PAUL GUERMONPREZ (80)

Paul Gustave Sidonie Guermonprez (Gent, 28 december 1908 – Overveen, 10 juni 1944) was de zoon van Belgische ouders die in 1917 tijdens de Eerste Wereldoorlog naar Nederland waren gevlucht. Zijn kinderjaren hadden Paul en zijn broer Oscar doorgebracht in Brussel, waar vader George Charles Guermonprez werkzaam was als civiel ingenieur bij de gemeente. Het gevluchte gezin werd eerst opgevangen bij baggermaatschappij Bos en Kalis in Sliedrecht, waarmee de vader contacten had. opgevangen. Van 1920 tot 1924 was George Guermonprez directeur Gemeentewerken in Helmond, daarna had hij dezelfde baan in Sliedrecht. Paul volgde eerst een studie aan de afdeling Chemie en Techniek van de MTS te Dordrecht, die hij niet afmaakte. In Amsterdam volgde Paul een opleiding aan de School voor Suikerindustrie aan de Herengracht, die gewoonlijk werd aangeduid als de Suikerschool. Deze school leidde mensen op voor een baan in de suikerindustrie, bij voorkeur ‘in den vreemde’. Vanaf 1931 vertrok hij naar Nederlands-Indië, waar hij wordt ingeschakeld bij de suikercampagne op Kadipatan. Vlak voor zijn vertrek trouwt hij met Arda Hessefelt, maar het huwelijk liep snel uit in een scheiding. In Indië maakt hij een reeks foto’s van het dagelijkse leven en de cultuur van het Indonesische volk. Vanwege de economische malaise en zijn protesten tegen de ongelijkwaardige behandeling van de Indonesiërs door de Europeanen werd Guermonprez op 26 januari 1932 ontslagen.

Begin 1932 was hij al weer terug in Europa, want net als zijn vader had Guermonprez veel belangstelling voor fotografie. In 1932 ging hij in Berlijn aan Bauhaus fotografie en architectuur studeren. Hij krijgt onder meer les van de fotograaf Walter Peterhans. De nationaalsocialisten hadden Bauhaus gedwongen vanaf dat jaar in Berlijn te vestigen, maar maakte duidelijk dat ze niets wilden weten het progressieve en ‘bolsjewistisch’ gebrandmerkte Bauhaus. Na Hitlers machtsovername in 1933 besloot Bauhaus zelf de deuren te sluiten en niet langer toe te geven aan de politieke eisen van de nieuwe machthebbers, zoals de verwijdering van Joodse en buitenlandse docenten. (meer…)

LOTHAR VAN GOGH


Ir. Lothar (Louis) van Gogh (Sukabumi, 7 februari 1888 – Tjimahi, 28 mei 1945) was lid van een lid van het geslacht Van Gogh, dat sinds 1964 deel uitmaakt van het Nederlands Patriciaat. Daarmee worden families aangeduid die enkele generaties lang op de voorgrond traden met bijvoorbeeld prominente bestuurders, wetenschappers, predikanten, medici, officieren en/of zakenlieden. Het gaat hierbij om niet-adellijke families en niet-adellijke takken van adellijke families. De schilder Vincent van Gogh is de bekendste loot aan deze stamboom, die teruggaat op Gerrit van Goch, een simpele soldaat en tamboer die rond 1648 overleed. Lothar van Gogh was een achterneef van de schilder. Hij werd in het voormalige Nederlands-Indië geboren in Sukabumi, waar zijn ouders Johannes van Gogh (1854-1913) en Jeanette Louise Vos (1854-1906) toen een plantage hadden.

Aan het begin van de twintigste eeuw was het gezin Van Gogh in Haarlem een vooraanstaande sportfamilie. De broers Jo, Frans, Lothar en waren speelden in het eerste elftal van HFC, maar waren ook verdienstelijke spelers in cricket, tennis, hockey en bandy. Lothar van Gogh speelde bijvoorbeeld tussen 1904 en 1922 als batsmen van cricketclub Rood Wit negentien maal voor het Nederlands Cricketteam. Hij waas de enige van de broers die het als voetballer tot het Nederlandse Elftal bracht. De sportbeoefening werd er bij de broers door vader Van Gogh van jongsaf aan ingebracht, in een periode dat sportbeoefening nog lang geen gemeengoed was. ‘Sporten is beter dan kaartspelen in het café’, was het motto thuis. (meer…)

STORM OP DEN STAAT


André van Noort, van beroep archivaris, was jarenlang voorzitter en bestuurslid van het Historisch Genootschap Warmelda in Warmond. Hij richtte voor de vereniging in 2014 het historische tijdschrift De Hekkensluiter op en schreef in de loop der jaren een aantal artikelen en boeken over de geschiedenis van Warmond. Daarbij moet hij zijn gestuit op Arnold Meijer, de fascistenleider die vanaf september 1926 studeerde aan het Groot-Seminarie Warmond. Hij moest enkele jaren later vanwege een ernstig oplopend conflict met praeses mgr. Henricus Taskin (1865-1946) het seminarie verlaten. Deze mgr. Taskin, die in de periode 1906-1939 de leiding had in het seminarie, stond bekend als een zeer conservatief en autoritair bestuurder. Nu had Meijer ook een behoorlijk autoritair karakter, dus een botsing met het ‘schrikbewind’ van de praeses was onvermijdelijk. Van Noort heeft de korte maar zeer bepalende periode in het leven van de priesterstudent Arnold Meijer in Warmond aangegrepen om een biografie te schrijven over de fascistenleider van Zwart Front en later Nationaal Front.

De wat onheilspellende naam Zwart Front riep direct associaties op met de strijd binnen de NSB over de vraag of de beweging moest inzetten op de Groot-Nederlandse gedachte en dus een zelfstandige Nederlandse fascistische beweging moest blijven of dat Nederland juist moest opgaan in de Duitse Rijk en dus ook de fascistische beweging daarin moest opgaan. In tegenstelling tot de eerste gedachte zaten Arnold Meijer en Zwart Front niet op de laatste koers. Dat was de politiek van Henk Feldmeijer (1910-1935) die, gesteund door de invloedrijke Rost van Tonningen, binnen de NSB de felste tegenstander was van Anton Mussert. De namen Meijer en Feldmeijer zorgen dus voor verwarring, de naam Zwart Front deed de rest. Arnold Meijer en Anton Mussert zaten politiek op dit punt op dezelfde lijn, maar bestreden elkaar verder waar ze maar konden. In elk geval was het met alle drie heren slecht kersen eten. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 43

JAC. VAN LOOY – DE DOOD VAN DEN OUDEN TRITON (1895)

Begin 1895 schilderde Jac. Van Looy zijn poes in het schilderij Witte poes in een open raam. Hij gebruikte opvallend lichte kleuren en brede, vlotte penseelstreken, waardoor het erg zomers voorkomt. Het zonlicht wordt weerkaatst door de borst van de poes. Normaal gesproken schilderde Van Looy in tamelijk donkere kleuren. Om onduidelijke redenen heeft hij dit werk nooit helemaal afgemaakt, zodat het beperkt is gebleven tot een schetsmatige opzet. Deze impressionistische werkwijze was voor tijdgenoten zoals Isaac Israëls en George Hendrik Breitner erg gebruikelijk, maar voor Van Looy juist erg ongebruikelijk, want hij had een duidelijke voorkeur voor meer doorwerkte schilderijen. er ontbreekt dus ook een vernislaag.

Wellicht kon hij het werk niet afmaken omdat hij in september 1895 met zijn echtgenote Saskia van Gelder afreisde naar Londen. Daar bezocht hij onder meer op Leicester Square het Empire Theatre bezoekt en schreef er dit gedicht over de Griekse zeegod Triton. Bij terugkeer wachtte hem veel werk voor het nieuwe Tweemaandelijksch Tijdschrift voor letteren, kunst, wetenschap en politiek, waarvan in september 1895 de eerste uitgave zou verschijnen, en daarna kan simpelweg de belangstelling voor dit tussendoor-schilderij van zijn poes verflauwt zijn.
, (meer…)

FRANZ KONRAD

Franz Konrad (Liesing, 1 maart 1906 – Warschau, 8 september 1951) was de zoon van een mijnwerker, die na de middelbare schooltijd als verkoper ging werken voor verschillende bedrijven in de levensmiddelenbranche. Aansluitend kreeg hij een baan als filiaalleider bij een coöperatieve verenging. Daar kon hij op een gegeven moment de verleiding niet weerstaan om van zijn werkgever geld achterover te drukken. Hij verloor in 1931 uiteraard zijn baan, maar werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden. Na zijn ontslag uit de gevangenis zwierf hij een tijdje doelloos rond. De advocaat die hem had verdedigd, bracht hem toen in contact met de Oostenrijkse tak van de NSDAP. Konrad werd op 1 april 1932 lid van de NSDAP (lidnr. 1.085.499) en op 1 september 1932 ook van de SS (lidnr. 46.204). Konrad, die in 1931 in het huwelijk was getreden, werd in 1931 ook lid van Lebensborn en kreeg daarbij direct drie kinderen toegewezen. Toen de NSDAP op 19 juni 1933 tot verboden partij werd verklaard, kreeg Konrad de leiding over de SS-Sturmgruppe 5/II/38.

Op 25 juli 1934 probeerden de Oostenrijkse nationaalsocialisten de regering van kanselier Engelbert Dollfuss omver te werpen, maar daar werd in grote delen van het land aanzienlijk minder aan meegedaan dan de nazi’s hadden verwacht. Op 30 juli 1934 moesten die zich neerleggen bij een nederlaag. In de vijf dagen van de Juliputsch hadden meer dan tweehonderd mensen het leven verloren, waaronder kanselier Dollfuss. Meer dan 4.000 nationaalsocialisten werden veroordeeld tot gevangenisstraffen. Daarvan kregen dertien man de doodstraf. Veel anderen vluchten naar Duitsland of Joegoslavië. Franz Konrad hoorde tot het legertje dat werd opgesloten. (meer…)

LOBITH 1908

006

FERDINAND VON SAMMERN-FRANKENEGG

Ferdinand von Sammern-Frankenegg (Grieskirchen, 17 maart 1897 – 20 september 1944) was de zoon van een magistraat uit de omgeving van Linz. Vanaf 1915 diende hij gedurende de Eerste Wereldoorlog en dec eerste naoorlogse jaren in het Oostenrijkse leger. Hij diende aanvankelijk aan het front, maar nadat hij door een granaat verwond was geraakt kwam hij terecht bij de militaire politie. Op 4 november, vlak voor het definitieve einde van de langdurige en bloedige oorlog, werd hij door de Italianen krijgsgevangene gemaakt. In september 1920 werd hij in vrijheid gesteld en iets later in de rang van 1e luitenant uit de actieve dienst ontslagen. Na zijn vrijlating begon hij aan een juridische opleiding aan de Universiteit van Innsbruck, waar hij in september 1922 afstudeerde. In zijn studententijd was Von Sammern-Frankenegg ook lid geworden van de traditionele, conservatieve studentenvereniging Skalden, waar veel werd getreurd over het verlies van Zuid-Tirol aan Italië en leden die gedurende de oorlog het leven hadden verloren. De vereniging had een antisemitische instelling, die in de loop der jaren steeds erger werd. Vanaf 1932 was het leden sterk verboden Joodse lokalen te betreden of ‘niet-arische’ winkels binnen te gaan. Na 1921 waren veel leden van Skalden dan ook lid van een paramilitaire organisatie. Dat gold ook voor Ferdinand von Sammern-Frankenegg. Hij werd daarna lid van twee paramilitaire organisaties, de Bund Oberland (1920–1926) en de Steirischen Heimatschutz (1922–1932). Ook was hij lid van de Deutsch-Völkischen Turnverein (1922–1932), die zich niet alleen bezig hield met turnen, maar met politiek. Al in 1919 waren via een Arierparagraaf Joden, andere ‘nicht-Deutsche Völker’ en leden van een vakbond van deze koepelorganisatie, uitgesloten van lidmaatschap. (meer…)

007 – 1672. HET RAMPJAAR VAN DE REPUBLIEK

Arnout van Cruijningen (Kloetinge, 3 augustus 1960) studeerde in Nijmegen Geschiedenis, met Staats- en Bestuursrecht als belangrijke bijvakken. Zijn doctoraalscriptie ging over de geschiedenis van de ‘inhuldiging des Konings’. Hij is gespecialiseerd in dynastieke geschiedenis, wat tot uiting kwam in een groot aantal publicaties over Europese vorstenhuizen in de nationale en internationale media. Met name over het Huis Oranje-Nassau in relatie met de vaderlandse geschiedenis heeft hij veel geschreven. Daarnaast heeft Van Cruyningen veel historische werken vanuit het Engels vertaald. Begin dit jaar verscheen van hem ‘1672. Het Rampjaar van de Republiek’. De uitgever merkt op de achterzijde op dat Van Cruijningen in dit boek een levendig beeld schetst van de hachelijke situatie van de Republiek: ‘Welke militaire en politieke schokken deden zich voor? Wat ging er aan het Rampjaar vooraf en wat waren de gevolgen? In dit rijk geïllustreerde boek bespreekt Van Cruijningen de belangrijke gebeurtenissen en personen in deze bewogen periode in de Nederlandse geschiedenis”.

Het boek is inderdaad rijk geïllustreerd met een groot aantal kleurenfoto’s, maar het boek moet toch vooral worden gezien als een snelle inleiding op de gebeurtenissen die aan het Rampjaar voorafgingen. Net als de tv-serie Het Rampjaar, waarvan de twee eerste delen inmiddels zijn uitgezonden, heeft het boek van Van Cruijningen veel aandacht aan de strijd tussen enerzijds de Loevesteiners/regenten en anderzijds het Huis van Oranje en hun medestanders. Gezien de specialisatie van de auteur niet erg verrassend en ook niet onbelangrijk, want de inval van de buitenlandse legers zorgden voor een verstrekkende politieke omwenteling in de Republiek. Willem III werd aangesteld als stadhouder en legeraanvoerder, waarmee de bijna absolute macht van het Huis Oranje-Nassau weer helemaal was hersteld. De regenten-bestuurders die aan de macht waren, moesten rigoureus het veld ruimen, wat op de meest gruwelijke wijze tot uiting kwam met de moordpartij door het grauw van Den Haag op de gebroeders Johan en Cornelis de Wit. (meer…)

TRITON

In de Griekse mythologie was Triton een zoon van Poseidon en Amphitrite. Poseidon, vaak uitgebeeld met een drietand, was de god die heerste over de zee, de wateren en hun goden, was een god van de paarden en (als ‘Aardschudder’) van aardbevingen. In de Romeinse mythologie heette hij Neptunus. Zijn vrouw Amphitrite was de godin van de zee. Poseidon werd verliefd op haar toen ze met haar zusters een rituele dans uitvoerde. Ze weigerde echter met hem te trouwen en vluchtte. Poseidon stuurde een dolfijn achter haar aan, die erin slaagde haar terug te brengen. Als beloning werd de dolfijn veranderd in een sterrenbeeld en aan de hemel geplaatst. Poseidon was de jongste zoon van Kronos en Rhea, die verder Hades, Demeter, Hestia, Hera, Zeus en Chiron baarden. Poseidon huwde behalve Amphitrite ook Aphrodite, Demeter en Medusa en het spreekt dat uit die huwelijken een behoorlijke reeks nakomelingen voortkwamen. Om er enkele te noemen: Rhode, Kymopolea, Benthesikyme, Theseus, Polyphemus, Orion, Belus, Agenor, Neleus, Atlas, Pegasus, Chrysaor en dus Triton. Het geheel is in het begin behoorlijk onoverzichtelijk, maar ook als het overzicht aan familierelaties wat verloren gaat, het blijft zeer vermakelijke literatuur. (meer…)

DE ZEEMEERMIN VAN WESTENSCHOUWEN

Het gehucht Westenschouwen op Schouwen-Duiveland was in de zestiende eeuw een welvarend vissersdorp. Vanaf 1800 kwamen restanten van het dorp bloot te liggen. De haven was niet groot, er was ruimte voor maximaal tien schepen, maar ze was toch belangrijk in de 14e en 15e eeuw. De Westenschouwse vissers transporteerden haring, krab en uien naar Engeland en importeerden wol, laken en steenkolen. In 1911 werden ‘steenfondamenten van woningen, wellen of tonputten en rondom woningen overblijfselen van allerlei aard’ gevonden, in 1947 kwamen nieuwe resten bloot te liggen en ook in 1967 en 1976 kwamen overblijfselen van het verzwolgen dorp naar boven. Nadat in de 16e eeuw de haven verzandde, trokken de vissers er weg. Halverwege de 18e eeuw stond slechts de verlaten kerktoren nog in de duinen. In 1845 werd die toren gesloopt; er verrees wel een nieuwe, bescheiden nederzetting. Nadat de toren was afgebroken, wordt de Plompe Toren, de toren van het ook verdwenen Koudekerke, beschouwd als de resterende toren van Westenschouwen. Deze 23 meter hoge toren staat nog net binnendijks en in het dijkprofiel. De kerk van ‘Coudekerk’ was eind 15e eeuw gebouwd, maar toen vanaf 1550 de Oosterschelde noordwaarts oprukte en het Zuidland van Schouwen wegvrat, werd in 1583 besloten de nederzetting te verlaten. De kerk werd gesloopt, maar de toren liet men staan omdat die uitstekend kon dienen als baken voor de drukke scheepvaart op de Oosterschelde naar de haven van Antwerpen. Nog voor 1700 was het hele dorpje weggespoeld en stond nog slechts de toren fier overeind. Alle schepen die naar Antwerpen voeren, zeilden toen nog langs deze route. De Oosterschelde rukte echter verder op en nog voor 1700 was het hele dorp weggespoeld. In 1935 werd de Plompe Toren gerestaureerd; in 1962 voor een tweede maal om de oorlogsschade te herstellen. Deze toren is voor het publiek geopend. (meer…)

MARQUERITA AGNIEL

Marguerite Agniel werd op 21 januari 1891 geboren in de staat Indiana. Ze was het oudste kind van de Frans-Joodse immigrant en boer George Agniel en de Engelse Ada Flowers. Toen haar vader eind 1893 overleed stond haar moeder alleen voor de opvoeding van zes opgroeiende kinderen. Op 21 maart 1917 trad Marguerite in New York in hert huwelijk. Ze had toe een carrière als actrice-danseres op Broadway en kreeg bekendheid als een soort gezondheids- en schoonheidsgoeroe. In november 1926 verscheen ze in de uitgave van Vogue, waarin ze afslankoefeningen via grondoefeningen demonstreerde. De oefeningen waren erg geïnspireerd op yoga-asana, lichaamshoudingen waarmee een beoefenaar van hata-yoga zich rekt en strekt om daarmee lenigheid, gevoel voor evenwicht, uithoudingsvermogen en vitaliteit ontwikkelt, plus leert zich goed te concentreren. De daarop volgende jaren schreef ze hierover artikelen in het magazine Physical Culture. In 1929 maakte de fotograaf John de Mirjian deze foto’s met Agniels grondoefeningen.

Agniel kreeg grote bekendheid met haar boek The Art of the Body: Rhythmic Exercise for Health and Beauty, dat in 1931 verscheen en rijkelijk werd geïllustreerd met foto’s van haarzelf. Het was een van de eerste boeken waarin yoga en nudisme als een logische combinatie werden gepresenteerd. In het voorwoord liet ze weten dat haar danstechniek was gebaseerd op die van Ruth St. Denis (1879-1968), een Amerikaanse pionier op het gebied van moderne dan met veel invloeden uit het Midden-Oosten en Azië. Haar ‘system of ‘aesthetic athletics’ zou geïnspireerd zijn op het werk van Bernarr Macfadden (1868-1955), een voorstander van veel fysieke training en ontwikkeling van de lichaamsbouw. Verder noemde ze de seksuoloog Havelock Ellis (1859-1939) en de musicoloog Sigmund Spaeth (1885-1965) als belangrijke invloeden. (meer…)

HET ONGELOOF

Jacques Noach (Londen, 1946) is de oudste zoon van Sally Noach en zijn tweede echtgenote, Annie Visser, met wie hij in maart 1946 in Kensington (Groot-Brittannië) was getrouwd. Jacques Noach werkte na zijn universitaire studie als registeraccountant en had veel bestuursfuncties. Hij is onderscheiden met de Franse ‘Chevalier dans l’Ordre National de Mérite’. De titel ‘Chevalier’ (ridder) wordt verleend aan degenen die minimaal 35 jaar oud zijn en die zich minimaal tien jaar als militair of in een ambtelijke functie verdienstelijk hebben gemaakt voor de Franse staat. Nadat zijn vader in 1980 overleed heeft hij diens archief (documenten, brieven, foto’s) uitgezocht en recent aan het NIOD geschonken. In die tussenliggende periode heeft hij archiefonderzoek gedaan naar het ‘dossier Sally Noach’ en zijn bevingen in dit boek beschreven. Integraal onderdelen van het boek zijn de uitgebreide notitie ‘Mededeelingen 25 september 1942’ die Sally Noach in december 1942 opstelde over zijn ervaringen met de Nederlandse diplomaten in Frankrijk en Portugal en in Deel 2 de autobiografie Sally Noach. Het moest gedaan worden, die in 1971 verscheen, met medewerking van de journalist Max Haringman.

Het deel dat door Jacques Noach is geschreven, beslaat (pagina 11-156) is kleiner dan de stukken die kunnen worden toegeschreven aan Sally Noach (pagina 161-348). Daarin zit een behoorlijke overlap aan historische informatie en een echt begenadigd schrijver is zoon Jacques helaas niet. Dat moet vader Sally ook niet zijn geweest. Hij liet wijselijk zijn notitie van december 1942 door een secretaresse van een van de Londense ministeries uitwerken en schakelde voor zijn autobiografie een journalist-schrijver in. Groot verschil tussen beide schrijvers is dat Sally probeert een zo’n neutraal mogelijk verslag van zijn belevenissen en gedachten op papier te zetten, terwijl bij zoon Jacques vaak de emotie over het onrecht dat zijn vader is aangedaan de boventoon voert. Terecht, maar daarover straks meer. (meer…)

JOHANNES TER HORST (79)

Johannes ter Horst (Enschede, 1 april 1913 – Usselo, 23 september 1944) kreeg thuis een principieel bijbelse opvoeding. Op de christelijke lagere school ‘De Bron’ werd dat aangevuld met verhalen uit de bijbelse en vaderlandse geschiedenis. Na de lagere school volgde hij een bakkersopleiding en werd bakker in Enschede. Al in 1940 begon hij vanuit zijn gereformeerde geloofsovertuiging met illegale activiteiten. Waarschijnlijk werd hij daarbij erg beïnvloed door Klaas Schilder (Kampen, 19 december 1890 – Kampen, 23 maart 1952), een vooraanstaand theoloog en hoogleraar in de Gereformeerde Kerken. Die sprak zich in zijn geschrift ‘Geen duimbreed’ in 1936 onomwonden uit tegen het nationaalsocialisme, het fascisme en de NSB. Een christen zou geen lid van de NSB en soortgelijke partijen mogen zijn. Aan het begin van de bezetting verzette Schilder zich fel tegen de Duitsers, waarbij hij zich behalve op zijn theologische opvattingen ook beriep op het Landoorlogreglement, waarin in 1899 tijdens de Haagse Vredesconferenties de rechten en plichten van oorlogvoerende partijen waren vastgelegd en die in 1907 werden herzien. Het bevatte onder meer duidelijke regels over de wijze van besturen van bezette landen en de omgang met krijgsgevangenen. Schilder schreef in het blad De Reformatie felle anti-Duitse artikelen, waarna hij werd gearresteerd en pas werd vrijgelaten na de belofte te stoppen met deze opruiende artikelen. Hij hield zich daar aan, wat hem na de oorlog op veel kritiek kwam te staan. In augustus 1944 werd de inmiddels ondergedoken Schilder vanwege zijn theologische standpunten afgezet als hoogleraar en predikant van de Gereformeerde Kerken, wat op 11 augustus 1944 in de Lutherse Burgwalkerk in Den Haag leidde tot een afsplitsing, de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), ook wel de Artikel 31-kerk genoemd. Ter Horst wordt vaak een ‘Artikel 31’er’ genoemd omdat zijn geloofsovertuiging hierbij aansloot. Hij overleed echter vlak na de vrijmaking van de kerk. (meer…)

GERBEN KARSTENS

Op vrijdag 8 oktober overleed in het Noord-Brabantse Dongen op tachtigjarige leeftijd de oud-wielrenner Gerben Karstens (Leiden, 14 januari 1942). Karstens, die profwielrenner was tussen 1965 en 1980, stond in het peloton bekend om zijn humor, maar ook als een sprinter waar gedegen rekening mee moest worden gehouden. Hij won zes ritten in de Tour de France, veertien keer in de Vuelta en één maal in de Giro. Daarmee is hij een van de vijf Nederlanders die etappes heeft gewonnen in alle drie de grote rondes. De andere vier zijn Jeroen Blijlevens, Erik Breukink, Jean-Paul van Poppel en Tom Dumoulin. In de Tour de France stond hij elf keer aan de start; de laatste keer in 1978 werd hij in de zeventiende rit uit de strijd genomen. In de andere tien deelnames eindigde hij op behoorlijke afstand van de winnaar, met als opvallende uitschieter een dertigste plaats in 1967, op slechts 40’46” van de verrassende Franse winnaar Roger Pingeon. Een Tour waarin voor het eerst werd begonnen met een korte tijdrit, die werd gewonnen door José-Maria Errandonea. Een Tour die echter vooral wordt herinnerd als de editie waarin Tom Simpson in de dertiende etappe (Marseille-Carpentras, 211,5 km.) overleed op de Mont Ventoux aan een combinatie van hitte, alcohol en doping. De etappe werd gewonnen door Jan Janssen, maar toen was het glorieuze van de etappe al lang verdwenen. Gerben Karstens droeg twee dagen de gele trui in de Ronde van Frankrijk.

In Als je de Tour niet hebt gereden (deel 1), waarin in drie delen alle Nederlandse deelnemers aan de Tour worden beschreven, schreef de wielerjournalist Fred van Slogteren het volgende portret over Gerben Karstens. (meer…)

PIETER BOELMANS TER SPILL

Pieter Boelmans ter Spill (Alkmaar, 26 januari 1886 – Den Haag, 31 oktober 1954) speelde in zijn korte voetbalcarrière drie interlands, allen in 1907. Op 1 april 1907 debuteerde hij in Oranje in een vriendschappelijke wedstrijd tegen Engeland, wat op voorhand een kansloze onderneming was voor de Nederlandse amateurs. De eindstand van 1-8 was niet geflatteerd. Boelmans ter Spill was na Eddy de Neve en Mannes Francken de derde midvoor voor het Nederlands Elftal. In de beide eerste interlands in 1905 stond De Neve in de spits en was met zes doelpunten de gedroomde man om nog jaren op die positie te staan. Een militaire carrière stond dat echter in de weg. In 1906 was hij nog een keertje present, maar daarna was het afgelopen. In de beide interlands in 1906 stond Mannes Francken midvoor, maar die wist niet te scoren. Dus in 1907 mocht Boelmans ter Spill het proberen. Dat daarvoor weinig kansen waren tegen de oppermachtige Engelsen nam iemand hem kwalijk. Later dat jaar (21 december 1907) werd in Engeland nogmaals tegen de Engelsen gespeeld en kon na een 12-2 nederlaag de terugreis worden aangevangen. Daar was Boelmans ter Spill niet meer bij. Hij had ook in de twee andere interlands ( 14 april 1907, België-Nederland 1-3 en 9 mei 1907, Nederland-België 1-2) geen doelpunten gemaakt en dus kwam een direct einde aan de interlandloopbaan van de rijzige spits van HFC. De Nederlandsch Elftal Commissie wilde in eerste instantie kiezen voor een andere HFC’er gedacht: H. Oetgens van Waveren Pancras Clifford, een telg uit een Amsterdams regentengeslacht dat sinds 1815 tot de Nederlandse adel hoorde. Uiteindelijk viel de keuze op de 19-jarige Spartaan Cas Ruffelse, die in de al genoemde 12-2 nederlaag in Engeland de beide tegendoelpunten wist te maken. (meer…)

DE ZWARTE DRIEHOEK

Rense Havinga (1988) studeerde in Amsterdam Militaire Geschiedenis en Krijgswetenschappen en is sinds 2011 werkzaam als historicus en conservator bij het Vrijheidsmuseum in Groesbeek. Hij is verder actief binnen de Transgendervereniging Nijmegen en had enige jaren bij de gemeente Nijmegen zitting in de adviescommissie ‘LHBT-beleid’. Tot september 2019 heette het Vrijheidsmuseum het Nationaal Bevrijdingsmuseum 1944-1945) en hield zich voornamelijk bezig met de bevrijding van de Nederlands-Duitse grensregio in 1944-1945. Het nieuwe museum heeft de vorm van een parachute, dit ter herinnering aan de dropping van duizenden Amerikaanse parachutisten op de landingsterreinen bij Groesbeek tijdens Operatie Market Garden op 17 september 1944 en aan het grote Rijnlandoffensief in februari en maart 1945. In het Vrijheidsmuseum komen naast de bevrijding thema’s aan de orde als de opkomst van het fascisme, de Duitse dictatuur en bezetting, de periode van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog en de relatie met hedendaagse conflicten. Havinga maakte voor het museum vijftien wisseltentoonstellingen en leidde het team dat vanaf begin 2022 een tentoonstelling over de Zwarte Driehoek vormgaf. Hij publiceerde ook dit boek over ‘… het vergeten verhaal van de vervolging van de allerarmsten in Duitsland en Nederland tussen 1933 en 1945’. (meer…)

NAVAJOH’S

Tijdens zijn deelname aan de expeditie van George Wheeler in het zuidwesten van de Verenigde Staten van 1871 tot 1874 fotografeerde Timothy H. O’Sullivan (1840-1882) onder de Indiaanse stammen die toen in dat gebied woonden. Dat betrof vooral de Navajo’s, wat een Anglo-Amerikaanse verbastering is van na-WA-cho. Volgens Spaanse bronnen behoorden ze tot de zogenaamde Pueblovolkeren, de verzamelnaam die zij gaven aan alle indiaanse volkeren van Noord-Amerika die leefden in pueblo’s (kleien gebouwen, wit of okergeel gekleurd en met Mexicaanse en Spaanse invloeden). Het woord na-WA-cho betekende in de indiaanse taal ‘dief van het land’ en het is dus niet onbegrijpelijk dat het volk zelf deze benaming afwijst en liever Dineh wordt genoemd.

Toen de Spaanse conquistadores steeds verder naar het noorden optrokken, kwamen ze in aanraking met de Dineh. Die kochten van de Spanjaarden paarden, leerden van hen hoe ze zilver konden bewerken, werden ook bijgebracht hoe ze schapen en geiten moesten fokken en gingen tarwe en fruit verbouwen. De Spanjaarden introduceerden ook de slavernij in de regio. De Dineh trokken naar het noorden om Chaticks-si-Chaticks (Pawnee) gevangen te nemen en als slaven te verkopen. De Dineh bereikte een bescheiden welvaart. Toen Amerikaanse kolonisten eind achttiende eeuw naar het westen oprukten, kwamen ook zij in contact met de Dineh, omdat hun leefgebied tamelijk onvruchtbaar was werden ze met rust gelaten. (meer…)

TIMOTHY O’SULLIVAN


Timothy H. O’Sullivan (c. 1840 / Staten Island, 14 januari 1882) was een Amerikaans fotograaf die beroemd werd door zijn foto´s van de Burgeroorlog (1861-1865) en de ontsluiting van het westen van de Verenigde Staten. Over zijn jonge jaren is weinig bekend. Mogelijk werd hij in Ierland geboren en verhuisde twee jaar later met zijn ouders naar New York, maar het is ook niet uitgesloten dat zijn ouders al voor zijn geboorte naar New York waren afgereisd en dat de kleine Timothy werd nagestuurd. Vast staat in elk geval dat hij als teenager in dienst werd genomen door Matthew Brady, een fotograaf die ook beroemd zou worden vanwege zijn foto´s van de Burgeroorlog en zijn portretten.

O’Sullivan claimde bij de aanvang van de Burgeroorlog als Eerste Luitenant in dienst te zijn gekomen van de Union Army (het leger van de noordelijke staten), maar bewijzen daarvan zijn in de legerarchieven nooit gevonden. Alexander Gardner, een fotograaf in de staf van generaal George McClellan, beschreef O’Sullivan als iemand die voor hem veldwerk verrichtte. James Horan, die een biografie over O’Sullivan schreef, meende dat hij als burgerfotograaf verbonden was aan de ‘Topographical Engineers’, een legeronderdeel dat ermee was belast met het in beeld brengen van federale civiele werken, zoals vuurtorens, fortificaties aan de kust en zeeroutes. Daarbij zou hij in zijn vrije tijd foto’s hebben gemaakt. Van november 1861 tot april 1862 volgde hij de troepen van Gardner, wat hem voerde langs Fort Walker, Fort Beauregard, Beaufort, Hilton Head en Fort Pulaski. Nadat hij eervol ontslag uit het leger had gekregen kwam hij weer in dienst van Brady. Vanaf juli 1862 volgde hij de Veldtocht in noordelijk Virginia (19 juli – 1 september 1862) van generaal John Pope. (meer…)

CIMON EN PERO – 11

Georges Reverdy was een hout- en kopergraveur uit Lyon ui de Renaissancetijd. Hij werd voor het eerst vermeld in 1529 en zou omstreeks 1565 in Lyon zijn gestorven. Er zijn veel onduidelijkheden over zijn naam en leven. Zijn gelatiniseerde handtekening ‘G. Reverinus’ deed specialisten vermoeden dat hij een Italiaan was en ze gaven hem de naam Gaspare Reverdino. Anderen dachten van doen te hebben met een Duitser of Fransman. Uiteindelijk werd hij dus beschouwd als afkomstig uit Lyon. Er zijn maar een paar directe bronnen waarin Reverdy wordt genoemd, zoals door de dichter Nicolas Bourbon die in zijn Nugae uit 1538 een paar verzen aan hem wijdde en Georgius Reperdius noemde. Er is ook een korte mededeling in de bibliotheek van La Croix du Maine uit 1584. De graveur, die dol was op historische en mythologische onderwerpen, vaak uit het oude Rome, raakte na de 17e eeuw in de vergetelheid, uit de analyse van de ongeveer zestig werken die van hem bewaard zijn gebleven werd later zijn leven ‘geconstrueerd’, wat tot diverse misvattingen leidde. Zo werd hij op een gegeven moment door Johann Friedrich Christ en Jean-Michel Papillon beschreven als een houthakker van oorsprong.

Als eerste probeerde Adam von Bartsch in zijn werk Le Peintre Graveur het leven en de werken van Georges Reverdy ordelijk te beschrijven. Het Franstalige Le Peintre Graveur verscheen tussen 1803 en 1821 in 21 delen en omvat de inventarisatie van grafiek van de oude meesters van de 15e tot en met de 18e eeuw, gerangschikt naar school. Het wordt vandaag de dag nog steeds als standaardreferentie aangehaald. Bartsch voerde het naar hem genoemde volgnummersysteem in voor de etsen van Rembrandt van Rijn (bijv. „Bartsch 17“ of „B17“) en voor het grafische werk van vele andere kunstenaars. Het systeem van Bartsch geldt tot op de dag van vandaag als standaard. Ook Von Bartsch meende echter dat de graveur een Italiaan met de naam Reverdino was vanwege een stilistische vergelijking met de werken van Giulio Bonasone en Agostino Raimondi. (meer…)

BRIEF VAN SOLDAAT DAVID K. WEBSTER

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 42

Senegal 4 Senegal 5 Senegal 6
Afrika, omstreeks 1900

CORNELIS DE GROOT (78)

Cornelis de Groot (Den Haag, 13 oktober 1913 – Amsterdam, 8 maart 1945) was sinds begin 1940 een jonge ambtenaar op het ministerie van Economische Zaken. Hij was gehuwd en had drie kinderen. Hij was tijdens zijn rechtenstudie redacteur van diverse studentenbladen, waaronder van Propria Cures, het satirische en tegendraadse Amsterdamse studentenblad. De Groot was in zijn studententijd actief in de politiek en de journalistiek voor onder meer De Socialist, Rood Kader en Fundament. In 1936 ging hij naar Spanje om als ‘oorlogscorrespondent’ reportages van de burgeroorlog te maken. In die tijd hielp hij ook Duits-Joodse vluchtelingen aan onderdak en verder transport. Nadat hij zijn meestertitel had behaald, werd hij opgeroepen voor militaire dienst en werd op grond van zijn universitaire titel uitgekozen om reserveofficier te worden. De Groot was echter pacifist en antimilitarist en wilde als gewoon dienstplichtig soldaat zijn diensttijd doorbrengen. Hij kwam toen terecht bij de Geneeskundige Troepen. In de mobilisatieperiode was De Groot directiesecretaris bij de KLM. Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen was hij ingedeeld bij een afdeling luchtafweer bij het vliegveld Haamstede op Schouwen-Duiveland.

Vliegveld Haamstede was in 1931 het eerste vliegveld waarop de KLM vanaf Waalhaven interne lijnvluchten vloog. Daarna volgde diensten naar Vlissingen en Knokke. Omdat die vluchten vooral door rijke Rotterdammers werden gebruikt om naar het casino te gaan, werden die vluchten ‘miljonairslijntjes’ genoemd. Rond 1936 was vliegveld Haamstede na Schiphol en Waalhaven het derde transportvliegveld van Nederland. Vanwege oplopende politieke spanningen aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog werd het vliegveld in 1939 voor gewone vluchten gesloten. Ze zouden na de oorlog niet meer worden hervat. Vanaf 1939 werd het een militaire vliegschool en in maart 1940 door de militaire autoriteiten gevorderd voor de verdediging van Nederland. Bij het uitbreken van de oorlog stonden op het vliegveld 26 vliegtuigen. Op een na werden die op 13 mei 1940 door Duitse Messerschmitts vernietigd. (meer…)

FORT BATENSTEIN (1652-1871) – 009

In de periode 1482-1786 werden langs de Afrikaanse Goudkust (Ghana) een groot aantal kastelen, forten en versterkte handelsposten gebouwd door (onder andere) Portugezen, Britten, Nederlanders, Spanjaarden, Denen, Zweden en Duitsers. Al die bouwwerken verrezen toen door de Europese ontdekkingsreizen allerlei nieuwe handelsactiviteiten en kolonies ontstonden. Dat ging gepaard met veel onderlinge conflicten en strijd met de Afrikaanse mogendheden. De verdedigingswerken kwamen tot stand om de eigen handel, die grotendeels bestond uit handel in goud en slaven, te beschermen. Veel van die forten en kastelen staan nu op de Werelderfgoedlijst van UNESCO, variërend van in uitstekend onderhouden staat tot bouwvallen en ruïnes.

Een daarvan betrof Fort Batenstein in het dorp Buttre aan de kust in de bossen van Ahantaland ten oosten van de kaap Three Points. In 1598 bouwde de West-Indische Compagnie in de omgeving een factorij in het bos. Zo’n factorij was een kleine nederzetting als steunpunt voor overzeese handel, die werd bestuurd door een afgevaardigde namens de WIC. Vaak bestond een factorij uit een paar pakhuizen, woningen voor het personeel, een kerk en een hoofdkantoor, soms met een garnizoen en een versterking of fort om de handelspost tegen indringers of aanvallers te kunnen verdedigen. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 047

047 - Lovis Corinth - Drei Gratiën 2Eerder is al de mooie versie van de Drie Gratiën van de Duitse impressionist Lovis Corinth (1858-1925) aan de orde geweest. Dat werk dateerde uit 1904, maar in 1920 maakte de schilder ook een tekening, die duidelijk op zijn eerdere olieverfschilderij was geïnspireerd. Nadat hij in 1925 was overleden, werd zijn werk een decennium later door de nationaalsocialisten kritisch bekeken. Wie dat latere werk een beetje kent, zal zich daarover niet erg verbazen. Er is namelijk behoorlijk veel naakt, ook van jonge mannen, wat niet strookte met de rechtlijnigheid van Goebbels en trawanten. Zijn expressionistische schilderijen uit de latere jaren werden dan ook door hen gezien als Entartete Kunst. Dat werk van Corinth verscheen daarom op de tentoonstelling Entartete Kunst van Wolfgang Willrich. In 1937 werden bijna driehonderd schilderijen van Corinth in beslag genomen. Een deel van deze werken ging verloren, maar het meeste andere museale werken vonden via een veiling in Zwitserland een nieuwe eigenaar. Deze prent van 34.2 x 26.2 cm dook in New York.

006 – HUIS TE MILLINGEN,JUNI-JULI 1672

In 1672 ligt de splitsing van Rijn en Waal oostelijker, bij Fort Schenkenschans in de omgeving van Lobith. Het dorp Millingen ligt op een ruim aantal kilometer na de splitsing. Er bevinden zich bij het dorp twee kastelen, het Huis te Millingen en het Huis te Zeeland. Beide huizen hebben veel te kampen met overstromingen en met de strijd tussen Gelre en Kleef om dit grensgebied. Zo werd het Huis te Millingen in 1499 door de Kleefsen verwoest, maar in 1510 werd het toch weer herbouwd. Op een kaart van de cartograaf Isaac van Geelkercken uit 1638 werd het Huis te Millingen weergegeven in de uiterwaarden van de Waal, omgrensd door een gracht. Het huis moet bij benadering ten noordwesten van het huidige dorp hebben gelegen, buitendijks en op de splitsing van de Rijndijk en Loswal.

In juni of juli 1672 werd het Huis te Millingen, door de Fransen grotendeels vernield, één van de vele kastelen die ze in de Gelderse regio vernielden in hun streven slechts natuurlijke grenzen te hebben. De veel voorkomende overstromingen in het gebied zorgden ervoor dat steeds restanten van de ruïne door het water verdwenen. Tot 1768 stonden in het landshap nog enkele muren overeind, die vagelijk herinnerde aan de voorbije glorie. In 1930 werden die laatste restanten van de voorburcht echter afgebroken en werd in het kader van de onvermijdelijke vooruitgang het terrein afgegraven en geëgaliseerd. De afgegraven grond werd gebruikt om de laatste grenzen van de burcht, de grachten, te dempen. Over de gebeurtenissen in juni-juli 1672 zijn geen details bekend. Het meest logisch lijkt dat ze langs Millingen kwamen op weg naar Nijmegen, dat eerst vanuit het net veroverde Fort Knotsenburg werd belegerd en toen dat niet tot het gewenste resultaat leidde vanaf 2 juli 1672 vanaf de zuidelijke oever van de Waal werd belegerd. (meer…)

EEN DAGJE NAAR ZEE

beach holiday 3

DE HAMBURGER KUNSTHALLE

Scheveningen strand 191475e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

De Hamburger Kunsthalle is een museum/kunsthal in het centrum van Hamburg, dat kunst vanaf de Middeleeuwen tot de huidige tijd omvat. Het bestaat uit drie delen, met in totaal meer dan 13.000 m² aan kunstwerken.
Het oudste deel is het Kunstmuseum, dat tussen 1865 en 1869 in baksteen werd gebouwd in opdracht van de in 1817 opgerichte Kunstverein. Die kunstvereniging kwam in 1846 met het plan in de stad een groot museum te bouwen. De gemeente stelde hen enkele jaren later een flinke lap grond ter beschikking. De architecten Georg Theodor Schirrmacher (1833-1864) en Hermann von der Hude (1830-1908) werden ingeschakeld voor het ontwerp. De façade is in de stijl van de Italiaanse Renaissance, met overal terracotta beeltenissen van kunstenaars, grote beeldhouwwerken en andere details. Op 22 december 1865 werd de eerste steen gelegd; bijna vier jaar jaren, op 20 augustus 1869, vond de officiële opening plaats. De totale bouwkosten waren 618.000 mark geweest, waarvan 316.000 door de Hamburgse bevolking werd opgebracht, 250.000 mark uit de staatskas kwam en de resterende 52.000 mark uit andere inkomsten kwam. In de eerste jaren bestond de kunstverzameling vooral al allerlei schenkingen en wat aankopen die pasten bij de toenmalige kunstsmaak. (meer…)

ALLES VOOR MIJN BEPPIE

Fred van Slogteren heeft een zeer lange geschiedenis als auteur van verhalen en boeken over het wielrennen achter de rug, maar de krasse tachtiger heeft nu een heel ander geschiedenisverhaal geschreven. Het gaat over de levens van Appie Soesan en zijn echtgenote Beppie Soesan-Bolle. De ondertitel bij het korte verhaal (130 pagina’s) luidt ‘Het veelbewogen leven van Appie Soesan’, maar in werkelijkheid zijn er maar een paar zeer bewogen jaren, namelijk vanaf medio 1942 tot het eind van de oorlog. In die oorlogsjaren wordt de dan amper zestienjarige Appie samen met zijn ouders eerst vanuit Amsterdam overgebracht door het doorgangskamp Westerbork en al snel daarna wordt het gezin op transport gezet naar Auschwitz. Zijn broer Ruben is die weg al eerder gegaan.

Tot aan het begin van de oorlog had het leven van het gezin er redelijk zorgeloos uitgezien. Vader had een eigen schildersbedrijfje waarmee hij redelijk goed de kost kon verdienen, ook nog toen Nederland door de Duitsers werd bezet omdat de clientèle hoofdzakelijk uit Joodse opdrachtgevers bestond. Het optreden van de Duitsers zorgde uiteraard voor ongemak en toenemende ongerustheid, want het aantal anti-Joodse maatregelen nam vanaf mei 1940 snel toe. Het begon in juli 1940 met een verbod aan Joden om te werken voor de luchtbeschermingsdienst of in Duitsland. Ook het verbod eind juli 1940 op ritueel slachten raakte het deel van de Joodse bevolking dat niet strikt volgens de geloofsbepalingen leefde maar amper. Dat gold ook voor het verbod om nog langer mensen van ‘Joodschen bloede’ in overheidsdienst te benoemen of voor de overheid te laten werken. Het gezin Soesan zal er weinig van hebben gemerkt, maar ongetwijfeld bevreesd zijn geweest dat dit slechts het begin zou zijn en weldra maatregelen zouden volgen die hen wel degelijk zouden raken. En dat gebeurde dan ook. Amper anderhalf jaar later waren alle Joodse kranten verboden (uitgezonderd Het Joodsche Weekblad van de Joodse Raad), mochten Joden niet meer naar de bioscoop, zwembaden, stranden, cafés, theaters, universiteit en ander onderwijs, was de gehate gele ster ingevoerd, was in Amsterdam de Joodsche wijk met prikkeldraad afgezet en moesten ze alle radio’s hebben ingeleverd. De werkelijke lijst is afgrijselijk lang. Maar nog steeds viel er, zeker in Amsterdam met haar grote Joodse bevolking, ondanks alle restricties en discriminerende bepalingen redelijk mee te leven. (meer…)

ANDRIES KALTER (77)

Andries Kalter (Rotterdam, 11 november 1904 – Zwolle, 21 maart 1945) was de zoon van een Rotterdamse expediteur. Bij het uitbreken van de oorlog woonde de Nederland-Hervormde Andries Kalter in Nieuw-Amsterdam, dat samen met de pal daarnaast gelegen een tweelingdorp vormt, die sinds januari 1998 bij de gemeente Emmen horen. Hij was er grossier in groenten en aardappelen. In zijn woonplaats begon Kalter vanaf 1941 met het helpen van de tientallen Franse en Poolse krijgsgevangenen die erin waren geslaagd uit een van de Duitse concentratiekampen te ontsnappen. Dat betrof gevangenen uit de Emslandkampen, een groep van kampen in het Emsland en het graafschap Bentheim, gelegen in Noordwest-Duitsland in de buurt van de Nederlandse grens; aan de Nederlandse kant van de grens grofweg van Winschoten tot Coevorden. In totaal vielen onder de Emslandlager vijftien kampen die vanuit Papenburg werden geleid. Daarvan was Börgermoor het meest gevreesde kamp. De naziregering en regionale overheden in het Emsland hadden een overeenkomst waarin werd bepaald dat de gevangenen als dwangarbeiders konden worden gebruikt om het uitgestrekte veengebied in het Emsland te ontginnen. De ontgonnen gebieden zouden bijdragen aan een grotere economische zelfstandigheid van Duitsland. De kampen hadden wisselende functies. Ze werden door de nazi’s gebruikt als: concentratiekampen (1933-1936), strafgevangenenkampen (1934-1945), militaire strafgevangenenkampen (1939-1945), krijgsgevangenenkampen (1939-1945) en buitenkampen van het concentratiekamp Neuengamme (1944/45). De veranderende functies van de kampen is verweven met de ontwikkelingsgeschiedenis van het nationaalsocialisme. (meer…)

LA FÈRE

Op de website van Deutsche Welle verscheen in 2014 het artikel Musikalisches Säbelrasseln van Klaus Gehrke, waarin hij betoogt dat tussen 1871 en 1914 veel Europese staten wetenschappelijk en cultureel op hun hoogtepunt waren, maar dat tegelijkertijd de ressentimenten tussen de diverse staten steeds hoger opliepen. Die stemming kwam ook in de muziek tot uiting, wat met de titel (‘Muzikaal wapengekletter’) goed is weergegeven. Een groot aantal componisten bracht nationalistische werken uit, die in het vaderland op enorm veel bijval konden rekenen. Toen de Eerste Wereldoorlog eenmaal was uitgebroken, had dit onmiddellijk een effect op de muziek die in de concertzalen te horen was. Voor de oorlog was de muziek van Richard Wagner in Frankrijk al niet bijster populair, maar vanaf 1914 waren zo ongeveer alle Duitse componisten taboe in Franse concertzalen.

Het artikel ging vergezeld van een Duitse harmonie die tijdens de Eerste Wereldoorlog door een Frans plaatsje marcheert. De foto inspireerde een Nederlandse blogger tot de volgende gedachte: ‘De foto geeft de alledaagse invulling waar nationalistische liederen en leiders toe oproepen. De muzikanten van het voorste gelederen staan er onscherp op. Ze leiden met hun muziek de oorlog in. De scherpte zit ‘m in de geweren in het midden. De helmen zijn niet de Pickelhauben uit het begin van de oorlog, maar de Stahlhelm die pas in 1916 in massaproductie werd genomen. Het lijkt een straatbeeld in Midden-Europa, zoals in ons historisch besef veel oude straatbeelden Midden-Europees lijken, maar het is waarschijnlijk Midden-Frankrijk. Achter het front bij Verdun? Omdat Elzas-Lotharingen vanaf 1871 Duits gebied was, is het niet logisch om te veronderstellen dat daar 43 jaar later nog Franstalige opschriften op winkels staan.’ (meer…)

BENGUELA (1641-1648) – 008

slavernij in benguelaDe Portugese zeevaarder Diogo Cão (circa 1440-1486) maakte in opdracht van koning Johan II van Portugal twee ontdekkingsreizen langs de westkust van Afrika. Op zijn eerste reis (1482-1483) ontdekte hij de Kongostroom en kwam hij in contact met het stroomopwaarts gelegen koninkrijk van de Bakongo. Daarna volgde hij de Afrikaanse kust tot aan Kaap Santa Maria in Angola. Op zijn tweede reis (1485-1486) kwam Diogo Cão zelfs tot aan Kaap Kruis in Namibië. Aangenomen wordt dat hij op deze reis bij Kaap Kruis is overleden en daar ook werd begraven. In 1483 voer hij de monding van de rivier Catumbela op. De rivier ontspringt in de heuvels van Cassoco, ruim 240 kilometer landinwaarts, en mondt uit in de Atlantische Oceaan. Op dat punt was sprake van groene heuvels en vegetatie, terwijl het omringende land dor en onherbergzaam was. Landinwaarts stroomt de rivier in ravijnen door een kaal gebergte. Vanwege de koude Benguelastroming langs de kust, lijkt het punt bij de monding uitstekend geschikt voor een nederzetting. Er zal later de plaats Catumbela worden gevestigd. (meer…)

QUINTUPLET (1895)

OpelFahrrad a quintDe Duitse industrieel Adam Opel (Rüsselsheim, 1837-1895) was de zoon van een slotenmaker. Net als zijn twee broers begon hij als leerling-bankwerker in de werkplaats van zijn vader. Hij werkte vervolgens in naaimachinefabrieken in België, Frankrijk en Engeland. Toen hij in 1862 weer terugkeerde in Rüsselsheim richtte hij zijn eigen naaimachinefabriek op. In 1868 trouwde Adam met Sophie Scheller (1840-1913), de welgestelde dochter van een herbergier. In 1884 fabriceerde zijn fabriek al 18.000 stuks per jaar. Het werd de basis voor het familiebedrijf Opel. Vanaf 1886 begon Opel met de fabricage van fietsen, die toen steeds populairder werden. De firma Opel ontwikkelde zich al snel tot de grootste fietsfabriek van Duitsland. In de jaren twintig van de vorige eeuw was Opel zelfs de grootste fietsenproducent ter wereld. Op 21 juli 1926 presenteerde Opel de eenmiljoenste Opel-fiets. Nadat Adam Opel in 1895 op 58-jarige leeftijd als gevolg van tyfus overleed, namen zijn weduwe en zijn vijf zonen Carl, Wilhelm, Heinrich, Fritz en Ludwig Opel de leiding over de fabriek over. In 1898 begon de familie Opel met de productie van auto’s, dat zou uitgroeien tot de kern van hert bedrijf. Fietsen worden overigens ook weer geproduceerd. De vijf broers waren verdienstelijke wielrenners en stapte met regelmaat op een vijfpersoonsfiets, de quintuplet. Deze fiets staat nu in het Opelmuseum. (meer…)

HITLERS AANVAL OP RUSLAND

Frans ten Kate (1927) deed in 1954 doctoraalexamen in sociale geografie, werkte vervolgens mee aan een cursus van de luchtmachtstaf in Den Haag en was daarna als docent geschiedenis werkzaam op het lyceum in Zeist. In 1968 promoveerde hij aan de Rijksuniversiteit in Utrecht op het proefschrift De Duitse aanval op de Sovjet-Unie in 1941 (Operatie Barbarossa). Een krijgsgeschiedkundige studie. Voor zijn studie sprak Ten Kate met tien Duitse hoge officieren die bij de Duitse aanval betrokken waren. Na de oorlog werden die allemaal vanwege verschillende oorlogsmisdrijven die ze op hun geweten hadden tot de doodstraf of tot langdurige gevangenisstraffen veroordeeld, maar elk van hen liep na enkele jaren weer vrij rond. Niet zelden ook nog verontwaardigd dat ze na de oorlog ter verantwoording werden geroepen, terwijl ze slechts hun plicht voor volk en vaderland hadden gedaan. Ten Kate vertelde in 1968 in een interview dat veldmaarschalk Albert Kesselring, die onder meer verantwoordelijk was voor de bombardementen op Warschau, Rotterdam en tal van Engelse steden, enthousiast over zijn oorlogservaringen vertelde. Hij schroomde ook tegen zijn Nederlandse gesprekspartner niet met dezelfde geestdrift te vertellen over de geslaagde operatie in Rotterdam. Slechts één van de tien geïnterviewden liet merken spijt te hebben gehad van zijn aandeel in de oorlog. Iedereen sprak redelijk frank en vrij, wat Ten Kate in de gelegenheid stelde zeer nauwgezet de Duitse standpunten bij elk van de vele gebeurtenissen gedurende de periode juni 1941- april 1942 te kunnen weergeven. Dit boek is een heruitgave van zijn proefschrift uit 1968, aangevuld met een nawoord waarin de analyse van Ten Kate is geactualiseerd met resultaten van recent militair-historisch onderzoek. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 41

Senegal 1 Senegal 2 Senegal 3
Senegal, Afrika, omstreeks 1900

005 – KASTEEL JAARSVELD, SEPTEMBER 1672

Vernielde dorpen en kastelen in het Rampjaar 1672, deel 3

Net buiten Jaarsveld, een komdorp dat ongeveer zeven kilometer ten zuidwesten van IJsselstein aan de rivier de Lek ligt en deel uitmaakt van de gemeente Lopik, lag kasteel Jaarsveld. Het kasteel, dat ook wel kasteel Veldenstein werd genoemd, lag op de noordelijke oeverwal van de Lek ten noordoosten van het dorp. In 1108 had de bisschop van Utrecht aan de kapittels van de Dom en Oudmunster toestemming gegeven om in Hagestein een parochiekerk te stichten. Deze Hagesteinse kerk werd de moederkerk van een aantal kerken in de Vijfheerenlanden en net boven de Lek, waaronder de kerken van Everdingen, Lexmond, Vianen, Hei en Boeicop, Zijderveld, Jaarsveld en Tull en ‘t Waal. In Jaarsveld werd in 1258 het gerecht Jaarsveld (dat onder de Hagesteinse goederen viel) in leen uitgegeven aan Ghiselbert Uten Goye (Gijsbrecht van Goye), heer van Hagestein, van Houten en ’t Goy. Kasteel Jaarsveld werd voor het eerst genoemd als Otto van Cuijk, op dat moment de leenheer van het gerecht Jaarsveld, voor de aflossing van zijn hoge schulden gedwongen is al zijn lenen en goederen in het Sticht en in de landen van Amstel en Woerden af te staan aan graaf Willem III van Holland. De Hollandse graaf verkocht de heerlijkheid en huis Jaarsveld weer door aan de heren van Vianen, die afstammelingen van de Van Goye’s waren. In de volgende eeuwen wisselt Jaarsveld steeds van eigenaar, in eerste instantie binnen de familie van Goye. In de loop der tijd komt de naam Veldenstein in zwang. Rond 1384 bouwde Hendrik van Vianen op de strategische plek aan de Lek bij Jaarsveld het kasteel. Een goede plek om het verkeer op de Lekdijk en de scheepvaart op de Lek in de gaten te houden en centraal gesitueerd in de heerlijkheid Jaarsveld. Pas in 1413 werd Jan van Vianen alle rechten beleend op de heerlijkheid en het gerecht van Jaarsveld, dat ze al zo lang in bezit hadden en bewoonden. De leen bleef tot 1518 in het bezit van de heren van Vianen. (meer…)

WILLEM SPEELMAN (76)

Willem Pieter Speelman (Sellingen, 20 januari 1919 – Halfweg, 17 februari 1945) werd als zoon van een gereformeerde dominee geboren in het Oost-Groningse esdorp Sellingen, dat toen tot de gemeente Vlagtwedde behoorde en tegenwoordig deel uitmaakt van de gemeente Westerwolde. De familie Speelman behoorde tot het gereformeerde deel van de bevolking, terwijl de meerderheid tot de Nederlands-hervormde kerk hoorde. Later verhuisde het gezin naar het Zuid-Hollandse Nieuwveen, waar vader Speelzoon een nieuwe betrekking als dominee kreeg. Daar raakte Willem Speelman bevriend met Anne Hendrik Kooistra (Amsterdam, 1 november 1919, Gross Rosen, 4 augustus 1942), de zoon van Hendrik Anne Kooistra, van 1926 tot 1947 de directeur van Johannes Stichting, die in Nieuwveen onderdak aan behoeftige ouderen bood. Wim Speelman had het gereformeerd gymnasium in Amsterdam doorlopen en was bij het uitbreken van de oorlog student economie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Zijn jeugdvriend Henk Kooistra had in Amsterdam aan gevestigde gereformeerde kweekschool zijn akte L.O. behaald en was aan het solliciteren voor een baan. Hij werd in augustus 1940 aangenomen op de Eben-Haëzerschool in de Jordaan.Al op 29 juni 1940, kort na de Duitse inval, begon ze samen aan het eerste verzetswerk. Het tweetal gaf op die dag de Circulaire van het Comité ‘In Verdrukking Eén’ uit, waarin tot verzet werd opgeroepen.

Ieder die het onrecht zonder protest verdraagt, is schuldig.
Ieder die zijn materiële belangen stelt boven de uitspraak van zijn geweten, is schuldig.
Ieder die uit egoïsme onze goede zaak veronachtzaamt, verraadt haar min of meer en is schuldig.
Lauwheid, banghartigheid, halfslachtigheid: deze dingen zullen ons volk hun plaats onder de volkeren doen verliezen…
Elke opoffering, elke inspanning is winst en een stap in de richting van onze bevrijding.

De beide naïeve auteurs ondertekende de uitgave met zijn eigen naam. Ze zouden beide gedurende bezetting vanwege hun verzetswerk het leven verliezen, Kooistra op in 1942, pas 22 jaar oud. In de zomer van 1940 hadden beide 21-jarigen dan ook al contact met de Amsterdamse tak van de Ordedienst. (meer…)

ANNE HENDRIK KOOISTRA

Kort na de bezetting, op 14 augustus 1940, werd Anne Hendrik Kooistra (Amsterdam 1 november 1919) aangenomen als onderwijzer aan de Eben Haezerschool. Gevestigd op de hoek van de Bloemgracht en de Lijnbaansgracht stond de school ook bekend als de Inrichting voor Haveloze Kinderen. Op Anjerdag, 29 juni 1940, vervaardigde Kooistra met zijn jeugdvriend en dorpsgenoot Wim P. Speelman het eerste pamflet van het “Comité in Verdrukking Eén”. Ze verspreidden het geschrift in kleine kring met de bedoeling dat het overgeschreven zou werden en aldus een grotere reikwijdte zou krijgen. Het tweetal vroeg mensen uit hun kennissenkring, onder wie de Rotterdamse dominee J.J. Buskes, om kernachtige artikelen te schrijven. Opmerkelijk genoeg ondertekenden zij de pamfletten tot ver in september 1940 met hun eigen naam. Samen raakten ze betrokken bij de verspreiding van het illegale blad Vrij Nederland. Kooistra bracht geld en distributiebonnen rond en hield zelfs wapens verborgen op de zolder van zijn school. Tijdens de aanloop tot de Februaristaking van 1941 rukte hij een hakenkruisvlag van de vlaggenmast die voor het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst in de Euterpestraat stond. In deze periode bouwde hij een sterke band op met zijn schoolhoofd H.M. van Randwijk. Op 3 april 1941 wist hij ternauwernood te ontsnappen toen een poging om naar Engeland over te steken door verraad mislukte. Een maand later probeerde de Sicherheitsdienst hem in zijn ouderlijk huis en later op zijn school te arresteren. Zijn vader wist hem op tijd te waarschuwen en met hulp van Van Randwijk dook Kooistra onder in Hoevelaken. (meer…)

TASSO (1664-1668)

Tasso 1Het eiland, gelegen in het estuarium van de Sierra Leone Rivier, vlakbij de monding in de Atlantische Oceaan, is met haar grootte van 3,8 bij 3,8 kilometer het grootste eiland in de provincie North-West van Sierra Leone. Op die ongeveer 7,5 km2 bevindt zich een groot scala aan vogels. In de vier plaatsjes die het eiland kent wonen ongeveer 5.000 mensen, die overwegend islamitisch zijn. De huidige economie steunt bijna geheel op visserij en landbouw; het toerisme is een beetje in opkomst. Onder de Portugese naam Ilha de taco komt het eiland in 1635 voor het eerst voor op landkaarten. Rond 1660 werd het eiland door Britse kolonisten bezet en verschijnt de naam Tasso of Tasso Island. Het fort dat de Britten op het eiland bouwde, had toen de functie van opslagplaats voor de lokale landbouw en voor exportproducten. In 1664 werd het kleine fort door Michiel de Ruyter veroverd op de ritten. Daarbij werd door hem namens de West-Indische Compagnie ruim 500 slagtanden van olifanten buit gemaakt. Het is niet bekend hoe lang de WIC bezet hield, waarschijnlijk niet langer dan een paar jaar. Het is onbekend of toen door de Hollanders het fort ten behoeve van de slavenhandel werd gebruikt. (meer…)

DE WANDELAAR BOVEN EEN ZEE VAN MIST

74e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Caspar David Friedrich schilderde in 1818 Der Wanderer über dem Nebelmeer, wat postuum zijn beroemdste schilderij zou worden en nu geldt als hét schilderij van de schilderrichting binnen de Romantiek. Het iconische olieverfschilderij van 94,8 cm bij 74,8 cm is pas laat zo beroemd geworden. Het was namelijk lang totaal in de vergetelheid geraakt en werd pas in 1935 teruggevonden. Vanaf 1970 is het te bewonderen in de Kunsthalle van Hamburg. Op de voorgrond schilderde Casper David Friedrich een jonge man op een rotsachtige afgrond, waaruit enkele andere richels uitsteken die een belangrijk deel van de onderste helft van het schilderij beslaan. De wandelaar staat met zijn rug naar de toeschouwer. Hij draagt een donkergroene overjas en heeft in zijn rechterhand een wandelstok. Zijn haar wappert in de wind. Hij kijkt uit over een landschap dat door een dikke zee van mist grotendeels aan het zicht wordt onttrokken. Door de mistbanken kunnen bomen op steile hellingen worden onderscheiden. In de verte rijzen aan de linkerkant vervaagde bergen op, die geleidelijk afvlakken in laagvlaktes aan de rechterkant. De mist vermengt zich uiteindelijk met de horizon en is dan niet meer te onderscheiden van de met wolken gevulde lucht. (meer…)

CASPER DAVID FRIEDRICH

73e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Caspar David Friedrich (Greifswald, 5 september 1774 – Dresden, 7 mei 1840) was een Duits schilder-tekenaar uit de Romantiek. Dat was een stroming van eind achttiende eeuw tot halverwege de negentiende eeuw binnen de westerse schilderkunst en cultuur. De nadruk lag op de verbeeldingskracht en de subjectieve expressie van de individuele kunstenaar. De werkelijkheid werd altijd wat geïdealiseerd afgebeeld en er was steeds een ‘bezielde’ natuur. Onderwerpen waren vooral landschappen en historische gebeurtenissen; in mindere mate richtte men zich binnen de Romantiek ook op dromen, extreme ervaringen en de schaduwzijden van het leven van alledag. Naast Caspar David Friedrich behoorde de Engelsman John Constable en de Fransman Eugène Delacroix tot de bekendste romantische kunstenaars.

Friedrich werd als zoon van een molenaar geboren in Greifswald, dat toen nog in het Zweeds-Pommeren lag. Hij was de zesde van tien kinderen en werd streng opgevoed volgens de Lutherse waarden en normen. Al op jonge leeftijd verloor hij veel familieleden. Zijn moeder stierf in 1781 toen hij zeven was. Een jaar later stierf zijn zus Elisabeth; een tweede zus, Maria, bezweek in 1791 aan tyfus. De grootste tragedie vond plaats in 1787 toen zijn jongere broer Johann Christoffer door het ijs zakte en verdronk. Andere verhalen zeggen dat Johann Christoffer omkwam toen hij Caspar David probeerde te redden, die ook op het ijs in gevaar was. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 044

0044 - 31-08-2006 - Sachische Schweiz

Frans van den Muijsenberg, 12 augustus 2006, Sachische Schweiz

SCHEVENINGEN

Scheveningen strand 1914Op de jonge duinen die zich rond de 12 eeuw langs de Noordzeekust hebben ontwikkeld, werd een dorp gebouwd. In een akte uit 1357 werd dat dorp voor het eerst genoemd. In die akte vroegen de dorpsbewoners een gunst aan de graaf. Vermoedelijk was de aanwezigheid bij de buurtschap Die Haghe vanaf het begin van de 13e eeuw van de residentie van de graven van Holland de aanzet tot het ontstaan van het kustdorp. Waarschijnlijk zorgde de toenemende vraag naar zeevis van de nieuwe, rijke nederzetting ervoor dat vissers zich in de omgeving vestigden. In de loop der eeuwen kreeg het vissersdorp enige malen stormvloeden te verduren. Tijdens de Allerheiligenvloed in 1570 verdween de helft van het dorp in de golven, waardoor de kerk aan de rand kwam te staan. Daar staat de kerk nog steeds. Tot omstreeks 1650 was Scheveningen alleen door een duinpad, het Westerpad, met Den Haag verbonden. Het pad kwam uit bij het Haagse Noordeinde. De verbinding tussen beide plaatsen werd aanmerkelijk verbeterd toen in 1665 de Scheveningseweg werd aangelegd, naar een ontwerp van Constantijn Huygens. (meer…)

TOUR DE FRANCE 1967 – 37

Vandaag begint in Kopenhagen de 109e editie van de Tour de France. Inmiddels is het traditie dat wordt begonnen dat een korte proloog. Dit maal is een parkoers van 13 kilometer in de straten van de Deens hoofdstad uitgezet. Het is eigenlijk niet eens zo’n oude traditie. De primeur was op 29 juni 1967 toen in Angers een afstand van 5.775 moest worden afgelegd. Het was een Tour met slechts een paar favorieten, want enkele kopstukken moesten op allerlei redenen verstek laten gaan. Wereldkampioen Rudi Altig moest wapperend met een doktersattest laten weten de Tour aan zich voorbij te moeten laten gaan. De nieuwe Belgische wielerwonder Eddy Merckx gaf de voorkeur aan de Giro en bleef lekker thuis. De Italianen Gianni Motta, Franco Bitossi en Vittorio Adorni hadden ook zo hun redenen om thuis te blijven. Bij Jacques Anquetil gingen de jaren tellen en ging de voorkeur uit naar het verbeteren van het werelduurrecord. Resteerde slechts onze Jan Janssen, de Fransman Raymond Poulidor en de Italiaan Felice Gimondi als kandidaten voor de eindoverwinning. Het zou uiteindelijk een zeer verrassende uitslag worden, met de complete outsider Roger Pingeon als onverwachtse winnaar en podiumplaatsen voor Julio Jiménez (tweede) en Franco Balmamion (derde). Net naast het podium Désiré Letort (vierde) en de eerste topfavoriet, Jan Janssen met een achterstand van 9.47 op de eerste plaats. (meer…)

004 – HELPMAN, JULI-AUGUSTUS 1672

Vernielde dorpen en kastelen in het Rampjaar 1672, deel 2

Helpman was een dorp gelegen op de Hondsrug tussen Groningen en Haren, dat in 1245 voor het eerst werd genoemd in een oorkonde onder de naam Heltman. Later heette het dorp ook enige tijd Helpen. Het dorp was een van de dertien oorspronkelijke kerspelen en buurtschappen van Gorecht, het rechtsgebied rond de stad Groningen. Het oorspronkelijke dorp Groningen lag zelf ook in het Gorecht, maar had een eigen positie en werd op den duur als stad een eigen rechtsgebied. Kerkelijk was het Gorecht oorspronkelijk een parochie die onder de Sint Maartenskerk (Martinikerk) in Groningen viel. Die kerk geldt als moederkerk van alle kerken in het Gorecht.

Het Middelnederlandse woord kerspel had normaliter betrekking op een gebied dat onder het gezag stond van een bepaalde (parochie)kerk en maakte op die manier ook deel uit van de kerkelijke organisatie van een bisdom. Een kerspel beschikte over een kerspelkapel, die door de omwonende gelovigen moest worden bekostigd en onderhouden. Zij betaalden ook voor het levensonderhoud van de dienstdoende geestelijke. De kerspelkapel had niet de volledige zielzorg van de parochianen, want de bevoegdheden van de dienstdoende geestelijke werden beperkt door de stoolrechten (privileges) van de parochiepastoor. In de kapel werden geen sacramenten toegediend en voor de doop, het vormsel, een huwelijk of een begrafenis moest men naar de parochiekerk. Er mocht wel een mis worden opgedragen, godsdienstonderwijs worden gegeven, het naamfeest van de patroonheilige mocht worden gevierd en andere religieuze ceremoniën konden er worden gevierd. Ook in Helpman moet vroeger een kapel zijn geweest, maar daar zijn verder nooit sporen van gevonden. (meer…)

IN DE SCHADUW VAN SCHINDLER

Kevin Prenger (1980, hoofdredacteur bij Traces of War) heeft met In de schaduw van Schindler. Jodenhelpers uit nazi-Duitsland zijn zevende boek gepubliceerd, waarvan de verhouding Duitsers en verzet tegen het nationaalsocialisme als rode draad te bespeuren is. Waarbij in de eerste drie boeken het begrip ‘verzet’ met de nodige voorzichtigheid moet worden bekeken. Dat waren namelijk biografieën van SS’ers die enerzijds volop meedraaide in de nazi-machinerie en de massamoord op Joden, socialisten, homoseksuelen, zigeuners, Jehova Getuigen en gehandicapten en anderzijds claimde betrokken te zijn in het Duitse verzet. Bij Kurt Gerstein (‘Een boodschapper uit de hel’) is een verzetsrol het minst twijfelachtig. Bij Konrad Morgen (‘Een rechter in Auschwitz’) was vooral sprake van een uiterst rechtlijnig jurist binnen het justitiële apparaat, maar hert betekende wel dat hij zijn hoofd behoorlijk ver boven het maaiveld uitstek. En dat is nooit een prettige positie. Hij overleefde het echter zonder noemenswaardige kleerscheuren, wat niet zonder betekenis is. Arthur Nebe (‘Het masker van de massamoordenaar’) was ronduit een massamoordenaar, die vanwege zijn passieve rol bij het complot van 20 juli 1944 (met de mislukte moordaanslag van Claus von Stauffenberg) en het feit dat ook hij dit met een doodstraf moest bekopen, ten onrechte lange tijd als verzetsheld werd gepresenteerd. Als iemand die per ongeluk verstrikt was geraakt in de afschuwelijke misdaden van het naziregime. De titel ‘Het masker van de massamoordenaar’ van Prengers boek spreekt boekdelen. In Meer dan alleen Auschwitz vertelt Kevin Prenger twaalf verhalen die de Holocaust beschrijven ‘vanuit een ander perspectief dan gebruikelijk’. Verhalen die makkelijk onafhankelijk van elkaar kunnen worden gelezen, maar tezamen een brede blik op verschillende facetten van de Jodenvervolging geven. Beter gezegd, de diverse manieren waarop door de Joodse bevolking met succes op allerlei ingenieuze en soms verbijsterende manieren werd geprobeerd in leven te blijven (meer…)

08 – HANS ISLAND (deel 3)

HansIsland 1Op 8 en 9 oktober 2020 verschenen op dit weblog twee artikelen over Hans Island. In het eerste artikel is ingegaan op het territoriale conflict over deze kale rots van 1,3 km² in de Straat Nares, een kilometer of honderd ten zuiden van het dorp Alert, de noordelijkst gelegen permanent bewoonde nederzetting ter wereld, met 75 inwoners. In het tweede artikel werd ingegaan op de persoon waar het onbewoonde eilandje is vernoemd, de Inuit ontdekkingsreiziger Hans Hendrik (2 juni 1832 – 11 augustus 1889). Die maakte tussen 1853 en 1876 deel uit van vier poolreizen op zoek naar vermiste voorgangers in het onherbergzame gebied en tevens om dat gebied verder in kaart te brengen. Als dank voor zijn inspanningen en kennis van het arctische land werd dit eilandje naar hem vernoemd. Een zeldzaamheid overigens, want de rest van alle eilandjes, baaien, zeestraten, landpunten en dergelijke werd onveranderlijk naar een westerse ontdekkingsreiziger vernoemd. Over dat eiland ontstond echter in 1973 een conflict tussen Groenland (behorend tot Denemarken) en Canada, toen werd besloten dat de grens tussen beide landen en dus ook tussen de continenten Europa en Noord-Amerika door de Straat van Nares moest lopen. Nu bleek de grens precies over Hans Island te lopen. Beide landen vonden dat eiland niet zo belangrijk, maar om het Noordpoolgebied eromheen dat vele natuurlijke grondstoffen zou kunnen bevatten. Het eiland werd daarom niet opgenomen in het grensakkoord dat beide landen in 1973 sloten. Dat was een vuiltje dat later moest worden weggepoetst. Beide landen kwamen er steeds niet aan, waarna een serie plagerijen begon die in de Angelsaksische wereld ‘The Whisky War’ werd gedoopt. (meer…)

JULES MOHR (75)

Julius Josephus Mohr (Haarlem, 1 februari 1893 – Buchenwald, 5 februari 1945) haalde op 19 december 1919 zijn vliegbrevet en was vanaf 1922 in dienst van de KLM, werkzaam in Parijs. Op 22 november 1923 trad hij in Rotterdam in het huwelijk met Jansje Cornelia van der Hilt (Charlois, 4 mei 1889). Binnen de Nederlandse kolonie in de Franse hoofdstad was hij blijkbaar een graag gezien iemand. In de meidagen van 1940 werd in Parijs door de Nederlandse gezant de Association de Seours aux Réfugiés Néerlandais opgericht. Het werd natuurlijk al snel duidelijk dat er niet alleen min of meer officiële vluchtelingen waren, maar dat er ook allerlei anderen personen geholpen moesten worden. Personen die een hoog risico hadden om gearresteerd te worden. Er werd daarom een afsplitsing van deze illegale activiteiten gedaan, waarvan Jules Mohr de leiding kreeg.

In 1943 raakte Mohr hierdoor betrokken bij het netwerk Dutch-Paris en hielp onder meer mee om piloten via Spanje te laten terugkeren naar Groot-Brittannië. Hij werkte daar samen met Jean Weidner, diens zuster Gabrielle Weidner, de diplomaat Johan Laatsman en de verzetsmannen Benno Nijkerk en Jan Doornik. Hij stond ook in contact met R.H.M. Verspyck, die in Parijs voor Unilever werkte, en diens dochter Mathilde Verspyck. Op 18 juli 1944 bevrijdden de geallieerden bij Normandië de steden St-Lo en Caen en staan nog maar tweehonderd kilometer van Parijs af. Die dag werd Mohr gearresteerd en opgesloten in het Polizeihaftlager Compiègne, dat ook bekend stond als Kamp Royallieu of Frontstalag 122. Ook andere Nederlandse verzetsmannen zoals Jacob Brantsen zaten hier een tijdje opgesloten. (meer…)

ERNST KNAACK

Ernst Knaack (Berlijn, 4 november 1914, Brandenburg, 28 augustus 1944) werd in 1928 van de Kommunistischen Jugendverband Deutschlands (KJVD), waarvoor hij zich in het district Prenzlauer Berg bezig ging houden met propaganda en agitatie. Dat betekende onherroepelijk dat hij vanaf januari 1933 toen de NSDAP aan de macht kwam intensief betrokken werd bij de strijd tegen het nationaalsocialisme. IN 1935 werd hij als 21-jarige voor het eerste gearresteerd en op 2 oktober 1936 door de Rechtbank Berlijn tot een gevangenisstraf van twee jaar veroordeeld. Na zijn vrijlating werd hij lid van de illegale verzetsorganisatie van Robert Uhrig. Op 26 maart 1942 werd hij door de Gestapo voor de tweede maal gearresteerd en toen overgebracht naar het concentratiekamp Sachsenhausen. Daar werd hij opgesloten tot zijn proces. Op 6 juli 1944 werd hij door het Volksgerichtshof tot de doodstraf veroordeeld. In het Tuchthuis Brandenburg werden in de periode 1940-1945 door de nazi’s 1.807 politieke gevangenen om het leven gebracht. Daarvan waren 75 jonger dan twintig jaar, eentje was zelfs slechts zestien jaar oud.

Over de toen 29-jarige Ernst Knaack werd in het droge ambtelijke jargon vermeld: ‘De veroordeelde werd, met de armen op de rug vastgebonden, door twee bewakers om 12.36 uur binnengebracht. De beul Röttger uit Berlijn en zijn drie assistenten stonden klaar. Ook aanwezig was de gevangenisarts, Reg. Med. Rat. Dr. Müller. Nadat was vastgesteld dat degene die was binnengebracht inderdaad de veroordeelde was, werd opdracht gegeven verder te gaan met de procedure. De gevangene, rustig en geconcentreerd, werd zonder verzet naar de guillotine gebracht, waarna de beul de onthoofding volbracht en liet weten dat het vonnis met succes ten uitvoer was gebracht. De executie, vanaf het moment dat de veroordeeld werd binnengebracht tot de aankondiging van de beul dat het vonnis was uitgevoerd, duurde in totaal zeven seconden’. (meer…)

003 – LOBITH EN HET RAMPJAAR 1672

Op zaterdag 11 juni as. presenteert de Heemkundekring Rijnwaarden (HKR) een drone-documentaire en een boek, wordt de Tolhuys-maquette onthuld, vind de introductie plaats van een speciaal biertje en wordt een tentoonstelling geopend met unieke foto’s, historische voorwerpen (bajonet, kanonskogel), originelen en kopieën van kunstwerken (schilderijen, etsen, munt), historische landkaarten). Alles houdt verband met de Passage du Rhin, precies 350 jaar geleden in het weekend van 11-12 juni in 1672. Toen stak bij Lobith een leger van zo’n 20.000 soldaten de Rijn over. De Zonnekoning Lodewijk XIV was hoogstpersoonlijk aanwezig als bevelhebber. Het markeerde het begin van het Rampjaar 1672. Voor de heemkundekring mocht ik het boek schrijven en de uitgave verzorgen. Hieronder de inleiding van deze uitgave.

In de Nederlandse geschiedenis staat 1672 bekend als het Rampjaar, omdat de Republiek der Verenigde Nederlanden werd aangevallen door de koninkrijken Frankrijk, Engeland en Zweden en prinsbisdommen Münster en Keulen. Daaraan wordt altijd toegevoegd dat het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos was. Het tragische hoogtepunt was dat op 20 augustus de gebroeders Johan en Cornelis de Witt op gruwelijke wijze door het Haagse gepeupel werden vermoord. Vervolgens blijft de geschiedschrijving meestal beperkt tot de interne verdeeldheid binnen de Republiek, met de heftige meningsverschillen tussen Orangisten en Staatsen. Centrale punt hierin is de vraag of voor het Huis Oranje nu wel of niet een plaats in het landbestuur moet zijn weggelegd. Verder is er nog aandacht voor Utrecht en de Waterlinie, die Holland tegen vijandelijke aanvallen moest beschermen. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 043

0043 - 31-01-2018 - Marrakesj Bahia Paleis.
Frans van den Muijsenberg, 31 januari 2018, Bahai Paleis, Marrakesj, Marokko.

DE DRIE GRATIËN – 046

Rafaël Sanzio da Urbino (Urbino, 6 april 1483 – Rome, 6 april 1520) was een Italiaanse kunstschilder en architect uit de Renaissance. Hij signeerde zijn werk vaak met ‘raphael urbinas’, de pseudo-Latijnse vorm van zijn naam. De toevoeging ‘Sanzio’ is een verwijzing naar de achternaam van zijn vader, de schilder Giovanni Santi, wat is afgeleid van het Latijnse sancti (heilig). Hij maakte fresco’s, altaarstukken, portretten, ontwerpen voor kerken, palazzo’s en wandtapijten. Zijn bekendste werk is de School van Athene dat zich in het Vaticaan bevindt. In de periode 1500-1504 was het wonderkind Raphael in Perugia leerling van Pietro Perugino, waarbij hij onder meer werkte aan fresco’s. Rond 1504 verhuisde hij naar Florence, waar hij bemerkte dat zijn techniek hier ouderwets en provinciaals werd gevonden. Hij wist zich echter al snel de stijl van Leonardo da Vinci en Michelangelo eigen ge maken. In zijn tijd in Perugia schilderde Raphael en Drie Gratiën, die zich nu in het Musée Condé van het kasteel van Chantilly bevindt. Algemeen wordt aangenomen dat hij zich voor dit olieverfschilderij liet inspireren door een beeld van de drie gratiën dat in de bibliotheek van de Dom van Siena staat. Bij dit schilderij beeldde hij voor het eerst vrouwelijke naakten aan zowel de voor- als achterzijde af, bijna exact zoals het beeldhouwwerk uit Siena. (meer…)

WOLFSTIJD

Harald Jähner (1953) studeerde literatuur, geschiedenis en kunstgeschiedenis aan de universiteit van Freiburg en Berlijn, die hij afsloot met een promotie op het beroemde boek Berlin Alexanderplatz van Alfred Döblin. Na zijn afstuderen werkte hij eerst een tijdlang als freelance journalist. Van 1889 tot 1997 was hij hoofd van de afdeling communicatie van het Haus der Kulturen der Welt in Berlijn, het nationale expositiecentrum voor moderne niet-Europese kunst. Tegelijkertijd was hij literair criticus voor de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Van 2009 tot 2015 was hij hoofdredacteur van de Berliner Zeitung. Sinds 2011 is hij bijzonder hoogleraar Culturele Journalistiek aan de Universität der Künste in Berlijn. In 2019 debuteerde hij met het boek Wolfszeit. Deutschland und die Deutschen, 1945-1955, waarover hij datzelfde jaar de Leipziger Buchmesse Preis ontving. Het boek is inmiddels in diverse vertalingen verschenen en een internationale bestseller.

Wolfstijd is een mentaliteitsgeschiedenis van de eerste naoorlogse jaren in Duitsland. Op het moment dat de Tweede Wereldoorlog werd beëindigd, bevond de helft van de mensen in Duitsland zich niet op de plaats waar ze thuishoorden of wilden zijn. Er waren negen miljoen evacués en daklozen na de jarenlange bombardementen op de grote steden. Er waren verder veertien miljoen vluchtelingen en verdrevenen, tien miljoen vrijgelaten dwangarbeiders en gevangenen en van lieverlee keerden miljoenen Duitse krijgsgevangenen weer terug. Dit hele samenraapsel van mensen moest samen met de andere helft van de bevolking op het resterende Duitse grondgebied een nieuwe onderlinge samenhang zien te vinden. Aanvankelijk sprak men over de eerste naoorlogse jaren over de ‘niemandstijd’ of de ‘wolfstijd’, namelijk de tijd waarin ‘de mens de mens tot wolf’ was geworden. Iedereen moest alleen voor zichzelf of de paar personen uit zijn roedel zorgen. (meer…)

SIEGMUND SREDZKI

Siegmund Sredzki (Berlijn, 30 november 1892, concentratiekamp Sachsenhausen, 11 oktober 1944) werkte aan de draaibank in een fabriek voor de Duitse wapen- en munitie-industrie, tot hij in 1915 werd opgeroepen voor militaire dienst. In 1918 nam hij tijdens de Novemberrevolutie deel aan de gewapende strijd. In dat jaar werd Sredzki ook lid van de Unabhängige Sozialdemokratische Partei Deutschlands (USPD), een socialistisch-pacifistische partij onder leiding van Hugo Haase. De partij was een jaar eerder opgericht door leden van de SPD-fractie in de Rijksdag. De SPD steunde toen de oorlogspolitiek van de Duitse generale staf en stemde steeds vóór nieuwe oorlogskredieten. De USPD volgde een revolutionair en marxistisch programma aan. De partij beschouwde zich daarmee als de enige erfgenaam van de socialisten August Bebel en Wilhelm Scheidemann. Binnen korte tijd kende de USPD 40.000 leden, terwijl de communistische Spartacusbond slechts 3.000 leden telde. In november 1918 werd Raad van Volkscommissarissen als voorlopige regering benoemd, waarin zowel de SPD als de USPD met drie leden vertegenwoordigd was. Tijdens de Spartacus-opstand in januari 1919 bleef de rechtervleugel van de partij trouw aan de regering waarin men zitting had, maar de linkervleugel van de USPD vocht aan de zijde van de opstandelingen mee. In de loop van 1919 keerde de rechtervleugel met voorzitter Hugo Haase terug naar de SPD; het grootste deel van de linkervleugel sloot zich aan bij de Kommunistishe Partei Deutschland (KPD) en het restant probeerde de USPD overeind te houden. In 1924 hield de partij echter op te bestaan. (meer…)

CIMON EN PERO – 10

10 - Peter Paul Rubens - Simon en Pero, 1630.
Peter Paul Rubens
(Siegen, 28 juni 1577 – Antwerpen, 30 mei 1640), de beroemde Antwerpse schilder en diplomaat, is op deze website al drie maal aan bod geweest. In alle drie de gevallen als schilder-tekenaar van De Drie Gratiën (nummer 2, nummer 3 en nummer 40), die gezamenlijk symbool staan voor vruchtbaarheid, creativiteit en charme. Rubens heeft zich beziggehouden met veel bijbelse thema’s en onderwerpen uit de Oudheid, dus kon een schilderij van Cimon en Pero niet ontbreken. Zijn voorstelling lijkt heel veel op die van tijdgenoten, maar een opvallend detail is wel dat in zijn versie twee soldaten heimelijk gade slaan dat de dochter haar vader de borst geeft om hen voor de hongerdood te behoeden. Dat sluit pas later aan bij het verhaal. Nadat de oude Cimon na een maand nog steeds in leven is, tast men in het duister hoe dat mogelijk is. De cipier
controleert dan of Pero mogelijk toch voedsel mee naar binnen neemt. Wanneer hij geen voedsel aantreft, besluit hij hen te bespieden en ontdekt hij dat Pero haar vader zoogt. Alle eerdere versies schijnen te wijzen naar de fase voordat deze controle plaatsvindt. Bij Rubens bespieden de soldaten vader en dochter. Weldra zal de rechter weten wat er aan de hand is.

GREIFSWALD

72e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD
.
Greifswald is een gemeente in de Duitse deelstaat Mecklenburg-Voor-Pommeren. De stad werd in de twaalfde eeuw gesticht, ontving in 1250 het Lübisches Stadtrecht en was in de Middeleeuwen een welvarende Hanzestad, wat in het historische centrum nog goed te zien is. De stad kwam ongeschonden uit de Tweede Wereldoorlog, maar de helft van de historische gebouwen ging daarna alsnog verloren, omdat in de DDR-tijd werd besloten deze unieke gebouwen te vervangen door de uniforme ‘plattenbau’ waarmee Oost-Duitsland toen werd ‘verwend’. Het schijnt dat in de Middeleeuwen Greifswald in het Nederlands als Griepswoude werd aangeduid, wat zou kunnen duiden op een oorsprong als Hollandse vesting in het kader van de Oostzeehandel, de ‘moedernegotie’ waarop de Hollandse welvaart was gebaseerd.

In de loop van de 14e en 15e eeuw verzandde echter de haven van Greifswald en kwam de stad verder van zee af ge liggen, waardoor het belang als Hanze- en handelsstad steeds minder werd. Al in 1456 werd in de stad een universiteit gevestigd, een van de oudste universiteiten in Europa. In 1933 werd de naam door de nazi’s veranderd in Ernst Moritz Arndt Universiteit, vernoemd naar een Duitse nationalist en vrijheidsstrijder uit de 18e eeuw. Zijn vrijheidsidealen hadden niets met de nationaalsocialistische ideeën van doen, maar het was in die tijd niet ongebruikelijk dat de nazi’s allerlei personen en theorieën onder hun beweging schaarden. Na 1945 werd de naam dan ook snel weer afgeschaft, maar in 1954 opnieuw in gebruik genomen, nu onder verwijzing van de eigenlijke vrijheidsidealen waarover Ernst Moritz Arndt schreef. De kunstverzamelaar Wilhelm Uhde bezocht deze universiteit begin 20e eeuw. Tot de beroemdheden die in Greifswald werden geboren behoren de schrijver Hans Fallada (1893-1947), de voetballer Toni Kroos (1993) en de kunstschilder Kasper David Friedrich (1774-1840). (meer…)

002 – SLOT ABCOUDE, 6 NOVEMBER 1672

Vernielde dorpen en kastelen in het Rampjaar 1672, deel 1

Veldmaarschalk Johan Maurits van Nassau, die het bevel voerde over het Staatse leger dat gelegerd was van Muiden tot Abcoude, bezette op 19 juli 1672 het Slot Abcoude, waarvan voor her eerst melding werd gemaakt tijdens de verwoesting door Gijsbrecht van Amstel in 1274. Johan Maurits was in 1668 toen een oorlog met Frankrijk al dreigde weer veldmaarschalk geworden en was in 1672 de belangrijkste raadgever voor stadhouder Willem III. Hij had goede contacten met zowel de Hollandse bestuurders als met de keurvorst van Brandenburg-Pruisen, dus de ideale persoon om het contact met de belangrijkste bondgenoot van de Republiek te onderhouden. Hij zorgde ervoor dat Slot Abcoude gaat dienen als legerplaats voor de Staatse groepen. Hij moest ervoor zorgen dat de Franse troepen niet op schepen de Vecht konden afzakken. De doortocht door de Angstel, een meanderend riviertje van ongeveer tien kilometer, werd versperd door vaartuigen die met geschut waren bewapend. Alle riviertjes en vaarten waren op dezelfde manier bewapend, waardoor de weg naar Amsterdam was afgesloten.

Slot Abcoude zou het verste punt op de route Utrecht-Amsterdam worden dat de Fransen wisten te bereiken. Op 6 november 1672 werd het dorp Abcoude door Franse troepen in brand gestoken. Op 17 november 1672 gaf de hertog van Luxemburg, de Franse legeraanvoerder, aan honderdvijftig man de opdracht het dorp geheel te ruïneren. De Fransen marcheerden in een dag naar Abcoude en het slot, en staken in het dorp veel in brand. Op 30 november kwamen ze terug om alles wat nog overeind stond verder af te branden. Intussen was de verdediging van het slot versterkt, zodat het verzet erg heftig was en de verdedigers erin slaagden veel Fransen gevangen te nemen. (meer…)

001 – HET RAMPJAAR 1672

In de Nederlandse geschiedenis staat 1672 bekend als het Rampjaar. ‘Het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos’, is hierbij een vaste uitdrukking. In het Rampjaar kreeg de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden te maken met een gezamenlijke aanval van Engeland, Frankrijk en de bisdommen Münster en Keulen. Het Franse leger van omstreeks 120.000 man koos een wat langere weg vanuit Charleroi om de Spaanse Nederlanden te vermijden. Om dat mogelijk te maken waren de beide bisdommen bondgenoot gemaakt. Met de Engelsen werden enkele zeeslagen gevoerd, die bekend staan als de Derde Engels-Nederlandse Oorlog (1672-1674), waarin de Nederlandse zeevloot de overhand had. Op 1 juni 1672 trokken de bisschoppelijke leger, aangevuld met een flink contingent Franse soldaten, Twente en Overijssel binnen. Dit gedeelte van de Hollandse oorlog staat bekend als de Tweede Münsterse Oorlog (1672-1674), waarbij grote delen van het oostelijke en noordelijke deel van de Republiek werd bezet en te maken kreeg met grootschalige plundering, vernielingen, moorden en verkrachtingen. Op 12 juni 1672 trok het Franse leger bij Lobith de Rijn over. Eerder hadden ze alle Kleefse vestigingen van de Republiek in recordtijd overmeesterd. Bij de Slag bij Tolhuys te Lobith kon het zwakke leger van de Republiek makkelijk worden verslagen. De IJssellinie, die vanuit Arnhem naar Doesburg, Zutphen, Deventer en Zwolle liep, was voor de Republiek de eerste verdedigingslinie. Deze verdedigingslinie moest zorgen dat Holland en Zeeland, die werden beschouwd als de belangrijkste provincies, niet konden worden aangevallen. Door de gewonnen Slag bij Tolhuys was deze IJssellinie nier langer van belang. Het Franse leger kon nu snel doortrekken naar Utrecht. (meer…)

VALLEIKANAAL (2)

Gisteren aandacht geschonken aan de historische ontwikkeling van het Valleikanaal. Hieronder eerst een beschrijving over het kanaal die in 1998 werd geplaatst in De Volkskrant, als onderdeel van een serie columns over bijzondere waterwegen. Daaronder een kleine fotografische sfeerimpressie van het kanaal.

Het Valleikanaal

‘Via de Nederrijn kun je het Valleikanaal niet opvaren, ook niet met kano’s’, waarschuwt de boswachter nog eens. Ze heeft me zojuist betrapt in het vogelrustgebied van uiterwaarde de Blauwe Kamer, waar ik tussen zwartbehaarde runderen en heuphoge brandnetelresten het begin van het kanaal zocht. Over een hoge brug in de verte loopt de N233, langs de kerktoren van Rhenen. Vrachtwagens dreunen, eenden snateren, fazanten vliegen klapperend weg, de zon beschijnt de besneeuwde dijken. Voor mij ligt de Grebbeberg met zijn voeten in de rivier. Het begin van het Valleikanaal vlijt zich om de berg heen. De bevroren waterspiegel lijkt van matglas, op open plekken weerkaatst de oever helder.
Bij de rivierdijk loopt het kanaal de Gelderse Vallei in, vroeger lag hier een sluis voor scheepjes. De zuidflank van de Grebbeberg is door de provincie Utrecht uitgeroepen tot ‘aardkundig’ monument. Twee landschappen botsen hier op elkaar. Aan weerszijden van de vallei rijzen stuwwallen op: de Utrechtse Heuvelrug (met de Grebbeberg) en de Veluwe. Rechts liggen de flats van Wageningen en Ede. (meer…)

VALLEIKANAAL (1)

Valleikanaal - Aanleg 2Het Valleikanaal van ongeveer veertig kilometer lang stroomt in noordelijke richting door de Gelderse Vallei, een streek in Midden-Nederland die ruwweg voor twee derde deel in Gelderland en voor een derde deel in Utrecht (en een piepklein stukje in Noord-Holland in de gemeente Blaricum. Het gebied wordt begrensd door de Utrechtse Heuvelrug, de Nederrijn, de Veluwe en de Veluwerandmeren. Een daarvan is het Eemmeer, het deel waar de Eem in uitkomt. De Eem, vaak genoemd als de langste Nederlandse rivier omdat het de enige rivier is die in ons land ontspringt en uitmondt, begint in Amersfoort en mondde voorheen na achttien kilometer uit in de Zuiderzee, later het IJsselmeer en nu dus in het Eemmeer.

De Gelderse Vallei ligt voor twee derde in de provincie Gelderland, voor een derde in de provincie Utrecht en een heel klein stukje Noord-Holland in de gemeente Blaricum. Het kanaal heeft zijn naam ontleend aan het feit dat ze door deze Gelderse Vallei stroomt. Op een aantal plaatsen vormt het de grens tussen de provincies Utrecht en Gelderland. Het kanaal begint aan de Nederrijn bij Rhenen, aan de voert van de Grebbeberg en mondt in Amersfoort uit in de Eem. Het doel van het kanaal was te zorgen voor een goede afwatering van de Gelderse Vallei en dus het voorkomen van wateroverlast voor de bewoners van de plaatsen waar het kanaal doorheen loopt: Rhenen, Wageningen, Veenendaal, Overberg, Scherpenzeel, Woudenberg, Leusden en Amersfoort. (meer…)

WILLEM JANSSEN

Willem Gerhard Janssen (Lonneker, 11 juni 1880 – Enschede, 8 september 1976) was een verdediger van de Enschedese voetbalclub EFC PW 1885 (Enschedese Football Club Prinses Wilhelmina). De club was op 30 juni 1885 opgericht als Enschedesche Football Club en fuseerde al op 30 oktober dat dat jaar met de voetbalclub Prinses Wilhelmina. In plaats van met de lange en wat onoverzichtelijke naam wordt de vereniging normaliter aangeduid als Prinses Wilhelmina. De club won tussen 1899 en 1907 vijf keer het kampioenschap van Oost-Nederland (1904, 1905, 1906 en 1907). Bij de daaropvolgende wedstrijden om de landskampioenschappen tegen de westelijke kampioenen moest men steeds het onderspit delven. De lub speelde in 1905 de finale van de Challenge international du Nord, een pre-oorlogse voorloper van het Europacuptoernooi. Het was een jaarlijks voetbaltoernooi dat in de periode 1898-1914 werd gespeeld in de Noord-Franse steden Lille, Roubaix en Tourcoing van 1898. In de beginjaren namen er enkel clubs uit Frankrijk en België deel, maar vanaf 1905 was het toernooi ook toegankelijk voor clubs uit Zwitserland en Nederland. Tussen 1909 en 1915 was het toernooi enkel toegankelijk voor Franse clubs en Engelse amateurclubs. In 1905 wist Prinses Wilhelmina de halve finale te winnen van de Parijse club Racing Club de France Football, die in1882 was opgericht en daarmee een van de oudste verenigingen in Frankrijk. In de finale verloor Prinses Wilhelmina met 3-1 van Union Sint-Gillis uit Brussel (uit 1897), op dat moment de beste Belgische club. Ze werd tien maal nationaal kampioen (1904, 1905, 1906, 1907, 1909, 1910, 1913, 1923, 1933, 1934, 1935), en hoeft slechts Anderlecht en Club Brugge voor zich te dulden. (meer…)

JOAN GELDERMAN (74)

Joan Gelderman (Oldenzaal, 18 november 1922 – Vught, 4 september 1944) was de jongste van de vijf kinderen van de bekende Oldenzaalse textielfabrikant Joan Gelderman (1877-1975), een lid van de Eerste Kamer namens de Liberale Staatspartij van 1928 tot 1946. Hij was van 1921 tot 1928 ook de eerste voorzitter van de nieuw opgerichte Kamer van Koophandel voor Twente en Salland, verder president-commissaris van de Nederlandse Spoorwegen en de NV Heemaf, plus commissaris van de Koninklijke Nederlandse Katoenspinnerij, de Tilburgse Katoenspinnerij en de Centrale Werkgevers Risicobank. Als vooraanstaand ondernemer speelde hij een belangrijke rol op het gebied van de handelspolitiek en bij de samenwerking tussen textielondernemingen. Zijn vooraanstaande positie in Twente bleek uit zijn benoeming in 1945 tot Economische Commissaris van de provincie Overijssel en lid van de commissie Noodvoorziening van het Militair Gezag.

Joan Gelderman jr. had twee oudere broers en twee oudere zussen. Hij groeide op in villa De Hulst in hert landelijk gebied net buiten Oldenzaal. De buitenverblijf was midden in de 18e eeuw gebouwd en later vergroot met een park met lanen, bos en bouwgronden en een tuinkoepel. In 1916-1917 was de textielfabrikant Joan Gelderman eigenaar van het buitenverblijf, dat hij liet verbouwen naar een moderne villa. Ook werd het park gemoderniseerd, waarbij de oorspronkelijke, 18e eeuwse structuren grotendeels behouden bleven. Momenteel staan er op het uitgebreide landgoed een aantal zeer luxe appartementen. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 40

cancan 003cancan 002cancan 001
Parijs, de cancan, omstreeks 1890

ODALISKEN – 31

Mariano Fortuny (Reus, Catalonië, 11 juni 1838 – Rome, 21 november 1874), was een Spaans kunstschilder, graficus en tekenaar. Hij groeide op bij zijn grootvader die beeldsnijder, meubelmaker en ontwerper was en kreeg zijn eerste lessen in tekenen in het atelier van Domingo Soberano in 1850 toen hij pas twaalf jaar oud was. Daarna ging hij nog in de leer bij de zilversmid en miniatuurschilder Antonio Bassa. In 1852 kon hij dankzij een toelage van twee geestelijken uit Reus naar Barcelona gaan studeren aan de Escuela de Artes Y Oficios, een kunstacademie, bij de beeldhouwer Domènec Talarn. In 1853 volgde hij de lessen aan de kustacademie van San Jorge eveneens in Barcelona, bij de schilders Claudio Lorenzale, Luis Rigalt en Pau Milá. In 1857 kreeg hij van de provincieraad van Barcelona een beurs om twee jaar in Rome te gaan studeren. Hij studeerde er aan de Academia Chigi en hield zich er daarnaast vooral bezig met het kopiëren van werken van oude meesters. In 1860 kreeg hij van de provincie Barcelona de opdracht om als oorlogsschilder naar Marokko te trekken om er schetsen te maken van de oorlogsverrichtingen van het Spaanse leger tijdens de Spaans-Marokkaanse oorlog van 1859-1860. Die eerste reis naar Noord-Afrika duurde slechts zes maanden, maar had een diepgaande invloed op de jonge kunstenaar. Het Marokkaanse licht en de exotische sfeer zullen zijn toekomstig werk diepgaand beïnvloeden. In Barcelona stelde hij een aantal van zijn Marokaanse tekeningen ten tentoon, waarop hij van de overheid de vraag kreeg om naar Versailles te reizen om er het schilderij “De verovering van de Smalah van Abd al-Kader” van Horace Vernet te bestuderen. Terug in Rome begon Mariano Fortuny aan zijn grote werk De slag bij Tétouan (3 bij 10 meter) en maakte er een serie van 73 gravures. Op verzoek van de provincie Barcelona keert hij terug naar Marokko om zijn werk af te maken. In in september en oktober 1862 verbleef hij in Tangers en Tétouan, waar hij naast het werk voor de provincie enkele werken schilderde die de oriëntalistische sfeer ademen. In 1863 keerde Fortuny terug naar Barcelona, waar zijn beurs met twee jaar werd verlengd. Vanaf 1865 was Agustín Fernando Muñoz y Sánchez, de hertog van Riánsares, zijn mecenas en belangrijke opdrachtgever. Vanaf 1968 vestigde Fortuny, die inmiddels getrouwd was, zich weer in Rome. Hij bezocht wel regelmatig Parijs omdat hij in Frankrijk een goede reputatie had opgebouwd, woonde ook nog een tijdje in Granada, maar keert in 1872 definitief terug naar Rome, waar hij twee jaar later overleed. (meer…)

WILHELM UHDE

71e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD
.
Wilhelm Uhde (Friedeburg, 28 oktober 1874 – Parijs, 17 augustus 1947) was een befaamd Duits kunstverzamelaar en -handelaar, die als een van de eersten de moderne schilders op hun waarde schatte en ook belangrijk was voor de naam van naïeve schilders. Uhde studeerde eerst rechten aan de universiteiten van Lausanne, Göttingen, Heidelberg, Greifswald en Berlijn, maar stapte in 1899 over naar kunstgeschiedenis, dat hij in München en Florence studeerde. Hij schreef in die tijdenkele romans en essays over ethiek.

In 1904 vestigde Wilhelm Uhde zich in Parijs. Daar kocht hij een jaar later zijn eerste schilderij van Pablo Picasso. Hij was een van de eersten die geïnteresseerd was in de kubistische schilderijen van Picasso en Georges Braque, die op dat moment nog volstrekt onbekend zijn. In 1907 maakte hij in Parijs ook kennis met Robert Delaunay (1885-1941) en diens latere vrouw Sonia Terk (1885-1979), de grondleggers van het Orphisme. In 1908 trouwde Wilhelm Uhde met Sonia Terk, een indertijd niet ongebruikelijk verstandshuwelijk om Uhde’s homoseksualiteit te maskeren. In 1910 werd het huwelijk echter al ontbonden en kort daarna trouwde Sonia Terk met Robert Delaunay. Hun Orphisme was een overgangsvorm tussen kubisme en abstracte kunst, die in de korte periode 1910-1913 in Parijs populair was. De vooraanstaande Franse schrijver-dichter-essayist Guillaume Apollinaire omschreef de kunststroming in 1913 als de eerste volledig abstracte stijl binnen de schilderkunst, als een ‘peinture pure’. De schilderijen van Robert en Sonia Delaunay waren niet langer figuratief kubisme maar volledig abstract. Later zouden beiden toch weer terugkeren naar herkenbare schilderen. (meer…)

OLTMAN REINDER THOMSEN (73)

Oltman Reinder Thomsen (Leeuwarden, 5 november 1910 – Heveskes, 28 april 1945) groeide op in Scheemda en volgde in Groningen de MTS-opleiding Bouwkunde. Hij verhuisde daarna naar Amsterdam, waar hij zijn echtgenote Bep Tonia Lintvelt leerde kennen, die op 28 maart 1912 in de hoofdstad was geboren en kleuterleidster was. Oltman Reinder ging werken als bouwkundig opzichter werken bij de Dienst Weg en Werken van de Nederlandse Spoorwegen, eerst in Amsterdam en kort na de Duitse inval in Nederland in Utrecht. In 1936 trouwde Oltman en Bep; ze kregen in de loop der jaren vier dochter (Mirjam, Marijke, Karin en Anne-Marie).

Thomsen komt pas laat in de verzetsbeweging terecht. Toen de Nederlandse regering in Londen via Radio Oranje op 14 september 1944 de Spoorwegstaking afkondigde, legde de 30.000 personeelsleden van NS het werk neer. De Spoorwegstaking, die van september 1944 tot de bevrijding in mei 1945 zou duren, viel samen met het begin van Operatie Market Garden. De staking kon voor een groot deel via het Nationaal Steunfonds worden gefinancierd. De Duitsers waarschuwden dat de staking de voedselvoorziening in West Nederland in gevaar zou brengen en nadat Operatie Market Garden op een debacle was uitgelopen volgde inderdaad in West Nederland de Hongerwinter waarbij minstens 20.000 Nederlanders door honger en kou om het leven zouden komen. De Duitsers maakten van de staking ook gebruik door veel Nederlands spoorwegmaterieel naar Oost-Europa over te brengen. De staking hinderde de Duitse oorlogsmachine totaal niet en had voor hen zelfs het voordeel dat via de lege sporen veel sneller manschappen en materieel konden worden vervoerd. (meer…)

LIMMEN – SLOTAKKOORD

Op 25 juni 1925 werd de Zeeweg geopend, naar een ontwerp van de Haarlemse landschapsarchitect Leonard Springer. De weg liep vanuit Overveen, nu een dorp binnen de gemeente Bloemendaal, dwars door de duinen de Zeeweg naar het strand, naar Bloemendaal aan Zee en diende om het opkomende toerisme te bevorderen. Het was een ruime weg met links en rechts van de hoofdweg fiets- en wandelpaden. Vanaf de Kop van de Zeeweg loopt een boulevard naar Zandvoort. Na de bezetting bleef de Zeeweg en het strand nog enkele jaren geopend, maar in de zomer van 1943 sloten de Duitsers de stranden af. Op 23 juni 1943 werd het kustgebied tot Sperrgebiet verklaard en verrezen rond de Zeeweg Duitse kampementen en werd begonnen met de aanleg van bunkers en andere versterkingen. Restanten van deze verdedigingslinie, de Atlantikwall, zijn te zien in de Walzkörpersperre ten zuiden van de Zeeweg. Hiervoor werd het druk bezochte paviljoen ‘Het Ronde huis’ aan het eind van de Zeeweg afgebroken. Het duinengebied werd vol gelegd met mijnenvelden en daarmee levensgevaarlijk om te betreden. Voor de Duitsers dus de ideale plaats om te gebruiken voor executies en massagraven. In de nacht van 1 op 2 februari 1943 worden voor de eerste keer terechtgestelden in de duinen begraven. Dit als vergelding voor de in Haarlem door het verzet neergeschoten Feldwebel Bamberger, waarvoor SS- und Polizeiführer Rauter ‘joods-communistische kringen’ aansprakelijk stelt. Er werden 102 Haarlemmers gearresteerd, waarvan er tien als represaille worden geëxecuteerd. De terechtstelling vond plaats in het zandgat in de duinen onderaan de voet van Paviljoen De Uitkijk. De voor de executie verantwoordelijke Duitse officier geeft opdracht tot ‘veraschung’ van de tien kisten met lijken. Op 17 april 1945 vond de laatste executie plaats, toen Hannie Schaft werd geëxecuteerd en in een massagraf werd begraven. (meer…)

LIMMEN – DE EXECUTIES VAN 6 APRIL 1945

Op donderdag 5 april 1945 kwamen rond zes uur ’s avonds twee jonge Duitse soldaten op de boerderij van Klaas van Diepen om een paard en wagen te vorderen. Van Diepen was actief in het verzet. Juist op dat moment waren mensen uit de illegaliteit van Limmen bezig hun motoren te controleren en wapens schoon te maken. Van Diepen wist de beide soldaten weg te krijgen met de smoes dat de pest op de boerderij heerste en hij hen dus niet helpen. De Duitsers gingen toen naar de boerderij van boer Adrichem iets verderop. De verzetsmensen vreesden echter ontdekt te worden, wat kon leiden tot het oprollen van hun organisatie. Ze besloten ter plekke de twee Duitse militairen te liquideren. Ze volgden de Duitse militairen, die inmiddels bij de andere boerderij paard en wagen hadden gevorderd. De boer was zijn paarden al uit de wei aan het halen. De 19-jarige Johann Meiners, een van beide militairen, werd onmiddellijk neergeschoten. Omdat een revolver ketste kon de tweede soldaat schietend met zijn karabijn naar Limmen vluchten en direct aan zijn overste in Alkmaar doorgeven wat er was gebeurd. Op twee boerderijen was toen al grote paniek uitgebroken. De beide boeren, de geëvacueerde Egmonder Klaas Schol en de ondergrondse strijders werkten de gedode Duitser weg en namen zelf de vlucht. Cor Meijne, de zwager van Adrichem, bleef achter bij de echtgenote van Adrichem, zijn kinderen en het vee op de boerderij achter. (meer…)

HET VERRAAD VAN ANNE FRANK

Op de warme vrijdagmorgen 4 augustus 1944 tussen tien uur en half elf stopte een Duitse auto aan de Prinsengracht 263 voor de openstaande magazijndeuren van het bedrijfspand van NV Nederlandsche Opekta Mij., een filiaal van het in 1928 in Keulen gestichte moederbedrijf Opekta GmbH. Het bedrijf verkocht pectine, waarmee huisvrouwen thuis jam konden maken. Karl Josef Silberbauer, een Oostenrijkse politiefunctionaris en SS’er., en vier à vijf Nederlandse SD’ers in burger liepen het pand binnen. Een van hen stelde een vraag aan de magazijnchef die zijn duim omhoog stak en kort antwoordde: ‘Boven’. Na een korte speurtocht liep Silberbauer recht af op de boekenkast, waarachter zich de deur bevond die toegang gaf tot het achterhuis. Daar bevonden zich acht onderduikers: Otto Frank, zijn vrouw Edith en hun twee dochters Margot en Anne, Otto Franks zakenpartner Hermann van Pels, diens echtgenote Auguste en hun zoon Peter en de tandarts Fritz Pfeffer. Op bevel van Silberbauer moesten geld en sieraden worden afgegeven. Ruim 2,5 uur later kwam een gecharterde vrachtauto iedereen ophalen. In de tussentijd kon iedereen kleding en toiletgerei inpakken. De onderduikers werden naar het hoofdkwartier van de Aussenstelle des Befehlshabers der Sicherheitspolizei und des Sicherheitsdienstes aan de Euterpestraat overgebracht. Later vertelde Silberbauer dat hij voor de inval opdracht had gekregen van zijn superieur Julius Dettmann, die een telefonische mededeling had gekregen dat zich in het pand een aantal onderduikers bevond. (meer…)

CIMON EN PERO – 09

09 - Jean-Baptiste Greuze 1767Jean-Baptiste Greuze (Tournus, Saône-et-Loire, 21 augustus 1725 – Parijs, 21 maart 1805) was een Frans kunstschilder van voornamelijk genrestukken. Hij studeerde in Lyon bij de kunstenaar-kunsthandelaar Charles Gromdon. In 1750 vertrok hij naar Parijs om aan de academie te kunnen studeren. In de hoofdstad had hij direct succes zijn zijn schilderijen. Zijn vroege werk uit de periode vóór 1747 bestond vooral uit portretten en religieuze afbeeldingen. Later ging hij, geïnspireerd door Hollandse voorbeelden, steeds meer genrestukken maken. In de jaren 1755-1757 reisde Greuze door Italië, die tot gevolg had dat hij een ‘Italiaanse stijl’ ontwikkelde. Dat hield bij hem in een sentimentele en moraliserende stijl met een verholen seksuele implicatie. Hij schilderde een tijdje historiestukken, maar uiteindelijk keerde hij terug naar de genreschilderkunst. Een tijdlang liet Greuze zich beïnvloeden door de revolutionaire sfeer in Frankrijk, maar bleef daarbij wel trouw  aan zijn verfijnde rococo-stijl. In de periode van de revolutie schilderde hij onder meer portretten van vertegenwoordigers van de revolutionaire raad en het Directoire, het vijfkoppige bestuur van Frankrijk in de jaren 1795-1799. In die jaren was een zijn van leerlingen Constance Mayer (16775-1821), die faam verwierf als schilder van portretten, allegorische onderwerpen, miniaturen en genrestukken. Lange tijd bleef het werk van Greuze erg populair, maar zijn werk raakte langzaam uit de gratie toen een neoclassicistische stijl in opkomst kwam. Hij ontving nog een opdracht voor een portret van Napoleon Bonaparte, dat in Versailles werd tentoongesteld. In 1805 overleed hij echter op 80-jarige leeftijd in armoedige omstandigheden. Hij werd begraven op het Cimetière de Montmartre. Werken van Greuze is te bewonderen in onder meer het Louvre in Parijs, de Wallace Collection in Londen, het Musée Fabre in Montpellier en in het aan hem gewijde museum in zijn geboorteplaats Tournus.

SÃO TOMÉ (1641-1648) – 007

Tot de komst van de Portugezen in januari 1471 waren Sao Tomé en Principe twee onbewoonde eilandjes in de Golf van Guinee. In de directe omgeving bevonden zich nog een aantal kleine eilandjes, niet meer dan wat kale rotspunten in de oceaan. Ze bevinden zich op ruim tweehonderd kilometer voor de huidige hoofdstad Libreville van Gabon. De Portugezen besloten na hun verkenning dat hier wel een goede handelspost kon worden gevestigd. Het grootste eiland noemde ze Sao Tomé, naar de apostel Tomas. In 1493 bouwde ze er hun eerste nederzetting. Enkele jaren later werd ook een nederzetting gesticht op het ander eilandje dat ze Principe noemde naar prins Johan III van Portugal. Het ligt ongeveer 150 kilometer ten noorden van Sao Tomé. Hert bleek echter zeer moeilijk mensen bereid te vinden zich op het nieuwe Portugese territorium te vestigen. Aanvankelijk kwamen alleen groepen die in Portugal niet erg gewenst waren, zoals Joden. Eind 15e eeuw werden ongeveer tweeduizend Joodse kinderen naar Sao Tomé verscheept en onder de paar Portugese kolonisten verdeeld. Na een paar jaar waren er nog slechts zestig van hen in leven; de rest was bezweken aan de tropische ziekten.

De kolonisten die zich er hadden gevestigd merkten al snel dat de vulkanische grond goed geschikt voor landbouw waren. Vooral het verbouwen van suikerriet verliep er voorspoedig, maar dat was wel een arbeidsintensief proces. Rond 1550 waren de eilanden dan ook de grootste Afrikaanse suikerexporteur, mede dankzij de slaven die de Portugese van het Afrikaanse platteland overbrachten. Nadat er steeds meer concurrentie kwam van de goedkopere suiker van de Zuid-Amerikaanse plantages nam de productie hier af. In plaats daarvan werden Sao Tomé en Principe belangrijke doorvoerhavens voor de slavenhandel naar Latijns-Amerika. (meer…)

DE EXPEDITIE NAAR LUANDA EN SAO TOMÉ (3) – 006

De expeditie van Cornelis Jol naar Luanda en Sao Tomé
30 mei – 31 oktober 1641

Cornelis Jol volgde direct de instructies die inhielden dat, ongeacht of de aanval op Luanda nu wel of niet succesvol was geweest, vervolgens direct moest worden verdergegaan naar San Tomé om dit eiland voor de Compagnie op de Portugezen te veroveren. Nu de eerste helft van de opdracht zo goed was verlopen, kon snel worden begonnen met het tweede deel van de missie. Al op 17 september 1641 vertrok Jol met een deel van de vloot naar de Bocht van Guinée. Hert belangrijkste doel was de overmeestering van het fort/kasteel Sao Sebastiao, dat het enige verdedigingswerk van betekenis en was gelegen op een smalle landtong in het zuidelijk gedeelte van de baai van Anna de Chaves, de haven van San Tomé. Het was dan weliswaar het enige echte verdedigingswerk, maar met haar vier bastions, muren van bijna acht meter hoog en dertig bronzen kanonnen was het wel een van de sterkste forten aan de West-Afrikaanse kust. Jol moest na de verovering van dit fort er vooral voor zorgen dat de verbindingswegen van de Portugezen naar de zee werden afgesneden.

Een paar schepen bleven achter in Luanda, anderen keerden onder bevel van viceadmiraal Jacob Huygensz terug naar Brazilië. De nieuwe viceadmiraal werd nu Matheus Jansen van de Leeuwinne uit de Kamer Zeeland. Ook kwam eer een nieuwe schout bij nacht, Jan Fransen Groot van de Enchuysen omdat de Eendracht van de Kamer Op de Maze niet meevoer. De manschappen bestonden uit vijf compagnieën met blanke soldaten en drie compagnieën met de Braziliaanse hulptroepen. Ze stonden onder leiding van de kapiteins Valet, Dammert, Koin en Clant. (meer…)

ANTOON TELLEGEN (72)

Antonius Otto Hermannus Tellegen (Zwolle, 25 mei 1907 – Overveen, 23 oktober 1943) was een Nederlandse arts die in zijn geboorteplaats Zwolle de middelbare school afmaakte en daarna in Leiden medicijnen ging studeren. Gij gold als een vooruitstrevend arts. Hij was bijvoorbeeld een van de oprichters van de bloedtransfusiedienst en ontwierp met enkele andere deskundigen een unieke operatie-auto. Die was precies bij het uitbreken van de oorlog gereed, maar de militaire geneeskundige dienst durfde de auto niet gelijk in gebruik te nemen, zodat de puntgave auto direct na de capitulatie door de Duitsers kon worden gebruikt. Hij was op 31 juli 1935 in Oosterbeek getrouwd met Henriette Catherine Westerouen van Meeteren. Het echtpaar zou vijf kinderen krijgen. In 1938 meldde Tellegen zich aan bij het leger toen hem ter ore was gekomen dat er een tekort aan militaire artsen was. Op 25 juli 1938 werd hij benoemd tot officier der tweede klasse. Op jongere leeftijd had hij een opleiding gehad tot reserveofficier bij de Bereden Artillerie en toen de rang van reserve eerste luitenant gekregen.

In die meidagen van 1940 werd hij overgeplaatst naar het hoofdkantoor van het Rode Kruis in Den Haag. Als eerste luitenant gaf Tellegen in de vroege ochtend van 10 mei 1940, vóór de officiële orders waren gegeven, de ziekenhuizen in Den Haag opdracht om alle observatiepatiënten en lopende patiënten naar huis te sturen. Een verstandig besluit, want vlak daarna moesten na de gevechten met Duitse parachutisten die boven de vliegvelden Valkenburg, Ockenburgh en Ypenburg waren gelanden veel gewonden in de Haagse ziekenhuizen worden opgenomen. Hij raakte zwaar gewond toen Duitse jachtbommenwerpers duikvluchten op de stad uitvoerden, juist op het moment dat hij op zijn motor door de stad reed in een poging Wassenaar te bereiken. Door Duitse parachutisten die zich hadden verschanst in het Haagse bos werd hij op het kruispunt Alkemadelaan-Wassenaars weg beschoten en getroffen. Pas op 4 oktober 1940 werd hij uit het ziekenhuis ontslagen en werkte hij korte tijd bij de Geneeskundige en Gezondheidsdienst in Amsterdam. (meer…)

FRIEDRICH RECK-MALLECZEWEN

Friedrich Percyval Reck-Malleczewen (Malleczewo, 11 augustus 1884 – Dachau, 16 februar1 1945) werd geboren op het landgoed Malleczewen in het toenmalige Pruisische plaatsje Malleczewen (tegenwoordig Pools en Maleczewo geheten) als de zoon van Hermann Reck (1847-1931), een grootgrondbezitter die bij de verkiezingen voor de Reichstag in 1912 namens het district Gumbinnen 6 voor de Deutschkonservative Partei in het parlement werd gekozen en tot het eind van de Eerste Wereldoorlog in november 1918 hierin zitting zou hebben. Deze partij, die in juni 1876 werd opgericht, behartigde de belangen van de adel, grootgrondbezitters, traditiegetrouwe protestanten en aanhangers van Otto von Bismarck en keizerlijke familie. Ze waren sterk gekant tegen elke vorm van centraal gezag en nog meer tegen sociaal-democratie. Friedrich wilde aanvankelijk musicus worden, maar begon uiteindelijk toch aan een studie medicijnen aan de universiteit van Innsbruck. Hij was een tijdje officier in het Pruisische leger, maar moest vanwege zijn diabetes ontslag uit het leger nemen. In 1908 trouwde hij met Anna Louise Büttner, met wie hij vier dochters en een zoon kreeg. De zoon zou gedurende de Tweede Wereldoorlog als dienstplichtig soldaat vermist raken. In 1930 scheidde het echtpaar na al jarenlang gescheiden van elkaar te hebben geleefd. In 1935 zou hij voor de tweede maal trouwen, met Irmgard von Borcke, waarmee hij opnieuw drie dochters kreeg. Na zijn afstuderen in 1911 was hij een jaar lang scheeparts op een Amerikaans schip. Daarna vestigde hij zich in Stuttgart, waar hij voor de Süddeutsche Zeitung journalist en theatercriticus werd. Vlak voor aanvang van de Eerste Wereldoorlog verhuisde hij naar een klein landgoed bij Pasing, dat toen nog een zelfstandige gemeente was maar sinds 1938 een buitenwijk van München is. (meer…)

LUANDA (1641-1648) – 005

Queen Nzinga 1657Op 11 februari 1575 landde de Portugese ontdekkingsreiziger Paulo Dias de Novais (c. 1510 – 9 mei 1589) op de kuststrook van het huidige Angola. Hij werd gevolgd door een paar honderd mensen die zich als kolonist in het gebied wilden vestigen en ongeveer vierhonderd soldaten. Hij was de kleinzoon van de beroemde zeevaarder en ontdekkingsreiziger Bartolomeu Dias (ca. 1450 – op zee nabij Kaap de Goede Hoop, 29 mei 1500), die in 1488 als eerste Europeaan Kaap de Goede Hoop rondde en daarmee het voorbereidende werk deed voor de eerste tocht door Vasco da Gama naar India. Paulo Dias de Novais stichtte aan de kust het stadje São Paulo de Luanda, beschut gelegen achter het eiland Luanda. De stad zou al snel slechts als Luanda bekend staan. Het is momenteel de grootste stad en hoofdstad van Angola. Paulo Dias de Novais was er op zoek naar de mysterieuze zilvermijnen van Cambambe. Dat verder landinwaarts gelegen gebied zou pas in 1604 door de Portugezen worden bereikt en gekoloniseerd. Vanaf 1575 tot 1850 was Luanda het Portugese centrum voor de slavenhandel naar Brazilië. In 1618 bouwde de Portugezen bij het stadje de vesting Fortaleza Sao Pedro da Barra; in 1634 werd een tweede vesting voltooid: Fortaleza de Sao Miguel. Vanaf 1627 was Luanda het bestuurlijke centrum van Angola, met uitzondering van 1641 tot 1648 toen de West-Indische Compagnie er de baas was. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 39

3 - Ethiopië2 - Ethiopië1 - Ethiopië
Ethiopië, omstreeks 1890

DE EXPEDITIE NAAR LUANDA EN SAO TOMÉ (2) – 004

De expeditie van Cornelis Jol naar Luanda en Sao Tomé
30 mei – 31 oktober 1641

De overtocht begon al niet echt voorspoedig. Een eerste vereiste om op de juiste manier Angola te bezeilen was om eerst voldoende naar hert zuiden te gaan en daarna gebruik te kunnen maken van de juiste wind om goed uit te komen. De om de Noord gaande stroom langs de kust van Brazilië was sterker dan gebruikelijk, zodat maar matige voortgang werd bereikt. Op 4 juni was nog maar drie mijl naar het zuiden gevorderd. Bovendien moest Jol rekening houden met twee langzame boten in zijn vloot, de Eendracht en de Coninck David. Pas op 14 juni werd op 18° zuiderbreedte de Abrolhos Archipel gepasseerd, vijf onbewoonde eilandjes aan de kust van de staat Bahia in het zuidoosten van Brazilië, berucht vanwege haar vervaarlijke koraalriffen in ondiep water, scherpe rotsen of zandbanken. Vanaf dit punt werd gebruikelijk de koers naar het oosten ingezet.

Met de nieuwe koers werd eerst flinke vooruitgang geboekt, maar vanaf 23 juni ging de wind draaien. De vloot kreeg te maken met plotseling wisselende winden, met flinke wervelbuien en regenvlagen. De zeilschepen konden moeilijk allemaal dezelfde koers aanhouden, zodat Cornelis Jol moeite had ervoor te zorgen dat geen enkele boot van zijn vlag afdwaalde. Op 1 juli was de vloot afgedwaald naar de 27e breedtegraad, te ver naar het zuiden om gebruik te kunnen maken van de gunstige wind. De vloot kwam terecht in een gebied met rustige en verraderlijke wind. Jol riep de Breeden Raad bijeen om de toestand te bespreken. Er was voorzien in een reis van vier weken, maar die waren nu verstreken met weinig progressie en veel onzekerheid hoelang de reis nog zou duren. De watervoorraden waren flink geslonken. Enkele schepen hadden maar voor twintig dagen aan drinkwater ter beschikking ‘twelck op soo lange voyage als voor handen was niet en mach strecken indien Godt de Heere ons niet merckelijck en segent ende een goede wint verleent’. Er werd besloten daarom het waterrantsoen terug te brengen van acht naar vijf mutskens (een mutske is ongeveer 40 cl.) per hoofd en per dag, maar tegelijkertijd per week iedereen twee mutskens brandewijn extra te geven. (meer…)

DE EXPEDITIE NAAR LUANDA EN SAO TOMÉ (1) – 003

De expeditie van Cornelis Jol naar Luanda en Sao Tomé
30 mei – 31 oktober 1641

De West-Indische Gids, een uitgave van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde dat in de periode 1919-1959 verscheen, publiceerde in de nummers 1 en 2 van de jaargang 1942 twee artikelen van de historica Mej. J.B. van Overeem, geboren in Batavia in 1912, over het optreden van admiraal Cornelis Corneliszoon Jol in de Caraïbische zee. Midden in de oorlog artikelen over een Nederlandse zeeheld, met veel verwijzingen naar nog beroemdere Nederlandse zeehelden die de toenmalige wereldoverheerser Spanje met succes bestreden. Het kan worden gezien als een daad van wetenschappelijk-historisch verzet. Van Overeem zou later directrice worden van het Maritiem Museum Prins Hendrik in Rotterdam. Op 2 februari 1974 werd door haar en prinses Beatrix een buste van prins Hendrik van Oranje-Nassau (1820-1879) onthuld (zie foto hieronder). Inmiddels Prins Hendrik verdwenen uit de naam van het museum, de buste van wel ergens in het archief staan. Van Overeem heeft een groot aantal publicaties over de vaderlandse maritieme geschiedenis op haar naam staan. De sloot de artikelen af met de opmerking: ‘In 1641 hebben de Heeren XIX hem naar de kust van Guinee laten gaan, om, voordat vrede met Portugal werd gesloten, het slavendepöt Angola te bemachtigen. Hij heeft zijn opdracht volvoerd, doch ten koste van zijn leven. In hem verloren de Bewindhebbers een trouw en moedig scheepskapitein, die alom in de West-Indiën schrik had verspreid en menige Spaansche prijs had opgebracht.’ (meer…)

CORNELIS CORNELISZOON JOL (1597-1641) – 002

Cornelis Corneliszoon Jol (Scheveningen, 1597 – São Tomé, 31 oktober 1641) werd geboren in een Scheveningse schippersfamilie, maar woonde later in Amsterdam. Hij was getrouwd met Aeltje Jans, met wie hij drie kinderen had, een dochter en twee zoons. Beide zoons werden schipper bij de VOC. Zijn jongste zoon Cornelis was tijdens de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog (1652-1654) ook kapitein van het schip De Leyden en vocht toen dus ook, net als zijn vader in 1639, onder aanvoering van Maarten Tromp. In 1626 werd Cornelis Jol sr. in dienst genomen door de West-Indische Compagnie (WIC). Namens de WIC stak hij negen keer de Atlantische Oceaan over om de Spanjaarden en Portugezen langs de Braziliaanse kust en in de Caraïben te bestrijden. Jol was illustratief voor de soort admiraals die de compagnie in dienst had. In de Republiek der Zeven Provinciën was Jol een volksheld vanwege zijn grote moed, groot vakmanschap als navigator en zijn grote successen in de strijd met Spaanse en Portugese zeevaarders. Daarnaast had hij ook de reputatie zeer menswaardig om te gaan met krijgsgevangenen, want in tegenstelling tot enkele collega’s en zeker tot veel piraten en boekaniers werden bij Jol de bemanningen van veroverde schepen niet achteloos overboord gegooid. Jol voer met kaperbrieven, wat betekende dat hij als een kaper-kapitein van een particulier schip van de WIC toestemming had om schepen van vijandige landen aan te vallen en hun lading in beslag te nemen. De kaapvaart was dus een vorm van toegestane zeeroverij in oorlogstijd. Het merendeel van de buit moest worden afgestaan aan het land dat de kaperbrief had gegeven, maar er bleef ruim voldoende over om het een aantrekkelijke business te maken. Via de kaperbrief was de kapitein en zijn bemanning bovendien vrijgesteld van vervolging vanwege piraterij. Dit gold uiteraard niet in de vijandige landen en landen die daarmee bevriend waren. Daar volgde na arrestatie bijna zonder uitzondering een veroordeling tot de doodstraf wegens piraterij. (meer…)

GORÉE (1617-1677) – 001

Goree met Nassau 1628 en Orange 1639Gorée is een eiland op drie kilometer van Dakar, voor de kust van Senegal. Over de oorsprong van de Franse benaming Gorée bestaan twee versies. Volgens de ene versie is het eden Franstalige verbastering van de eerdere Nederlandse naam Goeree, een verwijzing naar het voormalige Zuid-Hollandse voormalig eiland Goeree. In de tweede versie is het afgeleid van het ook Nederlandse ‘Goe Ree’ ofwel Goede Rede, wat de betekenis van ‘Goede Haven’ Heeft. De oorsprong van de naam verwijst dus naar het kortstondige Nederlandse verblijf. Het eilandje, dat oorspronkelijk Barsaguiche heette en maar 900 meter bij 300 meter groot was, werd in 1444 door de Portugese kapitein Dinis Dias ontdekt. Deze Diaz maakte in dienst van Hendrik de Zeevaarder minimaal twee reizen naar de Afrikaanse kust. In 1442 bereikte hij Kaap Blanc in het huidige Mauritanië. In 1444 verkende hij de westelijkste punt van Afrika (het huidige Guinea en Senegal) en ontdekte de Kaapverdische Eilanden en het eilandje Barsaguiche, dat hij de naam Ilha de Palma gaf. Dinis Dias was de eerste Portugese ontdekkingsreiziger die de opdracht kreeg om gericht op slavenvangst te gaan om daarmede de hoge kosten van de Portugese ontdekkingsreizen ge compenseren. Opdrachtgever Hendrik de Zeevaarder (1394-1460), de derde zoon van de Portugese koning, was overigens zelf alles behalve een groot reiziger, maar vooral de grote initiator en financier van veel reizen. Hij gaf de aanzet voor het Portugese wereldrijk én de Europese bemoeienis met de slavenhandel. In 1536 werd door de Portugezen op Ilha de Palma een slavernijhuis opgericht. (meer…)

LEENDERT VALSTAR (71)

Leendert Marinus Valstar (Naaldwijk, 10 augustus 1908 – Vught, 4 september 1944) was een tuinder uit Naaldwijk, in het centrum van de tuinbouwstreek Het Westland. In 1931 trouwde hij met Neeltje Dekker (’s-Gravenzande, 1904), met wie hij een kind kreeg. Hij was de zoon van Fulps Vincentinus Valstar (1879-1944), die in Naaldwijk een eigen tuinbouwbedrijf had en dit ook aanhield ondanks zijn drukke bestuurlijke werkzaamheden, zoals lid van de Raad van Toezicht van de Coöperatieve Boerenleenbank De Voorschotbank Naaldwijk (1909 – 1927), bestuurslid van de Veiling Naaldwijk (1910-1912), secretaris en penningmeester van de Bond Westland (1911-1917), medeoprichter en voorzitter van het Centraal Bureau van de Nederlandse Tuinbouwveilingen (1917-1944), Regeringscommissaris voor Groenten-, Fruit- en Sierteelt voor de uitvoering van de Landbouwcrisismaatregelen op het terrein van de tuinbouw en Voorzitter van het bestuur van het Hoofdbedrijfschap voor Tuinbouwproducten, onder Rijksbureau voor de Voorbereiding van de Voedselvoorziening in Oorlogstijd (1933-1944)

Na de crisis in de dertiger jaren kwam de Westlandse tuinbouw er weer langzaam bovenop, maar de belangrijke export naar Duitsland stortte geheel in toen in september 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Toen in mei 1940 de Duitsers ook ons land binnenvielen werd het ergste gevreesd, maar in de twee eerste bezettingsjaren ging het onverwachts goed met de tuinbouw. Pas in de tweede helft van 1942 begon de situatie te verslechteren. Na de problemen met de voedselvoorziening gedurende de Eerste Wereldoorlog en crisisjaren was in 1937 het Rijksbureau voor de Voorbereiding van de Voedselvoorziening in Oorlogstijd opgericht, waarbij het vrijemarktprincipe werd losgelaten en overheidsingrijpen de norm werd. Na de Duitse inval werd door de bezetter al op 17 mei besloten dat doorgedraaide (onverkoopbare) producten niet meer mochten worden vernietigd, maar moesten worden geëxporteerd naar Duitsland. Al de volgende dag werden de eerste wagonladingen groenten tegen een vooraf bepaalde vaste prijs naar Duitsland verzonden. Niet lang na de invoering van deze maatregel bepaalden de Duitsers ook dat 50% van de op de veiling aangevoerde producten direct tegen maximumprijzen aan Duitsland verkocht moesten worden. In 1941 werd dit zelfs verhoogd tot 80%. (meer…)

IMAN DOZY

Iman Dozy (Fort Willem I, Ambarawa, 10 mei 1887 – Leiden, 14 mei 1957) was een blonde, krachtig ogende voetballer, die was opgeleid bij Excelsior, maar in 1901 al op veertienjarige leeftijd als invaller zijn debuut maakte bij Ajax Leiden, officieel de Leidsche Cricket- en Football-Club Ajax. Deze club werd op 1 juni 1892 opgericht, als fusie van de Leidse Studentenclub en de verenigingen Achilles, LCC, Rood-Wit en De Sikken. De club was sinds 1897 aangesloten bij de Nederlandse voetbalbond en was toen een van de sterkste vaderlandse clubs. In 1899 werd het kampioen van de Tweede Klasse na alle twaalf wedstrijden te hebben gewonnen en te eindigen met het doelsaldo 64-4. Tussen 1899 en 1910 spellde men elf seizoenen mee in de hoogste nationale competitie. Iman Dozy zou het merendeel van die jaren voor Ajax Leiden uitkomen en in totaal 175 wedstrijden voor de club uitkomen. De club haalde haar grootste succes door zich in 1900 te plaatsen voor de finale van de Nederlandse beker, die toen voor de tweede maal werd gespeeld. Ajax Leiden verloor echter deze finale met 3-1 van het Bredase Velocitas. In dat jaar 1900 gaven de Leidenaren toestemming aan een kleine Amsterdamse club om ook de naam van de Griekse held te mogen gebruiken. Dat AFC Ajax zou het nog ver schoppen. De Leidse club fuseerde in 1918 met LAV De Sportman en ging verder onder de naam Ajax Sportman Combinatie (ASC) (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 045

Lovis Corinth (Tapiau, Oost-Pruisen, 21 juli 1858 – Zandvoort, 17 juli 1925) was een Duitse schilder en graficus, die geldt als een belangrijke vertegenwoordiger van het Duitse impressionisme. Hij bezocht het gymnasium in Koningsbergen. Vanaf 1880 bezocht Corinth, wiens talent al op jeugdige leeftijd was ontdekt, de Münchener Academie. Deze opleiding kon wedijveren met Parijs, dat op dat moment hét Europese centrum van de avant-gardistische beweging was. In München onderging hij de invloed van de School van Barbizon en Gustave Courbet, zoals destijds in München werd geïnterpreteerd. Zijn vroege werk was nog naturalistisch. Hij maakte een studiereis naar Parijs en keerde in 1891 weer terug naar München, waar hij een later de Münchener Academie verliet om zich aan te sluiten bij de Münchener Sezession. In 1894 werd hij lid van die freie Sezession en in 1899 nam hij deel aan de eerste door de Berliner Sezession georganiseerde tentoonstelling. Een jaar later verhuisde hij naar de hoofdstad, waar hij een solo-expositie kreeg. In 1902 opende de 43-jarige schilder een schilderschool voor vrouwen en huwde met zijn eerste leerlinge, de twintig jaar jongere Charlotte Berend. Zij werd zijn muze, zijn geestelijke partner en de moeder van zijn twee kinderen. Ze had een sterke invloed op hem en het familieleven werd een belangrijk thema in zijn werk.
Lovis Corinth stond aanvankelijk afwijzend tegenover de expressionistische beweging, maar na een beroerte in 1911, waardoor hij gedeeltelijk verlamd raakte en met behulp van zijn vrouw weer moest leren schilderen, werd zijn stijl losser en begon zijn werk meer kenmerken van het expressionisme te vertonen. Zijn gebruik van kleur werd levendiger en de door hem vervaardigde portretten en landschappen kregen een uitzonderlijke levendigheid en kracht. In deze fase van zijn leven maakte Corinth zijn bekendste schilderijen, de Walchensee-landschappen, die volgens velen ook zijn beste werk zijn.
In 1925 maakte Corinth een reis naar Nederland om de werken van zijn favoriete Hollandse Meesters (Frans Hals en Rembrandt van Rijn) te bekijken. Hij kreeg longontsteking en stierf in Zandvoort, vier dagen voor zijn 67e verjaardag. Corinth werd in Berlijn begraven. (meer…)

SAMUEL ESMEIJER (70)

Samuel Esmeijer (Driebergen, 20 december 1920 – Apeldoorn, 28 november 1944) bracht zijn jeugdjaren door in Driebergen, maar het gezin Esmeijer later naar Rotterdam. Daar volgde Esmeijer de HBS. Hij was lid van de Gereformeerde vereniging Calvijn, een soort van debatingclub voor oudere jongens, en van de padvinderij. Hij groeide op met een sterk gevoel voor rechtvaardigheid, sportieve bekwaamheid, zwijgzaamheid en hulpvaardigheid. Omdat hij nogal druk was met allerlei activiteiten binnen de jongerenverenigingen, vlotte de studie aan de HBS niet erg. Toen de oorlog eenmaal was uitgebroken en Rotterdam zwaar was getroffen door het bombardement was hij meer betrokken bij hert geven van hulp aan de slachtoffers van dat bombardement dan bezig met studeren. Op 13 augustus 1942 trad hij af als secretaris van Calvijn, rondde alsnog zijn studie aan de HBS af en trad vrijwillig in dienst bij de politie in Driebergen. Zijn tante Teet had hiervoor bemiddeld bij haar kennis, de chef van het plaatselijke politiekorps. Hij vond onderdak bij zijn tante, die een bejaardenhuis beheerd, ging aan de slag als klerk en volgde in zijn vrije tijd een opleiding tot politie-inspecteur. In de herfst van 1942 oefende Esmeijer met een pistool in de bossen van Driebergen, hoewel hij op dat moment geen uniform droeg en wapen mocht hebben. Hij was toen al begonnen aan zijn ondergrondse ‘carrière’ door Joodse gezinnen te waarschuwen voor een op handen zijnde deportatie en raakte hij betrokken bij de hulp aan onderduikers. Hij waarschuwde ook het verzet een paar keer voor een aanstaande acte van de politie. Het was de korpsleiding wel duidelijk dat ergens binnen het korps een lek moest zitten. Voor Esmeijer was het even duidelijk dat hij er goed aan deed te verkassen. Bovendien wist hij dat hij op de nominatie stond naar Schalkhaar te worden gestuurd, waar zich een opleidingsinstituut bevond waar politieagenten werden geschoold in de nationalistische leer. Hij verzette zich hiertegen, war uiteindelijk leidde tot oneervol ontslag. (meer…)

CHARLES VAN DER SLUIS

Na het bombardement op Rotterdam in de meidagen 1940 duurde het even voor de bewoners van de stad weer waren opgekrabbeld. In vooral Den Haag ontstond direct verzet tegen de bezetter, maar in Rotterdam waren op dat moment eerst allerlei hulporganisaties actief. In eerste instantie was iedereen hier vooral bezig met zelfbehoud. ‘Eerst weer een dak boven het hoofd en weer werk hebben’, leek stilzwijgend het motto ge zijn. Voor verzet was helemaal geen tijd. Dat gild ook voor de meeste studenten die zoveel mogelijk probeerden door te gaan met hun leventje, hun studie en simpelweg de oorlog zo veel mogelijk buiten de deur te houden. Terwijl Rotterdam voor een belangrijk deel in puin lag, wilden zij vooral studeren, feesten, ontgroenen en kroegtochten houden. Dat conformisme gold ook de hoger onderwijsinstellingen zelf die gewoon wilde doorgaan met onderwijs en het weer opbouwen van de stad. De Nederlandsche Economische Hoogeschool in Rotterdam, de voorloper van de Erasmus Universiteit, telde toen ongeveer achthonderd studeten en was nog behoorlijk klein en jong. Bij de hogeschool waren ook veel bedrijven betrokken en een niet onaanzienlijk aantal daarvan werkte samen met de Duitsers. Voor hen was het ‘business as usual’, maar met andere machthebbers. Het Rotterdamse bedrijfsleven collaboreerden op grote schaal. Op een gegeven moment raakten steeds meer studenten bij het verzet betrokken, waardoor ze uiteindelijk in het Rotterdamse verzet goed vertegenwoordigd waren. Dat is voor een deel toe te wijzen aan het gegeven dat ze geen gezin en/of baan hadden en dus minder verantwoordelijkheden waarmee ze rekening moesten houden. (meer…)

EVA ZIPPEL

70e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Eva Zippel (Stuttgart, 30 april 1925 – Stuttgart, 25 mei 2013) was een Duitse Beeldhouwster en tekenares. Haar moeder was een goed tekenares en ook haar vader, een getalenteerd vakman, was erg in kunst geïnteresseerd. Haar oudere zus Herta Poddine-Zippel (1921-01986) was kunstschilder en graficus; ze was getrouwd met de balletdanser Salvatore Poddine (1936-1972). De beide zussen publiceerde in 1958 gezamenlijk het boek Nunu der kleine Elefant. Dorothee Zippel-Mariano, de dochter van Herta is kunstschilder en decorontwerpster. Kortom, een artistieke familie. Een jaar na Eva’s geboorte verhuisde de familie naar Parijs, waar Eva tot haar veertiende zou blijven wonen. Samen met zijn beide dochter bezocht vader Zippel de Parijse musea. Hij heeft een nauw contact met de kunsthandelaar Wilhelm Uhde, waardoor de woning van het gezin al snel volhangt met kunstwerken. In Parijs ging Eva naar het Marie Curie-lyceum.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 keerde het gezin terug naar Stuttgart, waar ze in 1943 haar schoolopleiding aan het Königin-Katharina-Stift-Gymnasium afrondde. Direct daarna werd ze gedwongen opgenomen in de Reichsarbeitsdienst, een nationaalsocialistische organisatie die op 26 juni 1935 werd opgericht en waarin jeugdigen een maatschappelijke dienstplicht moesten vervullen en in de nationaalsocialistische leer werden getraind. Voor jongemannen was het een voorbode voor de dienst in de Wehrmacht. Eva zou tot het eind van de oorlog voor deze organisatie werkzaam zijn. Na de oorlog werkte Eva tot 1946 als tolk voor Carlo Schmid, een socialistische politicus die sterk ijverde voor de Europese integratie en ook medeverantwoordelijk is voor de wederopbouw van de Eberhard Karls Universiteit in Tübingen.

(meer…)

RIEN VAN DER STOEP (69)

Rien van der Stoep (Beesd, 27 september 1917 – Rotterdam, 6 april 1945) was in Rotterdam een vooraanstaand persoon in de illegaliteit. Hij was er leider van zijn eigen onafhankelijke knokploeg, van de Landelijke Knokploegen Rotterdam (LKP-Rotterdam) en was districtscommandant van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Van der Stoep, die werkzaam was als assistent-bedrijfsleider in de Jaminfabriek aan de Hugo de Grootstraat, woonde in Rotterdam op kamers. Hij startte in het verzet door de illegale krant Ons Volk te verspreiden. Bij dat blad had Gustaaf Gelder een belangrijke rol. Af en toe stelde hij voor de verspreiding een auto van Jamin beschikbaar. Het blad verscheen voor de eerste maal op 7 oktober 1943 en werd voor de laatste keer op 7 juli 1945 uitgegeven. Tot september 1944 verscheen het blad maandelijks, daarna twee keer per maand. De inhoud bestond vooral uit opinieartikelen en binnenlandse berichten. De oplage varieerde in de ongekend hoge oplage van 55.00 tot 120.000 exemplaren, wat de nodige organisatorische problemen bij de verspreiding met zich meebracht. Op 21 januari 1944 viel de Sicherheitspolizei bij de groep binnen, wat de arrestaties van veel kopstukken betekende. Van Gelder pleegde bij de inval zelfmoord. Het merendeel van de kopstukken van Ons Volk zou de oorlog niet overleven. Anderen namen de verspreiding echter over. (meer…)

TREBLINKA 1943

Michal Wojcik is een Poolse historicus en journalist, die voor radio, televisie en tijdschriften werkt. Hij publiceerde vorig jaar in Polen het boek Treblinka’43, dat er een grote bestseller werd en de Newsweek Award kreeg voor het beste boek van het jaar. Nu moet gezegd worden dat de opstand in augustus 1943 binnen het vernietigingskamp Treblinka in Polen een enorme rol in de discussie speelt over de rol van het Poolse verzet en de mogelijkheden voor de Joodse Polen om in opstand te komen tegen de Duitse vernietigingsmachine. Daarover hieronder meer. In Nederland is Treblinka altijd een onbekend kamp gebleven, want geen van de 102 treinen die tussen woensdag 15 juli 1942 en woensdag 13 september 1944 uit Westerbork, Vught, Apeldoorn of Amsterdam vertrokken, ging naar Treblinka. Waarschijnlijk is geen enkele Nederlander in dit kamp om het leven gebracht.

In de zomer van 1941 werd vlak bij het dorp Treblinka in het noordoosten van Polen, op iets meer dan honderd kilometer van de hoofdstad Warschau, het Straf-Arbeitslager Treblinka 1 gebouwd. Dit werkkamp had een ‘gemengde’ bezetting van Polen en Joden, die gedwongen werden te werken in de steengroeve vlak bij het kamp of op het station van Małkinia, een dorpje aan de spoorlijn Warschau-Bialystok. Daarnaast waren een paar gevangenen (de zogenaamde Lagerkommandos) die in het kamp zelfs moesten werken en was er een kampboerderij waar een klein aantal vrouwen tewerkgesteld waren gesteld. Er konden in totaal 1.000-1.200 personen tegelijkertijd gevangen worden gehouden, maar de bezetting wisselde snel omdat het sterftecijfer hoog was. In totaal hebben hier ruim 20.000 personen gezeten, waarvan meer dan de helft is overleden ten gevolge van honger, marteling of executies vanwege een overtreding van de kampregels.

(meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 042


.
Frans van den Muijsenberg, 21 augustus 2021, begraafplaats Tyne Cot, Zonnebeke, België.

CIMON EN PERO – 08

Christoph Maucher (Schwäbisch Gmünd, 24 oktober 1642 – Danzig, 1706) was een beeldhouwer van barnstenen en ivoren werken. Zijn jongerebroer Johann Michael Maucher werkte met dezelfde materialen en stond als kunstenaar in hoger aanzien. Christoph begon al op twaalfjarige leeftijd met zijn opleiding. In 1667 begon de 25-jarige Maucher aan een betrekking van negen maanden aan het hof van Karl Eusebius von Liechtenstein. In 1670 vertrok hij naar Danzig, waar zijn jongere broer al een behoorlijke reputatie had opgebouwd. Hij was in Danzig eerst een tijdlang werkzaam in her atelier van Nikolaus Turow, een gerenommeerd vakman in het maken van werken in barnsteen. Turow had op dat moment een grote opdracht waarvoor in zowel barnsteen als ivoor moest worden gewerkt. Het was een cadeau voor keizer Leopold I. Pas in 1684 krijgt Maucher zelf van de stad Danzig een opdracht een eigen werk te produceren. In 1685 werd deze opdracht door de stad verlengd, hoewel het gilde van barnsteenbeeldhouwers hiertegen bezwaar had. In de loop der jaren kreeg Maucher meerdere van dit soort eervolle opdrachten, zowel van de stad Danzig als van buitenlandse opdrachtgevers. Het is een indicatie van zijn reputatie als vakbekwaam arbeidsman. Het gaf ook aan dat gedurende grote perioden Maucher leerlingen in zijn atelier moet hebben gehad. Veel van de aan hem toegeschreven kunstwerken bevinden zich in musea in onder meer Berlijn, Dresden, Wenen en Londen. Er is echter ook twijfel of al die werken daadwerkelijk door hemzelf zijn vervaardigd of slechts uit zijn werkplaats afkomstig zijn. Van slechts het beeld van keizer Leopold I dat zich in het Kunsthistorisch Museum in Wenen bevindt staat onomstotelijk vast dat het van zijn hand is. (meer…)

BOB OOSTHOEK (68)

Bob Oosthoek (Rotterdam, 25 juni 1912 – Hengelo, 12 oktober 1944) was een Nederlandse toneelspeler, regisseur en verzetsstrijder. In Rotterdam ging hij naar het Erasmiaans Gymnasium, het stedelijk gymnasium dat al lang bestond voor de naamgever Desiderius Erasmus (1467–1536) verscheen. De school werd al omstreeks 1300 en daarmee ‘het Erasmiaans’ een van de oudste scholen voor voortgezet onderwijs en het op drie na oudste gymnasium van Nederland. Omdat op het gymnasium bleek dat hij aanleg voor toneelspel had besloot hij in 1931 naar de Toneelschool in Amsterdam te gaan. In 1934 deed hij hier eindexamen. Hij werd daarna direct in dienst genomen door Cor van der Lugt Melsert, die de leiding had van het Vereenigd Rotterdamsch-Hofstad Tooneel. Dat toneelgezelschap werd in 1923 opgericht als fusie van de toneelgroepen het Rotterdamsch Tooneel en het Hofstad Tooneel, die beiden al onder directie van Cor van der Lugt Melsert stonden. Het nieuwe gezelschap kende een keur aan gerenommeerde toneelspelers/speelsters (onder meer Fie Carelsen, Mary Dresselhuys, Annie van Ees, Theo Frenkel jr., Leo de Hartogh, Adriaan van Hees, Fien de la Mar, Nap de la Mar, Else Mauhs, Enny Meunier, Bob Oosthoek, Alexander Pola, Bets Ranucci-Beckman en Jacques Snoek.

Het gezelschap kwam al snel in de problemen met het stadsbestuur van Rotterdam over de toegezegde financiële ondersteuning. Het gezelschap week daarna al in 1925 uit naar Den Haag, waar een aanzienlijk hogere subsidie werd toegezegd en het gezelschap vaste bespeler mocht worden van de Koninklijke Schouwburg. Daar waren echter wel voorwaarden aan verbonden, die Van der Lugt Melsert accepteerde, maar ook hier tot problemen ging leiden. Het repertoire moest voor minstens de helft bestaan uit artistiek verantwoorde stukken, wat door het college van Burgemeester en Wethouders moest worden, na een advies van de schouwburgcommissie. Ook diende er zoveel mogelijk eerste opvoeringen van Noord-Nederlandse stukken plaatsvinden én er moest één volksvoorstelling per jaar worden gebracht in Rotterdam, Utrecht, Haarlem en Amsterdam. (meer…)

FANGELSBACHFRIEDHOF

69e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Fangelsbachfriedhof in het zuidelijke deel van Stuttgart is een belangrijke historische begraafplaats in Stuttgart. Het kerkhof werd in 1823 buiten de toenmalige stadsgrenzen gebouwd in een gebied met de naam Immenhof, waar al in de Middeleeuwen mensen woonden. Toen de begraafplaats werd aangelegd lag ze tussen de velden en landbouwgronden, omringd met veel groen. Nu wordt de begraafplaats omringd door woningbouw. De reden voor de aanleg van het nieuwe kerkhof was dat het Leonhardskirchhof en de Leonhardskerk werden gesloten en dat bovendien het Lazarettfriedhof helemaal vol lag. De naam dankt het nieuwe kerkhof aan de Fangelsbach, een beekje dat al in 1286 als de Famelspach op de kaart stond. Al in 1840 moest het kerkhof voor de eerste keer worden uitgebreid, in 1865-1867 en 1969 volgde verdere uitbouw. In de periode 1906-1908 werd door Heinrich Dolmetsch (Stuttgart, 24 januari 1846 – Stuttgart, 25 juli 1908) aangrenzend in Jugendstil-stijl de Markuskerk gebouwd. Dolmetsch was in zuid-Duitsland zeer actief als bouwmeester van kerken. (meer…)

LIMMEN – DE EXECUTIES VAN 7 JANUARI 1945

Op zaterdag 6 januari 1945 werd op de Provincialeweg Alkmaar-Uitgeest, vlakbij de gemeentegrens van Castricum en Limmen, het lijk gevonden van de 54-jarige Duitser Johann Obmann, wachtman van het Marine-Lazarett in Heiloo, een hospitaal voor gewonde mariniers dat was gevestigd in de St. Willibrordus in Heiloo. Dat was voor de oorlog een rooms-katholieke instelling voor verpleging van psychiatrische patiënten. Tijdens de oorlog had de Kriegsmarine langs de Noordzee en Oostzee tachtig ziekenhuizen voor marinepersoneel. In Nederland waren er drie, namelijk in Eindhoven, Bergen op Zoom en Heiloo. De St. Willibrordus was voor de Duitsers gunstig gelegen, dichtbij de havens van IJmuiden en Den Helder. De Duitsers lieten er een zwembad aanleggen, dat na de oorlog nog decennia lang werd gebruikt. De achtergrond van de dood van de Duitser is nooit achterhaald, maar de bezetter vermoedde direct dat het een aanslag van de Nederlandse illegaliteit was. Burgemeester Nieuwenhuijsen van de gemeente Limmen verklaarde dat nog de gemeente of enige ingezetene er iets mee te maken had, maar dat werd door de Duitsers slechts ter kennisgeving aangenomen.

Op zondag 7 januari 1945 arriveerde rond het middaguur op de Provincialeweg een Duitse auto met twee officieren en twee vrachtauto’s, die stopte tussen twee boerderijen. In de eerste vrachtauto zat een executiepeloton van een man of tien. In de tweede vrachtauto zaten tien door de Duitsers ter dood veroordeelde verzetsstrijders, die gevangen zaten in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam. Hanns Rauter, hoofd van de Duitse politie en SS in Nederland, had het bevel gegeven dat de tien Nederlandse gijzelaars als vergelding voor de gevonden Duitse soldaat standrechtelijk gefusilleerd, conform het zogenaamde Niederwachungsbefehl. Willy Lages, bevelhebber van de veiligheidsdienst in bezet Nederland, gaf Untersturmführer Adolf Golder opdracht om als commandant van het executiepeloton op te treden. (meer…)

JAN VAN HANXLEDEN HOUWERT (67)

Jan Coenraad Heriold Folmer van Hanxleden Houwert (Medemblik, 8 april 1906) werkte sinds 1938 in het in- en exportbedrijf en groothandel in specerijen en koloniale waren van zijn vader in Amsterdam. Medio mei 1940 kreeg hij de leiding over het bedrijf. Bij een tegenaanval op 12 mei 1940 onderscheidde hij zich als dienstplichtig sergeant van het 29 Regiment Infanterie bij gevechten nabij de Grebbeberg. Bij Koninklijk Besluit nr. 26 kreeg hij op 12 november 1947 postuum het Bronzen Kruis voor zijn dapper optreden als militair. Vanaf 1942 was Houwert actief in het verzet, waarbij hij de schuilnamen Bleumer, Bolland en Jan Houwing gebruikte. In het begin helpt hij alleen binnen de hulpverlening aan Joodse onderduikers, maar later ging hij ook ondergedoken studenten, arbeiders en spoorwegpersoneel ondersteunen. Als medewerker van Henk van der Tweel (Amsterdam, 20 maart 1917 – Amsterdam, 13 mei 1997) van de Persoonsbewijzencentrale (PBC) van Gerrit van der Veen kon hij makkelijk zorgen voor vervalste persoonsbewijzen, geld, distributiebescheiden en onderduikadressen. De cardioloog Van der Tweel was de meestervervalser medewerker van de Persoonsbewijzencentrale.

Vanaf 1942 werkte hij ook voor de Sectie V van het Algemeen Hoofdkwartier van de Ordedienst (AKH-OD), waarvoor hij Duitse verdedigingsobjecten in beeld bracht. Hij werkte hierbij nauw samen met Dirk Kroon. Met de schetsen en foto’s die hij maakte werden op het hoofdkwartier kaarten vervaardigd. Na de oprichting van de Binnenlandse Strijdkrachten werkte Houwert mee aan het begeleiden van wapentransporten. (meer…)

DROOMLAND

Zo af en toe moet je eens grote opruiming houden en een paar weekjes geleden was dat voor mijn werkruimte dringend nodig. Allerlei artikelen uit magazines, er jaren geleden uitgescheurd met de verwachting er ooit nog eens gebruik van te kunnen maken, verdwenen in de prullenmand. Stapels tijdschriften vanaf 2008 werden op de weggeefhoek van een lokale Facebookpagina aangeboden. Voor enkele titels kwam snel een paar reacties en kon iemand gelukkig gemaakt worden met dertien jaargangen van een historisch tijdschrift. Andere titels bleken geen enkele geestdrift op te wekken en na twee weken verdwenen ze in de gemeentelijke papiercontainer. Dat kostte toch even wat moeite. Allerlei losse publicaties moesten worden doorgenomen om een keuze te kunnen maken welke weer een tijdje teruggelegd zouden worden om opnieuw stof ge vergaren en welke hetzelfde roemloze einde van eerdere publicaties te wachten stond, die vervloekte papiercontainer. In een van die bladen trof ik een interview met Annelies Petri, een kunstenares waarvan ik toevallig een werk heb en waarvan ik het werk schitterend vind. Dat interview moest natuurlijk eerst gelezen worden voor het op de weggooistapel terecht kwam. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 38

 
.
Foto’s van Albert Arthur Allen.

DIRK KROON (66)

Dirk Mara Rijk Hendrik Kroon (Den Haag, 27 mei 1909 – Limmen, 7 augustus 1945) verhuisde samen met zijn ouders in 1937 van zijn geboortestad Den Haag naar Soest. Hij was in mei 1940 dienstplichtig sergeant bij de Genie. Na de capitulatie keerde hij terug naar huis en vestigde zich als zelfstandig werktuigbouwkundige/ elektrotechnicus; hij was als vrijwilliger ook betrokken bij de (bos)brandweer. Vanaf 21 mei 1943 moesten alle jongemannen uit de geboortejaren 1922,1923 en 1924 zich verplicht melden bij de Arbeidsinzet. Burgemeester Loek des Tombe (De Bilt, 19 februari 1907 – Apeldoorn, 12 juni 1987), een CHU’er die vanaf oktober 1934 burgemeester was geweest van de gemeenten Abcoude-Baambrugge en Abcoude-Proostdij en in oktober 1939 tot burgemeester van Soest was benoemd, wist dat dit betekende dat de bezetter het bevolkingsregister zouden controleren en gaf aan brandweercommandant Groart de opdracht het register te verdonkeremanen. Groart gaf Gerbrand Zoetelief, Marinus de Moraaz Imans en Dirk Kroon, drie brandweermannen die hij volledig vertrouwde, de opdracht in het gemeentehuis in te breken en te zorgen dat het bevolkingsregister werd ‘gestolen’. Op 25 mei 1943 ging het drietal tot actie over, maar ze hadden hun taak wat te licht opgevat. Ze veronderstelden dat ze met een bakfiets alle persoonskaarten in één keer konden meenemen, maar ze moesten de route van gemeentehuis naar de woning van Kroon aan De Wieksloot twee keer afleggen. Het archief werd daar in een sloot begraven, waarbij Kroon werd geholpen door ‘Addie en Ellie’, twee onderduikers in zijn woning. Wachtcommandant Voet en agent Entrop van de politie, die op de hoogte was gebracht van de actie, hielden zich op de avond van de inbraak ‘doof en blind. De dag daarop konden inspecteur Voerman en rechercheur Meyer niets opmerkelijks vinden en de Rijksspeurhond Wanda nieste zich suf van de ruimschoots gestrooide peper. De bezetter voelde natuurlijk nattigheid en verhoorde korpschef Bakker, maar hij kwam er vanaf met twee jaar voorwaardelijke celstraf gekregen. Burgemeester des Tombe zou aansluitend weigeren werkkrachten aan te wijzen voor Duitse tewerkstelling. Als gevolg daarvan moest hij in oktober 1944 in de buurt van Soest onder te duiken. Al enkele uren na de bevrijding keerde hij terug in Soest, enthousiast onthaald door de bevolking.

(meer…)

RICHARD SCHOEMAKER (65)

Richard Schoemaker (Roermond, 5 oktober 1886 – Sachsenhausen, 3 mei 1942) stamde uit een officiersgeslacht. In 1905 begon hij als cadet aan een opleiding tot officier der Genie aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda. Aansluitend volgde hij aan de Technische Hogeschool de opleiding tot bouwkundig ingenieur. Hij was toen actief in diverse sporten, maar vooral als schermer zeer bedreven. In 1908 nam hij als schermer op het onderdeel ‘sabel individueel’ deel aan de Olympische Spelen in Londen. Hij overleefde daar de eerste ronde, maar eindigde in de tweede ronde op de derde plaats. Het zouden de enige Spelen voor hem blijven, want hij vertrok in 1912 hij samen met zijn broer Charles naar Nederlands-Indië. In Bandoeng begon hij als 1e luitenant; drie jaar later werd hij bevorderd tot kapitein der genie. In deze functie ontwierp en bouwde hij het Paleis van de Legercommandant. In 1920 aanvaarde hij het hoogleraarschap aan de Technische Hogeschool in Bandoeng, die in 1918 werd opgericht. Hij zou deze functie vier jaar bekleden en was daarnaast actief als architect, vaak samen met zijn broer Charles.

Charles Prosper Wolff Schoemaker (Banyubiru, Semarang, 25 juli 1882 – Bandung, 22 mei 1949) was in Nederlands-Indië geboren als oudste van drie zonen van een Nederlands militair. Een deel van zijn jeugd bracht hij door in Roermond, waar in 1886 zijn jongere broer Richard werd geboren. Ook Charles studeerde aan de KMA, waar hij als ingenieur afstudeerde. Hij was in Nederlands-Indië korte tijd als militair actief bij de Genie van het KNIL, daarna directeur gemeentewerken in Batavia en daarna had hij een eigen architectenbureau te Bandoeng. Hij werd een van de belangrijkste Nederlandse architecten in Nederlands-Indië en verwierf de bijnaam ‘de Frank Lloyd Wright van Indië’ vanwege zijn bouwstijl die elementen van de Amerikaanse architect combineerde met de Indonesische wereld. (meer…)

DE ORDEDIENST 4

In drie eerdere blogs is al ingegaan op de Ordedienst en organisaties die daaraan nauw verwant waren en vaak ook onderling samenwerkte, zoals de groep rondom Joan Schimmelpenninck, de Mekelgroep, de Schoemakergroep. Er was ook nog de Stijkelgroep, die haar naam dankt aan Han Stijkel, een jonge academicus uit Den Haag die door de Duitsers werd beschouwd als de leider van de verzetsgroep. Stijkel streefde ernaar de verschillende verzetsgroepjes die direct na de bezetting actief waren onder één noemer te brengen. Ook wilde hij voorbereidingen treffen om na de verwachte snelle aftocht van de Duitsers de rust en orde te kunnen handhaven. Een streven dat alle genoemde groepen ook hadden. Aanvankelijk bestond de groep slechts uit een verzameling kleine verzetsverbanden uit Den Haag, de Zaanstreek en Amsterdam, met een zeer uiteenlopende signatuur. Er was een actieve groep uit Koog aan de Zaan, die vooral voortkwamen uit de AJC, de socialistische jeugdbeweging. Maar uit Koog aan de Zaan kwam ook Evert Honig, de directeur van de levensmiddelen-fabriek Honig, het echtpaar Edo-Chambon die eigenaar waren van café-restaurant-hotel De Waakzaamheid en de directeur van autobedrijf Zwart. Alle losse groepjes wisselden onder andere spionagemateriaal met elkaar uit omdat ze manieren zochten om informatie naar Engeland te krijgen. Een duidelijke structuur was er nog niet, de ontwikkeling was nog in volle gang toen de groep werd opgerold.

(meer…)

DE DRIE GRATIËN – 044

Evert van Kooten Niekerk (1949) is een Nederlandse beeldhouwer en tekenaar. Hij werd opgeleid aan Academie voor beeldende kunsten Artibus in Utrecht als leerling van de beeldhouwer Jan van Luijn (1916-1995), die in de Tweede Wereldoorlog actief was in het verzet en na de oorlog als eerste grote opdracht kreeg in Utrecht een monument voor de Binnenlandse Strijdkrachten te maken. Dat werd in 1947 door prins Bernhard werd onthuld. Hij zou in totaal maar liefst 53 oorlogsmonumenten maken. Op Van Luijns advies ging Van Kooten Niekerk naar de Rijksacademie van beeldende kunsten in Amsterdam, waar hij verder onderwijs kreeg bij Piet Esser, Paul Grégoire en Theresia van der Pant. Na twee jaar stopt hij met deze opleiding omdat hij na zeven jaar opleiding de behoefte krijgt geheel voor zichzelf te beginnen. Op de Rijksacademie was de opleiding puur figuratief. Vanaf de jaren tachtig maakt hij zich langzaam los van dat figuratieve werk en maakt dan een aantal abstracte werken. Eind jaren negentig keert hij terug naar de figuratieve stijl. Van Kooten Niekerk maakt tekeningen en figuratieve beelden in brons, hout en hardgips, waarbij de mens centraal staat. Sinds 2013 werkt hij aan een serie grote en kleine portretkoppen van dichters en componisten, waarover hij op zijn website een film heeft gezet. Beelden die hij met acrylverf kleurt. Behalve kunstenaar is hij ook freelance docent bij Artibus, de Nieuwe Academie in Utrecht, Het Kunststation Leerdam en van 1999 tot 2007 hoofd van de afdeling beeldende kunst bij het Utrechts Centrum voor de kunsten. Van de Drie Gratiën maakte hij in 2010 en 2011 drie kleurrijke tekeningen, die nogal behoorlijk afwijken van de gebruikelijke voorstelling van de drie Griekse godinnen.

(meer…)

LOU JANSEN (64)

Lou Jansen (Amsterdam, 28 maart 1900 – Scheveningen, 9 oktober 1943) was een Nederlandse communist en verzetsman. Tot 1938 was hij kantoorbediende en vertegenwoordiger, daarna kwam hij in dienst van het secretariaat van de CPN. Van die partij was hij in 1930 lid geworden. In 1935 was hij namens de CPN lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland en lid van de Amsterdamse gemeenteraad. In mei 1940 moest de communistische partij na de Duitse inval ondergronds en werd Lou Jansen met Paul de Groot (1899-1986) en Jan Dieters (1901-1943) gekozen in het driemanschap dat de illegale partij ging leiden. Jansen zou zich vooral bezighouden met Amsterdam, waar de partij veel leden had. Dieters moest het contact met de andere districten in het land te onderhouden, wat hij deed vanuit Noord-Brabant en later de IJsselstreek. Op 25 februari 1941 verspreidde de CPN in Amsterdam een manifest, dat een grote invloed had op het uitbreken van de Februaristaking van 25 en 26 februari 1941. Het was de eerste grootschalige verzetsactie tegen de Duitse bezetter in Nederland en het enige massale en openlijke protest tegen de Jodenvervolging in bezet Europa. De aanleiding waren de eerste razzia’s in Amsterdam waarbij honderden Joodse mannen opgepakt werden. Lou Jansen was de belangrijkste samensteller van dit manifest. Een tweede poging van Jansen op 6 maart 1941 en nieuwe staking uit te roepen mislukte echter.

(meer…)

AUGUST KAPPLER

68e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

August Kappler (Mannheim, 11 november 1815 – Stuttgart, 20 oktober 1887) was een Duitse onderzoeker en ondernemer, die in december 1846 in Suriname het plaatsje Albina stichtte in een bocht van de Marowijnerivier, de grensrivier tussen Suriname en Frans-Guyana. Nadat hij in zijn geboorteplaats de lagere school had afgemaakt, begon hij een opleiding in de handel, eerst in Stuttgart en later in Heilbronn. In juni 1935 besloot de negentienjarige Kappler vanwege de slechte economische situatie in Duitsland het land te verlaten en vertrok naar Griekenland. Daar wilde hij dienst nemen in het leger van de staat die zich dan recent had losgemaakt van het Osmaanse Rijk. Omdat hij niet beschikte over de gewenste papieren mislukte dat plan. Hij keerde terug naar Stuttgart, om direct door te trekken naar Nederland om daar in dienst te treden van het Koninklijke Nederland-Indische Leger (KNIL). In december 1835 nam hij als 20-jarige in Harderwijk dienst in dat leger. Daar was echter zojuist een legeronderdeel vertrokken naar de verre kolonie, zodat Kappler werd ingedeeld bij een eenheid die naar Suriname zou afreizen. Op 16 december 1835 reisde hij met het transportschip Prins Willem Frederik Hendrik af naar Suriname, waar hij op 18 januari 1836 aankwam en kon beginnen aan een dienstverband van zes jaar. Het schip zeilde eerst de Surinamerivier op, waar de soldaten in Nieuw-Amsterdam aan land gingen. Twee weken later werden ze overgebracht naar Fort Zeelandia.

(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 37

FRITS NIEUWENHUIJSEN (63)

Frits Nieuwenhuijsen (Amsterdam, 3 oktober 1905 – Haarlem, 12 februari 1945) volgde in zijn geboortestad eerst de HBS, studeerde aansluitend werktuigbouwkunde aan de MTS en na dat diploma te hebben gehaald studeerde hij bedrijfseconomie aan de universiteit van Amsterdam. Zijn ouders leefden in goede welstand. Zijn vader was directeur/mede-eigenaar van de technische handelsonderneming Stieltjes & Co. Het gezin was begin twintiger jaren verhuist naar Hilversum, toen de nieuwe spoorverbinding forenzen naar Amsterdam mogelijk maakte. Toen Frits net zijn kandidaatsexamen had afgerond, vond in New York de beurskrach plaats, die vaders bedrijf zwaar zou treffen. Binnen een paar jaar ging de onderneming failliet, maar omdat vader Nieuwenhuijsen al zijn geld in dat zinkende schip had gestoken, hing ook alle privévermogen verloren. Vanwege deze financiële malaise moest Frits zijn studie afbreken. In 1932 kreeg hij toen via een kennis van zijn ouders een baan bij de Hollandse Sociëteit van Levensverzekeringen (een bedrijf dat rond 1968 gefuseerd tot Delta Lloyd). Daar werd Nieuwenhuijsen als stagiair aangenomen op het regiokantoor in Utrecht. Na zes maanden werd hij benoemd tot hoofdagent. In 1937 kreeg Frits de opdracht in Rotterdam een nieuw kantoor voor de Hollandse Sociëteit op te bouwen. In Rotterdam richtte deze afdeling zich vooral op een totaal nieuw product van de verzekeringsmaatschappij, namelijk op het afsluiten van collectieve bedrijfsverzekeringen met de Rotterdamse zakenwereld. Eind mei 1940, twee weken na het bombardement op Rotterdam, werd Nieuwenhuijsen overgeplaatst naar het hoofdkantoor in Amsterdam en kreeg daar eerst de functie van generaal-agent voor collectieve zaken en snel daarna tot generaal-agent in algemene dienst. Dat hield in dat hij werd belast met de coördinatie van de binnen- en de buitendienst en de publiciteit voor het bedrijf. Vanwege deze overplaatsing verhuisde Frits en zijn gezin in juni 1940 van Hillegersberg naar Amstelveen.

(meer…)

ALBINA

67e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Albina is een plaatsje met momenteel zo’n 4.000 inwoners in het district Marowijne in Suriname, ruim 140 kilometer ten oosten van Paramaribo. Het ligt in een bocht van de rivier Marowijne, tegenover Saint-Laurant-du-Maroni in Frans-Guyana. Dat plaatsje kreeg de bijnaam Le Petit Paris vanwege de fraaie koloniale bouwstijl, onder meer te zien in het houten penitentiair ziekenhuis uit 1912, het gemeentehuis, de sous-préfecture, het gerechtshof en een botanische tuin. In 1857 werd hier een bagno (gevangenis) opgericht, waaruit later het plaatsje ontstond om het personeel te huisvesten. Het was een subkamp van de strafkolonie Saint-Laurent-du-Maroni, waar de gevangenen dwangarbeid moesten verrichten. De meeste gevangenen waren ondergebracht in strohutten. Tussen 1890 en 1897 werd tussen Saint-Laurent en Saint-Jean een zestien kilometer lange Decauville-spoorlijn op meterspoor aangelegd. Toen in 1946 de strafkampen werden afgeschaft, werd ook deze spoorlijn opgedoekt. De bagno is vooral bekend/berucht geworden door de verfilming van semi-autobiografische roman Papillon van Henri Charrière uit 1969. Daarin beschrijft de auteur zijn avontuurlijk verblijf in de jaren 1931-1945 in de bagno en in de Caribbean, Venezuela en Colombia na zijn vlucht van Duivelseiland, de locatie waar gevangenen terechtkomen die zich in de bagno hebben misdragen. In werkelijkheid is de roman geen levensverhaal van de schrijver, maar een bundeling van verhalen van verschillende gevangenen die in deze strafkolonie verbleven. Stroomafwaarts was op het Îlot Saint-Louis een leprozenkolonie gevestigd, ook wel het Île aux Lépreux genaamd. Iets verderop ligt het wat groter Île de la Quarantaine, een naam die ook al weinig goeds belooft. Het geeft een aardige indicatie van de sfeer die eind 19e eeuw en begin 20e eeuw in deze hoek van Guyana moet hebben gehangen. Saint-Laurent is vanuit Suriname bereikbaar per korjaal (een boomstamkano) of via een veerdienst vanuit Albina.

(meer…)

KOLONIËN ITALIË 8

Protectoraat Albanië (1939-1943) – Deel 2

Nadat de Italianen en Grieken in 1920 na de Vlora-oorlog waren vertrokken werd Albanië formeel een vorstendom, maar omdat er geen koning was benoemd en er ook geen sterke regering was, werd het land in de praktijk geregeerd door grootgrondbezitters en krijgsheren. In januari 1925 riep de machtige krijgsheer Ahmed Zogu, stamhoofd van de machtige islamitische Mati-stam, de republiek uit en benoemde zichzelf als president en premier. Zogu had in de voorgaande jaren heel wat politieke moorden op zijn naam staan en volgens de Albanese eerwraak mocht hij daarom door familieleden van omgekomenen worden gedood. Daarbij gold dat dit niet mocht gebeuren als hij werd vergezeld door een vrouw, zodat Zogu ervoor zorgde dat hij bij de zeldzame keren dat hij het paleis verliet door zijn moeder werd vergezeld. Zogu verplaatste de hoofdstad naar Tirana. In 1928 werd hij als Zog 1 koning van Albanië en voerde een despotisch regime. Om zich te beschermen tegen een steeds toenemend aantal vijanden zocht hij bescherming bij Italië, dat de olievoorraden mocht exploiteren en de Bank van Albanië ging runnen. Door de samenwerking met de Italianen kon elke mogelijke Joegoslavische invloed in het land worden gepareerd. In de jaren 1925-1939 werden door Italië en Albanië diverse verdragen gesloten: (meer…)

KOLONIËN ITALIË 7

Protectoraat Albanië (1939-1943) – Deel 1

Italië had al direct na de stichting van de staat in 1870 koloniale ambities, om in de pas te lopen met de andere Europese landen. Al bij het Congres van Berlijn (1878) lieten de Italianen al weten dat ze bij de opdeling van het Osmaanse Rijk graag het eiland Rodos en de andere eilanden van de Dodekanesos voor zichzelf opeisten. Ook keek men al met een begerig oog naar de provincie Albanië. De prille staat kon op dat moment die ambities niet realiseren. Bij de Koloniale Conferentie van Berlijn in 1886 verkreeg Italië de koloniën Eritrea en Somaliland. Als Italiaans-Eritrea (1886-1960) en Italiaans-Somaliland (1886-1960) zouden ze tot 1960 eerst koloniën van Italië zijn en na de Tweede Wereldoorlog een Italiaans mandaatgebied. In 1960 werd het met Brits-Somaliland samengevoegd tot het huidige Somalië. In Oost-Afrika zouden de Italianen in 1935 ook Abessinië, het huidige Ethiopië, veroveren, maar hier moesten ze hun territoriale ambities al in 1941 opgeven. In Noord-Afrika hield Italië het twee jaar jaren vol. In 1911 had men Libië verovert, maar halverwege de Tweede Wereldoorlog werden de legers van Mussolini definitief uit Libië verdreven, waarbij niet op een oorlogsmisdaad meer of minder werd gekeken. In 1911 kon Italië eindelijk de lang gekoesterde Europese ambities tot uitvoering brengen. Op 25 september 1911 verklaarde Italië de oorlog aan het sterk verzwakte Ottomaanse Rijk en veroverde het, naast Libië in Noord-Afrika, ook de eilandengroep Dodekanesos op het Ottomaanse Rijk.

(meer…)

JAN BOMMERSON – LONDONS/ARDENS

Jan Bommerson (1950) was docent Nederlands, trad op als cabaretier met ‘Jank’ en ‘Martin, Ton en Bommerson’ en als presentator van theater- en smartlappenavonden. Hij publiceerde gedichten en won er in Nederland en België prijzen mee. Hij reist graag naar noordelijke streken, fotografeert er en schrijft erover. In de zomer van 1979 reist hij naar de Noordkaap in Noorwegen en weer terug. Hij legde zijn ervaringen vast in enkele ‘zonderbare verhalen’ die werden gebundeld in ‘NOORS’, over een tot mislukken gedoemde reis door Noorwegen. Zijn tweede boek heet ‘De ontdekking van Shetland’. In dit boek vertelt hij het verhaal over zijn reizen naar de Shetlandeilanden in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het derde boek van Bommerson heeft twee titels en een unieke uitvoering in keerdruk, dus twee omslagen. Aan de ene kant LONDONS en aan de andere kant Ardens. In het midden botsen beide verhalen op elkaar. LONDONS verhaalt over de reiservaringen van de schrijver en zijn vriend Henk Vegter in een naargeestig Lonen gedurende de week van Kerst en oud-en-nieuw in 1973. Oorlog in het Midden-Oosten, een olieboycot en crisis in het westen, bomaanslagen door de IRA, beestenweer in de duistere wereldstad. Een wanhopige zoektocht naar een slaapplaats, wonderlijke ontmoetingen met de meest uiteenlopende figuren helpen hen de totaal onvoorbereide reis te overleven. ARDENS is een compleet ander verhaal. Het vertelt over de avonturen tijdens de tien reizen van Bommerson met Roel Sluiter, de latere burgemeester van Harlingen, naar de Ardennen in de jaren tachtig, altijd in de paasvakantie. Ze zijn er op jacht naar goedkope kitsch en twijfelachtig antiek in de talloze antiekschuren en brics-a-bracs. Dankzij hun ongebreidelde fantasie beleven ze grote avonturen. Hilarische momenten worden afgewisseld door ontregelende opmerkingen en observaties. Beide reisverhalen zijn subtiele portretten van vriendschappen, beeldend en met veel gevoel voor taal en detail onder woorden gebracht.

(meer…)

MAX LÉONS

Max Nico Léons (Rotterdam, 24 november 1921 – Amsterdam, 2 november 2019) werd geboren in een liberaal joods gezin. Begin 1942 weigerde hij een baantje bij de Joodse Raad.  Op 12 juli 1942 kreeg het gezin Léons een oproep om zich te melden voor deportatie naar Polen. Max was er van overtuigd dat alle Joden daar zouden worden vermoord en adviseerden zijn ouders om onder te duiken. Het hele gezin zou op diverse adressen de oorlog overleven. Begin 1943 kwam Max terecht in Nieuwlande, waar hij onder de schuilnaam Nico actief werd in hert verzet. Max had zich aangeleerd plat te praten, waardoor hij minder opviel. Samen met Arnold Douwes zorgde hij in het dorp en directe omgeving voor steeds nieuwe onderduikadressen, zorgde voor het transport van die onderduikers en onderhield alle noodzakelijke contacten. Douwes en Léons zorgde daarmee voor her vreedzame deel van de verzetsactiviteiten van de organisatie van Post, die zelf het gewapende verzet voor zijn rekening nam. Douwes en Léons redden gedurende oorlog het leven van enkele honderden Joden.

In het voorjaar van 1944 moest Léons elders onderdak zoeken, omdat de Duitsers Post en de zijnen steeds meer op het spoor waren. In het najaar van 1944 werd ook Léons opgepakt en in gevangenschap gemarteld. Hij overleefde de oorlog echter wel en werd toen herenigd met zijn ouders, broer en zus. Rond 1950 startte Léons een eenmanszaak als verzekeringsagent. Als Jood kon Léons niet worden onderscheidde door Yad Vashem, omdat het voor Joden een vanzelfsprekende plicht (mitswa) was om andere Joden te redden. Op 23 november 2011 ontving hij als eerste buiten Israël een onderscheiding van The Jews Rescued Jews during the Holocaust Committee en de The B’nai B’rith World Center. Max Léons overleed in 2019 op 97-jarige leeftijd.

Over de belevenissen van Max Leons en Arnold Douwes is een boek verschenen getiteld: ‘Mitswa en christenplicht, bescheiden helden uit de illegaliteit’.

ARNOLD DOUWES

Arnold Douwes (Laag-Keppel, 26 januari 1906 – Utrecht, 7 februari 1999) groeide tussen vijf zusters en twee broers op in een gezin in Laag-Keppel, waar zijn vader dominee van de Gereformeerde Gemeenten was, maar Arnold had al vroeg een belangstelling voor het communisme. Van jongs af was hij een eigenzinnige en onaangepaste persoontje. Hij werd om die reden twee keer van de lagere school gestuurd. Zo stak hij uit een tram hert bordje ‘Verboden te roken’ en hing dat aan de lessenaar van een pijprokende meester. De tweede keer dat hij van school werd gestuurd, had hij een ander gestolen bordje ‘Zeven zitplaatsen’ op de deur van het toilet geschroefd. Hij ging na de lagere school niet naar het voortgezet onderwijs, kwam echter in Nederland niet aan een baantje en vertrok toen naar Noord-Amerika. Tien jaar lang zwierf hij rond door de Verenigde Staten en Canada, maar ook daar lukte het de rusteloze Douwes niet een gezin te stichten en een carrière op te bouwen. Op een gegeven moment had hij zich aangesloten bij de International Labor Defense, een organisatie die streefde naar gelijke burgerrechten. Omdat deze ILD werd verdacht van communistische sympathieën moest Douwes de VS verlaten. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was hij weer in Nederland, waar hij in Boskoop ging wonen en op een boomkwekerij aan de slag ging als hovenier.

(meer…)

NIEUWLANDE

Nieuwlande is een dorp dat is ontstaan als veenkolonie, op een plaats waar vroeger maar liefst vijf gemeente bij elkaar kwamen: Oosterhesselen, Dalen, Hoogeveen, Coevorden en Hardenberg. Bij de gemeentelijke herindeling van 1 januari 1998 zijn de eerste twee onderdelen overgeheveld naar de gemeente Hoogeveen, simpelweg door de gemeentegrens van Hoogeveen ongeveer 1,5 kilometer naar het oosten op te schuiven. Enkele Nieuwlandse huizen bleven echter binnen de gemeenten Coevorden en Hardenberg liggen. In elk geval loopt de gemeentegrens sindsdien niet meer dwars door het dorp.

In de negentiende eeuw liep door het gebied waarop Nieuwlande zou ontstaan de Coehoornsdijk, genoemd naar de vestingbouwkundige Menno van Coehoorn (Britsum, maart 1641 – Den Haag, 17 maart 1704), die vaak de evenknie wordt genoemd van de beroemde Franse vestingbouwer Sebastien Vauban. Van Coehoorn liet de dijk omstreeks 1680 aanleggen als onderdeel van de fortificatie van de stad Coevorden. In 1816 werden voor het gebied vergunningen voor de veenwinning gegeven; rond 1850 vestigden de eerste veenarbeiders zich in het gebied. In 1890 stonden er ongeveer veertig woningen. Op het afgegraven veen werd eerst bos aangeplant, waarvan het hout in diverse Europese landen werd gebruikt om de gangen in kolenmijnen te stutten; de schors ging naar leerlooierijen in onder andere Hoogeveen. Na 1900 verdwenen de bossen echter en maakte men de grond gereed voor landbouw. De Hoogeveense eigenaren verkochten deze grond vooral aan jonge gereformeerde Groninger boeren, die na de eerdere veenarbeiders de tweede groep immigranten in de streek waren. Nu waren het echter kapitaalkrachtige nieuwelingen, die in dertig jaar tijd zo’n vijftig kapitale boerderijen in Nieuwlande lieten bouwen. De naam ontstond pas in nadat in 1909 een van die boeren in de dakpannen van zijn nieuwe boerderij de naam Nieuwlande liet aanbrengen, en dan nog pas na enkele decennia. Het verschil tussen de arme, hervormde veenarbeiders en de rijke, gereformeerde landbouwers bleef tot ver na de Tweede Wereldoorlog merkbaar. Pas nadat veel kanalen waren gedempt en er een grootschalige sanering van het veengebied had plaats gevonden verdwenen de vroegere sociologische tegenstelling.

(meer…)

GERRIT SCHOONMAN (62)


Geert Schoonman (Wormerveer, 31 augustus 1917 – Vliegveld Twente, 13 oktober 1944) groeide op in Zaandam. Een opvallende verschijning van bijna twee meter lang en een rode haardos. Vanwege zijn handigheid en kennis van techniek komt hij in het Nederlandse leger bij de genie. Hij was sergeant-capitulant bij de genietroepen toen de oorlog uitbrak. In de meidagen van 1940 vocht Geert op de Grebbeberg. Na zijn mobilisatie op 15 juli 1940 kreeg hij een baan als ambtenaar bij de belastingen als grenscommies in Glanerbrug. Via collega-douanier Harry Saathof ontmoette hij in januari 1941 Johannes ter Horst, die op dat moment al zeer actief was in de illegaliteit. Geert werd daarna ingezet om uit Duitsland gevluchte Franse krijgsgevangenen in veiligheid te brengen. In een latere fase hielp hij Joden en neergeschoten geallieerde piloten aan een onderduikadres. Dit laatste in samenwerking met Johannes ter Horst en Jules Haeck. Hij werkte daarbij onder de schuilnaam Rooie Geert.

Op 5 oktober 1942 werd Schoonman overgeplaatst naar Zundert, maar op  12 december 1943 liet hij zich terugplaatsen naar Glanerbrug en ging wonen in Enschede. In februari 1944 werd hij lid van de KP-Enschede, die onder leiding stond van Ter Horst, die inmiddels een goede vriend van hem was geworden. Deze knokploeg voerde diverse acties uit, waaronder de zeer gewaagde bevrijding op 11 mei 1944 uit de Koepelgevangenis in Arnhem van onder meer ds. Frederik Slomp (‘Frits de Zwerver’) en Henk Kruithof, twee kopstukken van hert Twentse verzet. Ook Harry Saathof was hierbij betrokken. Hij werd als vermeende arrestant opgebracht door Johannes ter Horst en Geert Schoonman. Het Arnhemse Huis van Bewaring werd op 11 juni 1944 voor de tweede keer door Ter Horst en Schoonman bezocht, waarbij het tweetal maar liefst 56 gevangenen wisten te bevrijden, de grootste en meest succesvolle bevrijdingsactie uit de bezetting. Beide acties stonden onder leiding van de LKP-leider Liepke Scheepstra.

(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 36

JULES HAECK

Jules Haeck (Croix, Frankrijk, 1 september 1894 – Weerselo, 7 oktober 1944) was vanuit zijn geboorteland Frankrijk in 1918 naar Hengelo verhuisd, nadat hij aan het eind van de Eerste Wereldoorlog uit het Franse leger was gedeserteerd en eerst naar België was getrokken en daar ontsnapte gevangenen had geholpen. In Hengelo werd hij eerst kostganger in het gezin van de familie van Sietse Dekema. In 1925 begonnen hij samen met Sietse een groothandel in groente en fruit, de firma S. Dekema & J. Haeck. De firma zou tot 1931 blijven bestaan. In sommige publicaties over Haeck wordt abusievelijk gezegd dat hij in Hengelo een groenteventer was. Bij de Dekema’s ontmoette hij Manie Jetten. Ze besloten niet in het huwelijk te treden, maar als partners verder samen te leven. In september 1933 verhuisde naar Arnhem, waar in januari 1934 werd hier de tweeling René en Irene geboren. In november 1934 waren ze weer terug in Hengelo en zette Jules een nieuwe groothandel in groenten en fruit op. De zaak zou bij een bombardement op 7 oktober 1944 volledig worden verwoest.

Al in 1941 werd Jules Haeck benaderd om een ontsnapte Franse krijgsgevangene te helpen. Een logische keuze omdat hij de Franse taal uiteraard volledig beheerste en familie in Frankrijk had wonen om verdere ondersteuning te kunnen geven. Het mondde uit in het opzette van een omvangrijke ontsnappingsroute waardoor tientallen gevluchte Franse krijgsgevangenen en geallieerde piloten richting Frankrijk konden worden doorgesluisd. In ‘De lijst van Haeck’, een boek van H.B. van Helden werd Haeck’s hulpverlening, dat een zeer omvangrijke biografie geeft van Jules Haeck en de hulp aan piloten, globaal in drie fasen onderverdeeld: (meer…)

YOSEMITE (1915)

Albert Arthur Allen (Boston, 8 mei 1886 – Hayward, 25 januari 1962) was een Amerikaans fotograaf en filmregisseur, die vooral bekend werd door de vele naaktportretten die hij in de twintiger en dertiger jaren maakte. Hij werd geboren in een vooraanstaande en rijke familie in New England. Hij kreeg zijn opleidingen in Boston. Op 21-jarige leeftijd verkaste hij naar Californië, waarna hij jarenlang de staat doortrok. Enerzijds vanuit een zucht naar avontuur naar het gebied dat pas in ontwikkeling kwam, anderzijds om zich steeds meer in allerlei kunstvormen te bekwamen. In het begin van zijn carrière maakte Allen een aantal prachtige landschapsfoto’s van Yosemite National Park in het oosten van Californië. Pas vanaf de eerste helft van de 19e eeuw verkenden uit Europa afkomstige Amerikanen voor het eerst het Sierra Nevada-gebergte en ontdekten toen de Yosemite Valley die werd bewoond door de Ahwahnechee, een stam van Sierra Miwok-indianen. Deze werden door de kolonisten met geweld uit het gebied verdreven. In 1890 werd door natuurbeschermers het Yosemite National Park opgericht, een van de eerste nationale parken in de wereld. Het natuurpark is beroemd om de Yosemite Valley, een door gletsjers ontstaan dal met granieten rotswanden, door het hooggebergte, de heldere bergrivieren en watervallen en de zeldzame reuzensequoiabossen. Vanaf eind negentiende eeuw werd Yosemite Valley bij een breed stedelijk publiek bekend en een geliefde toeristische attractie door de verspreiding van schilderijen, foto’s en artikelen in allerlei publicaties. Albert Arthur Allen heeft hieraan een bescheiden steentje bijgedragen, zie hiervoor onderstaande foto’s.

(meer…)

NIEDERMACHUNGSBEFEHL 2

De opeenvolgende Duitse nederlagen, het toenemende verzet in de bezette gebieden, de aanslag van Von Stauffenberg en Hitlerbefehl D-762 hadden ook grote gevolgen op de manier waarop de Duitse bezetter omging met het Nederlandse verzet. In het algemeen werd tot juli 1941 uitgegaan van ‘rechtvaardige’ vonnissen, uitgesproken door rechtbanken die weliswaar werden geacht precies te doen wat de bezettende macht van hen verlangde, maar toch de schijn ophielden dat correct via het recht en de vastgelegde procedures werd gehandeld. Vooral de steile jurist Arthur Seyss-Inquart werkte graag via deze lijn. Hij was overigens ook niet te beroerd hier in noodgevallen onverbiddelijke van af te wijken. Tijdens de Februaristaking op 25 en 26 februari 1941 naar aanleiding van de eerste razzia’s in Amsterdam waarbij honderden Joodse mannen werden opgepakt, stapte hij over op standrecht om met de demonstranten af te rekenen. De Duitsers braken de staking met geweld, intimidatie en meedogenloos ingrijpen. Er waren negen doden en 24 zwaargewonden te betreuren; vele demonstranten werden gearresteerd. Amsterdam kreeg een boete opgelegd van vijftien miljoen gulden, Zaandam van een half miljoen gulden en Hilversum 2,5 miljoen gulden. De Joodse communist Leendert Schijveschuurder, die op 5 maart 1941 werd betrapt op het aanplakken van nieuwe stakingsoproepen, werd de andere dag als eerste Nederlander standrechtelijk geëxecuteerd. Op 13 maart 1941 werden op de Waalsdorpervlakte drie communistische Februaristakers (Hermanus Coenradi, Joseph Eijl en Eduard Hellendoorn) en vijftien leden van de Geuzen-verzetsgroep door een Duits vuurpeloton gefusilleerd. Daarnaast werden 22 communisten veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen die in Duitsland moesten worden uitgezeten.

(meer…)

NIEDERMACHUNGSBEFEHL 1

In juni 1944 werd SS-generaal Karl Eberhard Schöngarth (Leipzig, 22 april 1903 – Hamelen, 16 mei 1946) een nieuwe functie binnen het Reichssicherheitshauptamt (RSHA), de overkoepelende veiligheidsdienst van het Derde Rijk die op 27 september 1939 door Heinrich Himmler was opgericht. Deze organisatie was een samenvoeging van de Sicherheitsdienst, de Gestapo en de Kriminalpolizei en had als doel alle ‘vijanden van het Rijk’ (zoals communisten, vrijmetselaars, Joden, zigeuners en andere ‘ongewenste rassen’) te bestrijden, zowel binnen als buiten Duitsland. Schöngarth werd in Nederland de bevelhebber van de Sicherheitspolizei en Sicherheitsdienst, en kwam daarmee rechtstreeks onder Generalkommissar für das Sicherheitswesen, Hanns Albin Rauter.

Schöngarth, de zoon van een bierbrouwer in Leipzig, zou in 1920 hebben meegedaan aan de Kapp-putsch, een mislukte staatsgreep. Van 1922 tot 1924 was hij lid van de NSDAP en de Sturmabteilung (SA). In de periode 1924-1929 studeerde hij  rechten en trad daarna in dienst van de Pruisische overheid. In 1935 aanvaarde hij een baan bij de Gestapo en spoedig daarna bij de Sicherheitsdienst (SD). Vanaf 1936 was hij opnieuw lid van de NSDAP en ook van de SS. In 1940 was hij als reserve-luitenant van de Luftwaffe betrokken bij de Slag om Frankrijk. Daarna werd hij luitenant-kolonel van politie. Van begin 1941 tot midden 1943 was hij Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD in het Poolse Generaal-Gouvernement. In juli 1941 leidde hij een Einsatzkommando zur besonderen Verfügung (onderdeel van de zogeheten Einsatzgruppen), die in Lemberg verantwoordelijk was voor de moord op zeker twintig professoren en anderen medewerkers van de universiteit. Een actie die onderdeel was van een campagne van de nazi’s om de Joodse en Poolse intellectuele elite uit te roeien. (meer…)

KOLONIËN ITALIË 6

Kos 1912Italië had al direct na de stichting van de staat koloniale ambities, om in de paste lopen met de andere Europese landen. Bij het Congres van Berlijn (1878) lieten de Italianen al weten dat ze bij de opdeling van het Osmaanse Rijk graag het eiland Rodos en de andere eilanden van de Dodekanesos voor zichzelf opeisten. Ook keek men al met een begerig oog naar de provincie Albanië. De prille staat kon op dat moment die ambities niet realiseren. Meer succes had men tijdens de Koloniale Conferentie van Berlijn (november 1884 – februari 1885), waar veertien Europese landen en de Verenigde Staten onbeschaamd Afrika verdeelden. Italië kreeg Somalië-Eritrea en Libië toebedeeld, wat eigenlijk een teleurstelling voor hen was, omdat men vooral belangstelling had voor Tunesië. Daar waren in 1881 de Fransen hen echter te slim af geweest, waarna de interesse verschoof naar de Osmaanse provincies Cyrenaica, Tripolitanië en Fezzan. In 1902 sloten Italië en Frankrijk een overeenkomst, waarmee Italië de vrije hand kreeg in die drie provincies, terwijl Frankrijk de vrijheid kreeg in Marokko. In 1911 werd Marokko een Frans protectoraat en begon Italië met de verovering van Libië. De Italianen wilden van de zwakte van de Osmanen ook gebruikmaken door haar oude ambities in de Balkan en het oostelijk deel van de Middellandse Zee te realiseren. Op 25 september 1911 verklaarde Italië de oorlog aan het Ottomaanse Rijk.

De Italiaanse-Turkse Oorlog begon op 29 september 1911 en eindigde op 18 oktober 1912. De oorlog staat ook bekend als de Tripolitaanse Oorlog of als Italiaanse verovering van Libië, want daar lag de kern van de oorlog. Hoewel de Italianen vele malen sterker waren dan de Osmaanse Turken, die nog volop bezig waren met de modernisering van hun leger, wisten de Osmaanse legers met de hulp van Libische stammen onverwacht veel weerstand te bieden. Vanwege de moeizame oorlog in Libië, zochten de Italianen daarop steun op de Balkan. Daar stonden de Bulgaren, Grieken, Serven en Montenegrijnen in een gezamenlijke liga klaar om de wapens op te nemen tegen hun overheersers. Op 13 maart 1912 kwamen deze vier christelijke volken in opstand, wat in 1912-1913 zo leiden tot de Eerste Balkanoorlog.

(meer…)

ALBERT KEUTER (61)

Albert Keuter (Blokzijl, 7 januari 1892 – Bergen-Belsen, 10 maart 1945) was eerst predikant geweest in Oost- en West Graftdijk (1917), Twisk en Medemblik (1920) en Akkrum (1925), voordat hij predikant werd bij het Doopsgezinde Broederschap in Den Haag. Tot die dorpsgezinde gemeente behoorden ook de honorair consul van Finland A.J.Th. van der Vlugt en Lambertus Neher (Amsterdam, 13 september 1889 – Voorst, 22 augustus 1967), die vanaf 1935 directeur van het Haagse telefoniebedrijf. Hij werd in 1943 door de Duitsers ontslagen omdat hij zich actief ingezette bij een ambtenarenactie tegen de verplichte Arbeitseinsatz. Onder de verzetsnaam Dijkstra was Neher actief in het verzet. Als lid van het Nationaal Comité van Verzet zorgde hij voor de coördinatie van het inlichtingenwerk verzorgde. Voor de Ordedienst zette Neher een uitgebreid illegaal telefoonnet op en samen met Herman Jan van Aalderen zette hij een geheim telefoonnetwerk op via het seinwezen van de Nederlandse Spoorwegen. In de zomer van 1944 werd hij lid van de Contactcommissie van de Groote Advies-Commissie der Illegaliteit en ook was hij lid van het College van Vertrouwensmannen, die vanuit Londen werd opgezet.

In Den Haag werkte Keuter nauw samen met ir. Casper ter Galestin, die ook lokale verzetsgroep van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) leidde. Ook zijn zoon Barend Klaas (‘Jons’) was lid van deze verzetsgroep Ter Galestin die zich bezig hield met de coördinatie van de hulpacties voor bemanningen van neergeschoten geallieerde vliegtuigen. Elke week werden neergeschoten Britse piloten uit Friesland gesmokkeld. Dit gevaarlijke werk combineerde Keuter met het onderbrengen van joden en met zijn taak in de gemeente. Op 2 januari 1944 preekte hij met de tekst ‘Sta op en ga uit’, een felle aanklacht tegen de bezetter.

(meer…)

KAREL DERKZEN VAN ANGEREN (60)

Karel Hendrik Derkzen van Angeren (Hof van Delft, 2 februari 1903 – Keulen, 25 november 1943) was de zoon van Antoon Derkzen van Angeren (Delft, 21 april 1878 – Bedford (Canada), 14 juni 1961), een Nederlands etser, graficus, kunstschilder en van 1917 tot 1943 docent aan Academie voor Beeldende Kunsten te Rotterdam. Hij wordt gezien als grondlegger en nestor van de Rotterdamse grafiek. In 1952 emigreerde hij met zijn vrouw naar Canada. Toen de oorlog uitbrak was Karel Derkzen van Angeren de procuratiehouder bij Quick Dispatch in Antwerpen, een bedrijf dat was gespecialiseerd in de overslag van bulkgoederen. Het bedrijf was eigendom van Henk van Dulken en zijn zoon Frans, die met Anna Maria Swarttouw was getrouwd. Henk van Dulken was in Antwerpen ook de voorzitter van de Nederlandsche Vereeniging. Een latere telg van de Swarttouw-dynastie was Frans Swarttouw (Den Haag, 15 december 1932 – Amsterdam, 3 februari 1997) die eind twintigste eeuw probeerde vliegtuigbouwer Fokker van de ondergang te redden en voor de Rotterdamse havens de overgang naar containervervoer stimuleerde.

Tijdens de meidagen van 1940 stelde Derkzen van Angeren zich met zijn auto ter beschikking van de Koninklijke Landmacht.
In december 1941 werd Derkzen door C.L. Kist gerekruteerd om inlichtingen in te winnen over Duitse vliegvelden en munitiedepots. Dat was binnen het spionagenetwerk van majoor J. de Mascureau, die onder de schuilnaam Roger le Saule opereerde. Die was in 1939-1940 de Franse militair attaché in Den Haag geweest en had toen Jan Somer (Assen 22 oktober 1899 – Bussum, 3 april 1979) leren kennen, een Nederlands militair die eerst bij de KNIL in Nederlands-Indië had gediend en vanaf 1928 als leraar was verbonden aan de KMA in Breda. (meer…)

IK ZAL HANDHAVEN


De Leidse verzetsgroep ‘Ik zal handhaven’ bestond vooral uit studenten en was actief in spionage- en sabotageacties. Van 1 oktober 1940 tot en met 1 december 1943 gaven zij het illegale blad ‘Ik zal handhaven’ uit, dat praktische aanwijzingen bevatte voor de techniek en tactiek van het openlijk verzet, vooral bestemd voor personen die direct met de bezettingsautoriteiten te maken hadden, zoals ambtenaren. De betrokkenen waren onder meer de studenten drs. J .F. van Walsem, een chemicus en de vermoedelijke oprichter, H. ’t Hart, D.A.E. de Loos, F.N.F. van der Schrieck en de officieren C.L. Kist en Sj. Nauta en de cadet-vaandrig A.C.L. de Klerck. Deze aspirant-officieren hadden hun toevlucht gezocht bij de Leidse universiteit.
Het blad verscheen in Leiden van de herfst in 1940 tot december 1943 een tijdje regelmatig (maandelijks) in een oplage van 500 stuks, maar na de herfst van 1941 werd de uitgave onregelmatig. Het waren stencils waarvan de inhoud voornamelijk bestond uit binnenlandse berichten, humor en opinieartikelen. De exemplaren werden ook onder de Duitse Weermacht verspreid. Rond september 1941 werd door de redactie een lijst opgesteld van verraderlijke en onbetrouwbare officieren, studenten en dames uit deze kringen. Deze lijst werd in een oplage van 1000 exemplaren verspreid en later vele malen aangevuld en opnieuw vermenigvuldigd.

(meer…)

LOUIS KIST

Cornelis Louis Kist (Bandoeng, 19 juli 1916 – Leusden, 24 juni 1943) was een 2e luitenant van de infanterie KNIL, die op 26-jarige leeftijd op de Leusderheide werd gefusilleerd. Met hem werden daar zeven andere verzetsmannen door de Duitsers vermoord. Dat waren Johannes Hendricus van Dongen (05-11-1916), chemicus Johannes Hovenkamp (16-10-1913), militair Adriaan Cornelis Laurens Klerck (21-06-1917) en militair Cornelis Spaans (14-07-1922), die op 6 augustus 1942 betrokken waren bij de liquidatie van verrader Izak Anthonie Daane bij Schipborg in Drenthe. Verder stratenmaker Henri Pieter Drenth (20-10-1917), monteur Willem Hendrik ’t Hart (27-10-1916) en militair Adriaan Cornelis Laurens Klerck (21-06-1917), die lid waren van de Zeeuwse verzetsgroep Van Beest, die samen met enkele andere leden van deze verzetsgroep hadden deelgenomen aan de aanslag op de verrader Gerard Stellbrink op 14 oktober 1941 in Haarlem. Louis Kist werd na de oorlog postuum onderscheiden met de Bronzen Leeuw, een onderscheiding die op 30 maart 1944 bij Koninklijk Besluit werd ingesteld en kon worden toegekend aan Nederlandse militairen die zich in de strijd tegenover de vijand door het bedrijven van bijzonder moedige en beleidvolle daden hadden onderscheiden. De Nederlandse Oorlogsgravenstichting plaatste op haar website onderstaand artikel over Louis Kist.

(meer…)

EDZARD BOSCH VAN ROSENTHAL (59)

Edzard Jacob Bosch ridder van Rosenthal (Dordrecht, 27 mei 1892 – Almen, 2 april 1945) was een telg uit het geslacht Van Rosenthal, die vermoedelijk uit Wesel stamde en waarvan Hans Heinrich Conrrad von Rosenthal (1762-1822) in 1787 met hert Pruisische leger naar Nederland kwamen. Hij huwde in 1790 met Louisa Anna Bosch, dochter uit een Culemborgse familie. Sindsdien voerde deze Nederlandse tak van de familie de naam Bosch van Rosenthal. Twee van hun zonen werden in 1834 en 1843 ingelijfd in de Nederlandse adel. De mannelijke leden mogen de titel ridder voeren; de vrouwelijke leden jonkvrouw.

Edzard Bosch van Rosenthal was watergraaf van het Waterschap De Berkel in Oost-Gelderland. Het waterschap was in 1882 door de Provinciale Staten van Gelderland opgericht voor het waterbeheer van de rivieren de Berkel en de Groenlose Slinge. Het waterschap is in 1997 opgegaan in het Waterschap Rijn en IJssel. De Berkel ontspringt in Duitsland ontspringt, stroomt door de Achterhoek en mondt bij Zutphen in de IJssel. De Groenlose Slinge is een laaglandbeek die ontspringt achter Winterswijk en mondt tussen Lochem en Borculo uit in de Berkel. Hij woonde in Huis Den Dam te Eefde, een monumentaal landhuis dat vroeger een van de 36 erkende havezaten in het kwartier Zutphen was. Het is sinds 2015 een rijksmonument. Zijn broer L.H.N. Bosch van Rosenthal was de Commissaris der Koningin in de provincie Utrecht en sinds 1944 voorzitter van het College van Vertrouwensmannen, dat door het kabinet-Gerbrandy I was ingesteld om vanaf de bevrijding tot de terugkeer van de regering in Nederland als haar vertegenwoordiger op te treden en zo te voorkomen dat er tijdelijk een gezagsvacuüm zou ontstaan. De door de regering aangewezen leden uit het bezet gebied waren voormalige politici en vertegenwoordigers van het verzet.

(meer…)

ROELOF JAN DAM (58)

Roelof Jan Dam (Barneveld, 18 november 1896 – Assen, 10 april 1945) studeerde in 1922 af toen hij al twee jaar docent klassieke talen aan het gereformeerde gymnasium in Kampen was. Van 1925-1930 gaf hij les op het christelijke lyceum in Zutphen, waarna hij weer terugkeerde naar Kampen als rector. In dat voormalige lyceum in nu een zaal naar hem genoemd, de Dr. R..J. Damzaal. Dat jaar behaalde hij cum laude zijn doctorsgraad aan de rijksuniversiteit in Utrecht. Dam was zeer calvinistisch en rechtlijnig. Hij was ouderling van de gereformeerde kerk in Kampen en was een volgeling van Klaas Schilder en volgde hem in de Vrijmaking in augustus 1944.

Hij kwam al vroeg in verzet tegen het nationaalsocialisme. In 1940 woonde hij bijeenkomsten bij van de Lutherse Kring en als lid van de Anti-Revolutionaire Partij ARP) had hij contact prof. Mr. Victor Henri Rutgers (‘s-Hertogenbosch, 16 december 1877 – Bochum, 5 februari 1945), een advocaat, ARP-Tweede Kamerlid, vooraanstaand lid van de Gereformeerde Kerken en kortstondig minister van Onderwijs in het eerste kabinet-Colijn. Hij was in de jaren 1933-1934 en 1940-1942 rector van de Vrije Universiteit. Rutgers was fel anti-Duits en zat vanwege zijn rol in het verzet in oktober-november 1940 enkele weken vast. In april 1943 werd hij opnieuw gearresteerd, toen op verdenking lid te zijn van het Groot Burger Comité, dat voorlichting en adviezen gaf aan de regering in Londen en maatregelen voorbereidde voor het geval er in ons land een gezagsvacuüm zou ontstaan. Aan de werkzaamheden van het comité kwam een einde, toen begin april 1943 alle leden door toedoen van de V-Mann Van der Waals werden gearresteerd. Begin september 1943 werd Rutgers weer vrij gelaten. Op 26 april 1944 probeerde hij vergeefs in een gammel bootje naar Engeland te gaan. Hij kreeg een straf van twee jaar tuchthuis en overleed vlak voor de bevrijding in de gevangenis van Bochum. Een ander vooraanstaand ARP-lid waarmee Dam contact had en die zijn deelname aan het verzet beïnvloedde was dr. Dr. Sieuwert Bruins Slot, die later van 1956 tot 1963 de Tweede Kamerfractie van de ARP zou leiden. In de oorlog nam hij ontslag als burgemeester en speelde in het verzet een belangrijke rol bij het illegale Trouw, waar hij na de oorlog als hoofdredacteur aan verbonden bleef.

(meer…)

STRIJDEND NEDERLAND

De historica Lydia Winkel (Semarang, 4 mei 1913 – Guignes, 12 april 1964) schreef in 1954 het standaardwerk ‘De ondergrondse pers 1940-1945’. In de jaren 1941-1942 was zij betrokken bij het verzetsblad Vrij Nederland. In die periode kwam ze in contact met prof. N.W. Posthumus, die haar vroeg om mee te helpen bij het verzamelen en bewaren van Nederlandse illegale bladen en pamfletten uit de Tweede Wereldoorlog. Daardoor kwam Winkel direct na de bevrijding als eerste medewerkster in dienst van het toenmalige Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Ze bracht een imposante collectie van illegale bladen en pamfletten bijeen. Van 1176 titels (zowel bladen als pamfletten) had ze één of alle uitgaven achterhaald, maar ook steeds zoveel mogelijk feiten bijeen gesprokkeld omtrent het ontstaan en de verdere geschiedenis van de titels. Tijdens het schrijven van het boek kwamen er nog 14 titels bij. In een herziene uitgave in 1989 was het aantal illegale publicaties gestegen van 1190 naar bijna 1300 titels. Een van die 1.300 titels is Strijdend Nederland; het contact met de vrije wereld, dat vanaf 1 augustus 1943 tot 17 april 1945 in Kampen werd uitgegeven, drie keer per week en in een oplage tussen de 14 en 600 exemplaren. Initiatiefnemer voor het blad was Roelof Jan Dam, rector van het Gereformeerd Gymnasium van Kampen en vertegenwoordiger van de verzetskrant Trouw voor de vier noordelijke provinciën.

(meer…)

DIRK ARIE VAN DEN BOSCH (57)


Dirk Arie van den Bosch (Hazerswoude, 23 oktober 1884 – Amersfoort, 20 maart 1942) was de zoon van een veeboer. Het nakomertje in het gezin heeft echter weinig affiniteit met het boerenbestaan. In hervormde kring omschreef men dat als volgt: ’Als kind kent hij al het verlangen om in Gods wijngaard werkzaam te zijn’. Hij kreeg op school bijles om hem klaar te stomen voor het gymnasium in Leiden. In Leiden ging hij ook theologie studeren. Op 4 september 1910 werd hij als predikant bevestigd in Nieuw-Vennep, nadat hij in het huwelijk was getreden met Catrien Fortgens, de dochter van zijn leermeester in Hazerswoude. In 1914ging hij naar het Groningse Stedum. Twee jaar later aanvaardde hij een betrekking in Den Haag, tot diepe teleurstelling van de Stedumers. Een ervan verwoordde zijn teleurstelling: ‘Ik mag lijden dat hij met zijn hele verhuisboel de gracht inrijdt.’ In Den Haag kreeg hij de verantwoordelijkheid voor een wijk met 11.000 adressen en zo’n 20.000 zielen. In korte tijd maakte hij naam als bewogen prediker, trouw pastor en begaafd spreker. Het leverde hem de bijnaam ‘de Haagse Spurgeon’ op, een verwijzing naar de 19e-eeuwse Engelse baptistenpredikant Charles Haddon Spurgeon (Kelvedon, 19 juni 1834 – Menton, Frankrijk, 31 januari 1892) die een grote reputatie had binnen de protestante kerk. Duizenden kwamen af op de preken van Van den Bosch, waarin hij van leer trok tegen het nazisme en de Jodenvervolging in Duitsland. Zoals veel mensen uit de christelijke wereld had hij een grote afkeer van het nationaalsocialisme. Scherp veroordeelde hij de Jodenvervolging in Duitsland. Meermalen sprak hij op toogdagen van Elim, de Nederlandsche Vereeniging voor Zending onder Israël. Op 26 juni 1940, anderhalve maand na de inval van de Duitsers, opende de moedige predikant in Den Haag een zendingshuis voor Joden, die onder Elim wordt geplaatst. Begin 1941 wordt het pand door de Duitsers in beslag genomen en leeggeroofd. Op dat moment zit Van den Bosch al in hechtenis.

(meer…)

LUDO BLEYS (56)

Pater Ludovicus Adrianus Bleys werd op 17 oktober 1906 geboren in de Tilburgse wijk Veldhoven in het gezin van schoenmaker Adrianus Bleijs en Joanna Maria Meijers. Om onduidelijke redenen is zijn naam later gewijzigd in Bleys. Hij werd op 30 mei 1931 tot priester gewijd en was onder andere pater-kapelaan in de Kapel in ’t Zand naast het redemptoristenklooster in Roermond. De Congregatie van de Allerheiligste Verlosser (Congregatio Sanctissimi Redemptoris, C.Ss.R.) is een katholieke congregatie, meestal de redemptoristen genoemd, die een sterk christocentrische spiritualiteit hebben en erg zijn gericht op retraites, deels in eigen retraitehuizen, deels in volksmissies en vastenprediking. In de oorlog was hij onder de verzetsnaam Lodewijk actief op allerlei fronten en betrok vele jonge mensen bij zijn verzetsactiviteiten. Hij was vanaf het begin tegenstander van de gelijkschakeling met de Duitse opvattingen en methoden en werd lid van de Nederlandsche Unie omdat hij in deze beweging een mogelijkheid zag zich af te zetten tegen het nationaalsocialisme. Toen in Limburg onder leiding van reserve-generaal-majoor b.d. J.R.L. Jans de Ordedienst (OD) actief werd, werd Bleys belast met de geestelijke verzorging. Hij was de raadsman van iedereen die onder de verplichtingen van de arbeidsdienst vielen. Zijn bemoeienissen hadden tot gevolg dat hij zich moest verantwoorden bij de procureur-generaal in ‘s-Hertogenbosch, maar daar wist hij zich vrij te pleiten. Hij was later in zijn woonplaats Roermond een van de oprichters van de Limburgse Onderduikorganisatie (LO), die eind 1943 onderdeel werd van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). De Venlose onderwijzer Jan Hendrikx werd hun regionale vertegenwoordiger. Nadat de LO was gedwongen zich te reorganiseren, was Hendrikx ook lid van de zgn. Landelijke Top. Pater Bleys had contact met Jan Hendrix en stond ook in voortdurend contact met drs. J.L. Moonen, de secretaris van de bisschop van Roermond.

(meer…)

HENK BEERNINK (55)

Henk Beernink (Hendrikus Dirk Jan) (Lichtenvoorde, 3 februari 1910 – Zwolle, 8 februari 1945) woonde van januari 1932 tot eind november 1933 in Oldenzaal. Hij was toen leerling machinist bij de Nederlandse Spoorwegen. Hij was in de kost bij de wed. G. Kuijers aan de Julianastraat 51, later bij G. T. Derksen een paar huizen verderop. Daarna vertrok hij weer naar zijn ouders en zus in Winterswijk. In Mei 1938 trouwde hij met Riek te Riet, een jaar later verhuisden ze naar de Harculostraat 6 te Zwolle, waar in april 1940 hun dochtertje Rineke (Renée) werd geboren. Hij was inmiddels telegraafwerker bij de Nederlandse Spoorwegen. Op 8 februari 1947 zou de Harculostraat naar hem worden vernoemd. Hij was eerste telegraafwerker bij de Nederlandse Spoorwegen te Zwolle en gaf les aan aankomende technici bij de spoorwegen. In het eenvoudige milieu waarin hij opgroeide gold een technische basisopleiding als het hoogst haalbare. Hij had grote belangstelling voor geschiedenis en genealogie, was politiek liberaal georiënteerd en Nederlands-hervormd van gezindte. Niet bijzonder kerks, maar wel religieus geïnspireerd in zijn kijk hoe je met mensen omging. Beernink stond bekend als een wat introverte man, niet altijd even makkelijk in de omgang, maar wel erg wel toegankelijk. En zeer sociaal iemand, bij wie ‘alles kon’. Er was bij hert gezin Beerninks altijd volk over de vloer, zowel overdag als ’s nachts. Het was een voortdurend komen en gaan van mensen, plotselinge eters en slapers. De drukte, rommel en vuile schoenen maakte Henk en zijn vrouw niets uit.

(meer…)

KOLONIËN ITALIË 5

Op 1 maart 1911 begonnen de Italiaanse Nationalistische Vereniging een wekelijkse krant, L’Idea Nazionale. De verschijningsdatum 1 maart was niet toevallig, maar werd gekozen vanwege de 15e verjaardag van de voor Italië verpletterende nederlaag in de Slag bij Adwa. Italië had in de jaren 1885-1890 de Afrikaanse gebieden Eritrea en Somalië veroverd en zocht daarna uitbreiding naar het buurland Ethiopië. Keizer Menelik II van Ethiopië was hier zeer fel tegen, maar stemde ermee in om een verdrag met Italië te sluiten. Hij droeg een aantal gebieden van Ethiopië aan Italië over in ruil voor de verzekering dat Ethiopië onafhankelijkheid zou blijven en van Italië financiële en militaire hulp kreeg. Op 2 mei 1889 tekenden koning Menelik II van Shewa (later de keizer van Ethiopië) en Graaf Pietro Antonelli van Italië in het kleine Ethiopische stadje Wuchale het Verdrag van Wuchale, waarmee enerzijds de Italiaanse bezetting van Eritrea werd erkend en anderzijds de vriendschap en handel tussen Italië en Ethiopië werd vastgelegd. Het doel was een langdurige, vreedzame onderlinge relatie op te bouwen, maar door kleine verschillen in de Italiaanse en Amhaarse versie van het verdrag ontstond er al snel een conflict tussen beide landen. De Italiaans versie verklaarde dat Ethiopië verplicht was alle buitenlandse zaken via Italiaanse autoriteiten te regelen, waardoor Ethiopië in feite een Italiaans protectoraat werd. De Amhaarse versie gaf Ethiopië aanzienlijke autonomie, met de mogelijkheid om via de Italianen met derde mogendheden te communiceren. Dit verschil leidde ertoe dat Menelik II in 1893 het verdrag opzegde. De Italianen wilden via oorlog alsnog hun gelijk af te dwingen, maar de Eerste Italiaans-Ethiopische Oorlog (1895-1896) eindigde voor hen in een nederlaag. In 1895 haalden Italiaanse troepen vanuit Eritrea voortgang, maar al snel worden ze door Ethiopische troepen gestopt. Die vielen daarna de Italiaanse posities aan en zorgde ervoor dat de Italianen het belegerde fort Mekele moesten opgeven. De Italiaanse nederlaag kwam daarna tot stand bij de Slag bij Adwa, waar het Ethiopische leger de zwaar in de minderheid zijnde Italiaanse soldaten en Eritreeërs versloegen en dwongen tot een smadelijke terugtocht naar Eritrea. De Ethiopiërs hadden hun wapens geleverd gekregen door Drankrijk en Rusland. Sommige Eritreeërs, die door de Ethiopiërs als verraders werden beschouwd, werden gevangengenomen en verminkt. De oorlog eindigde op 23 oktober 1896 formeel met de Verdrag van Addis Abeba, waarmee het Verdrag van Wuchale nietig werd verklaard en Ethiopië als een onafhankelijk land werd erkend. Aansluitend sloten ook Frankrijk (januari 1897) en Groot-Brittannië (mei 18970 verdragen met Ethiopië. Het was de eerste overwinning van Afrikaanse troepen op een Europese koloniale macht, waardoor deze oorlog het symbool werd van panafrikanisme. In 1936 veroverde de Italianen Ethiopië alsnog, maar daarover later meer.

(meer…)

DE ORDEDIENST 3

In de periode november 1941- september 1942 waren de Duitsers er op uit om de Ordedienst volledig uit te schakelen, want ze veronderstelde dat het een bewapende strijdgroep was, die niet alleen de Engelsen kon helpen om Duitsland aan te vallen, maar ook al eerder tot sabotage, inlichtingenwerk en andere vormen van daadwerkelijk verzet kon overgaan. Had de organisatie niet een militaire structuur met commandanten, leden door het hele land en een schriftelijk plan met richtlijnen voor het handelen? Het gevolg was een grote arrestatiegolf,wat niet alleen het resultaat was van hardnekkige vervolging door de Duitse bezetter, maar ook van onvoorzichtigheid, van informatie uit eerdere verhoren, van pure pech én van verraad. De organisatie was namelijk geïnfiltreerd door ‘vertrouwensmannen’ die voor de Duitsers werkten zoals Mozes Brandon Bravo, Engelbertus Brune, Johnny de Droog, George Ridderhof en Anton van der Waals. De Sicherheitspolizei kreeg bovendien hulp van twee Haagse politiemannen, Leo Poos en Marten Slagter, die betrokken waren bij arrestaties en verhoren van personen die in het verzet zaten. 

Terwijl in april 1942 het Eerste OD-proces tegen leden van de Ordedienst, de Mekel-groep en de Schoemaker-groep door de Sicherheitsdienst lopend was, werd door dezelfde Duitse dienst het Tweede OD-proces al voorbereid. Op dat moment zaten namelijk in de gevangenis van het ‘Oranjehotel’ te Scheveningen zo’n driehonderd gearresteerde leden van de Ordedienst, waarvan er uiteindelijk ongeveer honderd ‘Todeskandidaten’ werden uitgezocht om voor de rechtbank te verschijnen. Een Todeskandidat was onder het nazi-regime een gevangene die op een lijst stond om als represaille voor een aanslag van het verzet gefusilleerd te worden. De fusillades vonden meestal plaats nabij de plek waar de aanslag had plaatsgevonden. Ter voorbereiding op de nieuw rechtszaak werden in het najaar van 1942 de beklaagden uit de gevangenissen/kampen van Scheveningen, Amersfoort en Vught overgebracht naar Kamp Haaren gebracht. Polizei- und Untersuchungsgefängnis Lager Haaren, zoals de Duitsers het noemden, was gevestigd in het grootseminarie Haarendael in Oisterwijk (Noord-Brabant) en functioneerde van 8 december 1941 tot 5 september 1944 als gijzelaarskamp en huis van bewaring in gebruik Voor de Sicherheitsdienst. Van 8 december 1941 tot 1 februari 1944 had SS-Obersturmführer Heinrich Wacker de leiding over de gevangenen, die enerzijds bestond uit personen die gegijzeld waren en anderzijds uit personen die Grenzübertritt (verzetsmensen, Nederlandse agenten die vanuit Engeland gedropt waren, piloten, parachutisten, ontsnapte gevangenen en onderduikers). Op Dolle Dinsdag (5 september 1944) werd het kamp ontruimd en werden de gevangenen naar Kamp Vught gebracht. Gijzelaars zonder papieren werden vrijgelaten. De resterende 2800 mannen werden naar Sachsenhausen gedeporteerd; 650 vrouwen werden naar Ravensbrück gebracht. In het gebouw van het grootseminarie in Haaren zaten tussen 13 juli 1942 en begin 1943 ongeveer 600 min of meer bekende Nederlanders, waaronder de latere minister-president Jan de Quay, de reder Willem Ruys, de latere hoge Brusselse ambtenaar Max Kohnstamm, de schrijver Jan Campert, de componist Hendrik Andriessen, de concertpianist Willem Andriessen, de goochelaar Henri Nolles, de cabaretier Lou Bandy en Jan Goudriaan (president-directeur van de Nederlandse Spoorwegen). Onder de gijzelaars waren 150 leiders van ondernemingen, 133 mensen uit de vrije beroepen, 60 hoogleraren, leraren en onderwijzers, 103 ambtenaren, 60 geestelijken, 3 vakbondsleiders en 5 studenten. Tweemaal, op 15 augustus 1942 en op 16 oktober 1942, werden er (totaal 85) gijzelaars uit Haaren gefusilleerd. (meer…)

OCHTENDBEZOEK EN AVONDWANDELING (4)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (76)
EERDERE AFLEVERINGEN

‘Bout,’ was het antwoord van den binnengekomene. ‘Lui beest, legje nog al op je bed?’
‘Hei, hei wat,’ antwoordde Van der Hoogen, ‘’t is pas dag. Je moet bedenken dat ik zes dagen van de week voor dag en dauw op moet. Dat verhaal ik op den rustdag, man! D….rs, ik heb koppijn, hoor! Die wijn op de sociëteit is slecht.’
Er volgde een gesprek daar ik niet alles van verstond, maar wel merkte ik, dat het op het laatst over iemand liep, die zij, ‘het zwartje’ noemden; en spoedig daarop werd het Hildebrand duidelijk, dat Van der Hoogen zijn wedervaren met juffrouw Noiret vertelde, waarvan de herinnering hem zoo veel genoegen scheen te verschaffen, dat hij in een geweldig lachen uitborst.
‘Alles goed en wel!’ zei daarop de persoon, dien Hildebrand met den naam van Bout had horen benoemen, en die een zeer rauw en onaangenaam geluid sloeg, ‘alles goed en wel! maar je bent toch een handjegauw.
Waarom nu niet nog een beetje gewacht, totdat de jongen goed en wel in de West is?’
‘Boutje!’ antwoordde Van der Hoogen, die in dit gezelschap zijn lievelingsterm charmant voor een minder onschuldigen scheen te moeten verwisselen, ‘het zwartje is zoo verd… mooi.’
‘Kinderachtig!’ hernam de ander; ‘een reden te meer om geduld te hebben. Ik heb uit louter vriendschap voor jou een half jaar geijverd om den schimmelbek zin in de West te doen krijgen, en nu het eindelijk lukken zal, ga je met je eigen drieguldens je glazen ingooien. Als de meid het immers vertelt, hebje gedaan.’ (meer…)

WILLEM HERTLY / GERARD VINKESTEIJN

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Twee van de zeventien terechtgestelden waren:

Willem Hendrik Hertly (Engwierum/Oostdongeradeel, 2 januari 1891) was hoofdambtenaar bij het Gemeentelijk Electriciteits Bedrijf te Den Haag en was getrouwd met Frederika Rauws (Den Haag, 14 september 1887). Hij was actief betrokken bij het verzet van de Ordedienst, waarbij hij samenwerkte met Jan Velu (Malang, 29 juni 1882 – Sonnenburg, 31 mei 1944). Velu was een luitenant-kolonel van het KNIL, die tegelijk met Hertly door verraad op 25 juli 1942 werd gearresteerd en onder andere werd opgesloten in de kampen Vught en Haaren. Uiteindelijk kwam hij als Nacht und Nebel-gevangene om in het KZ-Aussenkommandi Sonnenburg, een buitenkamp van Buchenwald, waar krijgsgevangenen dwangarbeid moesten verrichten voor de Thüringer Zahnradwerke mbH Sonneberg, een dochteronderneming van Maschinenfabrik G. E. Reinhardt uit Leipzig. Hij stierf daar op 31 mei 1944 aan de ontberingen. Hertly stond bij het Tweede OD-proces terecht, werd door het Feldgericht des kommandierenden Generals und Befehlhabers im Luftgau Holland ter dood worden veroordeeld vanwege spionage, sabotage en wapenbezit en op 29 juli 1943 op de Leusderheide worden geëxecuteerd. Hertly ligt begraven op de Algemene Begraafplaats Rusthof te Amersfoort. Postuum is hem het Verzetsherdenkingskruis verleend. Er is van hem gen foto bewaard gebleven, slechts de overlijdensadvertentie.

Gerardus Joannes Franciscus Vinkesteijn (Schiedam, 22 maart 1907) was een binnenhuisarchitect te Wassenaar. Hij was voor de oorlog al lang bevriend met de Engelandvaarder Chris Krediet en sinds 1940 met Adriën Moonen, met wie hij ook deelnam aan activiteiten van de Ordedienst. Vinkesteijn stelde zijn huis ter beschikking voor het verzet en probeerde geld bij elkaar te brengen om voortvluchtige mensen te helpen. Op 5 januari 1942 probeerde hij naar Engeland te gaan, maar werd vier dagen later in de trein opgepakt. Vinkesteijn stond terecht bij het Tweede OD-proces, werd door het Feldgericht des kommandierenden Generals und Befehlhabers im Luftgau Holland ter dood worden veroordeeld vanwege spionage, sabotage en wapenbezit en werd op 29 juli 1943 op de Leusderheide worden geëxecuteerd. Voor de executie schreef hij een klein berichtje: ‘Gun me mijn onmetelbaar geluk.Ik zie dankbaar terug op mijn leven, dat soms streng,maar dikwijls ook ontstellend mild voor me is geweest. Mag Marie mijn rozenkrans hebben, hij is het die tot het laatst bij me was. Ik zal voor U bidden bij Gods troon en Uw zorgen aanbevelen. Adieu. Gerard‘. Aan zijn moeder liet de 36-jarige Vinkesteijn een langere brief na. Hij ligt begraven op de Algemene Begraafplaats Rusthof te Amersfoort, vak 12, rij C, nummer 146.

ADRIËN MOONEN

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Adrien Lambert Jacques Emile Marie Moonen, bijgenaamd “Broer” (Den Haag, 16 december 1914 – Amersfoort, 7 augustus 1943), was een Nederlands politieman en verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog. Hij trad op 1 mei 1936 als ambtenaar in opleiding in dienst van de Haagse gemeentepolitie. Op 1 april 1938 werd hij bevorderd tot adjunct-inspecteur. Gedurende de mobilisatie van 1939-1940 diende hij van 24 augustus 1939 tot 25 mei 1940 als reserve eerste luitenant bij het 6e Regiment veldartillerie. Na de mobilisatie hervatte hij zijn werk bij de gemeentepolitie. Op 15 september 1940 werd hij bevorderd tot inspecteur van politie 2e klasse. Na de Nederlandse capitulatie besloot Moonen in het verzet te gaan. Hij sloot zich aan bij de Ordedienst. Hij ving Engelse agenten op die in Nederland gedropt werden. Als inspecteur van politie kon hij zich in spertijd, de periode dat een gewone burger niet op straat mocht komen, vrijelijk bewegen. Bij zijn verzetswerk werkte Moonen samen met onder anderen Peter Tazelaar, die hij in contact bracht met Aart Alblas en Gerard Dogger. Hij zorgde er ook voor dat Johannes Terlaak een onderduikadres kreeg.
(meer…)

KOLONIËN ITALIË 4

Nadat de Ottomaanse troepen uit Libië waren weggetrokken, werd de strijd door de Libiërs voortgezet. Dit gebeurde onder aanvoering van de Libiër Omar Mukhtar, bijgenaamd de Leeuw van de woestijn. Hij voerde twintig jaar lang een guerrillaoorlog tegen de Italianen en werd in 1931 gevangengenomen. Hij was toen inmiddels al zeventig jaar oud, maar de Italianen beschouwden hem als een belangrijke en gevaarlijke gevangene, die zware kettingen om zijn armen en benen kreeg. Volgens zijn ondervragers las Omar Mukhtar op uit de Koran op de momenten dat hij werd gemarteld. Muktar werd door de bezetter na een kort showproces ter dood veroordeeld en op 16 september 1931 in Benghazi in het openbaar opgehangen. Tegenwoordig staat zijn beeltenis In Libië op het briefpapier van 10 Libische dinar. In 1981 kwam er de film Lion of the Desert uit over de laatste jaren van zijn leven, met onder anderen Anthony Quinn, Oliver Reed en Irene Papas. Er zijn ook overal straten naar hem vernoemd, niet alleen in Libië, maar ook in andere Arabische landen, want hij geldt als een voorbeeld voor moslims in onderdrukte gebieden.

(meer…)

KOLONIËN ITALIË 3

Italië was net als Duitsland pas laat in de 19e eeuw een eenheidstaat geworden, dus veel te laat om op koloniaal gebied nog echt een rol van betekenis te spelen. Wat beide landen er overigens niet van weerhield grote dromen te hebben. Bij de Koloniale Conferentie van Berlijn (november 1884-februari 1885) werd door veertien Europese landen en de Verenigde Staten onbeschaamd het Afrikaanse continent verdeeld. Groot-Brittannië en Frankrijk pikten het grootste deel van Afrika in, Duitsland kreeg Duits-Oost-Afrika, Namibië, Kameroen en Togo, België kreeg de begeerde vette kluif Congo, Portugal voegde Angola en Mozambique toe aan het koloniale rijk toe en Spanje bezette het zuiden van Marokko. En de Italianen mochten Libië, Somalië en Eritrea bezetten. Vanaf 1886 werden Somalië en Eritrea onmiddellijk door de Italianen bezet.

De bezetting van Libië liet aanmerkelijk langer op zich wachten. In 1882 had Italië met Duitsland en Oostenrijk-Hongarije een verdrag gesloten (de Triple Alliantie) met de afspraak dat ze elkaar zouden steunen indien een van hen door twee of meer grootmachten zou worden aangevallen. Het verdrag was vooral gericht tegen Frankrijk, dat in 1881 Tunesië had bezet. In haar expansiedromen naar de overkant van de Middellandse Zee hadden de Italianen nu juist Tunesië als eerste op het oog. De gespannen relatie met het militair aanzienlijk sterkere Frankrijk, plus de inspanningen vanwege de kolonisatie van Somalië en Eritrea zorgden ervoor dat de bezetting van Libië niet de hoogste prioriteit had. En verder was Libië natuurlijk nog steeds deel van het Ottomaanse Rijk, dat weliswaar in verval was maar nog altijd een geduchte tegenstander.

(meer…)

EDUARD ALEXANDER LATUPERISSA

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Eduard Alexander ‘Eddy’ Latuperisa (Koedoes, 9 april 1902), de kapitein van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) die bij het uitbreken van de oorlog in Den Haag woonde, is meteen zeer actief in het verzet. Hij maakt deel uit van de Ordedienst, een groep van voornamelijk militairen, die de basis wil vormen van een nieuwe Nederlandse krijgsmacht na de oorlog. Deze Ordedienst moest bestaan om ongeregeldheden te voorkomen, die kunnen ontstaan na de oorlog, na het vertrek van de Duitsers. Onvermijdelijk ontwikkelt de Ordedienst zich vrijwel meteen tot verzetsorganisatie. Men wil bijvoorbeeld militaire steun bieden bij geallieerde landingen. Al in het eerste oorlogsjaar worden spionage- en sabotage-activiteiten gesteund en ondernomen. Kapitein Latuperisa staat in Den Haag in direct contact met een van de hoofdfiguren van de Ordedienst, jonkheer Johan Schimmelpenninck. In opdracht van deze Schimmelpenninck organiseert hij onder meer bridgeavonden, die in feite zijn bedoeld om cadetten van de officiersopleiding en adelborsten (aspirant zeemachtofficieren) tot de Ordedienst toe te laten treden. Hij trachten ook om wapens en een wapenopslagplaats te regelen, met geld van Schimmelpenninck.

Als een briefje uit de gevangenis is gesmokkeld over het transport van een gevangene is het Latuperisa die bij Schimmelpenninck aandringt een vrachtwagen te regelen om de gevangene (de Indische Johan Nout) te bevrijden. Latuperisa is ook betrokken bij de poging van drie mannen (Peter Tazelaar, Wiadi Beckman en Frans Goedhart) om in de nacht van 17 op 18 januari 1942 vanaf Scheveningen naar Engeland te vluchten. De poging mislukt, Tazelaar ontkomt, de andere twee worden opgepakt. Ook Latuperisa wordt op 13 maart 1942 aangehouden, twee maanden na het voorval op het Scheveningse strand. De aanklacht tegen de KNIL-kapitein luidt: ‘Sabotage, Feindbegünstigung (hulp aan de vijand), politischer Bestätigung und Wortbruch.’ (meer…)

OCHTENDBEZOEK EN AVONDWANDELING (3)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (75)
EERDERE AFLEVERINGEN

Ondertussen was hij dagelijks voortgegaan met de jeugdige te bestormen, die hem waarschijnlijk wel niet liefhad, maar jong en onervaren zich aan hare behaagzucht overgaf en aan den prikkel van het romaneske, waartoe zij enige neiging toonde. Daarenboven kon men aan Van der Hoogen enige uiterlijke voorrechten niet ontzeggen. Het was nu tussen hen beiden een stille liefdeshistorie geworden, dat wil zeggen, zoo gevaarlijk als een liefdeshistorie zijn kan. Het biljet in den ruiker had dit voor mij boven allen twijfel verheven. Ondertussen had de charmante zich in het gebeurde met juffrouw Noiret aan mij vertoond als een lage dubbelhartige bedrieger en avontuurlijke lichtmis, die het op het geluk en de onschuld van onervarenen en weerlozen toelegde, en ik verachtte hem in het diepst van mijn ziel. Ik begreep dat het mijn plicht was jufvrouw Noiret tegen alle verdere lagen te beschermen, en Henriette, om een versleten leenspreuk te gebruiken, van den afgrond terug te leiden, op welks rand zij in zulk slecht gezelschap omdoolde.
Waar ik eindelijk toe besloot zal het volgende hoofdstuk leren.

          Een hoofdstuk waarmee de auteur ijselijk verlegen is,
omdat hij er zelf de
mooie rol in speelt; iets dat hij wel weet dat hem in ’t geheel niet past,
maar
dat hij toch voor ditmaal niet helpen kan

Hildebrand, die door een samenloop van omstandigheden bestemd was om in deze geschiedenis een handelend persoon te worden, stond den volgenden morgen een half uur vroeger dan de vorige dagen op en liep met een gewichtig gelaat en grote stappen de kamer op en neer, een beweging, die hij altijd aanneemt als hij over iets belangrijks of als hij over niets denken wil. Nu eens blikte hij veelbeduidend op naar de giftige pijlen aan den wand, dan weder overzag hij zijne heldhaftige houding in den spiegel, en eindelijk wijdde hij een groot gedeelte zijner aandacht aan de mussen, die in den tuin af en aan vlogen en elkander niet zelden onaangenaamheden toevoegden omtrent zekere kruimels en kleine korstjes brood, die reeds in dit vroege morgenuur hare hartstochten in beweging brachten. (meer…)

HENRI FRANÇOIS RIKKEN

Henri François Rikken (Paramaribo, 30 mei 1863 – Paramaribo, 17 mei 1908) was een Surinaams prozaschrijver. Hij werd een maand voor de afschaffing van de slavernij geboren. Zijn vader was Jacobus Henricus Rikken, een sergeant-fourier bij de militairen, en zijn moeder was de ‘kleurling’ Elisabeth Maria Jantke, die rond 1825 was geboren. Hij bezocht er tot zijn veertiende jaar de burgerschool van frater Eduard en gaf toen al zijn ogen en oren goed de kost om kennis van de natuur en de mensen van zijn land te vergaren. In 1877 werd de veertienjarige Rikken naar Nederland gestuurd om een priesteropleiding te volgen. Daar schreef hij onder andere voor de Katholieke Illustrator. In Nederland bracht hij talrijke uren door in de Koloniale Bibliotheek in Den Haag en in archieven van Nederland, op zoek naar kennis over de Surinaamse geschiedenis en de folklore van de slaventijd. Op 24 mei 1892 kwam hij terug aan in Suriname waar hij als redemptorist ging werken in Coronie, Para, Vierkinderen, Chattilon en Nickerie. Omdat het Surinaams zijn eigen taal was, die hij door studie nog grondiger leerde en omdat hij ook een uitstekend redenaar was, waren zijn preken zeer geliefd en druk bezocht. Hij organiseerde de missie onder de Chinezen, waartoe hij hun taal leerde, bestudeerde de geschiedenis en folklore van Surinamem, verdiepte zich in het Sranantongo (de taal der Creolen) en ten behoeve van de Antilliaanse gouddelvers en spoorwegwerkers in het Papiaments (de Portugese Creoolse taal). In totaal schreef hij drie historische romans die als feuilleton verschenen in dagbladen en tijdschriften. Hij schreef verder ook enkele korte verhalen. In 1901 publiceerde hij Tokosì of Het Indiaansch meisje. (meer…)

ADELE

Adele Laurie Blue Adkins beter bekend als Adele (Tottenham, Londen, 5 mei 1988) behoeft geen verdere introductie. De Britse popzangeres brak in 2008 door bij het grote publiek met haar album 19 (waarmee ze haar leeftijd op moment van uitgave aangaf, een methode die ze later consequent volhield) en singles als Chasing Pavements en Make You Feel My Love. In 2010 en 2011 had ze grote hits met Rolling in the Deep, Set Fire to the Rain en Someone Like You, afkomstig van haar tweede album 21. In 2012 schreef ze het nummer Skyfall voor de gelijknamige James Bondfilm. In 2015 kwam Adele haar langverwachte derde album 25 uit. De eerste single uit dit album was Hello, die wereldwijd meteen op nummer 1 stond. Op 14 februari 2011 trad Adele op in de Tiny Desk Concerts, waar ze met begeleiding van gitarist Ben Thomas en toetsenist Miles Robertson op indrukwekkende wijze drie van haar successen vertolkte: Someone Like You, Chasing Pavements en Rolling in the Deep.
Tiny Desk Concerts is een serie live-optredens in een boekwinkel in Washington DC, die door NPR Music en All Songs Consideredop video worden gezet. Het eerste concert was op maandagmorgen 22 april 2008 met folksinger Laura Gibson en de aanleiding was dat Bob Boilen en Stephen Thompson, de beide initiatiefnemers, teleurgesteld terugkwamen van een concert van Laura Gibson in een Bar, waar het zo rumoerig was dat ze de muziek amper konden horen. Ze concludeerden: ‘In a perfect world, there’d be no crowded bar shows or super-sized arena concerts. Musicians would come to your home for a private performance, or they’d show up at your office and play at your desk, easing you through the workday.’ Ze zetten dat idee direct om in werkelijkheid, een tijdje later speelde dezelfde Gibson voor een bescheiden publiek. De reeks dankt haar naam aan de voormalige psychedelische muziekband Tiny Desk Unit waarin Boilen in de zeventiger jaren speelde. Sindsdien zijn er meer dan 800 van dit soort Tiny Desk Concerts geweest,waarvan de meeste vele miljoenen malen zijn bekeken. Hert record staat op naam van rapper Anderson Paak van 22 augustus 2016 met momenteel 66 53 miljoen views. Vaak zijn het in Nederland totaal onbekende artiesten maar met regelmaat geven gerenommeerde artiesten een kort optreden, zoals Cat Stevens, The Civil Wars, Sting, Coldplay, Steve Earl, Richard Thompson, Jackson Brown en dus Adele. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 35

FRANS GOEDHART – TWEE VONNISSEN

Het communistische Arbeiders-Schrijverscollectief Links Richten gaf in de jaren 1932 en 1933 elf nummers van het gelijknamige tijdschrift. Uit nummer 3 van het blad is al eens de bijdrage ‘Leve de burgeroorlog’ van een verder totaal onbekende Johan Miera geplaatst, waarin de gezapige burgers worden gewaarschuwd voor de dreiging van het opkomende fascisme en nationaalsocialisme. In de eerste uitgave trof ik een stuk van Frans Goedhart, de Nederlandse verzetsman die al in juli 1940 een eerste illegale uitgave verzorgde, de Nieuwsbrief van Pieter ’t Hoen, waar hij hij de neutraliteitspolitiek in de dertiger jaren van alle respectievelijke regeringen onderuithaalde, nadat in mei 1940 de Duitsers op hardhandige wijze hadden laten zie dat het een waanidee was geweest dat Nederland zich voor een tweede maal afzijdig kon houden van een wereldoorlog.

In zijn bijdrage in 1932 in Links Richten houd Frans Goedhart, kersvers lid van de Communistische Partij Nederland en eindredacteur van hun huisorgaan De Tribune, een vlammend betoog, waarbij toch wel een aantal keren de wenkbrauwen werden gefronst en werd afgevraagd: ‘Waar gaat dit precies over?’ Eerst maar eens het verhaal Twee vonnissen, daarna de resultaten van het nodige gegoogle. (meer…)

SIEG VAZ DIAS

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Salomon Vaz Dias (Amsterdam, 1 juni 1904) was een Nederlands journalist, fotograaf en verzetsstrijder, die in de dagelijkse omgang door iedereen Sieg werd genoemd. Hij was de zoon van de kunsthandelaar Jacob de Salomon Vaz Dias en Hana Hamburger, die al voor de oorlog naar Groot-Brittannië waren geëmigreerd. Hij had één zus, Selma Vaz Dias (23 november 1911 — 30 augustus 1977), die ook in Amsterdam was geboren maar al op jonge leeftijd naar Groot-Brittannië was verhuisd en daar een carrière als actrice, schrijfster en schilderes opbouwde. Ze trad onder meer op in films van Alfred Hitchcock’s (The Lady Vanishes, 1938) en Michael Powell (One of Our Aircraft Is Missing, 1942), Ernest Morris (The Tell-Tale Heart, 1960). Verder zorgde ze dat het werk Good Morning, Midnight (1939) van de schrijfster Jean Rhys via theater en radio bekendheid verkreeg en introduceerde het werk van Jean Genet in het verenigd Koninkrijk. Sieg Vaz Dias was voor de oorlog als journalist verbonden aan De Telegraaf, waar Frans Goedhart een collega was. Gedurende de oorlog zouden beiden in de illegale Parool-groep  samenwerken. Sem Presser was in 1935 zijn leerling bij De Telegraaf. Het is niet uitgesloten dat Sieg familie was van Mozes Salomon Vaz Dias (Amsterdam, 22 mei 1881 – Amsterdam, 4 januari 1963), een Nederlands journalist en oprichter in 1904 van het Persbureau M.S. Vaz Dias, dat onder meer persberichten leverde aan dagbladen en in 1922 het eerste live-radioverslag ter wereld van een voetbalwedstrijd gaf. Het persbureau had ook een wereldprimeur door als eerste de moord op de aartshertog Franz Ferdinand en zijn echtgenote in Sarajevo op 28 juni 1914 wereldkundig te maken. Voor deze Mozes Salomon Vaz Dias is aan de Weesperstraat net ten zuiden van de M.S. Vaz Diasbrug het Monument Vaz Dias van Herman van der Heide geplaatst. Voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zat Vaz Dias met fotojournalist Henk Temme bij de contraspionage, als medewerker van de Generale Staf sectie III (GS III), de eerste moderne Nederlandse inlichtingendienst die op 25 juni 1914 was opgericht om militaire gegevens over diverse Europese landen te verzamelen. (meer…)

WILLEM (BILL) DE ROOS

66e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Willem Leonard de Roos (Zwolle, 1 september 1906 – Richmond/Brits Columbia, Canada, 9 juni 1986) vertelde toen hij nog maar dertien jaar oud was al aan zijn ouders dat hij zo snel mogelijk met school wilde stoppen en naar Canada wilde. Zijn ouders gaven met tegenzin hiervoor toestemming, waarna de tiener direct in zijn eentje vertrok. In Canada ging hij afwisselend in de landbouw en bosbouw of in kolen- en goudmijnen werken. Uit een huwelijk met Dorothy Dawson werd een dochter geboren.  In 1941 meldde De Roos zich in het opleidingskamp in Stratfort (Canada), later  bij de Irene Brigade in Engeland. Hij werd ingescheept voor Suriname en doorliep daar de opleiding voor officieren. Eind oktober 1942 werd hij benoemd tot commandant van kamp Jodensavanne, een strafkolonie aan de Surinamerivier, waar leden en vooral veel vermeende leden van de Indische NSB gevangen zaten. Het was er in dit gebied niet alleen verstikkend heet, maar de kampbewoners (waaronder ingenieurs, juristen, artsen en andere academici) leden hier onder het brute optreden van de bewakers, voornamelijk mariniers en enkele soldaten van de Prinses Irene Brigade. Velen schiepen er genoegen in hun te treiteren en te mishandelen. Om de paar maanden meldde zich vanuit Paramaribo een andere kampcommandant, waarna het regime ook veranderde. Ook Bill de Roos was een maal de verantwoordelijke man. Op het moment van zijn benoeming telde het cellenblok vijf bewoners. Uit de verhalen van oud-kampbewoners blijkt dat De Roos, net als alle andere bewakers,weinig zachtzinnig met de bewoners van kamp Jodensavanne omgingen. Niet altijd echter. (meer…)

OCHTENDBEZOEK EN AVONDWANDELING (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (74)
EERDERE AFLEVERINGEN

Het leek mij toe, dat de mijnheer, tot wien deze bedreiging gericht was, en die een langen mantel droeg, van nature een vijand van schreeuwen was.
Altans hij liet de persoon die gesproken had ogenblikkelijk los en verdween in een zijstraat. Ik had de stem herkend.
‘Zijt gij het, juffrouw Noiret? Wie durft u aanraken? Laat ik u thuis brengen,’ sprak ik haar toe.
Het arme meisje kon niet antwoorden; zij beefde van het hoofd tot de voeten, en ik had moeite haar op de been te houden.
‘Het is verschrikkelijk,’ snikte zij: ‘o indien gij zoo goed wilt wezen; het is ijselijk…’
Meer kwam er niet uit. Ik geleidde haar zwijgend tot naar den kleinen koomenijswinkel, waar zij haar kamertje had. In het voorhuis zonk zij op een bank neder. Het was er donker, want op de geringe nering kon geen licht overschieten. De vrouw uit den koomenijswinkel kwam naar voren lopen, met een baklamp in de hand.
‘Och lieve help! wat scheelt de juffrouw? wat ziet ze bleek. Is de juffrouw verschoten? Ga gauw in ’t kantoortje, juffrouw! Ik ga de kaars opsteken.’
Zij ging heen om den blaker van juffrouw Noiret te halen, en ik bracht die in een klein, van ’t voorhuis afgeschoten kamertje dat zij mij als ’t kantoortje had aangewezen en dat dien naam met recht verdiende, daar er niets te vinden was dan een kleine hangoortafel, vier matten tabouretten, en een lelijk gezicht in een lijstjen aan den wand, voorstellende den held Van Speyk! (meer…)

REINDER BROLSMA

Reinder Brolsma (Stiens, 23 mei 1882 – Leeuwarden, 23 november 1953) was een Nederlandse schrijver en journalist, die alleen in het Fries publiceerde. Hij was een van de acht kinderen van her gezin Brolsma in Stiens. Op zijn zestiende ging hij in de leer bij zijn oudere broer Jolke om huisschilder te worden. In 1910 vestigde hij zich als schildersbaas in Lichtaard. In dat jaar, op 5 maart 1910, trouwde hij in Ferwerd met Janke Lieuwes Westerbaan. Het paar kregen drie kinderen. In 1903 werd Brolsma secretaris van de rederijkerskamer Halbertsma in Stiens, waarvan onderstaande foto is (Brolsma geheel links). Zijn eerste publicatie, het korte verhaal Sinnestrielen, verscheen in 1903 in het tijdschrift Sljocht en Rjucht. In 1937, toen hij inmiddels 55 jaar oud was, kon hij de verfkwast neerleggen want vanaf dat moment  was hij als journalist werkzaam bij het Leeuwarder Nieuwsblad en Nieuwsblad voor Friesland. Hij schreef onder meer de rubriek ‘Gesprekken op de brug’. Hij heeft een negental publicaties op zijn naam staan: It Heechhof (1926), De Skarlún (1929), Neisimmer (1931), Sate Humalda (1934), It Aldlan (1938, deel 2 van de trilogie It Heechhof), Groun en minsken (1940), Richt (1947, deel 3 van de trilogie It Heechhof), Sa seach ik Fryslân (1951) en Folk fan Fryslân (1952). De It Heechhof-trilogie werd in 1993 herdrukt. In zijn romans, verhalen, schetsen en toneelstukken toont hij zich een scherp waarnemer van het leven op het platteland en van de kleine burger en achterbuurtbewoner uit de stad. Zijn werk is realistisch, met een milde kijk op zijn medemens. Dikwijls beeldt hij de mensen uit in de zware strijd om het bestaan, zoals die tijdens de landbouwcrises van 1880 en 1930 door velen gevoerd moest worden. Hij ontleende zijn inspiratie soms aan de dorpsbewoners van zijn geboorteplaats Stiens, de boeren en arbeiders in de Noordwesthoek, maar ook Leeuwarden is redelijk vaak plaats van handeling. In het verhaal ‘Hy’ in Sa seach ik Fryslân vertelt hij over zijn jeugd in Stiens. (meer…)

FRANK WATKINSON

Frank Watkinson, een 68-jarige gepensioneerde uit Huntingdon (een plaatsje in de omgeving van Cambridge), kan met recht een overnight-sensation worden genoemd. Ik kwam hem recent op  YouTube tegen toen ik op zoek was naar covers van The Days of Pearly Spencer van David McWilliams. Een van de pareltjes die ik er aantrof was dus van Frank, die maar liefst 341.000 abonnees heeft op zijn YouTubekanaal. Er staan een schijnbaar eindeloze lijst met akoestische covers op dat kanaal, waarbij moert worden gezegd dat na beluistering van een aantal nummers de eentonigheid gaat opvallen. Elk van de nummers is mooi, maar het verdient dus aanbeveling niet teveel nummers achtereen af te spelen. Wel spreekt in zijn voordeel dat hij niet eenkennig is in de keuze van zijn repertoire, dat ook veel nummers bevat van jonge, onbekende artiesten zoals Neutral Milk Hotel, The Growlers, Bright Eyes en Slipknot. Juist hierdoor werd hij door jongelui ontdekt, in de trant van ‘Zie deze opa eens lekker spelen in zijn huiskamer’. Via de sociale media explodeerde in de lockdownperiode het aantal volgers gigantisch. Waarbij Frank, die zichzelf gitaar leerde spelen en die nooit voor een publiek op de planken heeft gestaan, zich goed realiseert hoe tijdelijk zijn roem kan zijn. In de tussentijd geniet hij van het succes en de interviews die dat met zich meebracht, zoals voor Flood Magazine, Inside Hook en Chelsea Montley. (meer…)

KOLONIËN ITALIË 2

Twee jaar later werd de Italiaanse koloniale droom een klein beetje ingevuld. Tussen 15 november 1884 en 26 februari 1885 werd de Koloniale Conferentie van Berlijn gehouden, waar veertien Europese landen en de Verenigde Staten onbeschaamd Afrika verdeelden. Groot-Brittannië richtte zich op het bezitten van een ononderbroken strook van Egypte tot aan Zuid-Afrika, dus het oosten en zuiden van het continent. Dat Nigeria en Zuidelijk Afrika Brits werden was grotendeels het gevolg van particulier initiatief. Het Britse streven werd doorkruist door dat van de Fransen die een west-oostverbinding wilden, een strook die het gehele continent bestreek vanaf de Atlantische Oceaan, via de Sahara, tot aan de Rode Zee. Op het snijpunt kwam het bijna tot een gewapend treffen, het Fashoda-incident. Het Britse streven werd ook doorkruist door de Duitse aanwezigheid in Duits-Oost-Afrika (het huidige Tanzania). Duitsland had behalve Tanzanië ook Namibië, Kameroen, en Togo toegewezen gekregen. België kreeg de begeerde vette kluif Congo, die privébezit van koning Leopold II zou worden. Portugal voegde Angola en Mozambique toe aan hun bezittingen en Spanje bezette het zuiden van Marokko. En de Italianen mochten Libië, Somalië en Eritrea bezetten. (meer…)

KOLONIËN ITALIË 1


Vanaf de 17e eeuw was de macht van de Italiaanse stadstaten flink gedaald. In de klassieke oudheid was het Italiaanse schiereiland de kern van het Romeinse Rijk en toen een absoluut hoogtepunt wat betreft politieke, economische en culturele invloed. Vanaf de inval van de Longobarden in de vroege Middeleeuwen ging het rijk langzaam ten onder, hoewel het gebied ondanks de staatkundige verdeeldheid en onderlinge oorlogen nog redelijk belangrijk bleef. Het Apennijns Schiereiland kende rijke handelsrepublieken zoals Florence, Genua en Venetië en ook cultureel was de invloed nog steeds erg groot. Zo was de regio Toscane de oorsprong van de renaissance. Het Italiaans gebied was verder van belang omdat Rome de zetel van de paus was.

De macht van de Italiaanse staten slonk echter vanaf de 17e eeuw aanzienlijk. De wereldlijke en geestelijke macht in Europa van de paus ging door toedoen van de protestantse reformatie achteruit. Het Ottomaanse Rijk controleerde steeds meer de gehele Middellandse Zeegebied en de opkomst van West-Europese koloniale machten op de wereldmarkt verminderde de economische en militaire macht van alle Italiaanse staten. Het Italiaanse grondgebied, inclusief de eilanden, werd een speelbal van Spaanse, Franse en Habsburgse vorstenhuizen. In de Tweede Coalitieoorlog (1799-1802) versloeg Napoleon de Habsburgse monarchie. Deze nederlaag dwong Oostenrijk in 1801 tot het tekenen van de Vrede van Lunéville, waardoor een groot deel van Italië in Franse handen kwam. In 1805 liet Napoleon zich eveneens kronen tot koning van Italië. Het zou tot 1814 duren vooraleer hij het hele schiereiland, rechtstreeks of indirect, onder zijn heerschappij kreeg. (meer…)

ACHTERBAKS

Als iemand achterbaks wordt genoemd, wil dat zeggen dat het een stiekemerd is. Het is iemand die van alles uitspookt en bekonkelt achter de rug van anderen om. Iemand die het achter de ellebogen heeft (wat ook een uitdrukking die verklaring behoeft, zie hiervoor F.A. Stoett). Het Middelnederlandse woord bac betekende ‘rug’. De herkomst van dit bac is niet bekend, waarschijnlijk stamt het uit een Scandinavische taal. Achterbaks betekent dus letterlijk ‘achter de rug’. In het Engels zien we dit woord nog terug in het woord back. Als je iets stiekem deed, gebeurde dat achter de ‘bac’ (rug) van anderen om. Achterbaks dus. Het woord komt sinds circa 1450 in onze taal voor. Nog tot in de achttiende eeuw, betekende het woord ‘achterbaks’ vooral letterlijk ‘iets achter je rug om’ doen. De oudste vermelding in de krantendatabase Delpher komt uit de Oprechte Haerlemsche Courant van 21 januari 1762 in een citaat over korenhandelaars die letterlijk veel koren achter hielden: ‘Dezer dagen is de Rogge 10 Rijksdaal. Per Last in Prys gedaald, om redenen dat de baatzuchtige Koornhandelaars, die daarvan buytengemeen groote Quantiteit ingeslagen en achterbaks gehouden hadden, thans eensklaps alle Hoop van Duurte moeten opgeven…’. In  het artikel ‘Extract van een brief uit Friesland’ in de Oprechte Nederlandsche Courant (22 maart 1787), werden in de context van de Patriottentijd de zittende bestuurders in Friesland ‘achterbaks’ genoemd werden, omdat ze geen echte volksvertegenwoordigers zouden zijn… Hier heeft het voor de eerste keer de betekenis van ‘geniepig’ of ‘stiekem’ en heeft her betrekking op het gedrag van personen. (meer…)

WILLEM MULDER / COR VAN RIJN

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Twee van de zeventien terechtgestelden waren:

.
Willem Mulder
(Amsterdam, 20 december 1888), was een leraar scheikunde te Amsterdam, maar op de slachtofferlijst van Kamp Amersfoort wordt ‘kantoorbediende’ als beroep opgegeven. Er is slechts een jeugdfotootje van hem beschikbaar, want hij moet in de oorlogsjaren eind vijftig zijn geweest. Er is verder alleen nog maar van hem overgeleverd dat hij waarschijnlijk betrokken was bij Vrij Nederland en verspreiding van illegale bladen. Dat ‘waarschijnlijk’ is veelzeggend. Er moet een relatie zijn geweest met de groep-Schimmelpenninck en Ordedienst, maar meer dan dat hij onderdak heeft geboden aan Cor van Rijn is niet te achterhalen. Samen met deze Cor van Rijn werd hij op 16 april 1942 opgepakt. Hij heeft dus in elk geval een tijd doorgebracht in kamp Amersfoort en is van daaruit vervoerd naar kamp Haaren. Hij was een van de leden van de Ordedienst die op 27 april 1943 in kamp Haaren ter dood werden veroordeeld en op 3 mei 1943 op de Leusderheide werd geëxecuteerd. Deze fusilladeplaats van het kamp lag op een paar honderd meter afstand van begraafplaats Rusthof te Amersfoort. Veel geëxecuteerden zijn later herbegraven op deze begraafplaats, waaronder de 17 geëxecuteerden van het Tweede OD-proces. (meer…)