KINDERVREUGD. DOOR WILLEM VAN OEVERE 2

Onderstaand verhaal van Aug. P. van Groeningen verscheen eerder in: De Nieuwe Gids. Jaargang 3. W. Versluys, Amsterdam 1888

– vervolg –

Na een poosje dorst Lou het wagen om te zeggen:
– Zeg, Frans, je hebt bij geval geen paar cente voor me? voor stroop.
– Dat weet je wel beter. Jullie wijve hebt altijd geld nodig. Wij motte maar opdokke. Daar kom je moe van je werk en ‘t is gebrek hieraan en gebrek daaraan. Zure smoele….
– Laat ‘m in ‘s hemelsnaam bedare, zei Leentje angstig: anders slaat hij ons hele armoedje kepot.
– En wat zou dat? stoof Frans op: ‘k mot er zellef voor werke.
Zeg, vrouw, zei hij bedaard; leen wat bij buurman Jan. Ik heb daar straks cente in zijn zak hore rammele.
Jan, die van het spel niets begreep, brandde van verlangen, om de centen te geven.
– Dank je, buurman! een Zaterdag krijg je het terug.
– Dat heeft niet nodig, viel Leentje heftig in: Hij heeft ze natuurlijk van m’n weekgeld afgehouwe. Hij heeft me besjoechemd. En ik heb toch al zo’n moeite om rond te komme. En dan houdt hij me nog geld af en steelt het uit den mond van zijn kindere, om het in een moppekroeg te verzuipe met hoere en snoere, vervolgde ze wenend.
Jan zat als versteend.
– Werachtig niet. ‘t Is van de hoepels en de …. Hij bemerkte nog tijdig, dat hij zich ging verspreken.
Ze wilden stroop halen, maar ze kwamen een cent te kort.
– Je mot drie cente hebbe.
(meer…)

KINDERVREUGD. DOOR WILLEM VAN OEVERE 1

Onderstaand verhaal van Aug. P. van Groeningen verscheen eerder in: De Nieuwe Gids. Jaargang 3. W. Versluys, Amsterdam 1888

Als hun moeder uit werken was, brachten ze gewoonlijk de dag op straat door. Ze kwamen dan slechts even thuis, om hun boterhammen op te eten, die moeder ‘s morgens in de kast had klaargezet.
Maar nu regende het.
Een tijdlang hadden ze zwijgend naar de rechtlijnige regenstralen gekeken en naar het druipende dak met grote, glimmende plekken. Frans volgde met de ogen de heldere regendroppels langs de ruiten, die eerst langzaam neerbiggelden en dan met een vaart naar elkaar toeschoten. Het meisje keek naar de platte, donkergrijze wolken, die langs het eenkleurige uitspansel schoven. Eensklaps zei ze:
– Zouwe Louw en Jan op straat zijn?
Een kinderlijke uitdrukking vloog over haar bleek, ouwelijk gezichtje, dat onder een grote, verlepte tuithoed nog ouwelijker leek.
Frans zei op slaperige, onverschillige toon:
– Weet ik het? ‘t kan me niet schelen ook.
– Nou, neem dan je benen op en ga is kijken, toe!
De jongen ging slenterend de trap af.
(meer…)

ZE HEEFT HET OP HAAR HEUPEN

ze heeft het op haar heupenDe meningen zijn verdeeld over de oorsprong van de uitdrukking, waarmee normaliter wordt aangegeven dat iemand in een opgewonden gemoedstoestand terecht is gekomen. De uitdrukking wordt vaker in negatieve dan een positieve zin gebruikt. Er bestaan twee belangrijke verklaringen voor het ontstaan van deze zegswijze. In de eerste verklaring wordt verwezen naar een tekst uit het Bijbelboek Ezechiël, waarin de volgende passage voorkomt: ‘Schreeuw het uit, mensenkind, en sla op je heup, want ze heeft het op haar heupen het zwaard treft mijn volk…’ Het ‘op je heup slaan’ wordt dan gezien als een manier om grote ontsteltenis uit te drukken. Volgens de spreekwoorddeskundige F. A. Stoett is het goed mogelijk dat de hedendaagse uitdrukking ‘het op je heupen hebben’ hier vandaan komt. Er bestaat echter nog een andere theorie over de herkomst van deze zegswijze, die ook door Stoett en andere spreekwoorddeskundigen wordt genoemd. Volgens deze verklaring heeft ‘het op je heupen hebben’ simpelweg te maken met lichamelijke klachten aan je heup. Het zou dan vooral gaan om ischias, een pijnlijke aandoening die ook wel heupjicht wordt genoemd hoewel het officieel niets met jicht te maken heeft. Mensen die lijden aan ischias hebben last van zenuwpijnen. De pijn zit meestal in de heup en kan erg heftig zijn, zo heftig dat je soms niet meer in staat bent te lopen. Spreekwoorddeskundigen verdedigen deze theorie door erop te wijzen dat wanneer mensen deze heftige pijnen ervaren, ze ineens gekke bewegingen kunnen maken van de pijn. Dus door de manier waarop mensen op de pijn in de heupen reageren zou de uitdrukking ‘het op je heupen hebben’ ontstaan zijn.

FIETSEN DOOR EEN VERWOEST GEWEST

Het IJzerfrontIn de periode 18-31 oktober 1914 werd de Slag om de IJzer gevoerd. Het werd snel duidelijk dat de Belgen en hun geallieerde bondgenoten het laatste strookje vrij België niet langer in handen konden houden, tenzij rigoureuze maatregelen werden genomen. Dat hield in dat het gebied tussen de IJzer en de spoorwegbedding van de spoorlijn Nieuwpoort-Diksmuide onder water moest worden gezet om een verdere Duitse opmars te voorkomen en tegelijkertijd een veilige barrière te hebben voor de eigen manschappen. Een centrale rol bij de inundatie was weggelegd voor de Ganzepoot van Nieuwpoort, het sluizencomplex aan de rand van de stad waar zes waterlopen samenkwamen: drie bevaarbare kanalen (waaronder de gekanaliseerde IJzer) en drie afvloeiingskanalen. Bij eb kon hier worden geregeld dat overtollig water uit de polder kon wegstromen, bij vloed werd er voorkomen dat het zeewater de polder zou binnendringen. Voor de inundatie moest uiteraard precies het tegenovergestelde worden gedaan.

Op 26 oktober 1914 werd een eerste inundatiepoging ondernomen door de Spaanse sluis op de Oude Veurnevaart (ook Oud-Veurnesas of Kattesas genoemd) open te zetten. Dat was onvoldoende om de Duitsers tegen te houden. Er moest een tweede sluis worden geopend om het gewenste resultaat te krijgen. Die maakte het echter ook noodzakelijk dat eerst alle openingen in de spoorwegberm moesten worden dichtgemaakt, een karwei dat enkele dagen en nachten vergde. In de nacht van 29 op 30 oktober 1914 wist een detachement van de Belgische genie, geholpen door schipper Hendrik Geeraert, de uitlaatsluizen van Veurne-Ambacht te openen en zo het complete terrein ten zuidwesten van de IJzer onder water te zetten. Honderdduizenden kubieke meters zeewater stroomde langzaam maar onherroepelijk de polder in. Op 31 oktober 1914 was het hele gebied tussen IJzer en de spoorwegberm, van Nieuwpoort tot Diksmuide, één grote binnenzee geworden. Het Duitse leger kwam in de modder vast te zitten en werd gedwongen zich tot aan de IJzer terug te trekken. Nog vier jaar lang hebben ze zich er echter niet bij neergelegd dat het een definitieve positie was geworden. (meer…)

CHARLES GOODYEAR

HD_CharlesGoodyear.previewCharles Goodyear
Uitvinder en fabrikant
New Haven, Connecticut, 29 december 1880 – New York City, 1 juli 1860

De uitvinder van de gevulcaniseerde rubber

Charles Goodyear werd geboren in 1800 in New Haven, Connecticut. Zijn vader was mecanicien en had een ijzerwinkel. De farmers uit de buurt kwamen bij hem hun gereedschap en werktuigen kopen en Charles stond altijd aandachtig te luisteren naar hun gesprekken. Als een van de klanten een stuk gereedschap nodig had dat niet in de handel was, maakte Charles’ vader, Amasa, het zelf. De farmers in Connecticut zeiden tegen elkaar: ‘Spreek met Goodyear en het komt in orde.’ Die eigenschap, om de handen uit de mouwen te steken, nieuwe middelen te verzinnen en elke opdracht consciëntieus uit te voeren, erfde Charles van zijn vader en daarenboven zijn handigheid in het gebruik van gereedschappen.

Op een keer stond Charles Goodyear in New York voor een winkel, waar rubber reddingsgordels in de open etalage lagen. Hij betastte de glimmende metalen ventielen. Op dat ogenblik kwam de eigenaar van de zaak naar buiten en vroeg hem wat er van zijn dienst was. ‘Mooie kleppen, hè meneer?’ ‘Nee,’ zei Charles, ‘dat vind ik niet, ik kan ze wel beter maken; maar iets anders, hebt u misschien een baantje voor me?’ ‘Nee, ik kan je niet helpen, maar als ik jou was, zou ik niet in de rubberbranche gaan, rubber deugt niet. Het blijft niet goed. Als je het in de zon legt, wordt het kleverig, en dan kun je d’r niks meer mee beginnen.’ Het was voor de eerste keer dat Charles rubber had gezien en dat vreemde goedje maakte zo’n indruk op hem, dat het hem zijn leven lang niet meer met rust liet. Hij kon aan niets anders meer denken; vandaar de bijnaam de rubberman, die hij later kreeg. (meer…)

SAMI (1900)

samiDe Samen of Sami is een van oorsprong nomadisch volk dat het Noord-Europese Lapland bewoont. Ze zijn ook bekend onder de naam Lappen, wat ze zelf als een belediging beschouwen. Ze bezitten tegenwoordig in zowel Noorwegen, Zweden als Finland een eigen parlement, het Sameting, dat bij de nationale overheden van de staten waaronder Lapland ressorteert, inspraak heeft in zaken die de Samen en hun woongebied betreffen. De meeste Samen wonen in Noorwegen, zo’n 50.000. In Zweden zijn dat er ongeveer 20.000, in Finland 6.000 en in Rusland 2.000.
Volgens het Europees Bureau voor Minderheidstalen zijn er 70.000 tot 100.000 Samen, van wie minder dan 20.000 Samisch spreken. Er bestaat geen Samische standaardtaal. Het gesproken Samisch kent vele, sterk verschillende, varianten verdeeld over een aantal aparte talen. Het Samisch is verwant aan het Fins en Estisch en behoort tot de Finoegrische taalfamilie.
Een deel van de Samen leefde traditioneel als nomaden die rendierkudden volgden in hun jaarlijkse voedseltrek. De rendieren leverden de Samen melk, vlees en huiden. Bovendien deden ze dienst als trekdier voor de slede, het vervoermiddel bij uitstek in dit gebied. Andere Samen leefden traditioneel van de visserij, met name aan de Noorse kust. Ook de jacht was een belangrijke bezigheid. De nomadische Samen woonden in tenten (lavvu) die gemakkelijk af te breken en te vervoeren waren. Alleen in de winter bleven de Samen en rendieren op één plaats. In plaats van in tenten leefden ze dan in lage koepelvormige hutten, die met aarde bedekt werden om ze tegen de strenge vrieskou te beschermen. Verder naar het zuiden bestond de traditionele behuizing uit vierkante houten hutten. (meer…)

JACOB OLIE

085Jacob Olie (Amsterdam, 17 oktober 1834 — aldaar, 23 april 1905) was een Nederlands fotograaf. Hij is bekend om zijn foto’s van Amsterdam in de 19e eeuw. De fotografie was voor hem niet meer dan een hobby, toch geniet hij bekendheid als een gedreven fotopionier die het beeld van negentiende-eeuws Amsterdam heeft vastgelegd. Olie verdiende zijn dagelijks brood eerst als timmerman en bouwkundige, later als tekenleraar en directeur van de eerste ambachtsschool van Nederland. Olie werkte met grote fotografische gevoeligheid, daarvan getuigen zijn composities en beheersing van het licht. Zijn liefde voor architectuur is goed terug te zien in de vele stadsgezichten, deze laten dan goed zien dat Jacob Olie veel gevoel had voor perspectief en compositie. Bij het fotograferen van stad- en straatgezichten maakte hij vaak gebruik van ogenbliksfotografie. Een steeds terugkomend thema zijn de grote veranderingen in de stad in de jaren negentig, er was duidelijk sprake van cityvorming. Olie fotografeerde alle veranderingen zoals het dempen van de grachten en verbreding van kades, maar ook de bouw van de eerste grote warenhuizen en kantoren. Jacob Olie stamde uit een houtvlottersfamile. Olie trouwde op 3 oktober 1871 te Amsterdam met Carolina Augusta Blösmann, geboren 8 januari 1852 te Rotterdam. Het echtpaar kreeg zeven kinderen, van wie er drie al jong stierven. Ze woonden op de Zandhoek in Amsterdam-Centrum en de Huidekoperstraat 19 te Amsterdam. Hij begon daar met fotograferen van familieleden en buren. Daarna ging hij de stad in en zou ongeveer 5000 foto’s maken op glasplaten die vrijwel allemaal gaaf bewaard zijn gebleven en nu in het Amsterdams Stadsarchief aanwezig zijn. (meer…)

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 186 andere volgers