WILLEM SANTEMA – 34

Willem Santema (Scharnegoutum, 2 maart 1902 – Vught, 10 augustus 1944) werd geboren als tweede zoon van boer op het Friese platteland. Hij volgde de Mulo in Sneek, werkte daarna een tijd bij zijn vader op de boerderij en haalde in 1921 een diploma aan de Rijkslandbouwwinterschool te Leeuwarden. In 1926 trouwde hij met Tryntsje Atsma uit het naburige Oppenhuizen. Aanvankelijk betrokken het jonge echtpaar een boerderij in Scharnegoutum, maar in 1932 begonnen ze samen een radiozaak. Santema was in de jaren twintig een enthousiaste radiopionier; samen met broer Pier knutselde hij een radiotoestel in elkaar. Hij was lid van het provinciaal comité van de NCRV en hield regelmatig radiolezingen. In de jaren dertig kwam hij diverse keren in Hitler-Duitsland, waar hij het nationaalsocialisme van nabij zag en zijn afschuw daarover ventileerde in artikelen, onder meer in het orgaan van de Christelijke Werkmansbond waarvan hij hoofdbestuurslid was. Dit had wel tot gevolg dat zijn naam op de zwarte lijst van de Duitse staatspolitie terecht kwam, zodat hij voor de oorlog al niet meer veilig in Duitsland kon reizen. Santema was ook, zoals het een Fries betaamd,een verwoed schaatser. Vijf keer voltooide hij de Elfstedentocht, het laatst in 1942. Santema verhuurde ook auto’s, soms met zichzelf als chauffeur. Dat leverde soms mooie reisjes op, zoals in 1934 toen hij dominee W.A. Dekker en diens vrouw naar Hongarije reed, waar de dominee een eredoctoraat in ontvangst nam. Santema schreef over de reis een verslag, dat onder de titel Per B-2001 naar het randje van de Balkan in twaalf delen verscheen in het tijdschrift Land en Volk. In zijn reisverslag waarschuwde Santema tegen het nieuwe regime in Duitsland. Voor degenen die de Friese taal machtig zijn is hier een recensie te lezen van Henk van der Veer. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog verhuisden Santema naar Sneek, waar ze hun elektrotechnische bedrijf voortzetten en uitbreidden met een tweede vestiging. Santema werd in 1939 lid van de gemeenteraad van Sneek, nadat hij van 1931 tot 1938 gemeenteraadslid geweest was van Wymbritseradeel, beide keren voor de CHU. (meer…)

Advertenties

13 OKTOBER – ALBERT RITSERVELDT

Albert Ritserveldt (Ophasselt, 13 oktober 1915 – Zottegem, 11 maart 2002) was een Belgisch profwielrenner van 1938 tot 1948. Hij staat in een select rijtje van Belgische renners die in drie verschillende categorieën nationaal kampioen werd. In 1933 werd hij kampioen bij de nieuwelingen door in de sprint Peter De Vooght en Jean Keymolen te verslaan, twee jongelingen waarvan later niks meer werd vernomen. In 1936 werd hij bij en nieuwelingen nationaal kampioen door de beide Antwerpenaren Martin Van Den Broeck en Karel Thijs te verslaan, twee coureurs die later wel een bescheiden erelijst bij elkaar fietsten, maar waarvan net als bij Ritserveldt de veelbelovende carrière door de Tweede Wereldoorlog werd gefrustreerd. Op 30 mei 1937 werd Ritserveldt bij de onafhankelijke Belgisch kampioen in Floreffe (Namen) bij de Onafhankelijken, voor Albert Carrier en Karel Van Stichelen. Eerder dat jaar was Ritserveldt op 18 april 1937 al als derde geëindigd in de Ronde van Vlaanderen en op 13 mei 1937 al als tweede in Gent-Wevelghem. Zijn wielerloopbaan zat dus duidelijk in de lift, maar een nationaal kampioenschap heeft er nooit ingezeten. (meer…)

CHRIS FARLOWE

Chris Farlowe werd op 13 oktober 1940 in Islington, Noord-Londen geboren onder de naam John Henry Deighton. Morgen viert hij dus zijn 79ste verjaardag. Hij geldt als een van de vele one-hit-wonders, maar daarmee wordt de man toch wel behoorlijk onrecht gedaan. Vooral in het Verenigd Koninkrijk had hij een aantal singles in de hitparade, waarvan er ééntje in 1966 wekenlang op nummer één in de charts stond. Ook in Nederland scoorde hij hiermee goed; het nummer stond tot en met 2004 in de Top 2000. Farlowe begon zijn carrière in 1957 als zanger van de John Henry Skiffle Group, stapte een jaar later over naar het Johnny Burns Rhythm and Blues Quartet en weer een jaar later naar The Thunderbirds, waarmee hij een aantal singles opnam. Daarna nam hij onder de naam Litlle Joe Cook een aantal bluesnummers op, wat velen de indruk gaf te maken te hebben met een zwarte blueszanger. Vervolgens ging hij in zee met Andrew Loog Oldham, die op dat moment de manager was van de Rolling Stones. Niet verwonderlijk dus dat daarna een aantal covers van de Stones werden opgenomen (Paint It Black, Think, Ride On, Baby, (I Can’t Get No) Satisfaction en Out of Time. Dat laatste nummer maakte hem onsterfelijk, maar hij had ook nog een bescheiden hit met Handbags and Gladrags, een nummer van Michael d’Abo, de zanger van Manfred Mann, en met My Way Of Giving, een cover van een nummer van de Small Faces, geschreven door Steve Marriott en Ronnie Lane. Hij nam ook nog een mooie versie op van Its’s all over now, baby blue van Bob Dylan. Misschien was dat wel de makke bij Farlowe: geweldige covers van andermans werk, maar geen eigen composities. Vanaf 1970 verdween Farlowe voor het grote publiek wat uit beeld. Hij werd slechts herinnert door die ene grote hit uit 1966: Out of time. (meer…)

ODALISKEN – 025

Ferdinand Max Bredt (1868-1921) geldt als de belangrijkste vertegenwoordiger van het Duitse oriëntalisme, dat wat kuiser was dan de Franse schilders in dit genre. Dat was in de beide vorige werken van Bredt in deze categorie al te zien, maar ook in talrijke andere haremtaferelen die hij schilderde, zoals nevenstaande Königin des Harems. Bredt werd in zijn geboortestad Leipzig aanvankelijk opgeleid tot boekhandelaar, maar schakelde al snel over tot een schildersopleiding. Eerst in Stuttgart, daarna in München waar hij een leerling was van Wilhelm Lindenschmit jr. Ferdinand Max Bredt maakte tijdens zijn leven talrijke reizen naar Griekenland, Italië, Turkije en Tunesië; hij produceerde daarbij een omvangrijk oeuvre aan olieverfschilderijen en aquarellen. Hij schilderde voornamelijk vrouwen, die hij plaatste in exotische oorden, tuinen of binnenvertrekken. Hij was zo gefascineerd door de cultuur van het Midden-Oosten dat hij zijn huis in Ruhpolding geheel in Arabische stijl liet optrekken. Tijdens zijn leven was hij zeer vermaard, zo werden twee van zijn doeken gekozen om Duitsland in 1893 te vertegenwoordigen in de World’s Columbian Exposition. Momenteel is Bredt wat in de vergetelheid geraakt. Een van zijn fraaiere odalisken is de ‘Ruhende Odaliske’ (Odalisk 005). Nu werd een odalisk bij voorkeur uitgebeeld terwijl ze in een of andere bevallige positie op een divan lag (zie de inleiding), maar bij Bredt lijken ze nog extra lui te zijn, met de linkerhand wat in het koele water spelend en luisterend naar de mede-harembewoonster die op de achtergrond musiceert (Odalisk 007). Ditmaal een odalisk uit 1909, dat zich in een privécollectie bevindt: ‘Selbstbewusst’ en waarin Bredt voor zijn doen behoorlijk vrijpostig is. (meer…)

SINT KENEDUS EN DE MEEUWEN

Meer dan duizend jaren geleden vloog op zekeren dag een grote, witte zeemeeuw met langzame vleugelslagen boven de golven der zee tussen Zuid-Engeland en Wales. Zij deed alsof dit enkel een grapje was en dood op haar gemak, alsof zij zeer lui en slaperig was, liet zij zich dan weer zonder merkbare inspanning op hare wieken drijven. Maar in werkelijkheid was zij op voedsel uit, al wilde zij niet dat iemand dit vermoeden zou en hoopte stil de een of anderen onvoorzichtige vis, die zich waagde aan de oppervlakte van het water, duikend in haar grote klauwen te vangen. Met haar wakkere, grijze oogjes zag zij aanhoudend scherp toe en niet veel van wat er onder haar op het water gebeurde ontsnapte haar aandacht.
Op eens viel haar oog op een klein zwart plekje op de golven. ‘Aha’, zei zij in zichzelf, ‘ik geloof dat ik daar iets te eten ziel’ en schoot opeens uit de lucht er op neer. Wel niemand zou vermoed hebben hoe iets, dat zo rustig en onbeweeglijk bijna zweefde door de lucht, zo snel, als een bliksemstraal, zou kunnen neerschieten. Maar een meeuw is gelijk aan een luchtschip, dat zinken kan wanneer het dit wenst. Wanneer zij een vis tot haar maaltijd heeft uitgenodigd kan deze dit moeilijk weigeren.
Ditmaal echter was hetgeen de hongerige meeuw bespeurd had geen vis en voodat zij het water nog bereikt had, zag zij haar dwaling reeds in. Snel, zoals een meeuw dit slechts doen kan, klapwiekte zij weer hoog in de lucht, een kreet van verrassing uitstotend.
‘Krriee-e-e !’, riep zij, ‘het is geen geschubde vis, waarvan ik zoveel houd. Het is een van die gladde landvissen met geel zeewier groeiend op hun hoofd. Wat doet die hier? Ik moet dit toch eens even zien. Krriee-e-e.’ (meer…)

DUITSE KOLONIËN 5

Vroeger had het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen bescheiden koloniën en handelsposten in de Caraïben en Afrika, maar deze waren na een twintigtal jaar allemaal opgedoekt, maar het keurvorstendom kwam door ze kortstondige overzeese avonturen wel terecht op een bescheiden lijstje van achttien koloniale mogendheden. Vanaf 1871 toen het Duitse Keizerrijk ontstond kreeg men weer opnieuw koloniale ambities (zie Duitse Koloniën 2), maar vooralsnog richtte Duitsland zich, net als andere Europese landen met territoriale ambities, vooral op ‘de zieke man van Europa‘, het Osmaanse Rijk. In 1878 werden door Otto von Bismarck tijdens het Congres van Berlijn op een handige manier afspraken gemaakt. Nadat de zaken in Europa opgelost leken (‘leken’, want tot op de huidige dag levert de verdeling van landen en regio’s een breed scala van conflicten op en het eind is nog lang niet in zicht), achtte Duitsland het tijd hun ‘rechtmatige plaats onder de zon’ veilig te stellen. Via de Koloniale Conferentie in 1884-1885 werden afspraken gemaakt over de verdeling van de witte plekken in Afrika en tegelijkertijd nog wat gebieden in Azië onderling verdeeld. Duitsland zou tien koloniën in Afrika en Azië toegewezen krijgen, waarvan in Duitse Koloniën 3 de eerste Afrikaanse kolonie, Duits-Zuidwest-Afrika, aan de orde is geweest. In Duitse Koloniën 4 kwam Togoland, een andere Duitse kolonie op het Afrikaanse continent, aan bod. In dit blog: Duits-Oost-Afrika.
(meer…)

PANORAMA 03 – ROBERT BARKER

In het oude China werden al routepanorama’s op boekrollen geschilderd, zoals Langs de rivier tijdens het Qingmingfestival). Het eerst volronde panorama was van Anton van den Wyngaerde en dateerde uit halverwege de zestiende eeuw. Pas in 1792 komt de eerste panoramaschildering op de markt zoals we die ons heden ten dage voorstellen.
De Engelse schilder (met Ierse voorouders) Robert Barker (1739-1806) bedacht in 1787 de naam panorama, afgeleid van de Griekse woorden ‘pano’ (alles) en ‘horama’ (gezicht), terwijl hij op Calton Hill wandelde en een overzicht had over zijn woonplaats Edinburgh.Hij was zo snugger direct patent aan te vragen voor het woord ‘panorama’, dat hij omschreef als een grootse schilderij waarin een magnifiek tafereel vanuit elke hoek werd vastgelegd en het zodanig tentoon te stellen dat voor de toeschouwers de scheidslijn tussen kunst en realiteit verdween. Zijn eerste schilderijen in deze richting betroffen Edinburgh. In 1788 stelde hij in zijn eigen woning het Panorama of Edinburgh From Calton Hill. Dit eerste panorama had weinig succes, maar vooral was Barker teleurgesteld omdat hij zijn visie er onvoldoende in terugvond. Het doek was niet 360 rond, maar slechts een halve cirkel. In 1792 schilderde hij het Panorama of London from the Albion Milles, waarvan eerst een kleine versie in de eigen woning te zien was geweest. Hij liet dit doek vergoot eze serie op een cilindervormig oppervlak aanbrengen en in Londen tentoonstellen. Om zijn droom echt te kunnen realiseren lieten Barker en zijn zoon in 1793 aan Leicester Square in Londen The Rotunda bouwen, waar het enorme doek van 250 vierkante meter in volle glorie kon worden gezien.  (meer…)