FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 025

Frans van den Muijsenberg / 3 oktober 2007 / Alanya (Turkije)

Advertenties

21 APRIL – HERMAN VAN DEN REECK

Herman Van den Reeck (Borgerhout, 21 april 1901 – Antwerpen, 12 juli 1920) was een Vlaams student die tijdens een betoging door de politie werd neergeschoten.  Hij was al op zeer jeugdige leeftijd bedrijvig in de Vlaamse Beweging en engageerde zich tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Activisme, de benaming voor het deel van de Vlaamse Beweging dat via de collaboratie met Duitsland een aantal Vlaamse grieven en zelfs Vlaamse onafhankelijkheid hoopte te verwezenlijken. Ze noemden zichzelf ‘Maximalisten’ en spraken ietwat denigrerend over dat deel van de Vlaamse beweging dat samenwerking met de bezetter afwezen (‘Passivisten’ of ‘Minimalisten’) Het Activisme begon met de oprichting van de groep Jong-Vlaanderen in oktober 1914 te Gent, onder leiding van dominee Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard. De oprichting werd flink ondersteunt door de zgn. Flamenpolitik van de Duitse bezettende macht, waarvan gouverneur-generaal Moritz von Bissing de grote architect was. Het doel was tweedracht in België te zaaien door allerlei vooroorlogse Vlaamse eisen in te willigen en via de activisten België te kunnen controleren. Zo werd onder andere in oktober 1916 de Universiteit Gent geheel vernederlandst, waarna ze door velen smalend de Von Bissing-universiteit werd genoemd. In februari 1917 richtte de Duitse regering een marionettenregering op, de Raad van Vlaanderen, om het activisme internationale legitimiteit te verschaffen. Deze Raad ging in maart 1917 op bezoek bij de Duitse regering in Berlijn. In maart 1917 zou dezelfde Von Bissing België opdelen in twee afzonderlijke taalgebieden. De Raad van Vlaanderen vergaloppeerde zich door in december 1917 deze scheiding aan te grijpen om de onafhankelijkheid van Vlaanderen af te kondigen, maar dar werd door de Duitsers snel afgezwakt tot ‘autonomie’. (meer…)

Q65

Q65 was een Haagse popgroep uit de jaren zestig van de twintigste eeuw. De groep stond bekend om zijn ruwe, bewust lelijke geluid. De groep werd opgericht door de gitaristen Joop Roelofs en Frank Nuyens, aangevuld met zanger Wim Bieler, bassist Peter Vink en drummer Jay Baar. De band debuteerde in 1966 met het album Revolution. Samen met The Outsiders was de groep een van de populairste Nederlandse ‘garage’ bands in de jaren zestig. Roelofs bedacht de naam, die vooral modern en kort moest zijn: een letter en een getal. Geïnspireerd door de titels van de Rolling Stones-nummers Susie Q en Route 66 kwam hij met Q65. Het klonk lekker en refereerde aan het oprichtingsjaar. Hun repertoire bestond vooral uit r&b-nummers, maar ook uit nummers van The Kinks, The Animals en The Rolling Stones. Na een van hun optredens was producer Peter Koelewijn onder de indruk van hun populariteit en nodigde hij hen uit voor een proefopname van You’re the Victor. Daarmee scoorde ze in 1966 direct een hit; het nummer bereikte de elfde plaats en bleef dertien weken in de Top 40. Voor hun tweede nummer The Life I Live liet de platenmaatschappij hen uitgebreid reclame maken. Zo reisden zij per rubberboot naar Londen, waar ze geen werkvergunning kregen en na enkele interviews terugkeerden. De terugreis was eveneens zogenaamd per rubberboot, deze werd echter slechts vanaf enkele kilometers uit de Scheveningse kust gebruikt. Ruim 30.000 fans verwelkomden hen. Deze plaat reikte tot positie vijf en werd hun grootste hit. Hun r&b-album Revolution verkocht 35.000 exemplaren. Drugsgebruik zorgde in de groep voor onenigheid en de militaire dienstplicht van zanger Wim Bieler maakte een tijdelijk einde aan het bestaan van de groep. In april 1967 kwam World of Birds nog wel in de top 10 van de Top 40. Hun laatste hit was in oktober 1970 stond twee weken in de hitparade, een bescheiden succesje. De beide albums Afghanistan en We Are Gonna Make It haalden ook niet de verkoopcijfers van hun debuutalbum. Die lp werd nog in april 2018 door de lezers van het Nederlandse maandblad Lust for Life gekozen tot nummer 6 van de beste albums van de Lage Landen. Mijn favoriete nummer: The world of birds. (meer…)

NOTRE DAME PARIJS 2 – DE WATERSPUWERS

Een waterspuwer of gargouille is een uitmonding van een goot, vergaarbak of waterbekken om overtollig water af te voeren en te voorkomen dat het regenwater langs de gevel naar beneden stroomt. Een spuwer is meestal een figuur uit steen gehouwen, die zich ter hoogte van de dakrand van gebouwen bevindt. Deze sculptuur heeft vaak een sinistere voorstelling van duivels, monsters of roofvogels. Waterspuwers worden al sinds de oudheid toegepast, maar worden vaak vooral geassocieerd met de gotiek. Spuwers zijn toegepaste beeldhouwkunst, want het is beeldhouwwerk dat met een bepaalde functie aan een gebouw is bevestigd. Zij voeren het regenwater van het dak van een gebouw af en hebben daartoe normaliter een goot aan de bovenzijde en een afvoergat dat eindigt in de bek of mond van de waterspuwer. Aan gotische kerken is de spuwfunctie vaak vervallen door de latere toevoeging van (koperen) regenpijpen. Omdat zij sterk beeldbepalend waren, werden de spuwers desondanks gewoonlijk gehandhaafd. Er was geen vaste regel voor de vormgeving van de waterspuwers. Daarom waren deze beeldhouwwerken aantrekkelijk voor kunstenaars. Ze konden hun fantasie helemaal botvieren. Allerlei mens-, dier- en fantasiefiguren zijn mogelijk. De gotische beeldhouwers lieten hun fantasie los op de waterspuwers, zodat ze eruit kunnen zien als mythische dieren, duivels of honden met wijd opengesperde muilen.
Als er één gebouw bekend is vanwege de waterspuwers is het wel de Notre Dame in Parijs. Verspreid over de gevels van de gotische kerk staan ongeveer 5.000 waterspuwers (gargouilles), schijnspuwers (drôleries) en andere monsterlijke beelden. De meeste van hen hebben al eeuwenlang een prachtig uitzicht over de Franse hoofdstad. V
anaf de grond zijn ze nauwelijks waarneembaar, door de steigers met doeken die voor de kerk zijn geplaatst. Maar op vele ansichtkaarten is nog wel te zien hoe ze eruit zien. Zo is er een (‘het knaagdier’ genaamd) die een kwaadaardig, katachtig beest voorstelt dat een prooi aan het verslinden is. Andere beelden, voorzien van grote oren, vogelbekken, hoorns, mensenarmen en een lange behaarde onderkant, staan iets gebogen over de balustrade naar beneden te kijken. Weer een andere is een vrij gewone vogel met roofsnavel die toevallig op de Notre-Dame lijkt neergestreken. De bekendste is ‘le penseur’, het duivelachtige monster met vleugels, hoorns en een snavel dat met de handen onder zijn kin in diep gepeins verzonken over de stad uitkijkt. Hier een paar van de 5.000 waterspuwers, waarvan het onzeker hoeveel de brand hebben overleefd. (meer…)

NOTRE DAME PARIJS 1 – IN DE BRAND, UIT DE BRAND

De Notre Dame van Parijs is een van de belangrijkste kathedralen ter wereld en een van de grootste toeristische attracties van Frankrijk, elk jaar bezocht door dertien miljoen mensen. De westelijke façade haar twee stompe torens en roosvormige glas-in-loodvenster behoort tot de bekendste stadsgezichten ter wereld. De geschiedenis van de Notre Dame begint bij koning Lodewijk VII die de status van Parijs wilde onderstrepen met een groot religieus monument. In 1163 werd de eerste steen gelegd, in aanwezigheid van paus Alexander III. Van de 12de tot de 14de eeuw werd aan de kathedraal gebouwd. Onder Lodewijk XIV en XV werd de Notre Dame verbouwd volgens de classicistische idealen van de 17de en 18de eeuw. Maar aan het begin van de 19de eeuw verkeerde de kathedraal in een erbarmelijke staat. Tijdens de Franse Revolutie werden de altaren vernield en de schatkamer geplunderd. De standbeelden van 28 bijbelse koningen aan de westelijke façade werden onthoofd omdat ze voor Franse koningen werden aangezien. Toen Napoleon zich in 1804 tot keizer liet kronen, waren de muren van de Notre Dame met vaandels bedekt om de beklagenswaardige conditie van het gebouw te maskeren. Rond 1830 was de kathedraal zo vervallen dat de gemeente Parijs overwoog haar te slopen. De ommekeer kwam in 1831 toen Victor Hugo zijn klassieke roman De klokkenluider van de Notre Dame publiceerde. Met Quasimodo, de gebochelde klokkenluider, wist Hugo de Parijzenaars te overtuigen van de waarde van de Notre Dame, de romantische weerspiegeling van de Middeleeuwen op de Ile de la Cité in het hart van Parijs. In 1845 begon de restauratie van de kathedraal, aan de hand van oude tekeningen door de architect Viollet-le-Duc. Tot 1865 werd het zicht op de façade onttrokken door de huizen die destijds op het plein stonden. In opdracht van keizer Napoleon III sloopte baron Haussmann, prefect van de Seine, de straatjes voor de Notre Dame zodat de kathedraal voortaan in volle glorie getoond werd. Bijna anderhalve eeuw later oogde de kathedraal nog altijd als een robuuste kolos, symbool van onwankelbaar middeleeuws geloof in het hartje van Parijs, met haar glorieuze glas-in-loodramen en schilderachtige waterspuwers, maar de kerk verkeerde al lange tijd in deplorabele toestand. Pinakels – de decoratieve ‘torentjes’ – werden met stalen banden op hun plaats gehouden. Waterspuwers waren verdwenen en op sommige plaatsen stak slechts een pvc-buis uit de gevel. Op een aantal plaatsen is de stenen reling vervangen door houten schotten. In de tuin liggen stukken torenspits, waterspuwers en andere stenen ornamenten, die naar beneden zijn gekomen of uit voorzorg zijn verwijderd. Er werd met een beperkt budget gewerkt aan de restauratie van het monument. Een restauratie die door de brand ineens in een versnelling komt. Er is ineens voldoende geld beschikbaar om de Notre Dame geheel in volle glorie te herstellen. De brand dus als een ‘blessing in disguise’ ofwel ‘in de brand, uit de brand’.
(meer…)

003 – UDO KECK

DE BOER DIE STERFT – 6

Karel van de Woestijne
DE BOER DIE STERFT
houtgravure van Jozef Cantré

deel 6
(deel 1)
 ; (deel 2) ; (deel 3) ; (deel 4) ; (deel 5)

Maar ge ligt gij nu warm, Nand, in uw goed bedde. Daar zijn geen weeren meer aan uw vingeren, van het werken. Zoo kunt gij voelen over uw maag de zachte versletenheid van uw katoenen hemd, en, waar gij ligt, aan uwe dijën de korreling van uwe goede lijnwaden lakens. En dat is wel niet veel, van ’t pleizier dat gij er aan hebt, maar het geeft toch eene gerustheid. Gij voelt, aan weêrs-kanten van uw hoofd, de gerust-stellende aaiing van uw wollen peluw. En hebt gij een koelere streeling over uw voorhoofd, ’t is goed tegen de ijle gloeiing van uw hoofd. – Voelt gij wat koelte over uw voorhoofd, Nand? Dan kunt gij nog denken aan uwe kinderen en aan uwe vrouw, dan kunt gij nog denken aan heel uwe doening’…
En ja: Nand kón er nog aan denken; hij kon er nog aan denken in de schemering van den zoeten slaap, waar hij wel wist dat hij nu in lag. Want hij wist dat hij niet meer wakker lag. Waarom, zou hij nog wakker zijn?: het was zoo góed, zóo… En ’t mummelde verder in hem: (meer…)