensen het leven gekost. Het was zo’n desastreus besluit omdat Wilhelmina zo goed als niets wist over het verzet en de onderlinge strijd die zich daarbinnen afspeelde tussen katholieken, gereformeerden, communisten en allerlei andere stromingen.Het was ook niet zo handig om schoonzoon prins Bernhard te bestempelen als de chef van de verenigde verzetsgroepen. Het klonk wel imposant: Bevelhebber der Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten en Bernhard heeft er later ook veel voordeel mee kunnen doen. Wilhelmina deed dat met een vastomlijnd doel voor ogen, namelijk de indruk gegeven dat het Oranjehuis onder de moedige leiding van Bernhard een fors aandeel in de bevrijding van het vaderland had gehad. Het zou de monarchie weer steviger dan ooit in het zadel helpen. De noodzaak van de grootst mogelijke geheimhouding snapte ze al evenmin. Koeriers gingen op pad met schriftelijke uitnodigingen voor vergaderingen waarin adressen, namen van deelnemers alsook de tijd en plaats van samenkomst stonden. In het echte verzet ging dat soort dingen mondeling, zonder dat er een snipper papier aan te pas kwam. Het werd voor de Duitsers een koud kunstje het verzet te infilteren en honderden mensen ‘kalt zu stellen‘. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 30

BRAINBOX

BRAINBOX

Brainbox is een Nederlandse rockgroep, oorspronkelijk afkomstig uit Amsterdam. De oorspronkelijke samenstelling was; gitarist Jan Akkerman, drummer Pierre van der Linden, zanger Kaz Lux en basgitarist André Reijnen. De band werd in 1968 opgericht door manager John B. van Setten. De debuutsingle Down Man verried al meteen het enorme potentieel van de groep met hun progressieve bluesstijl en vooral het karakteristieke, hoge stemgeluid van Kaz Lux. Bovendien bleken Lux en Akkerman in staat tot het schrijven van origineel materiaal, terwijl de covers opvielen door de verrassende interpretatie. Bekende covers van Brainbox zijn Summertime uit George Gershwin’s opera Porgy and Bess, de traditionele Engelse ballade Scarborough Fair en Reason to believe van Tim Hardin. Het naamloze debuutalbum uit 1969 bevat nummers als Dark Rose en Sea of Delight. Down Man werd een bescheiden hit in de Verenigde Staten. In Nederland had Brainbox een aantal hitsingles waaronder Between Alpha and Omega, Doomsday Train, The Smile en Summertime. Na het veelbelovende debuutalbum vertrokken kort na elkaar zowel Akkerman als Van der Linden om samen met Thijs van Leer de band Focus te gaan vormen. De nieuwe gitarist werd Herman Meyer, die na enige tijd gezelschap kreeg van Rudy de Queljoe (ex-Dragonfly) en als drummer kwam Frans Smit over uit De Maskers. Meyer maakte na twee singles plaats voor John Schuursma. Ondanks de wijzigingen bleef Brainbox landelijk zeer populair, maar na het vertrek van Kaz Lux in 1971 (hij werd vervangen door zanger Michel van Dijk) viel de groep wegens afnemend succes in 1972 uit elkaar. Op de lp Parts is het ook André Reijnen, het laatste lid van het eerste uur, vertrokken en het album heeft dan ook zo goed als niks te maken met het originele Brainbox. De fans laten het album dan ook links liggen. Vanaf 2003 gaf Brainbox een aantal reünie-concerten in Nederland, waarvan de live-cd The last train is uitgebracht. De band speelde toen in de post-Akkerman bezetting van 1970 (Lux, van der Linden, de Queljoe en Schuursma) aangevuld met Eric Bagchus als bassist. In oktober 2009 riep Kaz Lux de band toch weer bij elkaar, met dat jaar enkele optredens en in het eerste kwartaal 2010 een toer door Nederland. In 2011 nam de band voor het eerst in bijna 40 jaar een nieuw studioalbum op (The 3rd Flood) en ging weer toeren. Afgezien van de constante aanwezigheid van Lux en De Queljoe is de samenstelling van de band echter wisselend. Jan Akkerman ging in 2012 met het oude Brainboxrepertoire toeren. In april 2018 kozen de lezers van het Nederlandse maandblad Lust for Life het debuutalbum Brainbox tot nummer vier van de beste albums van de Lage Landen. Daar valt weinig op af te dingen, luister nog maar eens naar Down Man. (meer…)

DUITSE KOLONIËN 10

Een eeuw lang, van 1842 tot 1947 hadden enkele westerse landen en Japan concessies in enkele Chinese steden. het Chinese Keizerrijk behield weliswaar zijn soevereiniteit over het concessie- of pachtgebied, maar had alle soevereiniteits-rechten overgedragen aan de andere staten. De gebiedsverpachting geschiedde meestal voor een bepaalde tijd, maar kon ook eeuwigdurend zijn. De Verenigde Staten sloot bijvoorbeeld in 1903 een pachtverdrag voor haar vlootbasis Guantanamo Bay op Cuba, die sinds de verlenging bij verdrag op 31 mei 1934 voor onbepaalde duur is en enkel bij wederzijds akkoord kan worden beëindigd. Het ziet er vooralsnog niet naar uit dat de USA deze pachtovereenkomst ooit zal beëindigen. In 1903 sloot de VS ook een pachtverdrag met Panama, dat  In 1903 sloot de VS een pachtverdrag met Panama, dat het bestuur over de Panamakanaalzone en de exploitatie van het dan nog te realiseren Panamakanaal overdroeg aan een door het VS-ministerie van defensie gecontroleerde Panama Canal Company. Panama kreeg het bestuur terug in 1979, de operationele controle van de Kanaalautoriteit in 1999. In China werden door de zwakke Qing-dynastie aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw  veel concessies verleend. Bij allerlei ‘ongelijke verdragen’ moesten de Chinezen instemmen met het in concessie geven van een groot aantal territoria. Meestal was dat een belangrijke haven, soms ook het achterland daarvan. De belangrijkste was de haven Hongkong en haar achterland dat na de Eerste Opiumoorlog aan de Britse Oost-Indische Compagnie werd overgedragen. Toen woonden er niet meer dan 7000 mensen. Hongkong was vervolgens lange tijd een Britse kroonkolonie. Bij verdrag werd het pachtgebied uitgebreid en voor een periode van 99 jaar verpacht. (meer…)

DE FAMILIE STASTOK (16)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (29)
EERDERE AFLEVERINGEN

Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan (3)

Wij hadden het schuitje in de singel laten brengen en derwaarts had Keesje den rijnse wijn getorst. Ik kwam juist met Christien ter bepaalder plaatse, als Pieter er ook verscheen; Koosje ging nevens hem; hij had haar
geen arm durven aanbieden, en zij had werk zijn grote stappen bij te houden.
De knorrigheid van Pieter scheen wel wat gezakt te zijn, maar ik zag ze met nieuwe neteligheid opleven, toen hij de jeugdige Van Brammen met zijn zuster en een meid, die in de een hand een grote huissleutel en in de andere een gemarmerd bordpapieren gitaardoos droeg, uit de poort en over de brug zag gaan. Dolf had voor deze gelegenheid een gele strohoed opgezocht, die hem vrij gemeen stond, droeg een bruingeruite pantalon en een groene dichtgeknoopte rok met glimmende knopen; aan zijne laarzen blonken een paar moeren van sporen, die hij evenwel, als bij deze gelegenheid minder te pas komende, had thuis gelaten, en hij had een gelen degenstok in de hand, die hij om dezelfde reden thuis had kunnen laten. Amelie, wier peettante eigenlijk Meeltje geheten had, was zeer bijzonder gekleed. Zij had een spencer aan van paarse zijde, waar een groenen rok onder uitkwam, en een hoedje van dezelfde kleur en stoffe als haar spencer, waarop zij een witten sluier droeg met een brede rand van dezelfde kleur als de rok. Haar kleine voeten staken in nanking slobkousjes, die haar fijnen enkel zeer wel deden uitkomen. Deze kleine voet en fijne enkel maakten, benevens hare handjes, de voornaamste schoonheden van de magere Amelie uit, die een lang bleek gezicht had, met grote groenachtige zwemmerige ogen, welke zij evenwel, of omdat zij bijziende was, of omdat zij het schijnen wilde, zo dicht toekneep dat men wedden zou dat zij niets zag. Zo als zij nu naast haar buikige broeder voortschreed, maakte zij in mij de gedachte aan den eersten droom van Farao zeer levendig.
(meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 036

Frans van den Muijsenberg / 22 augustus 2019, Lobith

ATSUKO TANAKA

Atsuko Tanaka (Osaka, 10 februari 1932 – Nara, 3 december 2005) was een van de Japanse pioniers in de avant-gardistische schilderkunst. Ze was een van de centrale figuren binnen de Gutai-beweging, die was geassocieerd was aan de Nederlandse Nul-beweging en soortgelijke bewegingen in Europa (Zero in Duitsland, Azimuth in Italië en het nouveau réalisme in Frankrijk), maar buiten Japan bleef ze met haar schilderijen en performances een tamelijk onbekende. Pas begin van de 21e eeuw, inmiddels al behoorlijk op leeftijd kreeg ze haar eerste solotentoonstelling. In haar geboortestad volgde ze verschillende kunstopleidingen, zoals Art Institute of Osaka Municipal Museum of Art (1950) en de Department of Western Painting aan het Kyoto Municipal College of Art. Daarna was ze beroepshalve vooral actief was met het ontwerpen van figuratieve mode. Begin vijftiger jaren ontmoette ze de kunstenaar Akira Kanayma die haar introduceerde bij zijn collega’s die zich bezighielden met experimentele Japanse kunst. Een van die kunstenaars, Jiro Yoshihara, gaf haar privé-lessen in de westerse manier van schilderen met olieverf. In 1954 ontwikkelde Yoshihara, beïnvloed door de abstracte schilders in Tokyo en de nieuwe stromingen in West-Europa, een geheel nieuwe schilderstijl, die volgens hem inhield dat dingen werden geschapen die nooit eerder hadden bestaan. Kunst werd als het ware vanaf het nulpunt opnieuw opgebouwd. De stroming werd in Europa Zero-kai (Zero Society) met verwijzing naar de oorsprong van de ideologie en Europese collega’s. In Japan staat het echter bekend als de Gutai-beweging op. In 1955 sloot ze zich aan bij deze beweging, samen met Akira Kanayama. Tot haar huwelijk met Kanayama in 1965 bleef ze lid van de Gutai-beweging. In 1965 verliet het echtpaar gezamenlijk de beweging en betrok een woning in een tempel in Osaka. Ze maakte bijna al haar kunstwerken thuis of in de woning van haar ouders die slechts op een paar minuten lopen van haar woonden. (meer…)

GOLDEN EARRING

GOLDEN EARRING

Nederlands oudste (1961) en beste band (dat behoeft geen verder betoog) is hier al eerder aan de orde geweest. In een blog uit mei 2017 zijn twee versies van Just a little bit of peace in my heart geplaatst, plus is uitgebreid de geschiedenis van de band vertelt. In een blog van januari 2018 was de live-versie van Mad love is coming te beluisteren, nog een van mijn favorieten. Een andere favoriet is de extended version van Twilight Zone uit 1982, dat na Radar Love (1973) de tweede internationale hit van Golden Earring was. Componist George Kooymans wilde Twilight Zone eigenlijk gebruiken voor een soloproject. Hij haalde zijn inspiratie voor het lied uit de populaire televisieserie The Twilight Zone, waar Kooymans als kind liefhebber van was. De openingstune van deze serie komt terug in het gitaarloopje aan het begin van het liedje, dat daarnaast met thema’s als achtervolging en verraad en duistere teksten aanhaakt bij de sfeer van de televisieserie. Dat geldt ook voor de begeleidende videoclip, die een van de eerste echte videoclips was waarin ook een verhaal verteld wordt. MTV was net gestart in Amerika en heeft de clip veel gedraaid, wat duidelijk bijgedragen heeft aan het succes van Twilight Zone in de VS. Het succes van zijn groep was rond 1980 echter behoorlijk afgenomen en men scheen er serieus over te denken ermee te stoppen.Manager Freddy Haayen wist de groep er van te overtuigen dan met een stevig slotakkoord afscheid te nemen. Dat werd dus Twilight Zone, dat een veel groter succes werd dan gedacht en de carrière van de groep een enorme nieuwe impuls gaf. De elpee Cut waarvan het nummer afkomstig was, kwam vervolgens moeiteloos op de hoogste plaats in de elpee-charts en het nummer Twilight Zoe werd een groot internationaal succes. In februari 1983 stond Twilight Zone in de Verenigde Staten op nummer 10 in de Billboard Hot 100 en zelfs nummer 1 in de Billboard Mainstream Rock Tracks. Het werd daarmee een grotere hist dan Radar Love, dat in 1974 ‘slechts’ tot nummer 13 kwam. Als gevolg daarvan werd de nieuwe concertenreeks door de Verenigde Staten nu financieel succesvol afgesloten, terwijl de eerdere peperdure tournees uit de jaren zeventig dat niet waren. Anderhalf jaar na Twilight Zone zou Golden Earring dit succes herhalen met When the Lady Smiles (1984) en toerde de band door veertig Amerikaanse staten, waaronder Hawaï. (meer…)

TAEKE JOHAN KROEZE (45)

Taeke Johan Kroeze (Ermelo, 13 april 1920 – Apeldoorn, 2 december 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder. Hij was Hij was aspirant-opzichter bij de Nederlandse Heidemaatschappij en begon zijn verzetswerk als koerier voor de Ordedienst (OD). Daarna werd hij verbindingsofficier van Gewest 6 (Veluwe) van de OD voor de gewesten Arnhem, Deventer, Zwolle en Zutphen, waarvoor Jan Jozua Barendsen, luitenant-kolonel b.d. van de KNIL, zijn gewestelijk commandant was. Door verraad werd hij op 14 november 1944 bij een razzia in Apeldoorn opgepakt. Bij de verhoren werd hij zwaar mishandeld, maar gaf toch geen informatie prijs aan de Duitsers. Hij werd toen als ‘Todeskandidat’ opgesloten. Hij had de pech dat kort daarvoor (2 oktober1944) in de stad begonnen was met een razzia, waardoor bijna het gehele ambtelijke apparaat en de middenstand van Apeldoorn plat lag. Na ongeveer vijf weken waren de meeste mannen weer teruggekeerd naar Apeldoorn. Burgemeester D.F. Pont had gezichtsverlies geleden bij de NSB-leiding. Bovendien bleek dat men in de IJssellinie nog steeds 4000 mensen moesten hebben voor het verrichten van versterkingswerkzaamheden. Daarom werd in de vroege ochtend van 2 december 1944 weer een grote razzia gehouden. Als waarschuwing vooraf werden er weer bevelen afgedrukt en reden er radiowagens door het dorp. In de buitengebieden van Apeldoorn werden in totaal zo’n 11.000 mannen en jonge jongens opgepakt en afgevoerd naar de markt te Apeldoorn. Daar werden er ongeveer 4.500 man geselecteerd en vastgehouden op het marktplein, het postkantoor, de bioscoop Centraal of de Meester Blitsschool. De eerste mannen die opgepakt waren stonden al om 06.00 uur op het marktplein. Daarna werd de mannen in groepen lopend afgevoerd naar het NS-station, waar twee treinen klaar stonden om de 4500 mannen af te voeren, richting Duitsland en IJssellinie te weten (naar Elten of Zevenaar). De eerste trein vertrok tegen 20.00 uur, de tweede trein twee uur later. De eerste trein werd onderweg in de ochtenduren door geallieerde vliegtuigen beschoten, maar de mannen kwamen toch ongedeerd aan in Elten of Zevenaar. Op 5 december werden de jongeren ( 40 jaar en jonger ) afgevoerd naar Kamp Rees. Kamp Rees (ook wel Arbeitslager Groin genoemd) was van 1944 tot 1945 een concentratiekamp aan de oostzijde van de Rijn, vlak over de Nederlandse grens. Het kamp was een arbeidskamp, waar de gevangenen dwangarbeid moesten verrichten, voornamelijk het aanleggen van militaire versterkingen zoals het graven van sloten die moesten dienen als tankgracht. (meer…)

HET BERUCHTE VIJFTAL VAN FRIESLAND 5

Vanaf het Burmaniahuis dat gedurende de Tweede Wereldoorlog het hoofdkantoor was van de SD-Aussenstelle Leeuwarden terroriseerden een ‘beruchte vijftal’ de provincie Friesland: Lucas Bunt, Abraham Kaper, Fransoos Lammers, Jan Meekhof en Zacharius Sleijffer.

Fransoos Lammers (Bolsward, 26 december 1899 – Breda, 24 juli 1971) was een medewerker van de S.D. te Leeuwarden waar hij werkte in de functie van Polizei-Angestellter, naar eigen zeggen uitsluitend als vertaler. In ’t Kleine Krantsje van 1 juni 1989 werd over hem opgemerkt dat hij leraar Duits was, maar ook privélessen gaf. Verder leidde hij mensen op voor examens, gaf conversatielessen en doceerde hij aan huis handelscorrespondentie. Daarnaast was hij tolk en ‘beëdigd-translateur’. Van de Water vat dit alles samen met de kwalificatie dat hij een bloeiend taleninstituut had. Duidelijk is in elk geval dat ook hij de vaak gehoorde bewering logenstrafte dat het vooral laagopgeleide mensen in sociaal povere omstandigheden waren die collaboreerden met de Duitsers. Paul van de Water merkt in zijn boek In dienst van de nazi’s, waarin tien Nederlandse collaborateurs worden beschreven, op dat voor hen morele vervlakking, gebrek aan empathie en drankmisbruik veel meer de bepalende factoren waren. Hij werd in Bolsward geboren als zoon van een molenaar in een gezin van vijf kinderen. Frans was het troetelkind van vooral zijn moeder, maar ook vader Lammers wilde van geen kwaad van zijn zoon weten. Op school deed hij het uitstekend, hij was daar een uitblinker en stak hij ook thuis qua intelligentie met kop en schouders boven zijn broers en zus uit. Na de lagere school en handelsschool ging hij talen studeren. Op achttienjarige leeftijd verliet hij het ouderlijk huis. Eind jaren twintig woonde hij op een kamertje op de Wirdumerdijk in Leeuwarden en gaf er taallessen. Volgens zijn vader was Frans een nette oppassende jongen, die hij rustig zijn gang kon laten gaan. Een broer beweerde echter dat hij al in zijn vroege jeugd ‘tot in de grond toe verpest’ was. Voor de oorlog was Frans zeker geen onbesproken figuur, zoals uit een aantal getuigenverklaringen bleek. Zijn zeer scherpe verstand stond voor iedereen die hem kende buiten kijf, maar dat was dan ook het enige positieve dat over hem gezegd werd. Zo was hij berucht vanwege zijn eeuwige financiële problemen, waarvoor hij steeds op zijn ouders moest terugvallen. Ook ging hij zich regelmatig te buiten aan drank en stond hij bekend als een rokkenjager. Een vriendin uit begin jaren dertig die de vriendschap met hem verbrak, belaagde hij met zeer compromitterende brieven aan haar en haar familie. Verschillende bekenden van voor de oorlog beschrijven Lammers als een leugenachtig, onbetrouwbaar en zeer geslepen, sluw en gemeen mens, die anderen graag zijn wil oplegde en de baas speelde. Dat is toch een stuk anders dan het mooie beeld dat zijn ouders schetsten. (meer…)

DE FAMILIE STASTOK (15)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (28)
EERDERE AFLEVERINGEN

Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan (2)

Het plan werd aan vader en moeder medegedeeld, en er werd besloten dat wij, behalve Koosje, nicht Christientje zouden vragen, een jonge juffrouw van drieëntwintig jaar, die zeker gaarne mee zou gaan, daar zij niets te doen had dan bij een knorrige tante te zitten, die twee meiden hield en nooit uitging.
Wij gingen er dus op uit om een schuitje te huren; en nadat wij eerst bij een schuitenmaker aan de Oostpoort geweest waren, die het zijne had verkocht ‘om dat er geen profijt bij was’, en die ons naar de Westpoort zond, waar hij zeker wist dat wij er een konden krijgen; en nadat wij bevonden hadden, dat er aan de Westpoort niets meer van boven ’t water stak dan eventjes een klein neusje van den steven, vonden wij er eindelijk een zeer goed, in het midden van de stad, dat wij voor een gulden voor een gehele achtermiddag huren konden. Wij huurden het dus voor den gehele achtermiddag van de volgende dag en kweten ons vervolgens van onze uitnodigingen, die op een innemende wijze werden aangenomen. Mama van Naslaan was er voor hare dochter zeer vereerd mee; ofschoon zij, geloof ik, wel dacht dat er meer achter zat, en dat ook dit muisje een staartje hebben zou, en de oude tante hoopte tienmaal in een half uur dat het niet te koud op het water wezen zou, wat wij trouwens ook hoopten, schoon wij het tegendeel vreesden.
(meer…)

ODALISKEN – 027

Carl Ludvig Frid werd op 26 januari 1855 in het piepkleine gehucht Rösa, dat behoort tot het plaatsje Skede, dat op haar beurt deel uitmaakt van de gemeente Vetlanda in het landschap Småland en de provincie Jönköpings (Zweden). De plaats Skede heeft anno 2017 slechts 345 inwoners en een oppervlakte van 59 hectare. Als mijn vertaling uit het Zweeds klopt is hij daar ook gestorven, op 29 januari 1909, een paar dagen na zijn 54e verjaardag. Zijn vader Jonas Peter Petersson en moeder Anna Lena Carlsdotter waren grootgrondbezitter. Ze waren in staat hem in de periode 1873-1881 op de Kunstacademie in Stockholm een opleiding tot kunstschilder te laten volgen, waar hij het eerste jaar onder de bescherming stond van Uno Reinholdsson von Angerstein (5 februari 1808 – 1 december 1874), een man met vele bezigheden ( … kammarherre, mecenat, skribent, musiker, konstnär, officer, lantbrukare, industriman).In 1982 kreeg hij voor zijn schilderij På kyrkogården (Op het kerkhof) een koninklijke medaille en verder stelde Koning Oscar II hem een stipendium ter beschikking zodat hij in Parijs kon studeren. In 1885 vestigde Frid zich in Stockholm, waar hij veel schilderijen maakte in het traditionele Zweedse historie- en landschapsgenre. Veel daarvan schilderijen van zijn geboortestreek Småland en de kerken in dit heuvelachtige landschap. Veel van Frids werk bevindt zich nu in de Universiteitsbibliotheek van Uppsala en het Nationale Museum in Stockholm. Odalisk. Frid maakte waarschijnlijk slechts één olieverfschilderij van een odalisk, in 1879. Het meet 11 bij 176 cm.
. (meer…)

DUITSE KOLONIËN 9

Duitsland zou na het Congres van Berlijn in 1884, waarbij de koloniale machten onderling het Afrikaanse continent en de resterende niet-bezette delen van Oceanië verdeelde, in de Stille Zuidzee twee kolonies toegewezen krijgen. Het belangrijkste was Duits-Nieuw-Guinea (1884-1914). Van Guinea zou het westelijke deel Nederlands blijven, waarbij de 141ste meridiaan als grens tussen het westelijk en oostelijk deel van het grote eiland werd vastgesteld. De zuidelijke helft van het oostelijk deel kwam in Britse handen, dat vanaf dat moment Brits-Nieuw-Guinea werd genoemd. De Britten zagen blijkbaar al snel dat het gebied hen weinig zou opleveren, want in 1906 droegen ze het over aan Australië, dat het daarna Territorium Papoea noemde. De noordelijk helft van het oostelijk deel van het eiland kwam in Duitse handen, die het deel omdoopte tot Kaiser-Wilhelms-Land. Dit gebied zou het belangrijkste deel uitmaken van de kolonie Duits-Nieuw-Guinea van het Duitse Rijk, die verder bestond uit een aantal eilanden en eilandgroepen (Bismarck-archipel, Marshalleilanden, Noordelijke Salomonseilanden, Carolinen, Palau, Duitse Marianen en Nauru), die in een volgende aflevering worden besproken. Deze kolonie is in Duitse koloniën 8 besproken. Daarnaast was ook Duits-Samoa in de periode 1900-1914 een Duitse kolonie in Oceanië, die dus hoorde dus niet tot Duits-Nieuw-Guinea. (meer…)

JOAN BAEZ

JOAN BAEZ

Joan Báez (New York, 9 januari 1941) is een Amerikaanse folkzangeres en liedjesschrijfster, die in de zestiger en zeventig jaren zeer bekend was vanwege haar actieve politieke betrokkenheid. Baez groeide samen met haar twee zusters op in een quaker-gezin. Ze is zich altijd blijven identificeren met de quaker-tradities, vooral op het vlak van het pacifisme en sociale vraagstukken. Tijdens haar jeugd was Baez regelmatig slachtoffer van racistische opmerkingen en discriminatie vanwege haar Mexicaanse afkomst. Zo raakte zij al vroeg in haar carrière betrokken bij verschillende sociale bewegingen als algemene burgerrechten, geweldloosheid en sociale gerechtigdheid. Ze weigerde dan ook in gescheiden witte studentenlocaties te spelen. Daardoor speelde ze tijdens haar tournees door het Zuiden alleen op zwarte hogere opleidingen. Joan werd vooral bekend door haar songs tegen oorlog en voor vrijheid en algemene burgerrechten. Een bekend lied is With God on our side van het album The times they are a-changin’, dat ze samen met Bob Dylan ten gehore bracht. Dylan was ook de schrijver van het nummer. Dylan lopt eigenlijk als een rode draad door haar leven. Ze heeft tientallen nummers van hem opgenomen. Joan Baez geldt nog altijd als een van de prominentste leden van de protestgeneratie. Ze is nog steeds betrokken bij acties voor maatschappelijke rechtvaardigheid. Baez debuteerde in 1959 op het eerste Newport Folk Festival. In 1969 speelde ze op het beroemde Woodstock. Sinds 1960 zijn iets meer dan veertig albums en cd’s van haar verschenen, waarbij de eerlijkheid me gebiedt te zeggen dat het repertoire na de jaren tachtig minder en minder werd. Voor mij zijn de luisterliedjes uit de vroege zestiger jaren verreweg de mooiste. Een van de juweeltjes uit die tijd is The Trees They Grow So High, een Schotse ballad uit de 17e eeuw (en misschien nog wel eerder) over een gearrangeerd kinderhuwelijk in de Middeleeuwen. Op Early Music Muse verscheen een uitgebreide analyse van het nummer, inclusief de tekst van het nummer. Het nummer is in Schotland altijd onderdeel gebleven van het traditionele repertoire, maar de rest van de wereld nam er pas echt goed kennis van toen in de zeventiger jaren folkmuziek een enorme revival kende. Tal van artiesten namen het nummer sindsdien op. Zo is er een mooie versie van Martin Carthy, die de tekst ingrijpend moest omgooien omdat het origineel bedoeld was om door een vrouw te zorgen gezongen. Ook van Pentangle is er een mooie versie, maar die van Joan Baez blijft favoriet.  (meer…)

HET BERUCHTE VIJFTAL VAN FRIESLAND 4

Vanaf het Burmaniahuis dat gedurende de Tweede Wereldoorlog het hoofdkantoor was van de SD-Aussenstelle Leeuwarden terroriseerden een ‘beruchte vijftal’ de provincie Friesland: Lucas Bunt, Abraham Kaper, Fransoos Lammers, Jan Meekhof en Zacharius Sleijffer.

Jan Meekhof (Ruinen, 9 november 1922 – Utrecht, 17 april 1994) was een NSB’er SS’er tijdens de Tweede Wereldoorlog. In een verslag van zijn berechting in 1946 voor het Bijzonder Gerechtshof Leeuwarden wordt over hem opgemerkt: ‘Het behoort tot de grote zeldzaamheden, dat het Bijzonder Gerechtshof op één dag slechte één enkele zaak ter berechting op zijn rol heeft staan. Die éne zaak betrof die van den 23-jarigen Jan Meekhof, een naam welke in één adem behoort te worden en dan in de regel ook wordt genoemd met die van het beruchte duo Lammers en Sleijffer. Meekhof dan, die thans is ingesloten in het Huis van Bewaring „Crackstate” te Heerenveen, was in de oorlogsjaren opperwachtmeester der Staatspolitie en stond in zeer nauw contact met de Duitse Sicherheitsdienst. Reeds in het begin van de oorlog, nog geen achttien jaar oud, sloot deze kwajongen zich aan bij de Waffen S.S. Dit gebeurde te Zwolle. Was het hierbij gebleven, we geloven zeker, dat de advocaat-fiscaal, bij het uitspreken van zijn eis, rekening met de jeugdige leeftijd van dezen verdachte zou hebben gehouden. Doch we kunnen ons voorstellen, dat een gevoel van walging mr. Nubé moet hebben bekropen toen hij de lange lijst van wandaden voorlas, welke deze jonge onverlaat achtereenvolgens heeft bedreven.’ (meer…)

DE FAMILIE STASTOK (14)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (27)
EERDERE AFLEVERINGEN

Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan (1)

De knorrigheid, waarmee Pieter was te bed gegaan, was mij in ’t geheel geen raadsel geweest. Men heeft opgemerkt dat hij den geheel avond niet bij uitstek veel gesproken heeft, terwijl hij anders onder zijn vaders vrienden praats en waanwijsheid genoeg had. Maar twee kleine omstandigheden hadden hem gehinderd en belemmerd, te weten: liefde en haat. Het was mij namelijk volstrekt niet ontgaan dat hij gedurig stille blikken had geworpen in het witte halsje van Koosje, en zeker openlijke blikken op haar gelaat had willen werpen, zoo hij het had durven wagen een geregeld gesprek met haar aan te knopen. Verder was het mij niet moeilijk gevallen te ontdekken hoe de goedkeuring hem gehinderd had, die de schone verzen van Victor (hoe middelmatig en ongeregeld ook vertolkt, en slechtweg voorgedragen) bij haar hadden ontmoet; en hoe hij mij èn de vrijmoedigheid, waarmee ik mij daarna met haar in gesprek had begeven, èn de vriendelijke lachjes, die mij bij die gelegenheid waren te beurt gevallen, had benijd. Hij had zich van dezen avond voor zijn verliefd hart, geloof ik, heel veel voorgesteld; maar Koosje was vertrokken zoo als zij gekomen was, zonder dat hij haar één zoet woordje had toegevoegd, tenzij dan ‘hou je nog al van evenveeltjes?’ Hij had er op den duur ‘ingezeten’: hij had tegenover zijn eigen voornemens en tegenover wat hij voor zijn hartstocht hield een mal figuur gemaakt; wat wonder zoo hij uit zijn humeur geraakt was?
Ik wilde meer van dit alles hebben.
(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 29

LUCIE BADOUL

Lucie Badoul (1903-1066) is in 1922 pas negentien jaar oud als ze de schilder Tsuguharu-Léonard Foujita (Tokio, 27 november 1886 – Zürich, 29 januari 1968) leert kennen. Ze was de dochter van een rijke boer uit het noorden van Frankrijk. Die hadden hun dochter al op jonge leeftijd naar haar oma in Parijs gestuurd om haar een keurige opvoeding te geven. Kort daarna verlor ze beide ouders; haar moeder stierf aan kanker en haar vader kort daarop na een zware van van de trap. In 1920 overleed ook haar oma en stond de 17-jarige Lucie er alleen voor.  Ze blijft in het appartement van haar oma wonen en weet rond te komen van de erfenis van de drie testamenten. Wel ontdekt ze het uitgangsleven en stuit vanwege haar schoonheid, decadente uitstraling en Parijse kapsones op veel jaloezie met de andere vrouwen die in de Vlaamse kroegen in Parijs aanwezig zijn. Ze heeft vage plannen iets in het theater of de cinema te gaan doen. Eind november 1922 loopt ze in de bekende kroeg La Rotonde Foujita tegen het lijf. Die is dan inmiddels al 36 jaar, al een levende legende in Montmartre en hard op weg de beroemdste schilder van de twintiger jaren te worden. Ze wordt omschreven als een melancholieke schoonheid,  met een weelderig lichaam, een opvallend kapsel en met grote stralende ogen en een oogopslag die maar weinig mannen kunnen weerstaan. Ze schijnt een zeer witte huidskleur te hebben gehad, wat voor Foujita aanleiding was haar de naam Youki te geven  wat de Japanse naam voor ‘roze sneeuw schijnt te zijn. Ze wordt al snel het favoriete model van de schilder en zal drie jaar lang (1928-1931) zijn echtgenoot worden. Omstreeks 1930 hebben Badoul, Foujita en de dichter Robert Desnon (Parijs, 4 juli 1900 – Theresienstadt, 8 juni 1945) een geruchtmakende driehoeksverhouding. De vele andere affaires die Foujita erop nahoudt, drijven hen uiteindelijk uit elkaar. De affaire met Foujati blijft echter wel geboekstaafd als ‘één van de twaalf muses die de loop van de geschiedenis hebben veranderd’. (meer…)

HET BERUCHTE VIJFTAL VAN FRIESLAND 3

Vanaf het Burmaniahuis dat gedurende de Tweede Wereldoorlog het hoofdkantoor was van de SD-Aussenstelle Leeuwarden terroriseerden een ‘beruchte vijftal’ de provincie Friesland: Lucas Bunt, Abraham Kaper, Fransoos Lammers, Jan Meekhof en Zacharius Sleijffer.

Abraham Kaper (Zaandam, 9 mei 1890 – Groningen, 29 juni 1949) was een Nederlands politieagent, collaborateur en veroordeeld oorlogsmisdadiger. Bram was een van de jongste in een gezin met vijftien kinderen. Hij werd vernoemd naar een twee jaar eerder overleden broertje, dat slechts zes werd. Ook drie andere broers en een zus sterven voortijdig. Het gezin Kaper leidde een armoedig bestaan. Zijn vader maakte en verkocht houten gebruiksvoorwerpen. Het gezin is streng gereformeerd. Bram gaat naar school en de kerk, al met al een sober en overzichtelijk leven in de kleine, benauwende gereformeerde wereld in een arbeidersstad waar socialisme en anarchisme een hoofdrol spelen. Op 2 augustus 1913 verhuist hij naar Amsterdam, waar hij een baan heeft gekregen bij de politie. Hij was toen verloofd met de ook in Zaandam opgegroeide, vier jaar oudere Grietje Potman, die dan een één jaar oude zoon heeft die is verwekt door haar eerdere joodse werkgever. Die erkende het kind echter niet. De joodse komaf was voor Bram geen probleem. Hij zorgde er voor voor dat het kind zijn achternaam kreeg. Op 14 mei 1914 traden ze in Zaandam in het huwelijk; er volgen de jaren daarop nog twee kinderen. Bram maakte promotie en werd overgeplaatst het nieuwe Bureau Zeden- en Kinderpolitie en vijf jaar later naar het Bureau Centrale Recherche. Vanaf 1930 mocht hij zich brigadier-rechercheur noemen. De zondagen werden als vanouds benut voor bezoeken aan de gereformeerde kerk. Helemaal goed ging het echter toch niet met hem. Tijdens een Bijbellezing in de kerk kreeg hij een paniekaanval en hij schijnt in die jaren ook een zelfmoordpoging te hebben gedaan. Begin jaren dertig zit hij een tijdje in een zenuwinrichting. Na zijn ontslag daar keerde hij terug naar de politie. In 1933 belandde hij bij de verzelfstandigde Zedenpolitie, wat hem veel contacten met een groot aantal criminele informanten opleverde, die hem vanaf 1940 nog erg van pas zouden komen. (meer…)

JIM MORRISON

THE DOORS

The End is een nummer uit januari 1967 van de Amerikaanse rockband The Doors van hun debuutalbum The Doors. Het nummer was oorspronkelijk geschreven door Jim Morrison over het uitgaan van zijn relatie met vriendin Mary Werbelow, maar na maanden van optredens in het Whiskey A Go-Go in Los Angeles groeide het nummer uit tot een bijna twaalf minuten lang muziekstuk. De thematiek werd daarmee ook breder. Waar het in eerste instantie ging om een relatiebreuk, kwam er nu een shockerend klassiek Oedipus-thema bij, waarin Morrison zingt dat hij zijn vader wil vermoorden en zijn moeder wil beminnen. Dat laatste wordt slechts gesuggereerd, doordat de tekst enigszins onverstaanbaar is: “Mother… I want to…Aaaah!” Aan het einde van het nummer wordt meerdere malen het woord ‘Kill’ herhaald. Dit was jarenlang nauwelijks te horen, maar op nieuwe uitgaven van het album is dit duidelijk aanwezig. De tekst is altijd voor iedereen lastig te begrijpen geweest en vooral de zin dat hij zijn vader wil vermoorden en het een of ander met zijn moeder wilden doen, zijn altijd berucht gebleven. Ray Manzarek, de keybordspeler van de groep, verklaarde later: ‘Morrison had worked on a student production of Oedipus Rex at Florida State University. He was giving voice in a rock ‘n’ roll setting to the Oedipus complex, at the time a widely discussed tendency in Freudian psychology. He wasn’t saying he wanted to do that to his own mom and dad. He was re-enacting a bit of Greek drama. It was theatre!’ Drummer John Densmore zei hierover: ‘At one point Jim said to me during the recording session, and he was tearful, and he shouted in the studio, ‘Does anybody understand me?’ And I said yes, I do, and right then and there we got into a long discussion and Jim just kept saying over and over kill the father, fuck the mother, and essentially boils down to this, kill all those things in yourself which are instilled in you and are not of yourself, they are alien concepts which are not yours, they must die. Fuck the mother is very basic, and it means get back to essence, what is reality, what is, fuck the mother is very basically mother, mother-birth, real, you can touch it, it’s nature, it can’t lie to you. So what Jim says at the end of the Oedipus section, which is essentially the same thing that the classic says, kill the alien concepts, get back reality, the end of alien concepts, the beginning of personal concepts.’ (meer…)

HET BERUCHTE VIJFTAL VAN FRIESLAND 2

Vanaf het Burmaniahuis dat gedurende de Tweede Wereldoorlog het hoofdkantoor was van de SD-Aussenstelle Leeuwarden terroriseerden een ‘beruchte viertal’ de provincie Friesland: Lucas Bunt, Abraham Kaper, Fransoos Lammers, Jan Meekhof en Zacharius Sleijffer.

Lucas Bunt (Nijehaske, 17 april 1907 – Heerenveen, 21 april 1981) was een Nederlandse NSB’er en SS’er Hij was horecaondernemer en exploitant van het Friesch Koffiehuis in et pand zou later in Leeuwarden vaak ‘de rotte kies van Leeuwarden’ worden genoemd, niet vanwege het feit dat Lucas Bunt er ooit eigenaar en exploitant was, maar omdat de vervallen pandjes van het koffiehuis tot frustratie van de gemeente en omwonenden al vanaf eind negentiger jaren leeg stonden en steeds meer in verval raakten. In 2017 werd de hele boel eindelijk gesloopt en werd voor 1,2 miljoen euro een gloednieuw nieuw horeca-etablissement gebouwd. In zijn boek In dienst van de nazi’s merkt Paul van de Water op dat vaak ten onrechte wordt beweerd dat de meeste collaborateurs vooral laagopgeleide mensen waren in sociaal povere omstandigheden. Lucas Bunt was echter bepaald niet armlastig. Verder stond hij voor de oorlog bekend als een vrijmetselaar, apolitiek, Oranjegezind en anti-Duits. Van de Water: ‘Je zou niet verwachten dat hij ging werken voor en met de bezetter en dat hij gewelddadig werd. Dat is toch gebeurd. Tijdens de inval is zijn broer gesneuveld. In hedendaagse verklaringsmodellen voor extremisme wordt zo’n traumatische gebeurtenis als cruciaal gezien voor een omslag.’ Hij voegt eraan toe in zijn boek een meer­dimensionale benadering te volgen en te onderzoeken welke psychologische, sociologische en maatschappelijke factoren van invloed zijn op de ontwikkeling naar radicaal en extremistisch en hoe die factoren elkaar versterken. (meer…)

MUIZENEST EN WEBARCHIVERING KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK

Van oorsprong heeft de Koninklijke Bibliotheek (KB) de opdracht om alle gedrukte publicaties te verzamelen uit of over Nederland opdat die voor toekomstige wetenschappers en studenten beschikbaar zullen zijn. Sinds het begin van deze eeuw is een groot deel van dat (gedocumenteerde) openbare leven verplaatst naar internet en internet is bij uitstek een vluchtig medium, waarop de informatie zeer snel veroudert. De geschiedenis van vandaag wordt vooral online geschreven. Daarom archiveert de KB sinds 2007 de belangrijkste websites van Nederland om te voorkomen dat de onderzoekers van de toekomst te maken krijgen met een digitaal gat in ons geheugen. Om die toekomstige wetenschappers deze informatie te geven worden selectief websites over de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis gearchiveerd en voor de lange termijn bruikbaar gehouden. In juni 2019 waren er 15.400 Nederlandse websites gearchiveerd, wat een erg klein deel is van de ruim twee miljoen websites die ons land kent. In haar keuze voor de selectiemethode heeft KB gekozen voor een selectieve benadering, omdat die zich het beste verhoudt tot de doelstellingen, de beschikbare middelen en de gekozen juridische aanpak van de KB. De KB maakt een beredeneerde selectie, die bestaat uit een dwarsdoorsnede van het Nederlandse webdomein. In de selectie ligt de nadruk op Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis. Daarnaast archiveert de KB ook websites met een inhoudelijk innovatief karakter die exemplarisch zijn voor de huidige trends op het Nederlandse deel van het web. De KB kijkt bij de selectie ook naar maatschappelijke relevantie en populariteit. Een volgende stap zal zijn om samenwerking te zoeken met andere kennisinstituten om op die manier de selectie te verbreden en daarbij gebruik te maken van de inhoudelijke expertise van andere organisaties. Daarvoor is door de KB er een samenwerkingsverband aangegaan met de Universiteit van Amsterdam en het Centrum Wiskunde en Informatica (CWI) uit Amsterdam, dat WebART heet (wat staat voor ‘web archive retrieval tools‘; het heeft dus niks met kunst te maken. Op de KB-website wordt nadere informatie gegeven over de juridische en technische aspecten van de webarchivering, hoe het archief te bereiken is en allerlei overzichten. (meer…)

DE FAMILIE STASTOK (13)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (26)
EERDERE AFLEVERINGEN

Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren (5)

De heer Dorbeen kuchte. De heer van Naslaan trok ogen en wenkbrauwen pijnlijk samen, als of hij vragen wilde: ‘Waar moet dat naar toe?’ – Juist omdat ook hij dat niet wist, liet mijn ooms gelaat onbepaalde bewondering blijken.
‘Zoo zijt gij, dierbaar kind! Waar gij verschijnt, daar vluchten
En duisternis en nacht en zwarte regenluchten;
Gij zijt een heldre zon, een blijd en vroolijk licht;
Door d’adem van uw mond verwekt gij vreugd en leven,
Als zuivre koeltjes, die langs ’t knoppig bloembed zweven,
En ’t blosje sterken op der rozen aangezicht.
Want duizend lieflijkheên uit uw schoone oogjes schijnen;
Uw kleine handjes, die ik berg in een der mijnen,’

‘Och heer!’ zei mijn tante halfluid, en haar ogen werden allervriendelijkst klein.
‘Doen nog geen kwaad; gij weet nog niet wat dat beduidt.
Wat lacht gij vriendlijk, als wij ze u met speelgoed vullen!
Klein heiligje, in een krans van glinstrend blonde krullen,
Hoe lieflijk blinkt uw hoofdjen uit!’
(meer…)

OTTO PIENE

Otto Piene (Bad Laasphe, 18 april 1928 – Berlijn, 17 juli 2014) was een Duits kunstenaar die op 11 april 1957 samen met Heinz Mack in Düsseldorf de Duitse groep ‘Zero’ oprichtte. Piene’s vader was in Bad Laasphe een van de oprichter van het plaatselijke gymnasium. Nadat Otto deze opleiding in 1947 had afgerond studeerde hij tot 1950 aan de Akademie der Bildenden Künste in München en van 1950 tot 1953 aan de kunstacademie in Düsseldorf. Tussen 1951 en 1964 werkte Piene als docent aan de modeschool in Düsseldorf. Van 1953 tot 1957 studeerde hij aan de universiteit in Keulen filosofie, wat hij met een staatsexamen afsloot. Tegelijkertijd met de afsluiting van zijn studie, richtte Piene dus samen met Heinz Mack de kunstenaarsgroep Zero op (‘ein Nullpunkt der Kunst’), waar zich al snel vele andere kunstenaars bij aansloten en die internationaal erg invloedrijk zou worden. De beweging was zeer verwant aan de Nederlands-Belgische Nul-beweging die in 1960 werd opgericht door Jan Schoonhoven, Armando, Jan Henderikse, Herman de Vries en Henk Peeters en waarvan daarnaast ook Stanley Brouwn, Pol Bury, Walter Leblanc, Jef Verheyen en Paul Van Hoeydonck belangrijke leden waren. (meer…)

JULES PASCIN

Jules Pascin (Vidin, 31 maart 1885 – Parijs, 20 juni 1930) was een Bulgaars-Amerikaanse schilder en tekenaar. Hij was het achtste van de elf kinderen in een sefardisch gezin. Zijn vader Marcus Pincas was een welgesteld Bulgaars zakenman, zijn moeder Sofie Russo stamde uit een oude sefardische famile uit Triest en was van Servisch-Italiaanse origine. Binnen het gezin werd Ladino gesproken, de Romaanse taal van sefardische Joden in de diaspora die uit het Spaans is ontstaan en sterk verwant is aan het aan het Duits verwante Jiddisch. Vanaf 1892 woonde het gezin in Boekarest. Hij heette dus eigenlijk Julius Mordecai Pincas, maar onder druk van zijn familie veranderde hij in Pascin, een anagram van zijn oorspronkelijke naam. De familie was namelijk was ontstemd over zijn levenswijze en wat dat voor hun reputatie zou betekenen. Niet onbegrijpelijk, want al op jonge leeftijd bleek dat hij erg veel tekentalent had en op vijftienjarige leeftijd was Jules regelmatig in de plaatselijke bordelen te vinden om naakttekeningen te maken. Iets wat hij de rest van zijn leven zou blijven doen. Vervolgens trok Pascin naar Wenen voor een tekenstudie en in de jaren 1902-1905 verbleef hij in Boedapest, Wenen, München en Berlijn, waar hij aan verschillende academies studeerde. In Berlijn werkte hij een tijdje mee aan het satirische weekblad Simplicissimus, dat verscheen tussen 1896 en 13 september 1944. Aan het blad werkten in de loop der tijd verschillende bekende politiek actieve intellectuelen mee, waaronder Hermann Hesse, Thomas Mann, Erich Mühsam en Käthe Kollwitz. Voor de Eerste Wereldoorlog bereikte het blad een ongekende populariteit vanwege het bespotten van de burgerlijke moraal, de wilhelminische politiek, het militarisme, de ambtenarij en de kerkelijke gezagsdragers. Het blad lag dan ook regelmatig onder vuur van de overheid, die met regelmaat rechtszaken tegen het blad aanspande. Vanaf 1909 verscheen ook een Franse uitgave, waarin de prenten voorzien werden van Franse vertalingen. De uitgevers werden daarop bekritiseerd wegens het verlenen van spandiensten aan de Franse erfvijand. Tijdens de oorlogsjaren 1914-1918 liet het blad de militarisme-kritische houding geheel varen en volgde een nationalistische koers.Later ging het blad uit lijfsbehoud (hoe zei Brecht dat ook alweer: Erst kommt das Fressen, dann die Moral) een steeds rechtsere koers. Na de machtsovername van Hitler in 1933 zou het blad zonder protest een instrument worden van het nieuwe regime. In 1944 ging het blad roemloos ten onder. (meer…)

J.J. CALE

J. J. CALE

J.J. Cale, geboren als John Weldon Cale (Oklahoma City, 5 december 1938 – La Jolla, 26 juli 2013) was een Amerikaanse singer-songwriter en gitarist. Hij groeide op in Tulsa, Oklahoma. J.J. Cale stond bekend om zijn ingetogen, laid-back en hoekige muziekstijl, wat de Tulsa-stijl werd genoemd. Een mengeling van rock & roll, rockabilly en blues met jazzy invloeden. Zijn muziekstijl is later overgenomen door artiesten als Mark Knopfler en Eric Clapton. Zes jaar na zijn overlijden kwam de CD Stay Around uit, zijn vijftiende studioalbum en met allemaal nieuw materiaal. Nieuw in de betekenis dat het allemaal materiaal was dat nooit eerder op plaats verschenen. Sommige nummers zijn zo fantastisch dat je je afvraagt om welke reden het in hemelsnaam nooit eerder is uitgegeven. Christine Lakeland, zijn weduwe en tevens lid van zijn begeleidingsband, en zijn manager-vriend Maike Kappus maakte een selectie uit alle nummers die nog op de plank lagen. Op één na ook allemaal door Cale gecomponeerd, die zoveel mogelijk de instrumenten zelf speelde, zonder gebruik te maken van dure studio’s en sessiemuzikanten. Het ene nummer dat niet van Cale is (My baby blues) werd geschreven door Christine Lakeland, die vanaf eind jaren zeventig deel uitmaakte van Cale’s band. Mijn favouriete nummer, Go Downtown, werd voor YouTube voorzien van een video die door Carine Khalife uit Montreal werd vervaardigd. Ze zei hierover: ‘In a poetic dive into a colourful stained glass scenery, we accompany a character in his peregrinations. Light reveals warm and highly textured landscapes in which each piece of stained glass are intertwined. From a subjective point of view, our character walks, ride, drive, restlessly. It takes efforts, it takes courage, it takes love. Time passes and everything changes but the determination remains like a clock that never stops. The gigantic nature seems infinite, but little by little the city lights start to shine. Based on cut-out shapes, everything is made to change. The backgrounds turn from morning first light to night sky. Shapes echos to themselves, continuously shifting, growing, moulting. Stained glass style will be created using a mix of oil paint, stop motion animation and digital movements. Basically, my technique is to paint on a piece of glass fixed to a light box. A camera, fixed overhead above the animation table, would capture my paintings frame by frame and create the animated textures. The single light source comes from beneath the glass, reveals the textures and details of brushes movements. Frames are then cut out and assembled digitally to compose scenes. The main rhythm and frame rate will be based on the tempo of the track. Inspired by rich and colourful modern stained glass designs as well as organic shapes of painters like Peter Doig, the video aims to immerse the viewer/listener in a soft, luminous and somehow mystical adventure.’ (meer…)

EMILE-ANTOINE BOURDELLE

Émile-Antoine Bourdelle (Montauban, 30 oktober 1861 – Le Vésine), 1 oktober 1929) was een Franse beeldhouwer en schilder. In Mountauban, een plaatsje iets boven Toulouse, had zijn vader een meubelmakerij, waar Bourdelle toen hij veertien jaar oud was als houtbewerker ging werken. Hij leerde tekenen bij Armand Cambon (Montauban, 22 februari 1818- Montauban, 14 januari 1885), een schilder en vriend van Jean-Auguste-Dominique Ingres (Montauban, 29 augustus 1780 – Parijs, 14 januari 1867), de grote neoclassicistische schilder. Cambon werd na de dood van Ingres aangewezen als zijn testamentair executeur en degene die moest zorgdragen voor de oprichting van het Musée Ingres. Ingris had al in 1851 een deel van zijn collectie, die bestond uit eigen werk, werk van leerlingen, een verzameling antieke Griekse vazen en andere antiquiteiten aan zijn geboortestad geschonken. In 1854 werd een Salle Ingris geopend in het stadhuis van Montauban, dat was gevestigd in het voormalige bisschoppelijk paleis uit de zeventiende eeuw. Na de dood van Ingres in 1867 werd de collectie aanzienlijk uitgebreid met onder andere duizenden tekeningen. Na de opleiding hier ging Émile-Antoine Bourdelle voor zijn opleiding als beeldhouwer naar Toulouse, waar hij tien jaar aan de Académie des Beaux Arts studeerde. Toen hij 24 jaar oud was kreeg hij een beurs voor de École des Beaux Arts in Parijs. Zijn leermeesters waren Alexandre Falguière en Jules Dalou. In 1888 vervaardigde hij zijn eerste sculpturen van Beethoven, werken met veel pathos, monumentale kracht en een harmonische beweging. Hij was een der pioniers van de monumentale beeldhouwkunst van de twintigste eeuw. Auguste Rodin bewonderde zijn werk en vanaf 1893 tot 1908 werkte Bourdelle als Rodins assistent. Bourdelle ontwikkelde zich tot een bekende leermeester, zowel in Rodins als in zijn eigen atelier. Veel later bekende kunstenaars (waaronder Alberto Giacometti) kregen van hem onderricht, waardoor hij een aanzienlijke invloed op de beeldhouwkunst uitoefende. Van 1909 tot aan zijn dood in 1929 was hij docent aan de belangrijke Académie de la Grande Chaumière in Parijs. Hij was de oprichter en vicepresident van de Salon des Tuileries in Parijs. Antoine werd begraven op Cimetière du Montparnasse. (meer…)

HET BERUCHTE VIJFTAL VAN FRIESLAND 1

Bij de Sichterheitsdienst (SD) in Leeuwarden werkte vier Nederlanders die als ‘het beruchte viertal van Friesland’ de geschiedenisboeken zouden ingaan. In Leeuwarden was vanaf het begin tot 28 oktober 1942 een afzonderlijke Aussendienststelle van de SD en Sicherheitspolizei (Sipo) gevestigd. Vanaf 28 oktober 1942 werd Leeuwarden een Polizeiposten die ressorteerde onder Groningen. In september 1944 kwamen door de snelle geallieerde opmars veel Duitsers en Duitsgezinde Belgen in Nederland terecht. Leeuwarden werd toen opnieuw een Aussendienststelle. De SD was belast met het opsporen van alle soorten van (mogelijke) tegenstanders van het nationaalsocialistische regime in Duitsland en later in de bezette gebieden. De competenties tussen SS, SD en Gestapo waren echter onduidelijk geregeld. In Leeuwarden werd het Burmaniahuis, een monumentaal herenhuis in de binnenstad uit de 15e eeuw, het symbool van de Duitse onderdrukking, vergelijkbaar met de reputatie van het Scholtenhuis in Groningen. De SD betrok in de oorlog het oude gedeelte van het Burmaniahuis; in het nieuwe gedeelte werkte de verzekeringsmaatschappij ‘Algemeene Friesche’ heel de oorlog gewoon doorwerken. Ter herinnering aan de martelingen en verhoren zal bij het Burmaniahuis een gedenkteken worden geplaatst. Kopstukken bij de SD in Leeuwarden waren onder meer Wilhelm Albrecht, Theodor Vogel, Friedrich Grundmann en Jozef Keijl. (meer…)

DE FAMILIE STASTOK (12)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (25)
EERDERE AFLEVERINGEN

Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren (4)

Het was het speelwerk in de lamp, door mijn tante, in schijn van lepeltjes uit het lepeldoosje, dat voor den olifant stond, te zoeken, opgewonden. Ik begreep nu waarom zij er zoo op gesteld was geweest, dat mevrouw Dorbeen haar reciet mocht hebben uitgesteld.
Mevrouw Dorbeens ogen, die net gereed stonden om met
‘Ik wens geen stap terug te treden,’
hevig uit te rollen, rolden terug met de snelheid van een spoortrein.
‘Wat is dat?’ riep ze.
‘Dat is een walsje,’ zei haar man.
‘Neem mij niet kwalijk, mevrouw,’ smeekte mijn tante, ‘ik had het opgewonden. ’t Is het speelwerk in de lamp. ’t Is anders de aardigheid, dat het zo onverwachts begint, een poosje nadat het opgewonden is. ’t Was om de vrinden te verrassen. Ik had gehoopt dat UE. wat later zou hebben gereciteerd; nu komt het er ook zo mal in.’
Mijn tante zou gaarne, in dat ogenblik van verlegenheid, de gehele bronzen olifant den kop ingedrukt hebben. Maar er was niets aan te doen, en in blinde opgewondenheid ging hij voort met zijn
Ach, du lieber Augustin!
(meer…)

DE DRIE GRATIËN – 038

Glenna Janda is een kunstenares uit Fort Worth, die eerst een ‘fine arts degree’ behaalde aan de Texas Christian University in haar geboorteplaats en daarna rum twintig jaar in Mexico woonde. Daar studeerde ze aan de University of the Americas in Mexico City en beeldhouwkunst en ballet (wat een wonderlijke combinatie) aan het Nationale Instituut  voor de Schone Kunsten (Instituto National de Belles Artes in San Miguel de Allende, een plaatsje met enkele tienduizenden inwoners in het centrum van het land. De plaats, die is vernoemd naar Ignacio Allende (een held uit de Mexicaanse Onafhankelijkheidsoorlog, telt een groot aantal gepensioneerden uit de VS en is redelijk populair onder toeristen die ook wel hoofdzakelijk uit het noorden komen. Terug in Mexico vervolmaakte ze haar opleiding aan de beeldhouwstudio van Enrique Mirala en de keramiekstudio van Manolo Ruiz. Vanaf 1971 werkt ze als kunstenares en heeft ze aan talrijke tentoonstellingen meegedaan, zowel solo als in groepsve3rband. In 1981 vestigde ze zich weer in de Verenigde Staten, in Sante Fe, New Mexico, waar ze haar werk in de eigen keramiekwerkplaats combineerde met het lesgeven in beeldhouwkunst aan de middelbare school. Tussendoor zag Glenna Janda ze ook nog gelegenheid om dans- en balletonderwijs te geven in Santa Fe en in de oude woonplaats San Miguel de Allende. Na een aantal jaren is ze toch weer teruggegaan naar haar geboorteplaats Fort Worth waar ze weer een eigen werkplaats begon. het uitbeelden van de tango is een van haar favoriete thema’s in haar werken; daarnaast laat ze zich inspireren door de traditionele precolumbiaanse handgemaakte kleikunstwerken.

DE KATHOLIEKE EMANCIPATIE

In 1559 voerde Filips II, het staatshoofd van Spanje en de Spaanse gebieden, herindeling van de bisdommen in de Nederlanden door. De noordelijke gewesten vielen onder de Utrechtse kerkprovincie, de zuidelijke onder de Mechelse. Utrecht werd een aartsbisdom, met daarvan afhankelijk de bisdommen Haarlem, Middelburg, Deventer, Groningen en Leeuwarden; onder het aartsbisdom Mechelen vielen de bisschopszetels van ‘s-Hertogenbosch en Roermond. De eerste nieuwe aartsbisschop van Utrecht was echter ook meteen de laatste. De opstand tegen Spanje had namelijk grote gevolgen voor het katholicisme in de rebellerende noordelijke Nederlanden. Nadat het Spaanse gezag was verdreven uit de Noordelijke Nederlanden werd het calvinisme overheersend in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588-1795). In 1592 verklaarde Rome de Utrechtse kerkprovincie tot ‘missiegebied’ omdat naar mening van de katholieke kerk de bevolking weer tot het heidendom was teruggevallen. In 1622 vertrouwde paus Gregorius XV het opperste bestuur over de Kerk in de Noordelijke Nederlanden toe aan de Congregatio de Propaganda Fide (Congregatie voor de voortplanting van het geloof), de instantie die het toezicht uitoefende over missiegebieden. De benaming voor de Katholieke Kerk in de Noordelijke Nederlanden werd vanaf dat moment de Hollandse Zending genoemd, die onder leiding kwam te staan van een apostolisch vicaris. Toen na de Vrede van Münster ook in ‘s Hertogenbosch geen normaal bisschoppelijk bestuur meer mogelijk was, kwam ook hier een apostolisch vicariaat. Na de vervolgingen tot deze Vrede van Münster werden katholieken nu getolereerd, maar het was nog steeds niet erg verstandig in de noordelijke provincies er al te opvallend uiting aan te geven dat men katholiek was. In veel steden kwamen katholieken samen voor de mis in zogenaamde schuilkerken die aan de buitenkant niet herkenbaar waren als kerk. (meer…)

SANDY COAST

SANDY COAST

Sandy Coast was een Nederlandse beatgroep uit Voorburg, met Hans Vermeulen als leadzanger en componist, die eind jaren zestig en begin jaren zeventig populair was. Haar bekendste hits waren Capital Punishment (1969), True love that’s a wonder (1971), Just a friend (1971) en The eyes of Jenny (1981). Dat laatste nummer staat nog steeds in de Top 2000. De groep was in 1961 door de toen veertienjarige Hans Vermeulen opgericht als skifflegroep, maar een paar jaar later werd besloten met de mode mee te gaan en ook een beatgriep te worden. Iets later werd de koers nog iets meer gewijzigd door de kant van de psychedelische muziek op te gaan. Toen in 1969 het nummer Capital Punishment moest worden opgenomen, was Vermeulen snipverkouden, maar de studio was afgehuurd dus moest het nummer absoluut op die dag op de plaat worden gezet. Het belette niet dat het nummer een groot succes werd. Het stelde de groep in staat het bestaande contract te laten ontbinden en een aanzienlijk betere deal te sluiten. Het eerste nummer voor de nieuwe platenmaatschappij was True love that’s a wonder, dat een enorme hit werd. Na 1973 werden de successen spaarzamer en werd Sandy Coast ontbonden. Vermeulen bouwde een grote reputatie op als producer van platen, onder meer The Alternative Way van Anita Meijer. De comeback van de groep leverde nog de hit The Eyes of Jenny op, maar kort daarna kwam een definitief eind aan het bestaan van de groep. Vermeulen ging verder als producer, maar zijn persoonlijke en financiële leven werd steeds meer een puinhoop. Na afbetaling van zijn belastingschuld week hij uit naar Thailand. In 2017 overleed hij op 70-jarige leeftijd. Uit het allerbegin van de groep in 1966 een nummer dat niet de hitlijsten haalde, maar wel een van mijn favorieten is gebleven: Subjects of my thoughts. (meer…)

DUITSE KOLONIËN 8

Vanaf 1872, toen Tidore de soevereiniteit van het Koninkrijk der Nederlanden erkende over Nieuw-Guinea kon Nederland formeel alle aanspraken maken op het gebied Nederlands-Nieuw-Guinea. Lang zou dat alleenrecht echter niet duren want ook de Britten en Duitsland hadden hun oog op het gebied laten vallen. Dat betekende dat er grenzen tussen de diverse nationaliteiten moesten worden vastgesteld. In 1884 werd bij een verdeling onder de koloniale machten (Congres van Berlijn)besloten dat het westelijk deel van het eiland Nederlands zou blijven. De 141ste meridiaan werd gesteld als grens tussen het westelijk en oostelijk deel. De zuidelijke helft van het oostelijk deel kwam in Britse handen, dat vanaf dat moment Brits-Nieuw-Guinea werd genoemd. De Britten zagen blijkbaar al snel dat het gebied hen weinig zou opleveren, want in 1906 droegen ze het over aan Australië, dat het daarna Territorium Papoea noemde. De noordelijk helft van het oostelijk deel van het eiland kwam in Duitse handen, die het deel omdoopte tot Kaiser-Wilhelms-Land. Dit gebied zou het belangrijkste deel uitmaken van de kolonie Duits-Nieuw-Guinea van het Duitse Rijk, die verder bestond uit een aantal eilanden en eilandgroepen (Bismarck-archipel, Marshalleilanden, Noordelijke Salomonseilanden, Carolinen, Palau, Duitse Marianen en Nauru), die in een volgende aflevering worden besproken. Daarnaast was ook Duits-Samoa een Duitse kolonie in Oceanië, maar die hoorde niet tot Duits-Nieuw-Guinea. Ook deze kolonie wordt in een aparte aflevering besproken. (meer…)

JAARTJE OUDER, DAGJE WEG

DE FAMILIE STASTOK (11)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (24)
EERDERE AFLEVERINGEN

Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren (3)

‘Juffrouw Mietje, nog niet een roomsoesje?’ vroeg mijn tante – ‘Jij ook niet, Koosje? Wel kind! wat heb ik je in lang niet reis hier gezien. Het heugt me nog dat je met Pieter speelde. Ja, kleine kinderen worden groot, Koos!’
‘Dat zeg ik zoo dikwijls,’ zei mejuffrouw van Naslaan. ‘Waar blijft de tijd? En ik zeg maar, hoe ouder dat je wordt, hoe meer de tijd vliegt; maar je jongen jaren, kind! zeg ik alle dag tegen Koosje, leer dat van mij, die komen nooit weerom.’

‘En dat zijn van die dingen,’ klonk het van den schoorsteen, uit den mond van den heer van Naslaan, met plechtige langzaamheid en afgebroken door het statig uitblazen van tabaksrook: ‘dat zijn van die dingen, mijn goede vriend! – (p’hoe), die u – (p’hoe) en mij – (p’hoe) en een ander – (p’hoe, p’hoe) ongelukkig maken. En onze voorvaderen,’ – hier nam hij de pijp uit de mond, om er den derden knoop van mijn ooms rok onder ’t spreken onderscheidene kleine tikjes mee te geven – ‘onze vaderen… ik vraag je of ze der zoo veel slechter aan waren dan wij? – onze vaderen, mijnheer! hielden zich met die dingen niet op.’
‘Neen!’ verklaarde mijn oom, in edele opgewondenheid een verse pijp stoppende, ‘dat waren andere mensen! die wisten – Piet, geef me ’t komfoortje reis aan – die wisten handen uit de mouw te steken, al zeg ik ’t zelf; – en wat ik altijd zeg – ze pasten op er tijd. Mijn vader was altijd ’s morgens kwartier voor zessen gekleed en geschoren – kom daar nú reis om!’
En zijn pijp op het vuur zettende, spande hij een schrikkelijke kracht in om haar ineens aan te trekken, en ze daarop omkerende, en een mondvol rook tegen den kop blazende, herhaalde hij, door de inspanning half uit zijn adem: ‘Kom daar nú reis om!’
(meer…)

DE MISDAAD EN HET ZWIJGEN

Anna Bikont (Warschau, 1954) is een Poolse journaliste en auteur. Haar moeder was joods; ze overleefde de holocaust met hulp van een Pool die haar Arische papieren bezorgde, waaronder een geboortecertificaat. Later huwde zij met haar redder. Anna Bikont studeerde biologie en psychologie aan de universiteit van Warschau en was daarna een tijdje werkzaam aan het Departement Psychologie van deze universiteit. Ze was later een actief medewerkster in de solidariteitsbeweging. In 1989 stichtte ze samen met Adam Michnik de Gazeta Wyborcza, de tweede grootste Poolse krant. Bikont schreef hiervoor artikelen over politiek, cultuur en geschiedenis. In 2000 begon ze aan een onderzoek naar de schokkende gebeurtenissen in het stadje Jedwabne (in de omgeving van Bialystok), wat zou uitmonden in dit boek dat in 2004 in Polen werd uitgegeven.

Jedwabne is een plaatsje dat bij het begin van de oorlog bijna 4.000 inwoners kende: 3.670 Polen, 250 joden en 65 Wit-Russen. Als gevolg van het Von Ribbentrop-Molotovpact marcheerde in september 1939 de Sovjettroepen Oost-Polen binnen. Tot juni 1941 zou het Rode Leger de baas zijn in Jedwabne, tot het moment dat Hitler de tijd rijp achtte de aanval van de aartsvijand Rusland in te zetten. De communistische overheersing ging gepaard met een golf van anti-Poolse onderdrukking door de Russische geheime politie. Die werd daarin ondersteund door de communistische aanhang in het plaatsje, die zowel uit Poolse als joodse inwoners van Jedwabne bestond. Een aantal Poolse en joodse gezinnen werden door de sovjets gearresteerd en naar Siberië gedeporteerd. (meer…)

JAN DOORNIK (44)

Jan Louis Guillaume Doornik (Parijs, 26 juni 1905, Mont Valérien bij Parijs, 29 augustus 1941)werd weliswaar in Parijs geboren en groeide daar ook op, maar hij bleef zich toch altijd honderd procent Nederlander voelen. Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen, was hij dan ook vastbesloten om naar Nederland te gaan om zijn vaderland te bevrijden. Hij kwam er al snel achter dat terugkeren naar Nederland niet echt mogelijk was. Talloze pogingen om Nederland te bereiken mislukten. Op 20 mei 1940 meldde hij zich bij de Nederlandse militaire attaché in Parijs met het verzoek in de Nederlandse krijgsmacht te mogen dienen. Dat was op dat moment al een achterhaalde vraag, want het Nederlandse leger had al op 15 mei 1940 de strijd moeten staken. Doornik besluit om samen met zijn ouders naar Engeland te vluchten. Op 18 juni 1940, vlak voordat de Franse strijdkrachten voor de Duitse overmacht moeten buigen, scheepte het gezin Doornik zich in Bordeaux in voor de overtocht. Jan Doornik trekt verder naar Cardiff, waar zich een Nederlands legeronderdeel bevond. Daar aangekomen meldde zich als vrijwilliger aan voor een formatie stoottroepen. Met zijn eenheid nam hij deel aan diverse verkenningstochten van de Franse kust. Bij een van deze tochten sneuvelden alle officieren, waarna Doornik het bevel van de eenheid overnam en erin slaagde met de overgebleven manschappen naar de basis terug te keren. Door deze actie werd hij tot luitenant benoemd. (meer…)

KEVIN MORBY

KEVIN MORBY

Kevin Morby (Lubbock, Texas – 2 april 1988) is in Nederlands een weinig bekende muzikant en songwriter. Waarschijnlijk heeft hij met zijn begeleidingsband nog niet in Nederland opgetreden, hoewel hij toch al vijf schitterende studio-albums heeft gemaakt: Harlem River (2013), Still Life (2014), Singing Saw (2016), City Music (2017) en Oh My God (2019). Morby werd weliswaar in Texas geboren, maar omdat zijn vader, die werkte voor General Motors, een aantal keren werd overgeplaatst, heeft hij op diverse plaatsen n de Verenigde Staten gewoond, voordat het gezin zich min of meer definiteif kon vestigen in Kansas City, Missouri. Op tienjarige leeftijd leerde hij gitaar spelen en vormde met zijn vriendjes zijn eerste bandje. Begin van deze eeuw, pas 17 jaar oud, besloot hij de school te laten voor wat het was en te vertrekken naar New York. Met allerlei baantjes in kroegen en als koerier voorzag hij in zijn levensonderhoud. Daarnaast ging hij deel uitmaken van de band Woods, die zich bezighield met noise-folk. Een onbekende term voor me, maar ik kan me er wat bij voorstellen. In die tijd leerde hij Cassie Ramone kennen, die toen deel uitmaakte van het punktrio Vivian Girls, en vormde met haar het duo The Babies (asjeblieft niet verwarren met de Britse rockgroep The Babys). Het tweetal nam twee albums op en bracht ook een live-album uit. Kort daarna verhuisde Morby naar Los Angeles om aan een solocarrière te beginnen. Het eerste album Harlem River was een ode aan New York. (meer…)

PAUL VAN HOEYDONCK

Paul Van Hoeydonck (Antwerpen, 8 oktober 1925) is een Belgisch kunstenaar. Hij hield zich onder andere bezig als beeldhouwer, schilder, tekenaar, collagekunstenaar en graficus. In 1941 volgde hij aan de Academie in Antwerpen een avondcursus tekenen en hij werkte later in het tekenatelier van Jos Hendrickx. Van Hoeydonck behaalde een graduaat kunstgeschiedenis aan het Kunsthistorisch Instituut in Antwerpen, en ook aan het Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde in Brussel volgde hij cursussen. Vanaf 1955 volgde een korte periode waarin Van Hoeydonck geometrisch abstract werkte. In die periode werd hij lid of medestichter van de groepen Art Abstrait, Formes en Art Construit. In 1957 creëerde hij zijn eerste monochrome wit abstracte ‘lichtwerken’, wat leidde tot een aantal solo-exposities in de bekende galerie Saint-Laurent te Brussel (1956, 1957 en 1959) . In 1961 en 1963 waren er individuele tentoonstellingen in het Paleis voor Schone Kunsten. Hij exposeerde er respectievelijk zijn ‘plexi-reliëfs met lichtwerk’ en ‘steden van de toekomst’. Met zijn plexi-reliëfs verliet hij het platte vlak en begon door het licht- en schaduwspel en de lichtbreking aan de dematerialisering van de stof. In 1959 exposeerde Van Hoeydonck samen met Guy Vandenbranden bij de  avant-garde Galleria Pater in Milaan, waar hij een aantal belangrijke internationale kunstenaars leerde kennen. Vanaf 1961 werkte hij vooral als assemblagekunstenaar. In 1965 werd hij geselecteerd voor de geruchtmakende expo Pop Art, Nieuw Realisme in het Paleis voor schone kunsten. De kunstenaar had inmiddels belangstelling gekregen voor de aanwezigheid van de mens in de ruimte. Hij gaf de planeten en de constellaties een plaats in zijn schilderijen. In 1971 zetten de astronauten van de Apollo 15 zijn beeldje Fallen Astronaut op de maan. Hij had zelf de naam Fallen Astronaut liever niet, omdat het beeldje de gehele mensheid moest representeren en niet enkel de omgekomen astronauten en cosmonauten. Het doel was om het beeldje rechtopstaand te plaatsen op het maanoppervlak en niet liggend op de rug. In september 2014 kreeg de inmiddels 89-jarige kunstenaar in Antwerpen een overzichtstentoonstelling. Op 26 november 2014 werd bevorderd tot Ridder in de Leopoldsorde. Een jaar later werd hij opgenomen in de Brusselse tentoonstelling Pop Art in Belgium, waar verschillende assemblages in gips van hem werden. In januari 2016 trouwde Van Hoeydonck op negentigjarige leeftijd met Marleen Meyers; de bruid was veertig jaar jonger.  (meer…)

LA GRANDE BOUCLE 35

Het wordt er niet makkelijker op als men gaat zoeken naar de renners uit die eerste Tour de France die in de rangschikkingen amper een rol van betekenis hebben gespeeld. Slechts bladvulling lijken te zijn geweest,een anonieme naam onderaan een lijstje. Dat geldt zeker voor de twee laatste buitenlandse renners die aan de start stonden. Er gingen er twaalf van start en daarvan zijn er hier al tien besproken: de Belgen Marcel Kerff, Julien Lootens, Aloïs Catteau en Jules Salés, de Italiaanse Fransman Rodolfo Müller, de Duitser Josef Fischer en het Zwitserse kwartet Anton Jaeck, Charles Laeser, Marcel Lequatre en Paul Mercier. Resteerde nog slechts twee namen: Emile Torisani en Ludwig Barthelmann. De voornaam Emile geeft al aan dat ook deze Italiaanse deelnemer waarschijnlijk zijn hele leven al in Frankrijk had doorgebracht en zich dan ook meer een Franse deelnemer hebben gevoeld. Het is slechts een vermoeden, want met vermoedens moeten we het doen. Niks geen gegevens van de man te vinden, slechts dat hij van start is gegaan en op 1 juli 1903 ergens onderweg in de loodzware eerste etappe van Parijs naar Lyon, 467 kilometers op zanderige en hobbelige wegen en onder een verschroeiende zon, moet zijn afgestapt. Zonder verder ook maar enig spoor achter te laten in de wielerarchieven. Geen voorgeschiedenis, geen verdere carrière. (meer…)

DE FAMILIE STASTOK (10)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (23)
EERDERE AFLEVERINGEN

Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren (2)

Wij laten haar, enigszins vermoeid van al de bereddering, plaats nemen om thee te zetten, en slaan terwijl onze ogen op Pieter Jr., die juist binnentreedt. Ook hij ligt onder zijn, wat de zeelieden noemen, beste tuig. Hij is (ik moet het zeggen) volmaakt naar de mode gekleed; een zwarte pantalon met souspieds, een zwart satijn vest, een blauwe rok met glimmende knopen; en toch ziet hij er infaam ouderwets uit. Want de pantalon is zo kort, en de souspieds zijn zo lang, en het vest is zoo laag uitgesneden, en zoo wijd om het midden; en de rok is zoo smal van kraag en zoo breed van rug; en waarom verstokt hij zich nu om zich met een bruine stropdas te willen uitzonderen, in plaats van een zwarte om te hebben, als alle fatsoenlijke mensen?
Oom kijkt een paar malen op zijn horloge, om aan te merken dat Ds. S. het geweldig lang moet maken. Dit is, in ’t voorbijgaan gezegd, de enige reden, waarom Petrus Stastokius Sen. nooit diaken of ouderling heeft willen worden, omdat hij alsdan genoodzaakt zou zijn geweest, op zijn beurt, ook bij de predikanten te kerk te gaan, die niet als hij, lieden van de klok waren.
Het duurt evenwel niet lang of een bescheiden belletje kondigt de aankomst van de eerst verschijnende gast aan. Wij zullen hem en al de verdere hun jassen en mantels laten afdoen en in handen stellen van Keesje, die van avond bijzonder verlof heeft om later in ’t Huis te komen; hun vervolgens pijpen laten stoppen, en complimenten maken over ‘de zorg’; hen daarna een uurtje laten praten over ’t weer, over de kou in de kerk, over het verkieselijke van een open haard boven een ‘toe kachel’, over den stand der fondsen, over het werk van de dames, en over de laatste verkoping van huizen en het laatste plan van de stedelijke raad om een brug te leggen over een water, waarover reeds voor tien jaren een brug is nodig geweest; om u daarna op eens midden in ’t gezelschap binnen te leiden en u al zijne leden in hunne grootheid te laten aanschouwen. Gij kunt ondertussen zelf een verse pijp stoppen.
(meer…)

DE LAATSTE WOORDEN VAN GEORGE FLOYD

Afgelopen nacht met verbijstering naar CNN gekeken. In Washington staat een grote groep vreedzame demonstranten bij het Witte Huis. Luid schreeuwend en gebarend, dat wel. Voor hen staat een lint van agenten van State Police. Iets later wordt een tweede lint van de National Guard toegevoegd. Allemaal met grote schilden, knuppels en geweren. En daar weer achter een hele rits bevelvoerders en hulptroepen. De aangekondigde persconferentie van de president wordt steeds verschoven. Tot het moment dat de demonstranten ook aan de achter- en linkerzijde worden ingesloten door State Police en National Guard, aangevuld met politie te paard, die met traangas en rubberkogels de demonstranten wegvegen van hun plaatsen. Hier en daar wordt een flinke mep uitgedeeld aan een demonstrant die met de handen in de lucht is blijven staan, ‘Don’t shoot’ roepend. Anderen krijgen pepperspray in het gezicht gespoten. Juist als dit aan de gang is, begint Trump aan zijn speech. Terwijl op de achtergrond het politiegeweld en het geluid van vluchtende demonstranten te horen is, roept hij de president van ‘law and order’ te zijn en in het land te gaan zorgen dat het afgelopen is met de protesten. Als de gouverneurs dat in hun staten niet onmiddellijk vrijwillig doen, dan zal hij de boel overnemen. Dat dit absoluut ongrondwettig is, lijkt hem niet te storen. De commentatoren op CNN spreken al over een aanzet naar een dictatorschap van Trump en over de vrees voor een soort burgeroorlog. Als de straat voor het Witte Huis is ontdaan van demonstranten en hun plaats is ingenomen door politiemannen en veiligheidspersoneel marcheert de grote blonde Führer naar een kerkje, waar een dag eerder wat tumult was geweest. Triomfantelijk steekt hij een bijbel in de lucht. Het laatste deel van zijn campagneritueel, want het is dan wel duidelijk dat de hele show slechts onderdeel is van zijn poging herkozen te worden. In plaats van zalvende woorden om de protesten in te dammen, zet Trump alle demonstranten weg als boeven, tuig en terroristen. Geen enkel woord van compassie met George Floyd. Geen enkel woord waarin hij laat merken de gevoelens van angst en woede van de demonstranten te voelen. Geen enkele poging het zoveelste tragische overlijden door toedoen van de Amerikaanse politie een kantelmoment te laten worden is het racisme in de Verenigde Staten of de enorme tweespalt in de samenleving. Avaaz wil met een internationale handtekeningsactie de Amerikaanse regering en lokale overheden oproepen veranderingen aan te brengen. (meer…)