FERNAND ALLARD L’OLIVIER 2

Autoportrait_fernand_Allard_l'Olivier_(1931)Na de oorlog reisde Fernand Allard L’Olivier als illustrator voor de Belgische pers onder andere naar Polen, Italië, Sicilië en Tripoli. In 1928 maakte hij zijn eerste grote reis naar Belgisch-Kongo, in opdracht van de regering, om er een reeks propagandistische schilderijen te maken. Hij verbleef lange tijd bij het Kivumeer en maakte er werken in olie en waterverf. Met deze monumentale schilderijen had hij veel succes tijdens de Wereldtentoonstelling van 1930 in Antwerpen, waar ze in de centrale hal hingen. In 1932 vertrok Allard l’Olivier voor een tweede reis naar de Kongo. Tijdens deze reis overleed hij na een ongeluk op de rivier de Kongo, te Yanongé, nabij Stanleystad, thans Kisangani. Hij was nog geen vijftig jaar oud. Werk van Allard l’Olivier bevindt zich in het Instituut voor Tropische Geneeskunde te Antwerpen, het Museum voor Schone Kunsten te Doornik en het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika te Tervuren. Hieronder een viertal Afrikaanse schilderijen uit het omvangrijke oeuvre van L’Olivier.
(meer…)

FERNAND ALLARD L’OLIVIER 1

Fernand Allard l'OlivierFernand Allard l’Olivier, eigenlijk Florent-Joseph-Fernand Allard (Doornik, 12 juli 1883 – Yanongé, Belgisch-Kongo, 9 juni 1933) was een Belgisch kunstschilder. Hij maakte vooral naam met zijn schilderijen van Belgisch-Kongo. Fernand Allard l’Olivier was de zoon van de graveur en aquarellist Charles Allard. Al op jonge leeftijd trok hij naar Parijs om kunstschilder te worden. Hij trad in de leer bij William Bouguereau en werkte in de ateliers van Jean-Paul Laurens en Jules Adler. Hij schilderde in een academische, realistische stijl, maar maakte ook veel decoratieve werken, vooral in opdracht. Hij had een atelier in Montmartre. In 1912 huwde hij Juliette Rossignol, met wie hij twee kinderen kreeg. Tijdens de Eerste Wereldoorlog keerde Allard l’Olivier terug naar België en werd frontschilder in het leger. Daar schilderde hij onder meer onderstaand waterverfschilderij van uitrustende soldaten en in 1918 een olieverfschilderij met een groep soldaten die door het ondergelopen land banjert.
(meer…)

AMSTERDAM – NIEUWMARKT (1902)

martin

In september 1902 nam Jacob Olie deze foto van de Nieuwmarkt, een plein in het centrum van Amsterdam tussen de Geldersekade en de Kloveniersburgwal. Het grenst in het noorden aan de Zeedijk en in het zuiden aan de Sint Antoniesbreestraat en vormt het middelpunt van de Nieuwmarktbuurt. Centraal staat de monumentale Waag. Rondom het plein liggen monumentale panden, veel horecagelegenheden, een politiebureau, een supermarkt en het wooncomplex voor ouderen, De Flesseman. Er is een dagelijkse markt, op zaterdag een biologische markt, en in de zomermaanden op zondag een antiek-, curiosa- en boekenmarkt. In het voorjaar zijn er “aprilfeesten” met een buurtontbijt en een nostalgische kermis met zweefmolen, spiegeltent en kindertheater.  De Nieuwmarkt grenst aan de Wallen en aan Chinatown. Omdat de Nieuwmarktbuurt, met name op de Zeedijk, veel Chinese inwoners en bedrijven kent, zijn de straatnaambordjes in de omgeving zowel in het Nederlands als in Chinese karakters uitgevoerd. (meer…)

AMSTERDAM – ZANDHOEK (1862)

olie_taanstraat_550Zandhoek 8 (rechts), gezien naar de Taanstraat 1-19 (v.l.n.r.) en kruising Taandwarsstraat. Foto uit 1862

zandhoekDe Zandhoek in Amsterdam is een verbinding tussen de Grote Bickerstraat en Bokkinghangen in Amsterdam. De straat, feitelijk een kade, is gelegen aan het Westerdok op het Realeneiland en ontleent zijn naam aan de in het verleden lossende zandschepen. De Zandhoek was de woonplek van de bekende Amsterdamse stadsfotograaf Jacob Olie. die hier begon met fotograferen. Aan de Zandhoek, aan de zijde die grensde aan het IJ (tegenwoordig afgeschermd door het Westerdok en de Westerdoksdijk), werd in 1648 een haringpakkerij gebouwd door de familie Reael. De gevelsteen met de Gouden Reaal, een Spaans/Portugese munt in dit geval met een afbeelding van Keizer Karel V, die aan het begin van de 17e eeuw over de hele wereld kon worden gebruikt, werd de naamgever van het eiland. De schrijver Jan Mens gebruikte het in zijn gelijknamige boek ‘De Gouden Reaal’ als naam voor een begin 20e-eeuwse kroeg aan de Zandhoek. Hier kun je je goed voorstellen wat het is om door de straten te lopen van het oude Amsterdam met de smoezelige gevels en oneven bestrating.

HET GAAT ER HOEKS EN KABELJAUWS AAN TOE

jan van schaffelaarDeze uitdrukking betekent dat de sfeer rommelig, lawaaiig en vooral ruzieachtig is. Hoeks en Kabeljauws verwijst hier naar een conflict dat in 1345 losbarstte: de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De Hoekse en Kabeljauwse twisten zijn onlosmakelijk verbonden met de beroemde ridder Jan van Schaffelaar. De aanleiding van het conflict vond plaats in 1345, toen de graaf van Holland overleed zonder kinderen na te laten. Willem werd opgevolgd door zijn zus, Margaretha van Beieren, maar ook haar zoon, Willem V, toen pas dertien jaar, kreeg bestuurlijke macht. Diverse Hollandse edelen gingen zich met de situatie bemoeien. Een deel wilde dat Willem V meer macht kreeg, maar een ander deel was daar fel op tegen. De aanhangers van Willem V werden Kabeljauwen genoemd, waarschijnlijk omdat in het Beierse familiewapen blauwe ruiten zaten, die deden denken aan schubben van een vis. Margaretha’s aanhangers werden vervolgens Hoeken genoemd, omdat men met een ‘hoec’ (haak) een kabeljauw ving.
Als snel mengden niet alleen de edelen, maar ook de steden zich in het conflict. Het was een strijd die niet om principes draaide, maar om eigenbelang. De edelen waren vooral uit op het vergroten van hun eigen macht en invloed, terwijl de steden graag elkaars handelsrechten wilden overnemen. In de middeleeuwen hadden de steden verschillende handelsrechten. Met het handelsrecht mochten de steden handelen is producten als bier en laken. De steden hadden niet allemaal dezelfde handelsrechten. De machtigste steden hadden vaak ook de meeste handelsrechten. Zowel steden als edelen wisselden regelmatig van partij. Ze kozen voor de kant waar op dat moment het meeste voordeel te behalen viel. (meer…)

DE KIKKER EN DE SCHORPIOEN

kikkers en schorpioen 2Er was eens een schorpioen die liep over een veld, hij was verdwaald omdat hij in een hoog grasland liep en hij niet kon zien waar hij naartoe ging, hij was verdrietig omdat hij niet alleen iets kon zien, maar anderen konden hem ook niet zien, daarom had hij ook geen vrienden. Verdrietig liep hij verder en kwam plotseling bij een beekje aan. Aan de overkant van het beekje was een grasland waar het gras netjes geknipt was, daar wilde hij naartoe! Hij werd opeens helemaal gevuld van geluk en straalde, tot opeens het besef bij hem doordrong dat hij niet bekwaam was om te zwemmen, zijn blijdschap verdween als zon voor sneeuw en hij keek verdrietig naar zijn spiegelbeeld in het water.
Dit tafereel werd opgemerkt door een voorbij zwemmende kikker, die zwom vrolijk naar hem toe, hij was eigenlijk onderweg naar zijn vriendin waarmee hij zou trouwen, maar omdat zijn nieuwsgierigheid hem had overmeesterd om uit te zoeken wat er aan de hand was met de schorpioen, had hij toch besloten om even te vragen wat er loos was en daarna zijn weg weer te vervolgen. Het spiegelbeeld van de schorpioen werd vervangen door het vriendelijk hoofdje van de kikker.
“Waarom kijk je zo verdrietig?”, vroeg de kikker.
“Ik wil naar de overkant”, zei de schorpioen, “alleen ik kan niet zwemmen. Kun jij me niet naar de overkant brengen?”
“Dat denk ik niet, zei de kikker. “Ik ken jou, jij bent een agressief baasje en ik heb geen zin een een steek met je giftige staart. Dat overleef ik niet”.
“Ik zal je niet steken”, zei de schorpioen beminnelijk. “Als ik je steek, verdrinken we beiden”.
Daar heeft de schorpioen gelijk in, dacht de kikker. De schorpioen barstte in tranen uit en de kikker werd overspoeld door zijn tranen. De kikker keek de schorpioen aan en draaide zijn hoofd richting de overkant.
(meer…)

MARCELLUS EMANTS

eman001nmaa01ill01Marcellus Emants (Voorburg, 12 augustus 1848 – Baden (Zwitserland), 14 oktober 1923) was een Nederlandse schrijver. Hij is een van de weinige voorbeelden van het naturalisme in de Nederlandse letterkunde en wordt gezien als voorloper van de Tachtigers. Zijn bekendste roman is Een nagelaten bekentenis uit 1894.
Afkomstig uit een geslacht van magistraten geeft Emants gehoor aan de wens van zijn vader en studeert rechten. Hij behaalt goede resultaten maar zijn hart ligt bij de kunsten. Hij kan aanvankelijk niet kiezen tussen de muziek (cello), de tekenkunst, het toneel en de literatuur. Het Leidse studentenmilieu mijdt hij, en met enkele Haagse vrienden vormt hij de literaire kring Quatuor. In hun tijdschrift verschijnen zijn eerste publicaties. Door de dood van zijn vader wordt hij financieel onafhankelijk. Hij breekt zijn studie af en gaat reizen. In de Alpen blijkt hij zich veel beter te voelen dan in het laagland en hij zal dan ook jaarlijks een bergreis maken. In Spar en hulst, de opvolger van Quatuor, schrijft hij in 1872 een essay Bergkristal van Oberammergau over de Passiespelen die hij had bijgewoond. Zelf is hij verbaasd over de aandacht die het trekt. Hij blijft reizen en ontwikkelt het genre van “reisverhaal dat veel meer is dan een reisverhaal” (Busken Huet).
Emants blijft buiten de stroming van de Tachtigers. Hij deelt hun visie op de autonomie van de kunst, maar voelt zich niet aangetrokken tot hun uitbundige taalgebruik. “Ik heb altijd willen hebben, dat, als ik een boek las, ik zoo min mogelijk van de woorden merkte.” Door Willem Kloos wordt hij desondanks “De Johannes Baptista der moderne literatuur” genoemd. Emants bewaart een sobere stijl bij een vanuit zijn idealisme beredeneerde pessimistische inhoud. Zijn voorbeelden zijn Émile Zola, Hippolyte Taine en Ivan Toergenjev. Met de laatste twee staat hij in correspondentie.
Emants is vicevoorzitter van de ‘Vereniging tot vereenvoudiging van onze spelling’, en schrijft de roman Een nagelaten bekentenis “ongeveer volgens Kollewijn”. Hij heeft ook zitting in een staatscommissie voor hervorming van de Nederlandse spelling, die echter niet slaagt. Ruim na zijn dood zal minister Marchant deze voorstellen alsnog grotendeels invoeren.
In de jaren van de Eerste Wereldoorlog voelt hij zich in Nederland opgesloten. Als de vrede daar is treft hij voorbereidingen om zich in Zwitserland te vestigen. Op 2 maart 1920 verlaat hij definitief Den Haag. In Zwitserland verblijft hij beurtelings in hotels, kuuroorden en sanatoria. Vrijwel direct krijgt hij gordelroos, gevolgd door enkele beroertes. Hij sterft in het Grand Hôtel van Baden en wordt op 20 oktober 1923 in Den Haag op de Algemene Begraafplaats ter aarde besteld.
Marcellus Emants trouwt in 1873 met Christina Magdalena Prins, een verre nicht, die al in 1875 overlijdt. Hij hertrouwt op 10 juni 1880 met Eva Verniers van der Loef, die in 1887 een roman publiceert onder het pseudoniem Nessuno: Jonkheer Beemsen. In 1900 sterft ze. Op 5 juli 1904 huwt hij met de Duitse actrice Jenny Kuhn. Samen krijgen zij een dochter, Eva Clara Jenny, die zich later Lilith noemt, naar het gelijknamige verhalende gedicht van haar vader uit 1879. (meer…)