BENGUELA (1641-1648) – 008

slavernij in benguelaDe Portugese zeevaarder Diogo Cão (circa 1440-1486) maakte in opdracht van koning Johan II van Portugal twee ontdekkingsreizen langs de westkust van Afrika. Op zijn eerste reis (1482-1483) ontdekte hij de Kongostroom en kwam hij in contact met het stroomopwaarts gelegen koninkrijk van de Bakongo. Daarna volgde hij de Afrikaanse kust tot aan Kaap Santa Maria in Angola. Op zijn tweede reis (1485-1486) kwam Diogo Cão zelfs tot aan Kaap Kruis in Namibië. Aangenomen wordt dat hij op deze reis bij Kaap Kruis is overleden en daar ook werd begraven. In 1483 voer hij de monding van de rivier Catumbela op. De rivier ontspringt in de heuvels van Cassoco, ruim 240 kilometer landinwaarts, en mondt uit in de Atlantische Oceaan. Op dat punt was sprake van groene heuvels en vegetatie, terwijl het omringende land dor en onherbergzaam was. Landinwaarts stroomt de rivier in ravijnen door een kaal gebergte. Vanwege de koude Benguelastroming langs de kust, lijkt het punt bij de monding uitstekend geschikt voor een nederzetting. Er zal later de plaats Catumbela worden gevestigd. (meer…)

QUINTUPLET (1895)

OpelFahrrad a quintDe Duitse industrieel Adam Opel (Rüsselsheim, 1837-1895) was de zoon van een slotenmaker. Net als zijn twee broers begon hij als leerling-bankwerker in de werkplaats van zijn vader. Hij werkte vervolgens in naaimachinefabrieken in België, Frankrijk en Engeland. Toen hij in 1862 weer terugkeerde in Rüsselsheim richtte hij zijn eigen naaimachinefabriek op. In 1868 trouwde Adam met Sophie Scheller (1840-1913), de welgestelde dochter van een herbergier. In 1884 fabriceerde zijn fabriek al 18.000 stuks per jaar. Het werd de basis voor het familiebedrijf Opel. Vanaf 1886 begon Opel met de fabricage van fietsen, die toen steeds populairder werden. De firma Opel ontwikkelde zich al snel tot de grootste fietsfabriek van Duitsland. In de jaren twintig van de vorige eeuw was Opel zelfs de grootste fietsenproducent ter wereld. Op 21 juli 1926 presenteerde Opel de eenmiljoenste Opel-fiets. Nadat Adam Opel in 1895 op 58-jarige leeftijd als gevolg van tyfus overleed, namen zijn weduwe en zijn vijf zonen Carl, Wilhelm, Heinrich, Fritz en Ludwig Opel de leiding over de fabriek over. In 1898 begon de familie Opel met de productie van auto’s, dat zou uitgroeien tot de kern van hert bedrijf. Fietsen worden overigens ook weer geproduceerd. De vijf broers waren verdienstelijke wielrenners en stapte met regelmaat op een vijfpersoonsfiets, de quintuplet. Deze fiets staat nu in het Opelmuseum. (meer…)

HITLERS AANVAL OP RUSLAND

Frans ten Kate (1927) deed in 1954 doctoraalexamen in sociale geografie, werkte vervolgens mee aan een cursus van de luchtmachtstaf in Den Haag en was daarna als docent geschiedenis werkzaam op het lyceum in Zeist. In 1968 promoveerde hij aan de Rijksuniversiteit in Utrecht op het proefschrift De Duitse aanval op de Sovjet-Unie in 1941 (Operatie Barbarossa). Een krijgsgeschiedkundige studie. Voor zijn studie sprak Ten Kate met tien Duitse hoge officieren die bij de Duitse aanval betrokken waren. Na de oorlog werden die allemaal vanwege verschillende oorlogsmisdrijven die ze op hun geweten hadden tot de doodstraf of tot langdurige gevangenisstraffen veroordeeld, maar elk van hen liep na enkele jaren weer vrij rond. Niet zelden ook nog verontwaardigd dat ze na de oorlog ter verantwoording werden geroepen, terwijl ze slechts hun plicht voor volk en vaderland hadden gedaan. Ten Kate vertelde in 1968 in een interview dat veldmaarschalk Albert Kesselring, die onder meer verantwoordelijk was voor de bombardementen op Warschau, Rotterdam en tal van Engelse steden, enthousiast over zijn oorlogservaringen vertelde. Hij schroomde ook tegen zijn Nederlandse gesprekspartner niet met dezelfde geestdrift te vertellen over de geslaagde operatie in Rotterdam. Slechts één van de tien geïnterviewden liet merken spijt te hebben gehad van zijn aandeel in de oorlog. Iedereen sprak redelijk frank en vrij, wat Ten Kate in de gelegenheid stelde zeer nauwgezet de Duitse standpunten bij elk van de vele gebeurtenissen gedurende de periode juni 1941- april 1942 te kunnen weergeven. Dit boek is een heruitgave van zijn proefschrift uit 1968, aangevuld met een nawoord waarin de analyse van Ten Kate is geactualiseerd met resultaten van recent militair-historisch onderzoek. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 41

Senegal 1 Senegal 2 Senegal 3
Senegal, Afrika, omstreeks 1900

005 – KASTEEL JAARSVELD, SEPTEMBER 1672

Vernielde dorpen en kastelen in het Rampjaar 1672, deel 3

Net buiten Jaarsveld, een komdorp dat ongeveer zeven kilometer ten zuidwesten van IJsselstein aan de rivier de Lek ligt en deel uitmaakt van de gemeente Lopik, lag kasteel Jaarsveld. Het kasteel, dat ook wel kasteel Veldenstein werd genoemd, lag op de noordelijke oeverwal van de Lek ten noordoosten van het dorp. In 1108 had de bisschop van Utrecht aan de kapittels van de Dom en Oudmunster toestemming gegeven om in Hagestein een parochiekerk te stichten. Deze Hagesteinse kerk werd de moederkerk van een aantal kerken in de Vijfheerenlanden en net boven de Lek, waaronder de kerken van Everdingen, Lexmond, Vianen, Hei en Boeicop, Zijderveld, Jaarsveld en Tull en ‘t Waal. In Jaarsveld werd in 1258 het gerecht Jaarsveld (dat onder de Hagesteinse goederen viel) in leen uitgegeven aan Ghiselbert Uten Goye (Gijsbrecht van Goye), heer van Hagestein, van Houten en ’t Goy. Kasteel Jaarsveld werd voor het eerst genoemd als Otto van Cuijk, op dat moment de leenheer van het gerecht Jaarsveld, voor de aflossing van zijn hoge schulden gedwongen is al zijn lenen en goederen in het Sticht en in de landen van Amstel en Woerden af te staan aan graaf Willem III van Holland. De Hollandse graaf verkocht de heerlijkheid en huis Jaarsveld weer door aan de heren van Vianen, die afstammelingen van de Van Goye’s waren. In de volgende eeuwen wisselt Jaarsveld steeds van eigenaar, in eerste instantie binnen de familie van Goye. In de loop der tijd komt de naam Veldenstein in zwang. Rond 1384 bouwde Hendrik van Vianen op de strategische plek aan de Lek bij Jaarsveld het kasteel. Een goede plek om het verkeer op de Lekdijk en de scheepvaart op de Lek in de gaten te houden en centraal gesitueerd in de heerlijkheid Jaarsveld. Pas in 1413 werd Jan van Vianen alle rechten beleend op de heerlijkheid en het gerecht van Jaarsveld, dat ze al zo lang in bezit hadden en bewoonden. De leen bleef tot 1518 in het bezit van de heren van Vianen. (meer…)

WILLEM SPEELMAN (76)

Willem Pieter Speelman (Sellingen, 20 januari 1919 – Halfweg, 17 februari 1945) werd als zoon van een gereformeerde dominee geboren in het Oost-Groningse esdorp Sellingen, dat toen tot de gemeente Vlagtwedde behoorde en tegenwoordig deel uitmaakt van de gemeente Westerwolde. De familie Speelman behoorde tot het gereformeerde deel van de bevolking, terwijl de meerderheid tot de Nederlands-hervormde kerk hoorde. Later verhuisde het gezin naar het Zuid-Hollandse Nieuwveen, waar vader Speelzoon een nieuwe betrekking als dominee kreeg. Daar raakte Willem Speelman bevriend met Anne Hendrik Kooistra (Amsterdam, 1 november 1919, Gross Rosen, 4 augustus 1942), de zoon van Hendrik Anne Kooistra, van 1926 tot 1947 de directeur van Johannes Stichting, die in Nieuwveen onderdak aan behoeftige ouderen bood. Wim Speelman had het gereformeerd gymnasium in Amsterdam doorlopen en was bij het uitbreken van de oorlog student economie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Zijn jeugdvriend Henk Kooistra had in Amsterdam aan gevestigde gereformeerde kweekschool zijn akte L.O. behaald en was aan het solliciteren voor een baan. Hij werd in augustus 1940 aangenomen op de Eben-Haëzerschool in de Jordaan.Al op 29 juni 1940, kort na de Duitse inval, begon ze samen aan het eerste verzetswerk. Het tweetal gaf op die dag de Circulaire van het Comité ‘In Verdrukking Eén’ uit, waarin tot verzet werd opgeroepen.

Ieder die het onrecht zonder protest verdraagt, is schuldig.
Ieder die zijn materiële belangen stelt boven de uitspraak van zijn geweten, is schuldig.
Ieder die uit egoïsme onze goede zaak veronachtzaamt, verraadt haar min of meer en is schuldig.
Lauwheid, banghartigheid, halfslachtigheid: deze dingen zullen ons volk hun plaats onder de volkeren doen verliezen…
Elke opoffering, elke inspanning is winst en een stap in de richting van onze bevrijding.

De beide naïeve auteurs ondertekende de uitgave met zijn eigen naam. Ze zouden beide gedurende bezetting vanwege hun verzetswerk het leven verliezen, Kooistra op in 1942, pas 22 jaar oud. In de zomer van 1940 hadden beide 21-jarigen dan ook al contact met de Amsterdamse tak van de Ordedienst. (meer…)

ANNE HENDRIK KOOISTRA

Kort na de bezetting, op 14 augustus 1940, werd Anne Hendrik Kooistra (Amsterdam 1 november 1919) aangenomen als onderwijzer aan de Eben Haezerschool. Gevestigd op de hoek van de Bloemgracht en de Lijnbaansgracht stond de school ook bekend als de Inrichting voor Haveloze Kinderen. Op Anjerdag, 29 juni 1940, vervaardigde Kooistra met zijn jeugdvriend en dorpsgenoot Wim P. Speelman het eerste pamflet van het “Comité in Verdrukking Eén”. Ze verspreidden het geschrift in kleine kring met de bedoeling dat het overgeschreven zou werden en aldus een grotere reikwijdte zou krijgen. Het tweetal vroeg mensen uit hun kennissenkring, onder wie de Rotterdamse dominee J.J. Buskes, om kernachtige artikelen te schrijven. Opmerkelijk genoeg ondertekenden zij de pamfletten tot ver in september 1940 met hun eigen naam. Samen raakten ze betrokken bij de verspreiding van het illegale blad Vrij Nederland. Kooistra bracht geld en distributiebonnen rond en hield zelfs wapens verborgen op de zolder van zijn school. Tijdens de aanloop tot de Februaristaking van 1941 rukte hij een hakenkruisvlag van de vlaggenmast die voor het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst in de Euterpestraat stond. In deze periode bouwde hij een sterke band op met zijn schoolhoofd H.M. van Randwijk. Op 3 april 1941 wist hij ternauwernood te ontsnappen toen een poging om naar Engeland over te steken door verraad mislukte. Een maand later probeerde de Sicherheitsdienst hem in zijn ouderlijk huis en later op zijn school te arresteren. Zijn vader wist hem op tijd te waarschuwen en met hulp van Van Randwijk dook Kooistra onder in Hoevelaken. (meer…)

TASSO (1664-1668)

Tasso 1Het eiland, gelegen in het estuarium van de Sierra Leone Rivier, vlakbij de monding in de Atlantische Oceaan, is met haar grootte van 3,8 bij 3,8 kilometer het grootste eiland in de provincie North-West van Sierra Leone. Op die ongeveer 7,5 km2 bevindt zich een groot scala aan vogels. In de vier plaatsjes die het eiland kent wonen ongeveer 5.000 mensen, die overwegend islamitisch zijn. De huidige economie steunt bijna geheel op visserij en landbouw; het toerisme is een beetje in opkomst. Onder de Portugese naam Ilha de taco komt het eiland in 1635 voor het eerst voor op landkaarten. Rond 1660 werd het eiland door Britse kolonisten bezet en verschijnt de naam Tasso of Tasso Island. Het fort dat de Britten op het eiland bouwde, had toen de functie van opslagplaats voor de lokale landbouw en voor exportproducten. In 1664 werd het kleine fort door Michiel de Ruyter veroverd op de ritten. Daarbij werd door hem namens de West-Indische Compagnie ruim 500 slagtanden van olifanten buit gemaakt. Het is niet bekend hoe lang de WIC bezet hield, waarschijnlijk niet langer dan een paar jaar. Het is onbekend of toen door de Hollanders het fort ten behoeve van de slavenhandel werd gebruikt. (meer…)

DE WANDELAAR BOVEN EEN ZEE VAN MIST

74e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Caspar David Friedrich schilderde in 1818 Der Wanderer über dem Nebelmeer, wat postuum zijn beroemdste schilderij zou worden en nu geldt als hét schilderij van de schilderrichting binnen de Romantiek. Het iconische olieverfschilderij van 94,8 cm bij 74,8 cm is pas laat zo beroemd geworden. Het was namelijk lang totaal in de vergetelheid geraakt en werd pas in 1935 teruggevonden. Vanaf 1970 is het te bewonderen in de Kunsthalle van Hamburg. Op de voorgrond schilderde Casper David Friedrich een jonge man op een rotsachtige afgrond, waaruit enkele andere richels uitsteken die een belangrijk deel van de onderste helft van het schilderij beslaan. De wandelaar staat met zijn rug naar de toeschouwer. Hij draagt een donkergroene overjas en heeft in zijn rechterhand een wandelstok. Zijn haar wappert in de wind. Hij kijkt uit over een landschap dat door een dikke zee van mist grotendeels aan het zicht wordt onttrokken. Door de mistbanken kunnen bomen op steile hellingen worden onderscheiden. In de verte rijzen aan de linkerkant vervaagde bergen op, die geleidelijk afvlakken in laagvlaktes aan de rechterkant. De mist vermengt zich uiteindelijk met de horizon en is dan niet meer te onderscheiden van de met wolken gevulde lucht. (meer…)

CASPER DAVID FRIEDRICH

73e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Caspar David Friedrich (Greifswald, 5 september 1774 – Dresden, 7 mei 1840) was een Duits schilder-tekenaar uit de Romantiek. Dat was een stroming van eind achttiende eeuw tot halverwege de negentiende eeuw binnen de westerse schilderkunst en cultuur. De nadruk lag op de verbeeldingskracht en de subjectieve expressie van de individuele kunstenaar. De werkelijkheid werd altijd wat geïdealiseerd afgebeeld en er was steeds een ‘bezielde’ natuur. Onderwerpen waren vooral landschappen en historische gebeurtenissen; in mindere mate richtte men zich binnen de Romantiek ook op dromen, extreme ervaringen en de schaduwzijden van het leven van alledag. Naast Caspar David Friedrich behoorde de Engelsman John Constable en de Fransman Eugène Delacroix tot de bekendste romantische kunstenaars.

Friedrich werd als zoon van een molenaar geboren in Greifswald, dat toen nog in het Zweeds-Pommeren lag. Hij was de zesde van tien kinderen en werd streng opgevoed volgens de Lutherse waarden en normen. Al op jonge leeftijd verloor hij veel familieleden. Zijn moeder stierf in 1781 toen hij zeven was. Een jaar later stierf zijn zus Elisabeth; een tweede zus, Maria, bezweek in 1791 aan tyfus. De grootste tragedie vond plaats in 1787 toen zijn jongere broer Johann Christoffer door het ijs zakte en verdronk. Andere verhalen zeggen dat Johann Christoffer omkwam toen hij Caspar David probeerde te redden, die ook op het ijs in gevaar was. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 044

0044 - 31-08-2006 - Sachische Schweiz

Frans van den Muijsenberg, 12 augustus 2006, Sachische Schweiz

SCHEVENINGEN

Scheveningen strand 1914Op de jonge duinen die zich rond de 12 eeuw langs de Noordzeekust hebben ontwikkeld, werd een dorp gebouwd. In een akte uit 1357 werd dat dorp voor het eerst genoemd. In die akte vroegen de dorpsbewoners een gunst aan de graaf. Vermoedelijk was de aanwezigheid bij de buurtschap Die Haghe vanaf het begin van de 13e eeuw van de residentie van de graven van Holland de aanzet tot het ontstaan van het kustdorp. Waarschijnlijk zorgde de toenemende vraag naar zeevis van de nieuwe, rijke nederzetting ervoor dat vissers zich in de omgeving vestigden. In de loop der eeuwen kreeg het vissersdorp enige malen stormvloeden te verduren. Tijdens de Allerheiligenvloed in 1570 verdween de helft van het dorp in de golven, waardoor de kerk aan de rand kwam te staan. Daar staat de kerk nog steeds. Tot omstreeks 1650 was Scheveningen alleen door een duinpad, het Westerpad, met Den Haag verbonden. Het pad kwam uit bij het Haagse Noordeinde. De verbinding tussen beide plaatsen werd aanmerkelijk verbeterd toen in 1665 de Scheveningseweg werd aangelegd, naar een ontwerp van Constantijn Huygens. (meer…)

TOUR DE FRANCE 1967 – 37

Vandaag begint in Kopenhagen de 109e editie van de Tour de France. Inmiddels is het traditie dat wordt begonnen dat een korte proloog. Dit maal is een parkoers van 13 kilometer in de straten van de Deens hoofdstad uitgezet. Het is eigenlijk niet eens zo’n oude traditie. De primeur was op 29 juni 1967 toen in Angers een afstand van 5.775 moest worden afgelegd. Het was een Tour met slechts een paar favorieten, want enkele kopstukken moesten op allerlei redenen verstek laten gaan. Wereldkampioen Rudi Altig moest wapperend met een doktersattest laten weten de Tour aan zich voorbij te moeten laten gaan. De nieuwe Belgische wielerwonder Eddy Merckx gaf de voorkeur aan de Giro en bleef lekker thuis. De Italianen Gianni Motta, Franco Bitossi en Vittorio Adorni hadden ook zo hun redenen om thuis te blijven. Bij Jacques Anquetil gingen de jaren tellen en ging de voorkeur uit naar het verbeteren van het werelduurrecord. Resteerde slechts onze Jan Janssen, de Fransman Raymond Poulidor en de Italiaan Felice Gimondi als kandidaten voor de eindoverwinning. Het zou uiteindelijk een zeer verrassende uitslag worden, met de complete outsider Roger Pingeon als onverwachtse winnaar en podiumplaatsen voor Julio Jiménez (tweede) en Franco Balmamion (derde). Net naast het podium Désiré Letort (vierde) en de eerste topfavoriet, Jan Janssen met een achterstand van 9.47 op de eerste plaats. (meer…)

004 – HELPMAN, JULI-AUGUSTUS 1672

Vernielde dorpen en kastelen in het Rampjaar 1672, deel 2

Helpman was een dorp gelegen op de Hondsrug tussen Groningen en Haren, dat in 1245 voor het eerst werd genoemd in een oorkonde onder de naam Heltman. Later heette het dorp ook enige tijd Helpen. Het dorp was een van de dertien oorspronkelijke kerspelen en buurtschappen van Gorecht, het rechtsgebied rond de stad Groningen. Het oorspronkelijke dorp Groningen lag zelf ook in het Gorecht, maar had een eigen positie en werd op den duur als stad een eigen rechtsgebied. Kerkelijk was het Gorecht oorspronkelijk een parochie die onder de Sint Maartenskerk (Martinikerk) in Groningen viel. Die kerk geldt als moederkerk van alle kerken in het Gorecht.

Het Middelnederlandse woord kerspel had normaliter betrekking op een gebied dat onder het gezag stond van een bepaalde (parochie)kerk en maakte op die manier ook deel uit van de kerkelijke organisatie van een bisdom. Een kerspel beschikte over een kerspelkapel, die door de omwonende gelovigen moest worden bekostigd en onderhouden. Zij betaalden ook voor het levensonderhoud van de dienstdoende geestelijke. De kerspelkapel had niet de volledige zielzorg van de parochianen, want de bevoegdheden van de dienstdoende geestelijke werden beperkt door de stoolrechten (privileges) van de parochiepastoor. In de kapel werden geen sacramenten toegediend en voor de doop, het vormsel, een huwelijk of een begrafenis moest men naar de parochiekerk. Er mocht wel een mis worden opgedragen, godsdienstonderwijs worden gegeven, het naamfeest van de patroonheilige mocht worden gevierd en andere religieuze ceremoniën konden er worden gevierd. Ook in Helpman moet vroeger een kapel zijn geweest, maar daar zijn verder nooit sporen van gevonden. (meer…)

IN DE SCHADUW VAN SCHINDLER

Kevin Prenger (1980, hoofdredacteur bij Traces of War) heeft met In de schaduw van Schindler. Jodenhelpers uit nazi-Duitsland zijn zevende boek gepubliceerd, waarvan de verhouding Duitsers en verzet tegen het nationaalsocialisme als rode draad te bespeuren is. Waarbij in de eerste drie boeken het begrip ‘verzet’ met de nodige voorzichtigheid moet worden bekeken. Dat waren namelijk biografieën van SS’ers die enerzijds volop meedraaide in de nazi-machinerie en de massamoord op Joden, socialisten, homoseksuelen, zigeuners, Jehova Getuigen en gehandicapten en anderzijds claimde betrokken te zijn in het Duitse verzet. Bij Kurt Gerstein (‘Een boodschapper uit de hel’) is een verzetsrol het minst twijfelachtig. Bij Konrad Morgen (‘Een rechter in Auschwitz’) was vooral sprake van een uiterst rechtlijnig jurist binnen het justitiële apparaat, maar hert betekende wel dat hij zijn hoofd behoorlijk ver boven het maaiveld uitstek. En dat is nooit een prettige positie. Hij overleefde het echter zonder noemenswaardige kleerscheuren, wat niet zonder betekenis is. Arthur Nebe (‘Het masker van de massamoordenaar’) was ronduit een massamoordenaar, die vanwege zijn passieve rol bij het complot van 20 juli 1944 (met de mislukte moordaanslag van Claus von Stauffenberg) en het feit dat ook hij dit met een doodstraf moest bekopen, ten onrechte lange tijd als verzetsheld werd gepresenteerd. Als iemand die per ongeluk verstrikt was geraakt in de afschuwelijke misdaden van het naziregime. De titel ‘Het masker van de massamoordenaar’ van Prengers boek spreekt boekdelen. In Meer dan alleen Auschwitz vertelt Kevin Prenger twaalf verhalen die de Holocaust beschrijven ‘vanuit een ander perspectief dan gebruikelijk’. Verhalen die makkelijk onafhankelijk van elkaar kunnen worden gelezen, maar tezamen een brede blik op verschillende facetten van de Jodenvervolging geven. Beter gezegd, de diverse manieren waarop door de Joodse bevolking met succes op allerlei ingenieuze en soms verbijsterende manieren werd geprobeerd in leven te blijven (meer…)

08 – HANS ISLAND (deel 3)

HansIsland 1Op 8 en 9 oktober 2020 verschenen op dit weblog twee artikelen over Hans Island. In het eerste artikel is ingegaan op het territoriale conflict over deze kale rots van 1,3 km² in de Straat Nares, een kilometer of honderd ten zuiden van het dorp Alert, de noordelijkst gelegen permanent bewoonde nederzetting ter wereld, met 75 inwoners. In het tweede artikel werd ingegaan op de persoon waar het onbewoonde eilandje is vernoemd, de Inuit ontdekkingsreiziger Hans Hendrik (2 juni 1832 – 11 augustus 1889). Die maakte tussen 1853 en 1876 deel uit van vier poolreizen op zoek naar vermiste voorgangers in het onherbergzame gebied en tevens om dat gebied verder in kaart te brengen. Als dank voor zijn inspanningen en kennis van het arctische land werd dit eilandje naar hem vernoemd. Een zeldzaamheid overigens, want de rest van alle eilandjes, baaien, zeestraten, landpunten en dergelijke werd onveranderlijk naar een westerse ontdekkingsreiziger vernoemd. Over dat eiland ontstond echter in 1973 een conflict tussen Groenland (behorend tot Denemarken) en Canada, toen werd besloten dat de grens tussen beide landen en dus ook tussen de continenten Europa en Noord-Amerika door de Straat van Nares moest lopen. Nu bleek de grens precies over Hans Island te lopen. Beide landen vonden dat eiland niet zo belangrijk, maar om het Noordpoolgebied eromheen dat vele natuurlijke grondstoffen zou kunnen bevatten. Het eiland werd daarom niet opgenomen in het grensakkoord dat beide landen in 1973 sloten. Dat was een vuiltje dat later moest worden weggepoetst. Beide landen kwamen er steeds niet aan, waarna een serie plagerijen begon die in de Angelsaksische wereld ‘The Whisky War’ werd gedoopt. (meer…)

JULES MOHR (75)

Julius Josephus Mohr (Haarlem, 1 februari 1893 – Buchenwald, 5 februari 1945) haalde op 19 december 1919 zijn vliegbrevet en was vanaf 1922 in dienst van de KLM, werkzaam in Parijs. Op 22 november 1923 trad hij in Rotterdam in het huwelijk met Jansje Cornelia van der Hilt (Charlois, 4 mei 1889). Binnen de Nederlandse kolonie in de Franse hoofdstad was hij blijkbaar een graag gezien iemand. In de meidagen van 1940 werd in Parijs door de Nederlandse gezant de Association de Seours aux Réfugiés Néerlandais opgericht. Het werd natuurlijk al snel duidelijk dat er niet alleen min of meer officiële vluchtelingen waren, maar dat er ook allerlei anderen personen geholpen moesten worden. Personen die een hoog risico hadden om gearresteerd te worden. Er werd daarom een afsplitsing van deze illegale activiteiten gedaan, waarvan Jules Mohr de leiding kreeg.

In 1943 raakte Mohr hierdoor betrokken bij het netwerk Dutch-Paris en hielp onder meer mee om piloten via Spanje te laten terugkeren naar Groot-Brittannië. Hij werkte daar samen met Jean Weidner, diens zuster Gabrielle Weidner, de diplomaat Johan Laatsman en de verzetsmannen Benno Nijkerk en Jan Doornik. Hij stond ook in contact met R.H.M. Verspyck, die in Parijs voor Unilever werkte, en diens dochter Mathilde Verspyck. Op 18 juli 1944 bevrijdden de geallieerden bij Normandië de steden St-Lo en Caen en staan nog maar tweehonderd kilometer van Parijs af. Die dag werd Mohr gearresteerd en opgesloten in het Polizeihaftlager Compiègne, dat ook bekend stond als Kamp Royallieu of Frontstalag 122. Ook andere Nederlandse verzetsmannen zoals Jacob Brantsen zaten hier een tijdje opgesloten. (meer…)

ERNST KNAACK

Ernst Knaack (Berlijn, 4 november 1914, Brandenburg, 28 augustus 1944) werd in 1928 van de Kommunistischen Jugendverband Deutschlands (KJVD), waarvoor hij zich in het district Prenzlauer Berg bezig ging houden met propaganda en agitatie. Dat betekende onherroepelijk dat hij vanaf januari 1933 toen de NSDAP aan de macht kwam intensief betrokken werd bij de strijd tegen het nationaalsocialisme. IN 1935 werd hij als 21-jarige voor het eerste gearresteerd en op 2 oktober 1936 door de Rechtbank Berlijn tot een gevangenisstraf van twee jaar veroordeeld. Na zijn vrijlating werd hij lid van de illegale verzetsorganisatie van Robert Uhrig. Op 26 maart 1942 werd hij door de Gestapo voor de tweede maal gearresteerd en toen overgebracht naar het concentratiekamp Sachsenhausen. Daar werd hij opgesloten tot zijn proces. Op 6 juli 1944 werd hij door het Volksgerichtshof tot de doodstraf veroordeeld. In het Tuchthuis Brandenburg werden in de periode 1940-1945 door de nazi’s 1.807 politieke gevangenen om het leven gebracht. Daarvan waren 75 jonger dan twintig jaar, eentje was zelfs slechts zestien jaar oud.

Over de toen 29-jarige Ernst Knaack werd in het droge ambtelijke jargon vermeld: ‘De veroordeelde werd, met de armen op de rug vastgebonden, door twee bewakers om 12.36 uur binnengebracht. De beul Röttger uit Berlijn en zijn drie assistenten stonden klaar. Ook aanwezig was de gevangenisarts, Reg. Med. Rat. Dr. Müller. Nadat was vastgesteld dat degene die was binnengebracht inderdaad de veroordeelde was, werd opdracht gegeven verder te gaan met de procedure. De gevangene, rustig en geconcentreerd, werd zonder verzet naar de guillotine gebracht, waarna de beul de onthoofding volbracht en liet weten dat het vonnis met succes ten uitvoer was gebracht. De executie, vanaf het moment dat de veroordeeld werd binnengebracht tot de aankondiging van de beul dat het vonnis was uitgevoerd, duurde in totaal zeven seconden’. (meer…)

003 – LOBITH EN HET RAMPJAAR 1672

Op zaterdag 11 juni as. presenteert de Heemkundekring Rijnwaarden (HKR) een drone-documentaire en een boek, wordt de Tolhuys-maquette onthuld, vind de introductie plaats van een speciaal biertje en wordt een tentoonstelling geopend met unieke foto’s, historische voorwerpen (bajonet, kanonskogel), originelen en kopieën van kunstwerken (schilderijen, etsen, munt), historische landkaarten). Alles houdt verband met de Passage du Rhin, precies 350 jaar geleden in het weekend van 11-12 juni in 1672. Toen stak bij Lobith een leger van zo’n 20.000 soldaten de Rijn over. De Zonnekoning Lodewijk XIV was hoogstpersoonlijk aanwezig als bevelhebber. Het markeerde het begin van het Rampjaar 1672. Voor de heemkundekring mocht ik het boek schrijven en de uitgave verzorgen. Hieronder de inleiding van deze uitgave.

In de Nederlandse geschiedenis staat 1672 bekend als het Rampjaar, omdat de Republiek der Verenigde Nederlanden werd aangevallen door de koninkrijken Frankrijk, Engeland en Zweden en prinsbisdommen Münster en Keulen. Daaraan wordt altijd toegevoegd dat het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos was. Het tragische hoogtepunt was dat op 20 augustus de gebroeders Johan en Cornelis de Witt op gruwelijke wijze door het Haagse gepeupel werden vermoord. Vervolgens blijft de geschiedschrijving meestal beperkt tot de interne verdeeldheid binnen de Republiek, met de heftige meningsverschillen tussen Orangisten en Staatsen. Centrale punt hierin is de vraag of voor het Huis Oranje nu wel of niet een plaats in het landbestuur moet zijn weggelegd. Verder is er nog aandacht voor Utrecht en de Waterlinie, die Holland tegen vijandelijke aanvallen moest beschermen. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 043

0043 - 31-01-2018 - Marrakesj Bahia Paleis.
Frans van den Muijsenberg, 31 januari 2018, Bahai Paleis, Marrakesj, Marokko.

DE DRIE GRATIËN – 046

Rafaël Sanzio da Urbino (Urbino, 6 april 1483 – Rome, 6 april 1520) was een Italiaanse kunstschilder en architect uit de Renaissance. Hij signeerde zijn werk vaak met ‘raphael urbinas’, de pseudo-Latijnse vorm van zijn naam. De toevoeging ‘Sanzio’ is een verwijzing naar de achternaam van zijn vader, de schilder Giovanni Santi, wat is afgeleid van het Latijnse sancti (heilig). Hij maakte fresco’s, altaarstukken, portretten, ontwerpen voor kerken, palazzo’s en wandtapijten. Zijn bekendste werk is de School van Athene dat zich in het Vaticaan bevindt. In de periode 1500-1504 was het wonderkind Raphael in Perugia leerling van Pietro Perugino, waarbij hij onder meer werkte aan fresco’s. Rond 1504 verhuisde hij naar Florence, waar hij bemerkte dat zijn techniek hier ouderwets en provinciaals werd gevonden. Hij wist zich echter al snel de stijl van Leonardo da Vinci en Michelangelo eigen ge maken. In zijn tijd in Perugia schilderde Raphael en Drie Gratiën, die zich nu in het Musée Condé van het kasteel van Chantilly bevindt. Algemeen wordt aangenomen dat hij zich voor dit olieverfschilderij liet inspireren door een beeld van de drie gratiën dat in de bibliotheek van de Dom van Siena staat. Bij dit schilderij beeldde hij voor het eerst vrouwelijke naakten aan zowel de voor- als achterzijde af, bijna exact zoals het beeldhouwwerk uit Siena. (meer…)

WOLFSTIJD

Harald Jähner (1953) studeerde literatuur, geschiedenis en kunstgeschiedenis aan de universiteit van Freiburg en Berlijn, die hij afsloot met een promotie op het beroemde boek Berlin Alexanderplatz van Alfred Döblin. Na zijn afstuderen werkte hij eerst een tijdlang als freelance journalist. Van 1889 tot 1997 was hij hoofd van de afdeling communicatie van het Haus der Kulturen der Welt in Berlijn, het nationale expositiecentrum voor moderne niet-Europese kunst. Tegelijkertijd was hij literair criticus voor de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Van 2009 tot 2015 was hij hoofdredacteur van de Berliner Zeitung. Sinds 2011 is hij bijzonder hoogleraar Culturele Journalistiek aan de Universität der Künste in Berlijn. In 2019 debuteerde hij met het boek Wolfszeit. Deutschland und die Deutschen, 1945-1955, waarover hij datzelfde jaar de Leipziger Buchmesse Preis ontving. Het boek is inmiddels in diverse vertalingen verschenen en een internationale bestseller.

Wolfstijd is een mentaliteitsgeschiedenis van de eerste naoorlogse jaren in Duitsland. Op het moment dat de Tweede Wereldoorlog werd beëindigd, bevond de helft van de mensen in Duitsland zich niet op de plaats waar ze thuishoorden of wilden zijn. Er waren negen miljoen evacués en daklozen na de jarenlange bombardementen op de grote steden. Er waren verder veertien miljoen vluchtelingen en verdrevenen, tien miljoen vrijgelaten dwangarbeiders en gevangenen en van lieverlee keerden miljoenen Duitse krijgsgevangenen weer terug. Dit hele samenraapsel van mensen moest samen met de andere helft van de bevolking op het resterende Duitse grondgebied een nieuwe onderlinge samenhang zien te vinden. Aanvankelijk sprak men over de eerste naoorlogse jaren over de ‘niemandstijd’ of de ‘wolfstijd’, namelijk de tijd waarin ‘de mens de mens tot wolf’ was geworden. Iedereen moest alleen voor zichzelf of de paar personen uit zijn roedel zorgen. (meer…)

SIEGMUND SREDZKI

Siegmund Sredzki (Berlijn, 30 november 1892, concentratiekamp Sachsenhausen, 11 oktober 1944) werkte aan de draaibank in een fabriek voor de Duitse wapen- en munitie-industrie, tot hij in 1915 werd opgeroepen voor militaire dienst. In 1918 nam hij tijdens de Novemberrevolutie deel aan de gewapende strijd. In dat jaar werd Sredzki ook lid van de Unabhängige Sozialdemokratische Partei Deutschlands (USPD), een socialistisch-pacifistische partij onder leiding van Hugo Haase. De partij was een jaar eerder opgericht door leden van de SPD-fractie in de Rijksdag. De SPD steunde toen de oorlogspolitiek van de Duitse generale staf en stemde steeds vóór nieuwe oorlogskredieten. De USPD volgde een revolutionair en marxistisch programma aan. De partij beschouwde zich daarmee als de enige erfgenaam van de socialisten August Bebel en Wilhelm Scheidemann. Binnen korte tijd kende de USPD 40.000 leden, terwijl de communistische Spartacusbond slechts 3.000 leden telde. In november 1918 werd Raad van Volkscommissarissen als voorlopige regering benoemd, waarin zowel de SPD als de USPD met drie leden vertegenwoordigd was. Tijdens de Spartacus-opstand in januari 1919 bleef de rechtervleugel van de partij trouw aan de regering waarin men zitting had, maar de linkervleugel van de USPD vocht aan de zijde van de opstandelingen mee. In de loop van 1919 keerde de rechtervleugel met voorzitter Hugo Haase terug naar de SPD; het grootste deel van de linkervleugel sloot zich aan bij de Kommunistishe Partei Deutschland (KPD) en het restant probeerde de USPD overeind te houden. In 1924 hield de partij echter op te bestaan. (meer…)

CIMON EN PERO – 10

10 - Peter Paul Rubens - Simon en Pero, 1630.
Peter Paul Rubens
(Siegen, 28 juni 1577 – Antwerpen, 30 mei 1640), de beroemde Antwerpse schilder en diplomaat, is op deze website al drie maal aan bod geweest. In alle drie de gevallen als schilder-tekenaar van De Drie Gratiën (nummer 2, nummer 3 en nummer 40), die gezamenlijk symbool staan voor vruchtbaarheid, creativiteit en charme. Rubens heeft zich beziggehouden met veel bijbelse thema’s en onderwerpen uit de Oudheid, dus kon een schilderij van Cimon en Pero niet ontbreken. Zijn voorstelling lijkt heel veel op die van tijdgenoten, maar een opvallend detail is wel dat in zijn versie twee soldaten heimelijk gade slaan dat de dochter haar vader de borst geeft om hen voor de hongerdood te behoeden. Dat sluit pas later aan bij het verhaal. Nadat de oude Cimon na een maand nog steeds in leven is, tast men in het duister hoe dat mogelijk is. De cipier
controleert dan of Pero mogelijk toch voedsel mee naar binnen neemt. Wanneer hij geen voedsel aantreft, besluit hij hen te bespieden en ontdekt hij dat Pero haar vader zoogt. Alle eerdere versies schijnen te wijzen naar de fase voordat deze controle plaatsvindt. Bij Rubens bespieden de soldaten vader en dochter. Weldra zal de rechter weten wat er aan de hand is.

GREIFSWALD

72e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD
.
Greifswald is een gemeente in de Duitse deelstaat Mecklenburg-Voor-Pommeren. De stad werd in de twaalfde eeuw gesticht, ontving in 1250 het Lübisches Stadtrecht en was in de Middeleeuwen een welvarende Hanzestad, wat in het historische centrum nog goed te zien is. De stad kwam ongeschonden uit de Tweede Wereldoorlog, maar de helft van de historische gebouwen ging daarna alsnog verloren, omdat in de DDR-tijd werd besloten deze unieke gebouwen te vervangen door de uniforme ‘plattenbau’ waarmee Oost-Duitsland toen werd ‘verwend’. Het schijnt dat in de Middeleeuwen Greifswald in het Nederlands als Griepswoude werd aangeduid, wat zou kunnen duiden op een oorsprong als Hollandse vesting in het kader van de Oostzeehandel, de ‘moedernegotie’ waarop de Hollandse welvaart was gebaseerd.

In de loop van de 14e en 15e eeuw verzandde echter de haven van Greifswald en kwam de stad verder van zee af ge liggen, waardoor het belang als Hanze- en handelsstad steeds minder werd. Al in 1456 werd in de stad een universiteit gevestigd, een van de oudste universiteiten in Europa. In 1933 werd de naam door de nazi’s veranderd in Ernst Moritz Arndt Universiteit, vernoemd naar een Duitse nationalist en vrijheidsstrijder uit de 18e eeuw. Zijn vrijheidsidealen hadden niets met de nationaalsocialistische ideeën van doen, maar het was in die tijd niet ongebruikelijk dat de nazi’s allerlei personen en theorieën onder hun beweging schaarden. Na 1945 werd de naam dan ook snel weer afgeschaft, maar in 1954 opnieuw in gebruik genomen, nu onder verwijzing van de eigenlijke vrijheidsidealen waarover Ernst Moritz Arndt schreef. De kunstverzamelaar Wilhelm Uhde bezocht deze universiteit begin 20e eeuw. Tot de beroemdheden die in Greifswald werden geboren behoren de schrijver Hans Fallada (1893-1947), de voetballer Toni Kroos (1993) en de kunstschilder Kasper David Friedrich (1774-1840). (meer…)

002 – SLOT ABCOUDE, 6 NOVEMBER 1672

Vernielde dorpen en kastelen in het Rampjaar 1672, deel 1

Veldmaarschalk Johan Maurits van Nassau, die het bevel voerde over het Staatse leger dat gelegerd was van Muiden tot Abcoude, bezette op 19 juli 1672 het Slot Abcoude, waarvan voor her eerst melding werd gemaakt tijdens de verwoesting door Gijsbrecht van Amstel in 1274. Johan Maurits was in 1668 toen een oorlog met Frankrijk al dreigde weer veldmaarschalk geworden en was in 1672 de belangrijkste raadgever voor stadhouder Willem III. Hij had goede contacten met zowel de Hollandse bestuurders als met de keurvorst van Brandenburg-Pruisen, dus de ideale persoon om het contact met de belangrijkste bondgenoot van de Republiek te onderhouden. Hij zorgde ervoor dat Slot Abcoude gaat dienen als legerplaats voor de Staatse groepen. Hij moest ervoor zorgen dat de Franse troepen niet op schepen de Vecht konden afzakken. De doortocht door de Angstel, een meanderend riviertje van ongeveer tien kilometer, werd versperd door vaartuigen die met geschut waren bewapend. Alle riviertjes en vaarten waren op dezelfde manier bewapend, waardoor de weg naar Amsterdam was afgesloten.

Slot Abcoude zou het verste punt op de route Utrecht-Amsterdam worden dat de Fransen wisten te bereiken. Op 6 november 1672 werd het dorp Abcoude door Franse troepen in brand gestoken. Op 17 november 1672 gaf de hertog van Luxemburg, de Franse legeraanvoerder, aan honderdvijftig man de opdracht het dorp geheel te ruïneren. De Fransen marcheerden in een dag naar Abcoude en het slot, en staken in het dorp veel in brand. Op 30 november kwamen ze terug om alles wat nog overeind stond verder af te branden. Intussen was de verdediging van het slot versterkt, zodat het verzet erg heftig was en de verdedigers erin slaagden veel Fransen gevangen te nemen. (meer…)

001 – HET RAMPJAAR 1672

In de Nederlandse geschiedenis staat 1672 bekend als het Rampjaar. ‘Het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos’, is hierbij een vaste uitdrukking. In het Rampjaar kreeg de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden te maken met een gezamenlijke aanval van Engeland, Frankrijk en de bisdommen Münster en Keulen. Het Franse leger van omstreeks 120.000 man koos een wat langere weg vanuit Charleroi om de Spaanse Nederlanden te vermijden. Om dat mogelijk te maken waren de beide bisdommen bondgenoot gemaakt. Met de Engelsen werden enkele zeeslagen gevoerd, die bekend staan als de Derde Engels-Nederlandse Oorlog (1672-1674), waarin de Nederlandse zeevloot de overhand had. Op 1 juni 1672 trokken de bisschoppelijke leger, aangevuld met een flink contingent Franse soldaten, Twente en Overijssel binnen. Dit gedeelte van de Hollandse oorlog staat bekend als de Tweede Münsterse Oorlog (1672-1674), waarbij grote delen van het oostelijke en noordelijke deel van de Republiek werd bezet en te maken kreeg met grootschalige plundering, vernielingen, moorden en verkrachtingen. Op 12 juni 1672 trok het Franse leger bij Lobith de Rijn over. Eerder hadden ze alle Kleefse vestigingen van de Republiek in recordtijd overmeesterd. Bij de Slag bij Tolhuys te Lobith kon het zwakke leger van de Republiek makkelijk worden verslagen. De IJssellinie, die vanuit Arnhem naar Doesburg, Zutphen, Deventer en Zwolle liep, was voor de Republiek de eerste verdedigingslinie. Deze verdedigingslinie moest zorgen dat Holland en Zeeland, die werden beschouwd als de belangrijkste provincies, niet konden worden aangevallen. Door de gewonnen Slag bij Tolhuys was deze IJssellinie nier langer van belang. Het Franse leger kon nu snel doortrekken naar Utrecht. (meer…)

VALLEIKANAAL (2)

Gisteren aandacht geschonken aan de historische ontwikkeling van het Valleikanaal. Hieronder eerst een beschrijving over het kanaal die in 1998 werd geplaatst in De Volkskrant, als onderdeel van een serie columns over bijzondere waterwegen. Daaronder een kleine fotografische sfeerimpressie van het kanaal.

Het Valleikanaal

‘Via de Nederrijn kun je het Valleikanaal niet opvaren, ook niet met kano’s’, waarschuwt de boswachter nog eens. Ze heeft me zojuist betrapt in het vogelrustgebied van uiterwaarde de Blauwe Kamer, waar ik tussen zwartbehaarde runderen en heuphoge brandnetelresten het begin van het kanaal zocht. Over een hoge brug in de verte loopt de N233, langs de kerktoren van Rhenen. Vrachtwagens dreunen, eenden snateren, fazanten vliegen klapperend weg, de zon beschijnt de besneeuwde dijken. Voor mij ligt de Grebbeberg met zijn voeten in de rivier. Het begin van het Valleikanaal vlijt zich om de berg heen. De bevroren waterspiegel lijkt van matglas, op open plekken weerkaatst de oever helder.
Bij de rivierdijk loopt het kanaal de Gelderse Vallei in, vroeger lag hier een sluis voor scheepjes. De zuidflank van de Grebbeberg is door de provincie Utrecht uitgeroepen tot ‘aardkundig’ monument. Twee landschappen botsen hier op elkaar. Aan weerszijden van de vallei rijzen stuwwallen op: de Utrechtse Heuvelrug (met de Grebbeberg) en de Veluwe. Rechts liggen de flats van Wageningen en Ede. (meer…)

VALLEIKANAAL (1)

Valleikanaal - Aanleg 2Het Valleikanaal van ongeveer veertig kilometer lang stroomt in noordelijke richting door de Gelderse Vallei, een streek in Midden-Nederland die ruwweg voor twee derde deel in Gelderland en voor een derde deel in Utrecht (en een piepklein stukje in Noord-Holland in de gemeente Blaricum. Het gebied wordt begrensd door de Utrechtse Heuvelrug, de Nederrijn, de Veluwe en de Veluwerandmeren. Een daarvan is het Eemmeer, het deel waar de Eem in uitkomt. De Eem, vaak genoemd als de langste Nederlandse rivier omdat het de enige rivier is die in ons land ontspringt en uitmondt, begint in Amersfoort en mondde voorheen na achttien kilometer uit in de Zuiderzee, later het IJsselmeer en nu dus in het Eemmeer.

De Gelderse Vallei ligt voor twee derde in de provincie Gelderland, voor een derde in de provincie Utrecht en een heel klein stukje Noord-Holland in de gemeente Blaricum. Het kanaal heeft zijn naam ontleend aan het feit dat ze door deze Gelderse Vallei stroomt. Op een aantal plaatsen vormt het de grens tussen de provincies Utrecht en Gelderland. Het kanaal begint aan de Nederrijn bij Rhenen, aan de voert van de Grebbeberg en mondt in Amersfoort uit in de Eem. Het doel van het kanaal was te zorgen voor een goede afwatering van de Gelderse Vallei en dus het voorkomen van wateroverlast voor de bewoners van de plaatsen waar het kanaal doorheen loopt: Rhenen, Wageningen, Veenendaal, Overberg, Scherpenzeel, Woudenberg, Leusden en Amersfoort. (meer…)

WILLEM JANSSEN

Willem Gerhard Janssen (Lonneker, 11 juni 1880 – Enschede, 8 september 1976) was een verdediger van de Enschedese voetbalclub EFC PW 1885 (Enschedese Football Club Prinses Wilhelmina). De club was op 30 juni 1885 opgericht als Enschedesche Football Club en fuseerde al op 30 oktober dat dat jaar met de voetbalclub Prinses Wilhelmina. In plaats van met de lange en wat onoverzichtelijke naam wordt de vereniging normaliter aangeduid als Prinses Wilhelmina. De club won tussen 1899 en 1907 vijf keer het kampioenschap van Oost-Nederland (1904, 1905, 1906 en 1907). Bij de daaropvolgende wedstrijden om de landskampioenschappen tegen de westelijke kampioenen moest men steeds het onderspit delven. De lub speelde in 1905 de finale van de Challenge international du Nord, een pre-oorlogse voorloper van het Europacuptoernooi. Het was een jaarlijks voetbaltoernooi dat in de periode 1898-1914 werd gespeeld in de Noord-Franse steden Lille, Roubaix en Tourcoing van 1898. In de beginjaren namen er enkel clubs uit Frankrijk en België deel, maar vanaf 1905 was het toernooi ook toegankelijk voor clubs uit Zwitserland en Nederland. Tussen 1909 en 1915 was het toernooi enkel toegankelijk voor Franse clubs en Engelse amateurclubs. In 1905 wist Prinses Wilhelmina de halve finale te winnen van de Parijse club Racing Club de France Football, die in1882 was opgericht en daarmee een van de oudste verenigingen in Frankrijk. In de finale verloor Prinses Wilhelmina met 3-1 van Union Sint-Gillis uit Brussel (uit 1897), op dat moment de beste Belgische club. Ze werd tien maal nationaal kampioen (1904, 1905, 1906, 1907, 1909, 1910, 1913, 1923, 1933, 1934, 1935), en hoeft slechts Anderlecht en Club Brugge voor zich te dulden. (meer…)

JOAN GELDERMAN (74)

Joan Gelderman (Oldenzaal, 18 november 1922 – Vught, 4 september 1944) was de jongste van de vijf kinderen van de bekende Oldenzaalse textielfabrikant Joan Gelderman (1877-1975), een lid van de Eerste Kamer namens de Liberale Staatspartij van 1928 tot 1946. Hij was van 1921 tot 1928 ook de eerste voorzitter van de nieuw opgerichte Kamer van Koophandel voor Twente en Salland, verder president-commissaris van de Nederlandse Spoorwegen en de NV Heemaf, plus commissaris van de Koninklijke Nederlandse Katoenspinnerij, de Tilburgse Katoenspinnerij en de Centrale Werkgevers Risicobank. Als vooraanstaand ondernemer speelde hij een belangrijke rol op het gebied van de handelspolitiek en bij de samenwerking tussen textielondernemingen. Zijn vooraanstaande positie in Twente bleek uit zijn benoeming in 1945 tot Economische Commissaris van de provincie Overijssel en lid van de commissie Noodvoorziening van het Militair Gezag.

Joan Gelderman jr. had twee oudere broers en twee oudere zussen. Hij groeide op in villa De Hulst in hert landelijk gebied net buiten Oldenzaal. De buitenverblijf was midden in de 18e eeuw gebouwd en later vergroot met een park met lanen, bos en bouwgronden en een tuinkoepel. In 1916-1917 was de textielfabrikant Joan Gelderman eigenaar van het buitenverblijf, dat hij liet verbouwen naar een moderne villa. Ook werd het park gemoderniseerd, waarbij de oorspronkelijke, 18e eeuwse structuren grotendeels behouden bleven. Momenteel staan er op het uitgebreide landgoed een aantal zeer luxe appartementen. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 40

cancan 003cancan 002cancan 001
Parijs, de cancan, omstreeks 1890

ODALISKEN – 31

Mariano Fortuny (Reus, Catalonië, 11 juni 1838 – Rome, 21 november 1874), was een Spaans kunstschilder, graficus en tekenaar. Hij groeide op bij zijn grootvader die beeldsnijder, meubelmaker en ontwerper was en kreeg zijn eerste lessen in tekenen in het atelier van Domingo Soberano in 1850 toen hij pas twaalf jaar oud was. Daarna ging hij nog in de leer bij de zilversmid en miniatuurschilder Antonio Bassa. In 1852 kon hij dankzij een toelage van twee geestelijken uit Reus naar Barcelona gaan studeren aan de Escuela de Artes Y Oficios, een kunstacademie, bij de beeldhouwer Domènec Talarn. In 1853 volgde hij de lessen aan de kustacademie van San Jorge eveneens in Barcelona, bij de schilders Claudio Lorenzale, Luis Rigalt en Pau Milá. In 1857 kreeg hij van de provincieraad van Barcelona een beurs om twee jaar in Rome te gaan studeren. Hij studeerde er aan de Academia Chigi en hield zich er daarnaast vooral bezig met het kopiëren van werken van oude meesters. In 1860 kreeg hij van de provincie Barcelona de opdracht om als oorlogsschilder naar Marokko te trekken om er schetsen te maken van de oorlogsverrichtingen van het Spaanse leger tijdens de Spaans-Marokkaanse oorlog van 1859-1860. Die eerste reis naar Noord-Afrika duurde slechts zes maanden, maar had een diepgaande invloed op de jonge kunstenaar. Het Marokkaanse licht en de exotische sfeer zullen zijn toekomstig werk diepgaand beïnvloeden. In Barcelona stelde hij een aantal van zijn Marokaanse tekeningen ten tentoon, waarop hij van de overheid de vraag kreeg om naar Versailles te reizen om er het schilderij “De verovering van de Smalah van Abd al-Kader” van Horace Vernet te bestuderen. Terug in Rome begon Mariano Fortuny aan zijn grote werk De slag bij Tétouan (3 bij 10 meter) en maakte er een serie van 73 gravures. Op verzoek van de provincie Barcelona keert hij terug naar Marokko om zijn werk af te maken. In in september en oktober 1862 verbleef hij in Tangers en Tétouan, waar hij naast het werk voor de provincie enkele werken schilderde die de oriëntalistische sfeer ademen. In 1863 keerde Fortuny terug naar Barcelona, waar zijn beurs met twee jaar werd verlengd. Vanaf 1865 was Agustín Fernando Muñoz y Sánchez, de hertog van Riánsares, zijn mecenas en belangrijke opdrachtgever. Vanaf 1968 vestigde Fortuny, die inmiddels getrouwd was, zich weer in Rome. Hij bezocht wel regelmatig Parijs omdat hij in Frankrijk een goede reputatie had opgebouwd, woonde ook nog een tijdje in Granada, maar keert in 1872 definitief terug naar Rome, waar hij twee jaar later overleed. (meer…)

WILHELM UHDE

71e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD
.
Wilhelm Uhde (Friedeburg, 28 oktober 1874 – Parijs, 17 augustus 1947) was een befaamd Duits kunstverzamelaar en -handelaar, die als een van de eersten de moderne schilders op hun waarde schatte en ook belangrijk was voor de naam van naïeve schilders. Uhde studeerde eerst rechten aan de universiteiten van Lausanne, Göttingen, Heidelberg, Greifswald en Berlijn, maar stapte in 1899 over naar kunstgeschiedenis, dat hij in München en Florence studeerde. Hij schreef in die tijdenkele romans en essays over ethiek.

In 1904 vestigde Wilhelm Uhde zich in Parijs. Daar kocht hij een jaar later zijn eerste schilderij van Pablo Picasso. Hij was een van de eersten die geïnteresseerd was in de kubistische schilderijen van Picasso en Georges Braque, die op dat moment nog volstrekt onbekend zijn. In 1907 maakte hij in Parijs ook kennis met Robert Delaunay (1885-1941) en diens latere vrouw Sonia Terk (1885-1979), de grondleggers van het Orphisme. In 1908 trouwde Wilhelm Uhde met Sonia Terk, een indertijd niet ongebruikelijk verstandshuwelijk om Uhde’s homoseksualiteit te maskeren. In 1910 werd het huwelijk echter al ontbonden en kort daarna trouwde Sonia Terk met Robert Delaunay. Hun Orphisme was een overgangsvorm tussen kubisme en abstracte kunst, die in de korte periode 1910-1913 in Parijs populair was. De vooraanstaande Franse schrijver-dichter-essayist Guillaume Apollinaire omschreef de kunststroming in 1913 als de eerste volledig abstracte stijl binnen de schilderkunst, als een ‘peinture pure’. De schilderijen van Robert en Sonia Delaunay waren niet langer figuratief kubisme maar volledig abstract. Later zouden beiden toch weer terugkeren naar herkenbare schilderen. (meer…)

OLTMAN REINDER THOMSEN (73)

Oltman Reinder Thomsen (Leeuwarden, 5 november 1910 – Heveskes, 28 april 1945) groeide op in Scheemda en volgde in Groningen de MTS-opleiding Bouwkunde. Hij verhuisde daarna naar Amsterdam, waar hij zijn echtgenote Bep Tonia Lintvelt leerde kennen, die op 28 maart 1912 in de hoofdstad was geboren en kleuterleidster was. Oltman Reinder ging werken als bouwkundig opzichter werken bij de Dienst Weg en Werken van de Nederlandse Spoorwegen, eerst in Amsterdam en kort na de Duitse inval in Nederland in Utrecht. In 1936 trouwde Oltman en Bep; ze kregen in de loop der jaren vier dochter (Mirjam, Marijke, Karin en Anne-Marie).

Thomsen komt pas laat in de verzetsbeweging terecht. Toen de Nederlandse regering in Londen via Radio Oranje op 14 september 1944 de Spoorwegstaking afkondigde, legde de 30.000 personeelsleden van NS het werk neer. De Spoorwegstaking, die van september 1944 tot de bevrijding in mei 1945 zou duren, viel samen met het begin van Operatie Market Garden. De staking kon voor een groot deel via het Nationaal Steunfonds worden gefinancierd. De Duitsers waarschuwden dat de staking de voedselvoorziening in West Nederland in gevaar zou brengen en nadat Operatie Market Garden op een debacle was uitgelopen volgde inderdaad in West Nederland de Hongerwinter waarbij minstens 20.000 Nederlanders door honger en kou om het leven zouden komen. De Duitsers maakten van de staking ook gebruik door veel Nederlands spoorwegmaterieel naar Oost-Europa over te brengen. De staking hinderde de Duitse oorlogsmachine totaal niet en had voor hen zelfs het voordeel dat via de lege sporen veel sneller manschappen en materieel konden worden vervoerd. (meer…)

LIMMEN – SLOTAKKOORD

Op 25 juni 1925 werd de Zeeweg geopend, naar een ontwerp van de Haarlemse landschapsarchitect Leonard Springer. De weg liep vanuit Overveen, nu een dorp binnen de gemeente Bloemendaal, dwars door de duinen de Zeeweg naar het strand, naar Bloemendaal aan Zee en diende om het opkomende toerisme te bevorderen. Het was een ruime weg met links en rechts van de hoofdweg fiets- en wandelpaden. Vanaf de Kop van de Zeeweg loopt een boulevard naar Zandvoort. Na de bezetting bleef de Zeeweg en het strand nog enkele jaren geopend, maar in de zomer van 1943 sloten de Duitsers de stranden af. Op 23 juni 1943 werd het kustgebied tot Sperrgebiet verklaard en verrezen rond de Zeeweg Duitse kampementen en werd begonnen met de aanleg van bunkers en andere versterkingen. Restanten van deze verdedigingslinie, de Atlantikwall, zijn te zien in de Walzkörpersperre ten zuiden van de Zeeweg. Hiervoor werd het druk bezochte paviljoen ‘Het Ronde huis’ aan het eind van de Zeeweg afgebroken. Het duinengebied werd vol gelegd met mijnenvelden en daarmee levensgevaarlijk om te betreden. Voor de Duitsers dus de ideale plaats om te gebruiken voor executies en massagraven. In de nacht van 1 op 2 februari 1943 worden voor de eerste keer terechtgestelden in de duinen begraven. Dit als vergelding voor de in Haarlem door het verzet neergeschoten Feldwebel Bamberger, waarvoor SS- und Polizeiführer Rauter ‘joods-communistische kringen’ aansprakelijk stelt. Er werden 102 Haarlemmers gearresteerd, waarvan er tien als represaille worden geëxecuteerd. De terechtstelling vond plaats in het zandgat in de duinen onderaan de voet van Paviljoen De Uitkijk. De voor de executie verantwoordelijke Duitse officier geeft opdracht tot ‘veraschung’ van de tien kisten met lijken. Op 17 april 1945 vond de laatste executie plaats, toen Hannie Schaft werd geëxecuteerd en in een massagraf werd begraven. (meer…)

LIMMEN – DE EXECUTIES VAN 6 APRIL 1945

Op donderdag 5 april 1945 kwamen rond zes uur ’s avonds twee jonge Duitse soldaten op de boerderij van Klaas van Diepen om een paard en wagen te vorderen. Van Diepen was actief in het verzet. Juist op dat moment waren mensen uit de illegaliteit van Limmen bezig hun motoren te controleren en wapens schoon te maken. Van Diepen wist de beide soldaten weg te krijgen met de smoes dat de pest op de boerderij heerste en hij hen dus niet helpen. De Duitsers gingen toen naar de boerderij van boer Adrichem iets verderop. De verzetsmensen vreesden echter ontdekt te worden, wat kon leiden tot het oprollen van hun organisatie. Ze besloten ter plekke de twee Duitse militairen te liquideren. Ze volgden de Duitse militairen, die inmiddels bij de andere boerderij paard en wagen hadden gevorderd. De boer was zijn paarden al uit de wei aan het halen. De 19-jarige Johann Meiners, een van beide militairen, werd onmiddellijk neergeschoten. Omdat een revolver ketste kon de tweede soldaat schietend met zijn karabijn naar Limmen vluchten en direct aan zijn overste in Alkmaar doorgeven wat er was gebeurd. Op twee boerderijen was toen al grote paniek uitgebroken. De beide boeren, de geëvacueerde Egmonder Klaas Schol en de ondergrondse strijders werkten de gedode Duitser weg en namen zelf de vlucht. Cor Meijne, de zwager van Adrichem, bleef achter bij de echtgenote van Adrichem, zijn kinderen en het vee op de boerderij achter. (meer…)

HET VERRAAD VAN ANNE FRANK

Op de warme vrijdagmorgen 4 augustus 1944 tussen tien uur en half elf stopte een Duitse auto aan de Prinsengracht 263 voor de openstaande magazijndeuren van het bedrijfspand van NV Nederlandsche Opekta Mij., een filiaal van het in 1928 in Keulen gestichte moederbedrijf Opekta GmbH. Het bedrijf verkocht pectine, waarmee huisvrouwen thuis jam konden maken. Karl Josef Silberbauer, een Oostenrijkse politiefunctionaris en SS’er., en vier à vijf Nederlandse SD’ers in burger liepen het pand binnen. Een van hen stelde een vraag aan de magazijnchef die zijn duim omhoog stak en kort antwoordde: ‘Boven’. Na een korte speurtocht liep Silberbauer recht af op de boekenkast, waarachter zich de deur bevond die toegang gaf tot het achterhuis. Daar bevonden zich acht onderduikers: Otto Frank, zijn vrouw Edith en hun twee dochters Margot en Anne, Otto Franks zakenpartner Hermann van Pels, diens echtgenote Auguste en hun zoon Peter en de tandarts Fritz Pfeffer. Op bevel van Silberbauer moesten geld en sieraden worden afgegeven. Ruim 2,5 uur later kwam een gecharterde vrachtauto iedereen ophalen. In de tussentijd kon iedereen kleding en toiletgerei inpakken. De onderduikers werden naar het hoofdkwartier van de Aussenstelle des Befehlshabers der Sicherheitspolizei und des Sicherheitsdienstes aan de Euterpestraat overgebracht. Later vertelde Silberbauer dat hij voor de inval opdracht had gekregen van zijn superieur Julius Dettmann, die een telefonische mededeling had gekregen dat zich in het pand een aantal onderduikers bevond. (meer…)

CIMON EN PERO – 09

09 - Jean-Baptiste Greuze 1767Jean-Baptiste Greuze (Tournus, Saône-et-Loire, 21 augustus 1725 – Parijs, 21 maart 1805) was een Frans kunstschilder van voornamelijk genrestukken. Hij studeerde in Lyon bij de kunstenaar-kunsthandelaar Charles Gromdon. In 1750 vertrok hij naar Parijs om aan de academie te kunnen studeren. In de hoofdstad had hij direct succes zijn zijn schilderijen. Zijn vroege werk uit de periode vóór 1747 bestond vooral uit portretten en religieuze afbeeldingen. Later ging hij, geïnspireerd door Hollandse voorbeelden, steeds meer genrestukken maken. In de jaren 1755-1757 reisde Greuze door Italië, die tot gevolg had dat hij een ‘Italiaanse stijl’ ontwikkelde. Dat hield bij hem in een sentimentele en moraliserende stijl met een verholen seksuele implicatie. Hij schilderde een tijdje historiestukken, maar uiteindelijk keerde hij terug naar de genreschilderkunst. Een tijdlang liet Greuze zich beïnvloeden door de revolutionaire sfeer in Frankrijk, maar bleef daarbij wel trouw  aan zijn verfijnde rococo-stijl. In de periode van de revolutie schilderde hij onder meer portretten van vertegenwoordigers van de revolutionaire raad en het Directoire, het vijfkoppige bestuur van Frankrijk in de jaren 1795-1799. In die jaren was een zijn van leerlingen Constance Mayer (16775-1821), die faam verwierf als schilder van portretten, allegorische onderwerpen, miniaturen en genrestukken. Lange tijd bleef het werk van Greuze erg populair, maar zijn werk raakte langzaam uit de gratie toen een neoclassicistische stijl in opkomst kwam. Hij ontving nog een opdracht voor een portret van Napoleon Bonaparte, dat in Versailles werd tentoongesteld. In 1805 overleed hij echter op 80-jarige leeftijd in armoedige omstandigheden. Hij werd begraven op het Cimetière de Montmartre. Werken van Greuze is te bewonderen in onder meer het Louvre in Parijs, de Wallace Collection in Londen, het Musée Fabre in Montpellier en in het aan hem gewijde museum in zijn geboorteplaats Tournus.

SÃO TOMÉ (1641-1648) – 007

Tot de komst van de Portugezen in januari 1471 waren Sao Tomé en Principe twee onbewoonde eilandjes in de Golf van Guinee. In de directe omgeving bevonden zich nog een aantal kleine eilandjes, niet meer dan wat kale rotspunten in de oceaan. Ze bevinden zich op ruim tweehonderd kilometer voor de huidige hoofdstad Libreville van Gabon. De Portugezen besloten na hun verkenning dat hier wel een goede handelspost kon worden gevestigd. Het grootste eiland noemde ze Sao Tomé, naar de apostel Tomas. In 1493 bouwde ze er hun eerste nederzetting. Enkele jaren later werd ook een nederzetting gesticht op het ander eilandje dat ze Principe noemde naar prins Johan III van Portugal. Het ligt ongeveer 150 kilometer ten noorden van Sao Tomé. Hert bleek echter zeer moeilijk mensen bereid te vinden zich op het nieuwe Portugese territorium te vestigen. Aanvankelijk kwamen alleen groepen die in Portugal niet erg gewenst waren, zoals Joden. Eind 15e eeuw werden ongeveer tweeduizend Joodse kinderen naar Sao Tomé verscheept en onder de paar Portugese kolonisten verdeeld. Na een paar jaar waren er nog slechts zestig van hen in leven; de rest was bezweken aan de tropische ziekten.

De kolonisten die zich er hadden gevestigd merkten al snel dat de vulkanische grond goed geschikt voor landbouw waren. Vooral het verbouwen van suikerriet verliep er voorspoedig, maar dat was wel een arbeidsintensief proces. Rond 1550 waren de eilanden dan ook de grootste Afrikaanse suikerexporteur, mede dankzij de slaven die de Portugese van het Afrikaanse platteland overbrachten. Nadat er steeds meer concurrentie kwam van de goedkopere suiker van de Zuid-Amerikaanse plantages nam de productie hier af. In plaats daarvan werden Sao Tomé en Principe belangrijke doorvoerhavens voor de slavenhandel naar Latijns-Amerika. (meer…)

DE EXPEDITIE NAAR LUANDA EN SAO TOMÉ (3) – 006

De expeditie van Cornelis Jol naar Luanda en Sao Tomé
30 mei – 31 oktober 1641

Cornelis Jol volgde direct de instructies die inhielden dat, ongeacht of de aanval op Luanda nu wel of niet succesvol was geweest, vervolgens direct moest worden verdergegaan naar San Tomé om dit eiland voor de Compagnie op de Portugezen te veroveren. Nu de eerste helft van de opdracht zo goed was verlopen, kon snel worden begonnen met het tweede deel van de missie. Al op 17 september 1641 vertrok Jol met een deel van de vloot naar de Bocht van Guinée. Hert belangrijkste doel was de overmeestering van het fort/kasteel Sao Sebastiao, dat het enige verdedigingswerk van betekenis en was gelegen op een smalle landtong in het zuidelijk gedeelte van de baai van Anna de Chaves, de haven van San Tomé. Het was dan weliswaar het enige echte verdedigingswerk, maar met haar vier bastions, muren van bijna acht meter hoog en dertig bronzen kanonnen was het wel een van de sterkste forten aan de West-Afrikaanse kust. Jol moest na de verovering van dit fort er vooral voor zorgen dat de verbindingswegen van de Portugezen naar de zee werden afgesneden.

Een paar schepen bleven achter in Luanda, anderen keerden onder bevel van viceadmiraal Jacob Huygensz terug naar Brazilië. De nieuwe viceadmiraal werd nu Matheus Jansen van de Leeuwinne uit de Kamer Zeeland. Ook kwam eer een nieuwe schout bij nacht, Jan Fransen Groot van de Enchuysen omdat de Eendracht van de Kamer Op de Maze niet meevoer. De manschappen bestonden uit vijf compagnieën met blanke soldaten en drie compagnieën met de Braziliaanse hulptroepen. Ze stonden onder leiding van de kapiteins Valet, Dammert, Koin en Clant. (meer…)

ANTOON TELLEGEN (72)

Antonius Otto Hermannus Tellegen (Zwolle, 25 mei 1907 – Overveen, 23 oktober 1943) was een Nederlandse arts die in zijn geboorteplaats Zwolle de middelbare school afmaakte en daarna in Leiden medicijnen ging studeren. Gij gold als een vooruitstrevend arts. Hij was bijvoorbeeld een van de oprichters van de bloedtransfusiedienst en ontwierp met enkele andere deskundigen een unieke operatie-auto. Die was precies bij het uitbreken van de oorlog gereed, maar de militaire geneeskundige dienst durfde de auto niet gelijk in gebruik te nemen, zodat de puntgave auto direct na de capitulatie door de Duitsers kon worden gebruikt. Hij was op 31 juli 1935 in Oosterbeek getrouwd met Henriette Catherine Westerouen van Meeteren. Het echtpaar zou vijf kinderen krijgen. In 1938 meldde Tellegen zich aan bij het leger toen hem ter ore was gekomen dat er een tekort aan militaire artsen was. Op 25 juli 1938 werd hij benoemd tot officier der tweede klasse. Op jongere leeftijd had hij een opleiding gehad tot reserveofficier bij de Bereden Artillerie en toen de rang van reserve eerste luitenant gekregen.

In die meidagen van 1940 werd hij overgeplaatst naar het hoofdkantoor van het Rode Kruis in Den Haag. Als eerste luitenant gaf Tellegen in de vroege ochtend van 10 mei 1940, vóór de officiële orders waren gegeven, de ziekenhuizen in Den Haag opdracht om alle observatiepatiënten en lopende patiënten naar huis te sturen. Een verstandig besluit, want vlak daarna moesten na de gevechten met Duitse parachutisten die boven de vliegvelden Valkenburg, Ockenburgh en Ypenburg waren gelanden veel gewonden in de Haagse ziekenhuizen worden opgenomen. Hij raakte zwaar gewond toen Duitse jachtbommenwerpers duikvluchten op de stad uitvoerden, juist op het moment dat hij op zijn motor door de stad reed in een poging Wassenaar te bereiken. Door Duitse parachutisten die zich hadden verschanst in het Haagse bos werd hij op het kruispunt Alkemadelaan-Wassenaars weg beschoten en getroffen. Pas op 4 oktober 1940 werd hij uit het ziekenhuis ontslagen en werkte hij korte tijd bij de Geneeskundige en Gezondheidsdienst in Amsterdam. (meer…)

FRIEDRICH RECK-MALLECZEWEN

Friedrich Percyval Reck-Malleczewen (Malleczewo, 11 augustus 1884 – Dachau, 16 februar1 1945) werd geboren op het landgoed Malleczewen in het toenmalige Pruisische plaatsje Malleczewen (tegenwoordig Pools en Maleczewo geheten) als de zoon van Hermann Reck (1847-1931), een grootgrondbezitter die bij de verkiezingen voor de Reichstag in 1912 namens het district Gumbinnen 6 voor de Deutschkonservative Partei in het parlement werd gekozen en tot het eind van de Eerste Wereldoorlog in november 1918 hierin zitting zou hebben. Deze partij, die in juni 1876 werd opgericht, behartigde de belangen van de adel, grootgrondbezitters, traditiegetrouwe protestanten en aanhangers van Otto von Bismarck en keizerlijke familie. Ze waren sterk gekant tegen elke vorm van centraal gezag en nog meer tegen sociaal-democratie. Friedrich wilde aanvankelijk musicus worden, maar begon uiteindelijk toch aan een studie medicijnen aan de universiteit van Innsbruck. Hij was een tijdje officier in het Pruisische leger, maar moest vanwege zijn diabetes ontslag uit het leger nemen. In 1908 trouwde hij met Anna Louise Büttner, met wie hij vier dochters en een zoon kreeg. De zoon zou gedurende de Tweede Wereldoorlog als dienstplichtig soldaat vermist raken. In 1930 scheidde het echtpaar na al jarenlang gescheiden van elkaar te hebben geleefd. In 1935 zou hij voor de tweede maal trouwen, met Irmgard von Borcke, waarmee hij opnieuw drie dochters kreeg. Na zijn afstuderen in 1911 was hij een jaar lang scheeparts op een Amerikaans schip. Daarna vestigde hij zich in Stuttgart, waar hij voor de Süddeutsche Zeitung journalist en theatercriticus werd. Vlak voor aanvang van de Eerste Wereldoorlog verhuisde hij naar een klein landgoed bij Pasing, dat toen nog een zelfstandige gemeente was maar sinds 1938 een buitenwijk van München is. (meer…)

LUANDA (1641-1648) – 005

Queen Nzinga 1657Op 11 februari 1575 landde de Portugese ontdekkingsreiziger Paulo Dias de Novais (c. 1510 – 9 mei 1589) op de kuststrook van het huidige Angola. Hij werd gevolgd door een paar honderd mensen die zich als kolonist in het gebied wilden vestigen en ongeveer vierhonderd soldaten. Hij was de kleinzoon van de beroemde zeevaarder en ontdekkingsreiziger Bartolomeu Dias (ca. 1450 – op zee nabij Kaap de Goede Hoop, 29 mei 1500), die in 1488 als eerste Europeaan Kaap de Goede Hoop rondde en daarmee het voorbereidende werk deed voor de eerste tocht door Vasco da Gama naar India. Paulo Dias de Novais stichtte aan de kust het stadje São Paulo de Luanda, beschut gelegen achter het eiland Luanda. De stad zou al snel slechts als Luanda bekend staan. Het is momenteel de grootste stad en hoofdstad van Angola. Paulo Dias de Novais was er op zoek naar de mysterieuze zilvermijnen van Cambambe. Dat verder landinwaarts gelegen gebied zou pas in 1604 door de Portugezen worden bereikt en gekoloniseerd. Vanaf 1575 tot 1850 was Luanda het Portugese centrum voor de slavenhandel naar Brazilië. In 1618 bouwde de Portugezen bij het stadje de vesting Fortaleza Sao Pedro da Barra; in 1634 werd een tweede vesting voltooid: Fortaleza de Sao Miguel. Vanaf 1627 was Luanda het bestuurlijke centrum van Angola, met uitzondering van 1641 tot 1648 toen de West-Indische Compagnie er de baas was. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 39

3 - Ethiopië2 - Ethiopië1 - Ethiopië
Ethiopië, omstreeks 1890

DE EXPEDITIE NAAR LUANDA EN SAO TOMÉ (2) – 004

De expeditie van Cornelis Jol naar Luanda en Sao Tomé
30 mei – 31 oktober 1641

De overtocht begon al niet echt voorspoedig. Een eerste vereiste om op de juiste manier Angola te bezeilen was om eerst voldoende naar hert zuiden te gaan en daarna gebruik te kunnen maken van de juiste wind om goed uit te komen. De om de Noord gaande stroom langs de kust van Brazilië was sterker dan gebruikelijk, zodat maar matige voortgang werd bereikt. Op 4 juni was nog maar drie mijl naar het zuiden gevorderd. Bovendien moest Jol rekening houden met twee langzame boten in zijn vloot, de Eendracht en de Coninck David. Pas op 14 juni werd op 18° zuiderbreedte de Abrolhos Archipel gepasseerd, vijf onbewoonde eilandjes aan de kust van de staat Bahia in het zuidoosten van Brazilië, berucht vanwege haar vervaarlijke koraalriffen in ondiep water, scherpe rotsen of zandbanken. Vanaf dit punt werd gebruikelijk de koers naar het oosten ingezet.

Met de nieuwe koers werd eerst flinke vooruitgang geboekt, maar vanaf 23 juni ging de wind draaien. De vloot kreeg te maken met plotseling wisselende winden, met flinke wervelbuien en regenvlagen. De zeilschepen konden moeilijk allemaal dezelfde koers aanhouden, zodat Cornelis Jol moeite had ervoor te zorgen dat geen enkele boot van zijn vlag afdwaalde. Op 1 juli was de vloot afgedwaald naar de 27e breedtegraad, te ver naar het zuiden om gebruik te kunnen maken van de gunstige wind. De vloot kwam terecht in een gebied met rustige en verraderlijke wind. Jol riep de Breeden Raad bijeen om de toestand te bespreken. Er was voorzien in een reis van vier weken, maar die waren nu verstreken met weinig progressie en veel onzekerheid hoelang de reis nog zou duren. De watervoorraden waren flink geslonken. Enkele schepen hadden maar voor twintig dagen aan drinkwater ter beschikking ‘twelck op soo lange voyage als voor handen was niet en mach strecken indien Godt de Heere ons niet merckelijck en segent ende een goede wint verleent’. Er werd besloten daarom het waterrantsoen terug te brengen van acht naar vijf mutskens (een mutske is ongeveer 40 cl.) per hoofd en per dag, maar tegelijkertijd per week iedereen twee mutskens brandewijn extra te geven. (meer…)

DE EXPEDITIE NAAR LUANDA EN SAO TOMÉ (1) – 003

De expeditie van Cornelis Jol naar Luanda en Sao Tomé
30 mei – 31 oktober 1641

De West-Indische Gids, een uitgave van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde dat in de periode 1919-1959 verscheen, publiceerde in de nummers 1 en 2 van de jaargang 1942 twee artikelen van de historica Mej. J.B. van Overeem, geboren in Batavia in 1912, over het optreden van admiraal Cornelis Corneliszoon Jol in de Caraïbische zee. Midden in de oorlog artikelen over een Nederlandse zeeheld, met veel verwijzingen naar nog beroemdere Nederlandse zeehelden die de toenmalige wereldoverheerser Spanje met succes bestreden. Het kan worden gezien als een daad van wetenschappelijk-historisch verzet. Van Overeem zou later directrice worden van het Maritiem Museum Prins Hendrik in Rotterdam. Op 2 februari 1974 werd door haar en prinses Beatrix een buste van prins Hendrik van Oranje-Nassau (1820-1879) onthuld (zie foto hieronder). Inmiddels Prins Hendrik verdwenen uit de naam van het museum, de buste van wel ergens in het archief staan. Van Overeem heeft een groot aantal publicaties over de vaderlandse maritieme geschiedenis op haar naam staan. De sloot de artikelen af met de opmerking: ‘In 1641 hebben de Heeren XIX hem naar de kust van Guinee laten gaan, om, voordat vrede met Portugal werd gesloten, het slavendepöt Angola te bemachtigen. Hij heeft zijn opdracht volvoerd, doch ten koste van zijn leven. In hem verloren de Bewindhebbers een trouw en moedig scheepskapitein, die alom in de West-Indiën schrik had verspreid en menige Spaansche prijs had opgebracht.’ (meer…)

CORNELIS CORNELISZOON JOL (1597-1641) – 002

Cornelis Corneliszoon Jol (Scheveningen, 1597 – São Tomé, 31 oktober 1641) werd geboren in een Scheveningse schippersfamilie, maar woonde later in Amsterdam. Hij was getrouwd met Aeltje Jans, met wie hij drie kinderen had, een dochter en twee zoons. Beide zoons werden schipper bij de VOC. Zijn jongste zoon Cornelis was tijdens de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog (1652-1654) ook kapitein van het schip De Leyden en vocht toen dus ook, net als zijn vader in 1639, onder aanvoering van Maarten Tromp. In 1626 werd Cornelis Jol sr. in dienst genomen door de West-Indische Compagnie (WIC). Namens de WIC stak hij negen keer de Atlantische Oceaan over om de Spanjaarden en Portugezen langs de Braziliaanse kust en in de Caraïben te bestrijden. Jol was illustratief voor de soort admiraals die de compagnie in dienst had. In de Republiek der Zeven Provinciën was Jol een volksheld vanwege zijn grote moed, groot vakmanschap als navigator en zijn grote successen in de strijd met Spaanse en Portugese zeevaarders. Daarnaast had hij ook de reputatie zeer menswaardig om te gaan met krijgsgevangenen, want in tegenstelling tot enkele collega’s en zeker tot veel piraten en boekaniers werden bij Jol de bemanningen van veroverde schepen niet achteloos overboord gegooid. Jol voer met kaperbrieven, wat betekende dat hij als een kaper-kapitein van een particulier schip van de WIC toestemming had om schepen van vijandige landen aan te vallen en hun lading in beslag te nemen. De kaapvaart was dus een vorm van toegestane zeeroverij in oorlogstijd. Het merendeel van de buit moest worden afgestaan aan het land dat de kaperbrief had gegeven, maar er bleef ruim voldoende over om het een aantrekkelijke business te maken. Via de kaperbrief was de kapitein en zijn bemanning bovendien vrijgesteld van vervolging vanwege piraterij. Dit gold uiteraard niet in de vijandige landen en landen die daarmee bevriend waren. Daar volgde na arrestatie bijna zonder uitzondering een veroordeling tot de doodstraf wegens piraterij. (meer…)

GORÉE (1617-1677) – 001

Goree met Nassau 1628 en Orange 1639Gorée is een eiland op drie kilometer van Dakar, voor de kust van Senegal. Over de oorsprong van de Franse benaming Gorée bestaan twee versies. Volgens de ene versie is het eden Franstalige verbastering van de eerdere Nederlandse naam Goeree, een verwijzing naar het voormalige Zuid-Hollandse voormalig eiland Goeree. In de tweede versie is het afgeleid van het ook Nederlandse ‘Goe Ree’ ofwel Goede Rede, wat de betekenis van ‘Goede Haven’ Heeft. De oorsprong van de naam verwijst dus naar het kortstondige Nederlandse verblijf. Het eilandje, dat oorspronkelijk Barsaguiche heette en maar 900 meter bij 300 meter groot was, werd in 1444 door de Portugese kapitein Dinis Dias ontdekt. Deze Diaz maakte in dienst van Hendrik de Zeevaarder minimaal twee reizen naar de Afrikaanse kust. In 1442 bereikte hij Kaap Blanc in het huidige Mauritanië. In 1444 verkende hij de westelijkste punt van Afrika (het huidige Guinea en Senegal) en ontdekte de Kaapverdische Eilanden en het eilandje Barsaguiche, dat hij de naam Ilha de Palma gaf. Dinis Dias was de eerste Portugese ontdekkingsreiziger die de opdracht kreeg om gericht op slavenvangst te gaan om daarmede de hoge kosten van de Portugese ontdekkingsreizen ge compenseren. Opdrachtgever Hendrik de Zeevaarder (1394-1460), de derde zoon van de Portugese koning, was overigens zelf alles behalve een groot reiziger, maar vooral de grote initiator en financier van veel reizen. Hij gaf de aanzet voor het Portugese wereldrijk én de Europese bemoeienis met de slavenhandel. In 1536 werd door de Portugezen op Ilha de Palma een slavernijhuis opgericht. (meer…)

LEENDERT VALSTAR (71)

Leendert Marinus Valstar (Naaldwijk, 10 augustus 1908 – Vught, 4 september 1944) was een tuinder uit Naaldwijk, in het centrum van de tuinbouwstreek Het Westland. In 1931 trouwde hij met Neeltje Dekker (’s-Gravenzande, 1904), met wie hij een kind kreeg. Hij was de zoon van Fulps Vincentinus Valstar (1879-1944), die in Naaldwijk een eigen tuinbouwbedrijf had en dit ook aanhield ondanks zijn drukke bestuurlijke werkzaamheden, zoals lid van de Raad van Toezicht van de Coöperatieve Boerenleenbank De Voorschotbank Naaldwijk (1909 – 1927), bestuurslid van de Veiling Naaldwijk (1910-1912), secretaris en penningmeester van de Bond Westland (1911-1917), medeoprichter en voorzitter van het Centraal Bureau van de Nederlandse Tuinbouwveilingen (1917-1944), Regeringscommissaris voor Groenten-, Fruit- en Sierteelt voor de uitvoering van de Landbouwcrisismaatregelen op het terrein van de tuinbouw en Voorzitter van het bestuur van het Hoofdbedrijfschap voor Tuinbouwproducten, onder Rijksbureau voor de Voorbereiding van de Voedselvoorziening in Oorlogstijd (1933-1944)

Na de crisis in de dertiger jaren kwam de Westlandse tuinbouw er weer langzaam bovenop, maar de belangrijke export naar Duitsland stortte geheel in toen in september 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Toen in mei 1940 de Duitsers ook ons land binnenvielen werd het ergste gevreesd, maar in de twee eerste bezettingsjaren ging het onverwachts goed met de tuinbouw. Pas in de tweede helft van 1942 begon de situatie te verslechteren. Na de problemen met de voedselvoorziening gedurende de Eerste Wereldoorlog en crisisjaren was in 1937 het Rijksbureau voor de Voorbereiding van de Voedselvoorziening in Oorlogstijd opgericht, waarbij het vrijemarktprincipe werd losgelaten en overheidsingrijpen de norm werd. Na de Duitse inval werd door de bezetter al op 17 mei besloten dat doorgedraaide (onverkoopbare) producten niet meer mochten worden vernietigd, maar moesten worden geëxporteerd naar Duitsland. Al de volgende dag werden de eerste wagonladingen groenten tegen een vooraf bepaalde vaste prijs naar Duitsland verzonden. Niet lang na de invoering van deze maatregel bepaalden de Duitsers ook dat 50% van de op de veiling aangevoerde producten direct tegen maximumprijzen aan Duitsland verkocht moesten worden. In 1941 werd dit zelfs verhoogd tot 80%. (meer…)

IMAN DOZY

Iman Dozy (Fort Willem I, Ambarawa, 10 mei 1887 – Leiden, 14 mei 1957) was een blonde, krachtig ogende voetballer, die was opgeleid bij Excelsior, maar in 1901 al op veertienjarige leeftijd als invaller zijn debuut maakte bij Ajax Leiden, officieel de Leidsche Cricket- en Football-Club Ajax. Deze club werd op 1 juni 1892 opgericht, als fusie van de Leidse Studentenclub en de verenigingen Achilles, LCC, Rood-Wit en De Sikken. De club was sinds 1897 aangesloten bij de Nederlandse voetbalbond en was toen een van de sterkste vaderlandse clubs. In 1899 werd het kampioen van de Tweede Klasse na alle twaalf wedstrijden te hebben gewonnen en te eindigen met het doelsaldo 64-4. Tussen 1899 en 1910 spellde men elf seizoenen mee in de hoogste nationale competitie. Iman Dozy zou het merendeel van die jaren voor Ajax Leiden uitkomen en in totaal 175 wedstrijden voor de club uitkomen. De club haalde haar grootste succes door zich in 1900 te plaatsen voor de finale van de Nederlandse beker, die toen voor de tweede maal werd gespeeld. Ajax Leiden verloor echter deze finale met 3-1 van het Bredase Velocitas. In dat jaar 1900 gaven de Leidenaren toestemming aan een kleine Amsterdamse club om ook de naam van de Griekse held te mogen gebruiken. Dat AFC Ajax zou het nog ver schoppen. De Leidse club fuseerde in 1918 met LAV De Sportman en ging verder onder de naam Ajax Sportman Combinatie (ASC) (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 045

Lovis Corinth (Tapiau, Oost-Pruisen, 21 juli 1858 – Zandvoort, 17 juli 1925) was een Duitse schilder en graficus, die geldt als een belangrijke vertegenwoordiger van het Duitse impressionisme. Hij bezocht het gymnasium in Koningsbergen. Vanaf 1880 bezocht Corinth, wiens talent al op jeugdige leeftijd was ontdekt, de Münchener Academie. Deze opleiding kon wedijveren met Parijs, dat op dat moment hét Europese centrum van de avant-gardistische beweging was. In München onderging hij de invloed van de School van Barbizon en Gustave Courbet, zoals destijds in München werd geïnterpreteerd. Zijn vroege werk was nog naturalistisch. Hij maakte een studiereis naar Parijs en keerde in 1891 weer terug naar München, waar hij een later de Münchener Academie verliet om zich aan te sluiten bij de Münchener Sezession. In 1894 werd hij lid van die freie Sezession en in 1899 nam hij deel aan de eerste door de Berliner Sezession georganiseerde tentoonstelling. Een jaar later verhuisde hij naar de hoofdstad, waar hij een solo-expositie kreeg. In 1902 opende de 43-jarige schilder een schilderschool voor vrouwen en huwde met zijn eerste leerlinge, de twintig jaar jongere Charlotte Berend. Zij werd zijn muze, zijn geestelijke partner en de moeder van zijn twee kinderen. Ze had een sterke invloed op hem en het familieleven werd een belangrijk thema in zijn werk.
Lovis Corinth stond aanvankelijk afwijzend tegenover de expressionistische beweging, maar na een beroerte in 1911, waardoor hij gedeeltelijk verlamd raakte en met behulp van zijn vrouw weer moest leren schilderen, werd zijn stijl losser en begon zijn werk meer kenmerken van het expressionisme te vertonen. Zijn gebruik van kleur werd levendiger en de door hem vervaardigde portretten en landschappen kregen een uitzonderlijke levendigheid en kracht. In deze fase van zijn leven maakte Corinth zijn bekendste schilderijen, de Walchensee-landschappen, die volgens velen ook zijn beste werk zijn.
In 1925 maakte Corinth een reis naar Nederland om de werken van zijn favoriete Hollandse Meesters (Frans Hals en Rembrandt van Rijn) te bekijken. Hij kreeg longontsteking en stierf in Zandvoort, vier dagen voor zijn 67e verjaardag. Corinth werd in Berlijn begraven. (meer…)

SAMUEL ESMEIJER (70)

Samuel Esmeijer (Driebergen, 20 december 1920 – Apeldoorn, 28 november 1944) bracht zijn jeugdjaren door in Driebergen, maar het gezin Esmeijer later naar Rotterdam. Daar volgde Esmeijer de HBS. Hij was lid van de Gereformeerde vereniging Calvijn, een soort van debatingclub voor oudere jongens, en van de padvinderij. Hij groeide op met een sterk gevoel voor rechtvaardigheid, sportieve bekwaamheid, zwijgzaamheid en hulpvaardigheid. Omdat hij nogal druk was met allerlei activiteiten binnen de jongerenverenigingen, vlotte de studie aan de HBS niet erg. Toen de oorlog eenmaal was uitgebroken en Rotterdam zwaar was getroffen door het bombardement was hij meer betrokken bij hert geven van hulp aan de slachtoffers van dat bombardement dan bezig met studeren. Op 13 augustus 1942 trad hij af als secretaris van Calvijn, rondde alsnog zijn studie aan de HBS af en trad vrijwillig in dienst bij de politie in Driebergen. Zijn tante Teet had hiervoor bemiddeld bij haar kennis, de chef van het plaatselijke politiekorps. Hij vond onderdak bij zijn tante, die een bejaardenhuis beheerd, ging aan de slag als klerk en volgde in zijn vrije tijd een opleiding tot politie-inspecteur. In de herfst van 1942 oefende Esmeijer met een pistool in de bossen van Driebergen, hoewel hij op dat moment geen uniform droeg en wapen mocht hebben. Hij was toen al begonnen aan zijn ondergrondse ‘carrière’ door Joodse gezinnen te waarschuwen voor een op handen zijnde deportatie en raakte hij betrokken bij de hulp aan onderduikers. Hij waarschuwde ook het verzet een paar keer voor een aanstaande acte van de politie. Het was de korpsleiding wel duidelijk dat ergens binnen het korps een lek moest zitten. Voor Esmeijer was het even duidelijk dat hij er goed aan deed te verkassen. Bovendien wist hij dat hij op de nominatie stond naar Schalkhaar te worden gestuurd, waar zich een opleidingsinstituut bevond waar politieagenten werden geschoold in de nationalistische leer. Hij verzette zich hiertegen, war uiteindelijk leidde tot oneervol ontslag. (meer…)

CHARLES VAN DER SLUIS

Na het bombardement op Rotterdam in de meidagen 1940 duurde het even voor de bewoners van de stad weer waren opgekrabbeld. In vooral Den Haag ontstond direct verzet tegen de bezetter, maar in Rotterdam waren op dat moment eerst allerlei hulporganisaties actief. In eerste instantie was iedereen hier vooral bezig met zelfbehoud. ‘Eerst weer een dak boven het hoofd en weer werk hebben’, leek stilzwijgend het motto ge zijn. Voor verzet was helemaal geen tijd. Dat gild ook voor de meeste studenten die zoveel mogelijk probeerden door te gaan met hun leventje, hun studie en simpelweg de oorlog zo veel mogelijk buiten de deur te houden. Terwijl Rotterdam voor een belangrijk deel in puin lag, wilden zij vooral studeren, feesten, ontgroenen en kroegtochten houden. Dat conformisme gold ook de hoger onderwijsinstellingen zelf die gewoon wilde doorgaan met onderwijs en het weer opbouwen van de stad. De Nederlandsche Economische Hoogeschool in Rotterdam, de voorloper van de Erasmus Universiteit, telde toen ongeveer achthonderd studeten en was nog behoorlijk klein en jong. Bij de hogeschool waren ook veel bedrijven betrokken en een niet onaanzienlijk aantal daarvan werkte samen met de Duitsers. Voor hen was het ‘business as usual’, maar met andere machthebbers. Het Rotterdamse bedrijfsleven collaboreerden op grote schaal. Op een gegeven moment raakten steeds meer studenten bij het verzet betrokken, waardoor ze uiteindelijk in het Rotterdamse verzet goed vertegenwoordigd waren. Dat is voor een deel toe te wijzen aan het gegeven dat ze geen gezin en/of baan hadden en dus minder verantwoordelijkheden waarmee ze rekening moesten houden. (meer…)

EVA ZIPPEL

70e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Eva Zippel (Stuttgart, 30 april 1925 – Stuttgart, 25 mei 2013) was een Duitse Beeldhouwster en tekenares. Haar moeder was een goed tekenares en ook haar vader, een getalenteerd vakman, was erg in kunst geïnteresseerd. Haar oudere zus Herta Poddine-Zippel (1921-01986) was kunstschilder en graficus; ze was getrouwd met de balletdanser Salvatore Poddine (1936-1972). De beide zussen publiceerde in 1958 gezamenlijk het boek Nunu der kleine Elefant. Dorothee Zippel-Mariano, de dochter van Herta is kunstschilder en decorontwerpster. Kortom, een artistieke familie. Een jaar na Eva’s geboorte verhuisde de familie naar Parijs, waar Eva tot haar veertiende zou blijven wonen. Samen met zijn beide dochter bezocht vader Zippel de Parijse musea. Hij heeft een nauw contact met de kunsthandelaar Wilhelm Uhde, waardoor de woning van het gezin al snel volhangt met kunstwerken. In Parijs ging Eva naar het Marie Curie-lyceum.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 keerde het gezin terug naar Stuttgart, waar ze in 1943 haar schoolopleiding aan het Königin-Katharina-Stift-Gymnasium afrondde. Direct daarna werd ze gedwongen opgenomen in de Reichsarbeitsdienst, een nationaalsocialistische organisatie die op 26 juni 1935 werd opgericht en waarin jeugdigen een maatschappelijke dienstplicht moesten vervullen en in de nationaalsocialistische leer werden getraind. Voor jongemannen was het een voorbode voor de dienst in de Wehrmacht. Eva zou tot het eind van de oorlog voor deze organisatie werkzaam zijn. Na de oorlog werkte Eva tot 1946 als tolk voor Carlo Schmid, een socialistische politicus die sterk ijverde voor de Europese integratie en ook medeverantwoordelijk is voor de wederopbouw van de Eberhard Karls Universiteit in Tübingen.

(meer…)

RIEN VAN DER STOEP (69)

Rien van der Stoep (Beesd, 27 september 1917 – Rotterdam, 6 april 1945) was in Rotterdam een vooraanstaand persoon in de illegaliteit. Hij was er leider van zijn eigen onafhankelijke knokploeg, van de Landelijke Knokploegen Rotterdam (LKP-Rotterdam) en was districtscommandant van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Van der Stoep, die werkzaam was als assistent-bedrijfsleider in de Jaminfabriek aan de Hugo de Grootstraat, woonde in Rotterdam op kamers. Hij startte in het verzet door de illegale krant Ons Volk te verspreiden. Bij dat blad had Gustaaf Gelder een belangrijke rol. Af en toe stelde hij voor de verspreiding een auto van Jamin beschikbaar. Het blad verscheen voor de eerste maal op 7 oktober 1943 en werd voor de laatste keer op 7 juli 1945 uitgegeven. Tot september 1944 verscheen het blad maandelijks, daarna twee keer per maand. De inhoud bestond vooral uit opinieartikelen en binnenlandse berichten. De oplage varieerde in de ongekend hoge oplage van 55.00 tot 120.000 exemplaren, wat de nodige organisatorische problemen bij de verspreiding met zich meebracht. Op 21 januari 1944 viel de Sicherheitspolizei bij de groep binnen, wat de arrestaties van veel kopstukken betekende. Van Gelder pleegde bij de inval zelfmoord. Het merendeel van de kopstukken van Ons Volk zou de oorlog niet overleven. Anderen namen de verspreiding echter over. (meer…)

TREBLINKA 1943

Michal Wojcik is een Poolse historicus en journalist, die voor radio, televisie en tijdschriften werkt. Hij publiceerde vorig jaar in Polen het boek Treblinka’43, dat er een grote bestseller werd en de Newsweek Award kreeg voor het beste boek van het jaar. Nu moet gezegd worden dat de opstand in augustus 1943 binnen het vernietigingskamp Treblinka in Polen een enorme rol in de discussie speelt over de rol van het Poolse verzet en de mogelijkheden voor de Joodse Polen om in opstand te komen tegen de Duitse vernietigingsmachine. Daarover hieronder meer. In Nederland is Treblinka altijd een onbekend kamp gebleven, want geen van de 102 treinen die tussen woensdag 15 juli 1942 en woensdag 13 september 1944 uit Westerbork, Vught, Apeldoorn of Amsterdam vertrokken, ging naar Treblinka. Waarschijnlijk is geen enkele Nederlander in dit kamp om het leven gebracht.

In de zomer van 1941 werd vlak bij het dorp Treblinka in het noordoosten van Polen, op iets meer dan honderd kilometer van de hoofdstad Warschau, het Straf-Arbeitslager Treblinka 1 gebouwd. Dit werkkamp had een ‘gemengde’ bezetting van Polen en Joden, die gedwongen werden te werken in de steengroeve vlak bij het kamp of op het station van Małkinia, een dorpje aan de spoorlijn Warschau-Bialystok. Daarnaast waren een paar gevangenen (de zogenaamde Lagerkommandos) die in het kamp zelfs moesten werken en was er een kampboerderij waar een klein aantal vrouwen tewerkgesteld waren gesteld. Er konden in totaal 1.000-1.200 personen tegelijkertijd gevangen worden gehouden, maar de bezetting wisselde snel omdat het sterftecijfer hoog was. In totaal hebben hier ruim 20.000 personen gezeten, waarvan meer dan de helft is overleden ten gevolge van honger, marteling of executies vanwege een overtreding van de kampregels.

(meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 042


.
Frans van den Muijsenberg, 21 augustus 2021, begraafplaats Tyne Cot, Zonnebeke, België.

CIMON EN PERO – 08

Christoph Maucher (Schwäbisch Gmünd, 24 oktober 1642 – Danzig, 1706) was een beeldhouwer van barnstenen en ivoren werken. Zijn jongerebroer Johann Michael Maucher werkte met dezelfde materialen en stond als kunstenaar in hoger aanzien. Christoph begon al op twaalfjarige leeftijd met zijn opleiding. In 1667 begon de 25-jarige Maucher aan een betrekking van negen maanden aan het hof van Karl Eusebius von Liechtenstein. In 1670 vertrok hij naar Danzig, waar zijn jongere broer al een behoorlijke reputatie had opgebouwd. Hij was in Danzig eerst een tijdlang werkzaam in her atelier van Nikolaus Turow, een gerenommeerd vakman in het maken van werken in barnsteen. Turow had op dat moment een grote opdracht waarvoor in zowel barnsteen als ivoor moest worden gewerkt. Het was een cadeau voor keizer Leopold I. Pas in 1684 krijgt Maucher zelf van de stad Danzig een opdracht een eigen werk te produceren. In 1685 werd deze opdracht door de stad verlengd, hoewel het gilde van barnsteenbeeldhouwers hiertegen bezwaar had. In de loop der jaren kreeg Maucher meerdere van dit soort eervolle opdrachten, zowel van de stad Danzig als van buitenlandse opdrachtgevers. Het is een indicatie van zijn reputatie als vakbekwaam arbeidsman. Het gaf ook aan dat gedurende grote perioden Maucher leerlingen in zijn atelier moet hebben gehad. Veel van de aan hem toegeschreven kunstwerken bevinden zich in musea in onder meer Berlijn, Dresden, Wenen en Londen. Er is echter ook twijfel of al die werken daadwerkelijk door hemzelf zijn vervaardigd of slechts uit zijn werkplaats afkomstig zijn. Van slechts het beeld van keizer Leopold I dat zich in het Kunsthistorisch Museum in Wenen bevindt staat onomstotelijk vast dat het van zijn hand is. (meer…)

BOB OOSTHOEK (68)

Bob Oosthoek (Rotterdam, 25 juni 1912 – Hengelo, 12 oktober 1944) was een Nederlandse toneelspeler, regisseur en verzetsstrijder. In Rotterdam ging hij naar het Erasmiaans Gymnasium, het stedelijk gymnasium dat al lang bestond voor de naamgever Desiderius Erasmus (1467–1536) verscheen. De school werd al omstreeks 1300 en daarmee ‘het Erasmiaans’ een van de oudste scholen voor voortgezet onderwijs en het op drie na oudste gymnasium van Nederland. Omdat op het gymnasium bleek dat hij aanleg voor toneelspel had besloot hij in 1931 naar de Toneelschool in Amsterdam te gaan. In 1934 deed hij hier eindexamen. Hij werd daarna direct in dienst genomen door Cor van der Lugt Melsert, die de leiding had van het Vereenigd Rotterdamsch-Hofstad Tooneel. Dat toneelgezelschap werd in 1923 opgericht als fusie van de toneelgroepen het Rotterdamsch Tooneel en het Hofstad Tooneel, die beiden al onder directie van Cor van der Lugt Melsert stonden. Het nieuwe gezelschap kende een keur aan gerenommeerde toneelspelers/speelsters (onder meer Fie Carelsen, Mary Dresselhuys, Annie van Ees, Theo Frenkel jr., Leo de Hartogh, Adriaan van Hees, Fien de la Mar, Nap de la Mar, Else Mauhs, Enny Meunier, Bob Oosthoek, Alexander Pola, Bets Ranucci-Beckman en Jacques Snoek.

Het gezelschap kwam al snel in de problemen met het stadsbestuur van Rotterdam over de toegezegde financiële ondersteuning. Het gezelschap week daarna al in 1925 uit naar Den Haag, waar een aanzienlijk hogere subsidie werd toegezegd en het gezelschap vaste bespeler mocht worden van de Koninklijke Schouwburg. Daar waren echter wel voorwaarden aan verbonden, die Van der Lugt Melsert accepteerde, maar ook hier tot problemen ging leiden. Het repertoire moest voor minstens de helft bestaan uit artistiek verantwoorde stukken, wat door het college van Burgemeester en Wethouders moest worden, na een advies van de schouwburgcommissie. Ook diende er zoveel mogelijk eerste opvoeringen van Noord-Nederlandse stukken plaatsvinden én er moest één volksvoorstelling per jaar worden gebracht in Rotterdam, Utrecht, Haarlem en Amsterdam. (meer…)

FANGELSBACHFRIEDHOF

69e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Fangelsbachfriedhof in het zuidelijke deel van Stuttgart is een belangrijke historische begraafplaats in Stuttgart. Het kerkhof werd in 1823 buiten de toenmalige stadsgrenzen gebouwd in een gebied met de naam Immenhof, waar al in de Middeleeuwen mensen woonden. Toen de begraafplaats werd aangelegd lag ze tussen de velden en landbouwgronden, omringd met veel groen. Nu wordt de begraafplaats omringd door woningbouw. De reden voor de aanleg van het nieuwe kerkhof was dat het Leonhardskirchhof en de Leonhardskerk werden gesloten en dat bovendien het Lazarettfriedhof helemaal vol lag. De naam dankt het nieuwe kerkhof aan de Fangelsbach, een beekje dat al in 1286 als de Famelspach op de kaart stond. Al in 1840 moest het kerkhof voor de eerste keer worden uitgebreid, in 1865-1867 en 1969 volgde verdere uitbouw. In de periode 1906-1908 werd door Heinrich Dolmetsch (Stuttgart, 24 januari 1846 – Stuttgart, 25 juli 1908) aangrenzend in Jugendstil-stijl de Markuskerk gebouwd. Dolmetsch was in zuid-Duitsland zeer actief als bouwmeester van kerken. (meer…)

LIMMEN – DE EXECUTIES VAN 7 JANUARI 1945

Op zaterdag 6 januari 1945 werd op de Provincialeweg Alkmaar-Uitgeest, vlakbij de gemeentegrens van Castricum en Limmen, het lijk gevonden van de 54-jarige Duitser Johann Obmann, wachtman van het Marine-Lazarett in Heiloo, een hospitaal voor gewonde mariniers dat was gevestigd in de St. Willibrordus in Heiloo. Dat was voor de oorlog een rooms-katholieke instelling voor verpleging van psychiatrische patiënten. Tijdens de oorlog had de Kriegsmarine langs de Noordzee en Oostzee tachtig ziekenhuizen voor marinepersoneel. In Nederland waren er drie, namelijk in Eindhoven, Bergen op Zoom en Heiloo. De St. Willibrordus was voor de Duitsers gunstig gelegen, dichtbij de havens van IJmuiden en Den Helder. De Duitsers lieten er een zwembad aanleggen, dat na de oorlog nog decennia lang werd gebruikt. De achtergrond van de dood van de Duitser is nooit achterhaald, maar de bezetter vermoedde direct dat het een aanslag van de Nederlandse illegaliteit was. Burgemeester Nieuwenhuijsen van de gemeente Limmen verklaarde dat nog de gemeente of enige ingezetene er iets mee te maken had, maar dat werd door de Duitsers slechts ter kennisgeving aangenomen.

Op zondag 7 januari 1945 arriveerde rond het middaguur op de Provincialeweg een Duitse auto met twee officieren en twee vrachtauto’s, die stopte tussen twee boerderijen. In de eerste vrachtauto zat een executiepeloton van een man of tien. In de tweede vrachtauto zaten tien door de Duitsers ter dood veroordeelde verzetsstrijders, die gevangen zaten in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam. Hanns Rauter, hoofd van de Duitse politie en SS in Nederland, had het bevel gegeven dat de tien Nederlandse gijzelaars als vergelding voor de gevonden Duitse soldaat standrechtelijk gefusilleerd, conform het zogenaamde Niederwachungsbefehl. Willy Lages, bevelhebber van de veiligheidsdienst in bezet Nederland, gaf Untersturmführer Adolf Golder opdracht om als commandant van het executiepeloton op te treden. (meer…)

JAN VAN HANXLEDEN HOUWERT (67)

Jan Coenraad Heriold Folmer van Hanxleden Houwert (Medemblik, 8 april 1906) werkte sinds 1938 in het in- en exportbedrijf en groothandel in specerijen en koloniale waren van zijn vader in Amsterdam. Medio mei 1940 kreeg hij de leiding over het bedrijf. Bij een tegenaanval op 12 mei 1940 onderscheidde hij zich als dienstplichtig sergeant van het 29 Regiment Infanterie bij gevechten nabij de Grebbeberg. Bij Koninklijk Besluit nr. 26 kreeg hij op 12 november 1947 postuum het Bronzen Kruis voor zijn dapper optreden als militair. Vanaf 1942 was Houwert actief in het verzet, waarbij hij de schuilnamen Bleumer, Bolland en Jan Houwing gebruikte. In het begin helpt hij alleen binnen de hulpverlening aan Joodse onderduikers, maar later ging hij ook ondergedoken studenten, arbeiders en spoorwegpersoneel ondersteunen. Als medewerker van Henk van der Tweel (Amsterdam, 20 maart 1917 – Amsterdam, 13 mei 1997) van de Persoonsbewijzencentrale (PBC) van Gerrit van der Veen kon hij makkelijk zorgen voor vervalste persoonsbewijzen, geld, distributiebescheiden en onderduikadressen. De cardioloog Van der Tweel was de meestervervalser medewerker van de Persoonsbewijzencentrale.

Vanaf 1942 werkte hij ook voor de Sectie V van het Algemeen Hoofdkwartier van de Ordedienst (AKH-OD), waarvoor hij Duitse verdedigingsobjecten in beeld bracht. Hij werkte hierbij nauw samen met Dirk Kroon. Met de schetsen en foto’s die hij maakte werden op het hoofdkwartier kaarten vervaardigd. Na de oprichting van de Binnenlandse Strijdkrachten werkte Houwert mee aan het begeleiden van wapentransporten. (meer…)

DROOMLAND

Zo af en toe moet je eens grote opruiming houden en een paar weekjes geleden was dat voor mijn werkruimte dringend nodig. Allerlei artikelen uit magazines, er jaren geleden uitgescheurd met de verwachting er ooit nog eens gebruik van te kunnen maken, verdwenen in de prullenmand. Stapels tijdschriften vanaf 2008 werden op de weggeefhoek van een lokale Facebookpagina aangeboden. Voor enkele titels kwam snel een paar reacties en kon iemand gelukkig gemaakt worden met dertien jaargangen van een historisch tijdschrift. Andere titels bleken geen enkele geestdrift op te wekken en na twee weken verdwenen ze in de gemeentelijke papiercontainer. Dat kostte toch even wat moeite. Allerlei losse publicaties moesten worden doorgenomen om een keuze te kunnen maken welke weer een tijdje teruggelegd zouden worden om opnieuw stof ge vergaren en welke hetzelfde roemloze einde van eerdere publicaties te wachten stond, die vervloekte papiercontainer. In een van die bladen trof ik een interview met Annelies Petri, een kunstenares waarvan ik toevallig een werk heb en waarvan ik het werk schitterend vind. Dat interview moest natuurlijk eerst gelezen worden voor het op de weggooistapel terecht kwam. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 38

 
.
Foto’s van Albert Arthur Allen.

DIRK KROON (66)

Dirk Mara Rijk Hendrik Kroon (Den Haag, 27 mei 1909 – Limmen, 7 augustus 1945) verhuisde samen met zijn ouders in 1937 van zijn geboortestad Den Haag naar Soest. Hij was in mei 1940 dienstplichtig sergeant bij de Genie. Na de capitulatie keerde hij terug naar huis en vestigde zich als zelfstandig werktuigbouwkundige/ elektrotechnicus; hij was als vrijwilliger ook betrokken bij de (bos)brandweer. Vanaf 21 mei 1943 moesten alle jongemannen uit de geboortejaren 1922,1923 en 1924 zich verplicht melden bij de Arbeidsinzet. Burgemeester Loek des Tombe (De Bilt, 19 februari 1907 – Apeldoorn, 12 juni 1987), een CHU’er die vanaf oktober 1934 burgemeester was geweest van de gemeenten Abcoude-Baambrugge en Abcoude-Proostdij en in oktober 1939 tot burgemeester van Soest was benoemd, wist dat dit betekende dat de bezetter het bevolkingsregister zouden controleren en gaf aan brandweercommandant Groart de opdracht het register te verdonkeremanen. Groart gaf Gerbrand Zoetelief, Marinus de Moraaz Imans en Dirk Kroon, drie brandweermannen die hij volledig vertrouwde, de opdracht in het gemeentehuis in te breken en te zorgen dat het bevolkingsregister werd ‘gestolen’. Op 25 mei 1943 ging het drietal tot actie over, maar ze hadden hun taak wat te licht opgevat. Ze veronderstelden dat ze met een bakfiets alle persoonskaarten in één keer konden meenemen, maar ze moesten de route van gemeentehuis naar de woning van Kroon aan De Wieksloot twee keer afleggen. Het archief werd daar in een sloot begraven, waarbij Kroon werd geholpen door ‘Addie en Ellie’, twee onderduikers in zijn woning. Wachtcommandant Voet en agent Entrop van de politie, die op de hoogte was gebracht van de actie, hielden zich op de avond van de inbraak ‘doof en blind. De dag daarop konden inspecteur Voerman en rechercheur Meyer niets opmerkelijks vinden en de Rijksspeurhond Wanda nieste zich suf van de ruimschoots gestrooide peper. De bezetter voelde natuurlijk nattigheid en verhoorde korpschef Bakker, maar hij kwam er vanaf met twee jaar voorwaardelijke celstraf gekregen. Burgemeester des Tombe zou aansluitend weigeren werkkrachten aan te wijzen voor Duitse tewerkstelling. Als gevolg daarvan moest hij in oktober 1944 in de buurt van Soest onder te duiken. Al enkele uren na de bevrijding keerde hij terug in Soest, enthousiast onthaald door de bevolking.

(meer…)

RICHARD SCHOEMAKER (65)

Richard Schoemaker (Roermond, 5 oktober 1886 – Sachsenhausen, 3 mei 1942) stamde uit een officiersgeslacht. In 1905 begon hij als cadet aan een opleiding tot officier der Genie aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda. Aansluitend volgde hij aan de Technische Hogeschool de opleiding tot bouwkundig ingenieur. Hij was toen actief in diverse sporten, maar vooral als schermer zeer bedreven. In 1908 nam hij als schermer op het onderdeel ‘sabel individueel’ deel aan de Olympische Spelen in Londen. Hij overleefde daar de eerste ronde, maar eindigde in de tweede ronde op de derde plaats. Het zouden de enige Spelen voor hem blijven, want hij vertrok in 1912 hij samen met zijn broer Charles naar Nederlands-Indië. In Bandoeng begon hij als 1e luitenant; drie jaar later werd hij bevorderd tot kapitein der genie. In deze functie ontwierp en bouwde hij het Paleis van de Legercommandant. In 1920 aanvaarde hij het hoogleraarschap aan de Technische Hogeschool in Bandoeng, die in 1918 werd opgericht. Hij zou deze functie vier jaar bekleden en was daarnaast actief als architect, vaak samen met zijn broer Charles.

Charles Prosper Wolff Schoemaker (Banyubiru, Semarang, 25 juli 1882 – Bandung, 22 mei 1949) was in Nederlands-Indië geboren als oudste van drie zonen van een Nederlands militair. Een deel van zijn jeugd bracht hij door in Roermond, waar in 1886 zijn jongere broer Richard werd geboren. Ook Charles studeerde aan de KMA, waar hij als ingenieur afstudeerde. Hij was in Nederlands-Indië korte tijd als militair actief bij de Genie van het KNIL, daarna directeur gemeentewerken in Batavia en daarna had hij een eigen architectenbureau te Bandoeng. Hij werd een van de belangrijkste Nederlandse architecten in Nederlands-Indië en verwierf de bijnaam ‘de Frank Lloyd Wright van Indië’ vanwege zijn bouwstijl die elementen van de Amerikaanse architect combineerde met de Indonesische wereld. (meer…)

DE ORDEDIENST 4

In drie eerdere blogs is al ingegaan op de Ordedienst en organisaties die daaraan nauw verwant waren en vaak ook onderling samenwerkte, zoals de groep rondom Joan Schimmelpenninck, de Mekelgroep, de Schoemakergroep. Er was ook nog de Stijkelgroep, die haar naam dankt aan Han Stijkel, een jonge academicus uit Den Haag die door de Duitsers werd beschouwd als de leider van de verzetsgroep. Stijkel streefde ernaar de verschillende verzetsgroepjes die direct na de bezetting actief waren onder één noemer te brengen. Ook wilde hij voorbereidingen treffen om na de verwachte snelle aftocht van de Duitsers de rust en orde te kunnen handhaven. Een streven dat alle genoemde groepen ook hadden. Aanvankelijk bestond de groep slechts uit een verzameling kleine verzetsverbanden uit Den Haag, de Zaanstreek en Amsterdam, met een zeer uiteenlopende signatuur. Er was een actieve groep uit Koog aan de Zaan, die vooral voortkwamen uit de AJC, de socialistische jeugdbeweging. Maar uit Koog aan de Zaan kwam ook Evert Honig, de directeur van de levensmiddelen-fabriek Honig, het echtpaar Edo-Chambon die eigenaar waren van café-restaurant-hotel De Waakzaamheid en de directeur van autobedrijf Zwart. Alle losse groepjes wisselden onder andere spionagemateriaal met elkaar uit omdat ze manieren zochten om informatie naar Engeland te krijgen. Een duidelijke structuur was er nog niet, de ontwikkeling was nog in volle gang toen de groep werd opgerold.

(meer…)

DE DRIE GRATIËN – 044

Evert van Kooten Niekerk (1949) is een Nederlandse beeldhouwer en tekenaar. Hij werd opgeleid aan Academie voor beeldende kunsten Artibus in Utrecht als leerling van de beeldhouwer Jan van Luijn (1916-1995), die in de Tweede Wereldoorlog actief was in het verzet en na de oorlog als eerste grote opdracht kreeg in Utrecht een monument voor de Binnenlandse Strijdkrachten te maken. Dat werd in 1947 door prins Bernhard werd onthuld. Hij zou in totaal maar liefst 53 oorlogsmonumenten maken. Op Van Luijns advies ging Van Kooten Niekerk naar de Rijksacademie van beeldende kunsten in Amsterdam, waar hij verder onderwijs kreeg bij Piet Esser, Paul Grégoire en Theresia van der Pant. Na twee jaar stopt hij met deze opleiding omdat hij na zeven jaar opleiding de behoefte krijgt geheel voor zichzelf te beginnen. Op de Rijksacademie was de opleiding puur figuratief. Vanaf de jaren tachtig maakt hij zich langzaam los van dat figuratieve werk en maakt dan een aantal abstracte werken. Eind jaren negentig keert hij terug naar de figuratieve stijl. Van Kooten Niekerk maakt tekeningen en figuratieve beelden in brons, hout en hardgips, waarbij de mens centraal staat. Sinds 2013 werkt hij aan een serie grote en kleine portretkoppen van dichters en componisten, waarover hij op zijn website een film heeft gezet. Beelden die hij met acrylverf kleurt. Behalve kunstenaar is hij ook freelance docent bij Artibus, de Nieuwe Academie in Utrecht, Het Kunststation Leerdam en van 1999 tot 2007 hoofd van de afdeling beeldende kunst bij het Utrechts Centrum voor de kunsten. Van de Drie Gratiën maakte hij in 2010 en 2011 drie kleurrijke tekeningen, die nogal behoorlijk afwijken van de gebruikelijke voorstelling van de drie Griekse godinnen.

(meer…)

LOU JANSEN (64)

Lou Jansen (Amsterdam, 28 maart 1900 – Scheveningen, 9 oktober 1943) was een Nederlandse communist en verzetsman. Tot 1938 was hij kantoorbediende en vertegenwoordiger, daarna kwam hij in dienst van het secretariaat van de CPN. Van die partij was hij in 1930 lid geworden. In 1935 was hij namens de CPN lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland en lid van de Amsterdamse gemeenteraad. In mei 1940 moest de communistische partij na de Duitse inval ondergronds en werd Lou Jansen met Paul de Groot (1899-1986) en Jan Dieters (1901-1943) gekozen in het driemanschap dat de illegale partij ging leiden. Jansen zou zich vooral bezighouden met Amsterdam, waar de partij veel leden had. Dieters moest het contact met de andere districten in het land te onderhouden, wat hij deed vanuit Noord-Brabant en later de IJsselstreek. Op 25 februari 1941 verspreidde de CPN in Amsterdam een manifest, dat een grote invloed had op het uitbreken van de Februaristaking van 25 en 26 februari 1941. Het was de eerste grootschalige verzetsactie tegen de Duitse bezetter in Nederland en het enige massale en openlijke protest tegen de Jodenvervolging in bezet Europa. De aanleiding waren de eerste razzia’s in Amsterdam waarbij honderden Joodse mannen opgepakt werden. Lou Jansen was de belangrijkste samensteller van dit manifest. Een tweede poging van Jansen op 6 maart 1941 en nieuwe staking uit te roepen mislukte echter.

(meer…)

AUGUST KAPPLER

68e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

August Kappler (Mannheim, 11 november 1815 – Stuttgart, 20 oktober 1887) was een Duitse onderzoeker en ondernemer, die in december 1846 in Suriname het plaatsje Albina stichtte in een bocht van de Marowijnerivier, de grensrivier tussen Suriname en Frans-Guyana. Nadat hij in zijn geboorteplaats de lagere school had afgemaakt, begon hij een opleiding in de handel, eerst in Stuttgart en later in Heilbronn. In juni 1935 besloot de negentienjarige Kappler vanwege de slechte economische situatie in Duitsland het land te verlaten en vertrok naar Griekenland. Daar wilde hij dienst nemen in het leger van de staat die zich dan recent had losgemaakt van het Osmaanse Rijk. Omdat hij niet beschikte over de gewenste papieren mislukte dat plan. Hij keerde terug naar Stuttgart, om direct door te trekken naar Nederland om daar in dienst te treden van het Koninklijke Nederland-Indische Leger (KNIL). In december 1835 nam hij als 20-jarige in Harderwijk dienst in dat leger. Daar was echter zojuist een legeronderdeel vertrokken naar de verre kolonie, zodat Kappler werd ingedeeld bij een eenheid die naar Suriname zou afreizen. Op 16 december 1835 reisde hij met het transportschip Prins Willem Frederik Hendrik af naar Suriname, waar hij op 18 januari 1836 aankwam en kon beginnen aan een dienstverband van zes jaar. Het schip zeilde eerst de Surinamerivier op, waar de soldaten in Nieuw-Amsterdam aan land gingen. Twee weken later werden ze overgebracht naar Fort Zeelandia.

(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 37

FRITS NIEUWENHUIJSEN (63)

Frits Nieuwenhuijsen (Amsterdam, 3 oktober 1905 – Haarlem, 12 februari 1945) volgde in zijn geboortestad eerst de HBS, studeerde aansluitend werktuigbouwkunde aan de MTS en na dat diploma te hebben gehaald studeerde hij bedrijfseconomie aan de universiteit van Amsterdam. Zijn ouders leefden in goede welstand. Zijn vader was directeur/mede-eigenaar van de technische handelsonderneming Stieltjes & Co. Het gezin was begin twintiger jaren verhuist naar Hilversum, toen de nieuwe spoorverbinding forenzen naar Amsterdam mogelijk maakte. Toen Frits net zijn kandidaatsexamen had afgerond, vond in New York de beurskrach plaats, die vaders bedrijf zwaar zou treffen. Binnen een paar jaar ging de onderneming failliet, maar omdat vader Nieuwenhuijsen al zijn geld in dat zinkende schip had gestoken, hing ook alle privévermogen verloren. Vanwege deze financiële malaise moest Frits zijn studie afbreken. In 1932 kreeg hij toen via een kennis van zijn ouders een baan bij de Hollandse Sociëteit van Levensverzekeringen (een bedrijf dat rond 1968 gefuseerd tot Delta Lloyd). Daar werd Nieuwenhuijsen als stagiair aangenomen op het regiokantoor in Utrecht. Na zes maanden werd hij benoemd tot hoofdagent. In 1937 kreeg Frits de opdracht in Rotterdam een nieuw kantoor voor de Hollandse Sociëteit op te bouwen. In Rotterdam richtte deze afdeling zich vooral op een totaal nieuw product van de verzekeringsmaatschappij, namelijk op het afsluiten van collectieve bedrijfsverzekeringen met de Rotterdamse zakenwereld. Eind mei 1940, twee weken na het bombardement op Rotterdam, werd Nieuwenhuijsen overgeplaatst naar het hoofdkantoor in Amsterdam en kreeg daar eerst de functie van generaal-agent voor collectieve zaken en snel daarna tot generaal-agent in algemene dienst. Dat hield in dat hij werd belast met de coördinatie van de binnen- en de buitendienst en de publiciteit voor het bedrijf. Vanwege deze overplaatsing verhuisde Frits en zijn gezin in juni 1940 van Hillegersberg naar Amstelveen.

(meer…)

ALBINA

67e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Albina is een plaatsje met momenteel zo’n 4.000 inwoners in het district Marowijne in Suriname, ruim 140 kilometer ten oosten van Paramaribo. Het ligt in een bocht van de rivier Marowijne, tegenover Saint-Laurant-du-Maroni in Frans-Guyana. Dat plaatsje kreeg de bijnaam Le Petit Paris vanwege de fraaie koloniale bouwstijl, onder meer te zien in het houten penitentiair ziekenhuis uit 1912, het gemeentehuis, de sous-préfecture, het gerechtshof en een botanische tuin. In 1857 werd hier een bagno (gevangenis) opgericht, waaruit later het plaatsje ontstond om het personeel te huisvesten. Het was een subkamp van de strafkolonie Saint-Laurent-du-Maroni, waar de gevangenen dwangarbeid moesten verrichten. De meeste gevangenen waren ondergebracht in strohutten. Tussen 1890 en 1897 werd tussen Saint-Laurent en Saint-Jean een zestien kilometer lange Decauville-spoorlijn op meterspoor aangelegd. Toen in 1946 de strafkampen werden afgeschaft, werd ook deze spoorlijn opgedoekt. De bagno is vooral bekend/berucht geworden door de verfilming van semi-autobiografische roman Papillon van Henri Charrière uit 1969. Daarin beschrijft de auteur zijn avontuurlijk verblijf in de jaren 1931-1945 in de bagno en in de Caribbean, Venezuela en Colombia na zijn vlucht van Duivelseiland, de locatie waar gevangenen terechtkomen die zich in de bagno hebben misdragen. In werkelijkheid is de roman geen levensverhaal van de schrijver, maar een bundeling van verhalen van verschillende gevangenen die in deze strafkolonie verbleven. Stroomafwaarts was op het Îlot Saint-Louis een leprozenkolonie gevestigd, ook wel het Île aux Lépreux genaamd. Iets verderop ligt het wat groter Île de la Quarantaine, een naam die ook al weinig goeds belooft. Het geeft een aardige indicatie van de sfeer die eind 19e eeuw en begin 20e eeuw in deze hoek van Guyana moet hebben gehangen. Saint-Laurent is vanuit Suriname bereikbaar per korjaal (een boomstamkano) of via een veerdienst vanuit Albina.

(meer…)

KOLONIËN ITALIË 8

Protectoraat Albanië (1939-1943) – Deel 2

Nadat de Italianen en Grieken in 1920 na de Vlora-oorlog waren vertrokken werd Albanië formeel een vorstendom, maar omdat er geen koning was benoemd en er ook geen sterke regering was, werd het land in de praktijk geregeerd door grootgrondbezitters en krijgsheren. In januari 1925 riep de machtige krijgsheer Ahmed Zogu, stamhoofd van de machtige islamitische Mati-stam, de republiek uit en benoemde zichzelf als president en premier. Zogu had in de voorgaande jaren heel wat politieke moorden op zijn naam staan en volgens de Albanese eerwraak mocht hij daarom door familieleden van omgekomenen worden gedood. Daarbij gold dat dit niet mocht gebeuren als hij werd vergezeld door een vrouw, zodat Zogu ervoor zorgde dat hij bij de zeldzame keren dat hij het paleis verliet door zijn moeder werd vergezeld. Zogu verplaatste de hoofdstad naar Tirana. In 1928 werd hij als Zog 1 koning van Albanië en voerde een despotisch regime. Om zich te beschermen tegen een steeds toenemend aantal vijanden zocht hij bescherming bij Italië, dat de olievoorraden mocht exploiteren en de Bank van Albanië ging runnen. Door de samenwerking met de Italianen kon elke mogelijke Joegoslavische invloed in het land worden gepareerd. In de jaren 1925-1939 werden door Italië en Albanië diverse verdragen gesloten: (meer…)

KOLONIËN ITALIË 7

Protectoraat Albanië (1939-1943) – Deel 1

Italië had al direct na de stichting van de staat in 1870 koloniale ambities, om in de pas te lopen met de andere Europese landen. Al bij het Congres van Berlijn (1878) lieten de Italianen al weten dat ze bij de opdeling van het Osmaanse Rijk graag het eiland Rodos en de andere eilanden van de Dodekanesos voor zichzelf opeisten. Ook keek men al met een begerig oog naar de provincie Albanië. De prille staat kon op dat moment die ambities niet realiseren. Bij de Koloniale Conferentie van Berlijn in 1886 verkreeg Italië de koloniën Eritrea en Somaliland. Als Italiaans-Eritrea (1886-1960) en Italiaans-Somaliland (1886-1960) zouden ze tot 1960 eerst koloniën van Italië zijn en na de Tweede Wereldoorlog een Italiaans mandaatgebied. In 1960 werd het met Brits-Somaliland samengevoegd tot het huidige Somalië. In Oost-Afrika zouden de Italianen in 1935 ook Abessinië, het huidige Ethiopië, veroveren, maar hier moesten ze hun territoriale ambities al in 1941 opgeven. In Noord-Afrika hield Italië het twee jaar jaren vol. In 1911 had men Libië verovert, maar halverwege de Tweede Wereldoorlog werden de legers van Mussolini definitief uit Libië verdreven, waarbij niet op een oorlogsmisdaad meer of minder werd gekeken. In 1911 kon Italië eindelijk de lang gekoesterde Europese ambities tot uitvoering brengen. Op 25 september 1911 verklaarde Italië de oorlog aan het sterk verzwakte Ottomaanse Rijk en veroverde het, naast Libië in Noord-Afrika, ook de eilandengroep Dodekanesos op het Ottomaanse Rijk.

(meer…)

JAN BOMMERSON – LONDONS/ARDENS

Jan Bommerson (1950) was docent Nederlands, trad op als cabaretier met ‘Jank’ en ‘Martin, Ton en Bommerson’ en als presentator van theater- en smartlappenavonden. Hij publiceerde gedichten en won er in Nederland en België prijzen mee. Hij reist graag naar noordelijke streken, fotografeert er en schrijft erover. In de zomer van 1979 reist hij naar de Noordkaap in Noorwegen en weer terug. Hij legde zijn ervaringen vast in enkele ‘zonderbare verhalen’ die werden gebundeld in ‘NOORS’, over een tot mislukken gedoemde reis door Noorwegen. Zijn tweede boek heet ‘De ontdekking van Shetland’. In dit boek vertelt hij het verhaal over zijn reizen naar de Shetlandeilanden in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het derde boek van Bommerson heeft twee titels en een unieke uitvoering in keerdruk, dus twee omslagen. Aan de ene kant LONDONS en aan de andere kant Ardens. In het midden botsen beide verhalen op elkaar. LONDONS verhaalt over de reiservaringen van de schrijver en zijn vriend Henk Vegter in een naargeestig Lonen gedurende de week van Kerst en oud-en-nieuw in 1973. Oorlog in het Midden-Oosten, een olieboycot en crisis in het westen, bomaanslagen door de IRA, beestenweer in de duistere wereldstad. Een wanhopige zoektocht naar een slaapplaats, wonderlijke ontmoetingen met de meest uiteenlopende figuren helpen hen de totaal onvoorbereide reis te overleven. ARDENS is een compleet ander verhaal. Het vertelt over de avonturen tijdens de tien reizen van Bommerson met Roel Sluiter, de latere burgemeester van Harlingen, naar de Ardennen in de jaren tachtig, altijd in de paasvakantie. Ze zijn er op jacht naar goedkope kitsch en twijfelachtig antiek in de talloze antiekschuren en brics-a-bracs. Dankzij hun ongebreidelde fantasie beleven ze grote avonturen. Hilarische momenten worden afgewisseld door ontregelende opmerkingen en observaties. Beide reisverhalen zijn subtiele portretten van vriendschappen, beeldend en met veel gevoel voor taal en detail onder woorden gebracht.

(meer…)

MAX LÉONS

Max Nico Léons (Rotterdam, 24 november 1921 – Amsterdam, 2 november 2019) werd geboren in een liberaal joods gezin. Begin 1942 weigerde hij een baantje bij de Joodse Raad.  Op 12 juli 1942 kreeg het gezin Léons een oproep om zich te melden voor deportatie naar Polen. Max was er van overtuigd dat alle Joden daar zouden worden vermoord en adviseerden zijn ouders om onder te duiken. Het hele gezin zou op diverse adressen de oorlog overleven. Begin 1943 kwam Max terecht in Nieuwlande, waar hij onder de schuilnaam Nico actief werd in hert verzet. Max had zich aangeleerd plat te praten, waardoor hij minder opviel. Samen met Arnold Douwes zorgde hij in het dorp en directe omgeving voor steeds nieuwe onderduikadressen, zorgde voor het transport van die onderduikers en onderhield alle noodzakelijke contacten. Douwes en Léons zorgde daarmee voor her vreedzame deel van de verzetsactiviteiten van de organisatie van Post, die zelf het gewapende verzet voor zijn rekening nam. Douwes en Léons redden gedurende oorlog het leven van enkele honderden Joden.

In het voorjaar van 1944 moest Léons elders onderdak zoeken, omdat de Duitsers Post en de zijnen steeds meer op het spoor waren. In het najaar van 1944 werd ook Léons opgepakt en in gevangenschap gemarteld. Hij overleefde de oorlog echter wel en werd toen herenigd met zijn ouders, broer en zus. Rond 1950 startte Léons een eenmanszaak als verzekeringsagent. Als Jood kon Léons niet worden onderscheidde door Yad Vashem, omdat het voor Joden een vanzelfsprekende plicht (mitswa) was om andere Joden te redden. Op 23 november 2011 ontving hij als eerste buiten Israël een onderscheiding van The Jews Rescued Jews during the Holocaust Committee en de The B’nai B’rith World Center. Max Léons overleed in 2019 op 97-jarige leeftijd.

Over de belevenissen van Max Leons en Arnold Douwes is een boek verschenen getiteld: ‘Mitswa en christenplicht, bescheiden helden uit de illegaliteit’.

ARNOLD DOUWES

Arnold Douwes (Laag-Keppel, 26 januari 1906 – Utrecht, 7 februari 1999) groeide tussen vijf zusters en twee broers op in een gezin in Laag-Keppel, waar zijn vader dominee van de Gereformeerde Gemeenten was, maar Arnold had al vroeg een belangstelling voor het communisme. Van jongs af was hij een eigenzinnige en onaangepaste persoontje. Hij werd om die reden twee keer van de lagere school gestuurd. Zo stak hij uit een tram hert bordje ‘Verboden te roken’ en hing dat aan de lessenaar van een pijprokende meester. De tweede keer dat hij van school werd gestuurd, had hij een ander gestolen bordje ‘Zeven zitplaatsen’ op de deur van het toilet geschroefd. Hij ging na de lagere school niet naar het voortgezet onderwijs, kwam echter in Nederland niet aan een baantje en vertrok toen naar Noord-Amerika. Tien jaar lang zwierf hij rond door de Verenigde Staten en Canada, maar ook daar lukte het de rusteloze Douwes niet een gezin te stichten en een carrière op te bouwen. Op een gegeven moment had hij zich aangesloten bij de International Labor Defense, een organisatie die streefde naar gelijke burgerrechten. Omdat deze ILD werd verdacht van communistische sympathieën moest Douwes de VS verlaten. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was hij weer in Nederland, waar hij in Boskoop ging wonen en op een boomkwekerij aan de slag ging als hovenier.

(meer…)

NIEUWLANDE

Nieuwlande is een dorp dat is ontstaan als veenkolonie, op een plaats waar vroeger maar liefst vijf gemeente bij elkaar kwamen: Oosterhesselen, Dalen, Hoogeveen, Coevorden en Hardenberg. Bij de gemeentelijke herindeling van 1 januari 1998 zijn de eerste twee onderdelen overgeheveld naar de gemeente Hoogeveen, simpelweg door de gemeentegrens van Hoogeveen ongeveer 1,5 kilometer naar het oosten op te schuiven. Enkele Nieuwlandse huizen bleven echter binnen de gemeenten Coevorden en Hardenberg liggen. In elk geval loopt de gemeentegrens sindsdien niet meer dwars door het dorp.

In de negentiende eeuw liep door het gebied waarop Nieuwlande zou ontstaan de Coehoornsdijk, genoemd naar de vestingbouwkundige Menno van Coehoorn (Britsum, maart 1641 – Den Haag, 17 maart 1704), die vaak de evenknie wordt genoemd van de beroemde Franse vestingbouwer Sebastien Vauban. Van Coehoorn liet de dijk omstreeks 1680 aanleggen als onderdeel van de fortificatie van de stad Coevorden. In 1816 werden voor het gebied vergunningen voor de veenwinning gegeven; rond 1850 vestigden de eerste veenarbeiders zich in het gebied. In 1890 stonden er ongeveer veertig woningen. Op het afgegraven veen werd eerst bos aangeplant, waarvan het hout in diverse Europese landen werd gebruikt om de gangen in kolenmijnen te stutten; de schors ging naar leerlooierijen in onder andere Hoogeveen. Na 1900 verdwenen de bossen echter en maakte men de grond gereed voor landbouw. De Hoogeveense eigenaren verkochten deze grond vooral aan jonge gereformeerde Groninger boeren, die na de eerdere veenarbeiders de tweede groep immigranten in de streek waren. Nu waren het echter kapitaalkrachtige nieuwelingen, die in dertig jaar tijd zo’n vijftig kapitale boerderijen in Nieuwlande lieten bouwen. De naam ontstond pas in nadat in 1909 een van die boeren in de dakpannen van zijn nieuwe boerderij de naam Nieuwlande liet aanbrengen, en dan nog pas na enkele decennia. Het verschil tussen de arme, hervormde veenarbeiders en de rijke, gereformeerde landbouwers bleef tot ver na de Tweede Wereldoorlog merkbaar. Pas nadat veel kanalen waren gedempt en er een grootschalige sanering van het veengebied had plaats gevonden verdwenen de vroegere sociologische tegenstelling.

(meer…)

GERRIT SCHOONMAN (62)


Geert Schoonman (Wormerveer, 31 augustus 1917 – Vliegveld Twente, 13 oktober 1944) groeide op in Zaandam. Een opvallende verschijning van bijna twee meter lang en een rode haardos. Vanwege zijn handigheid en kennis van techniek komt hij in het Nederlandse leger bij de genie. Hij was sergeant-capitulant bij de genietroepen toen de oorlog uitbrak. In de meidagen van 1940 vocht Geert op de Grebbeberg. Na zijn mobilisatie op 15 juli 1940 kreeg hij een baan als ambtenaar bij de belastingen als grenscommies in Glanerbrug. Via collega-douanier Harry Saathof ontmoette hij in januari 1941 Johannes ter Horst, die op dat moment al zeer actief was in de illegaliteit. Geert werd daarna ingezet om uit Duitsland gevluchte Franse krijgsgevangenen in veiligheid te brengen. In een latere fase hielp hij Joden en neergeschoten geallieerde piloten aan een onderduikadres. Dit laatste in samenwerking met Johannes ter Horst en Jules Haeck. Hij werkte daarbij onder de schuilnaam Rooie Geert.

Op 5 oktober 1942 werd Schoonman overgeplaatst naar Zundert, maar op  12 december 1943 liet hij zich terugplaatsen naar Glanerbrug en ging wonen in Enschede. In februari 1944 werd hij lid van de KP-Enschede, die onder leiding stond van Ter Horst, die inmiddels een goede vriend van hem was geworden. Deze knokploeg voerde diverse acties uit, waaronder de zeer gewaagde bevrijding op 11 mei 1944 uit de Koepelgevangenis in Arnhem van onder meer ds. Frederik Slomp (‘Frits de Zwerver’) en Henk Kruithof, twee kopstukken van hert Twentse verzet. Ook Harry Saathof was hierbij betrokken. Hij werd als vermeende arrestant opgebracht door Johannes ter Horst en Geert Schoonman. Het Arnhemse Huis van Bewaring werd op 11 juni 1944 voor de tweede keer door Ter Horst en Schoonman bezocht, waarbij het tweetal maar liefst 56 gevangenen wisten te bevrijden, de grootste en meest succesvolle bevrijdingsactie uit de bezetting. Beide acties stonden onder leiding van de LKP-leider Liepke Scheepstra.

(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 36

JULES HAECK

Jules Haeck (Croix, Frankrijk, 1 september 1894 – Weerselo, 7 oktober 1944) was vanuit zijn geboorteland Frankrijk in 1918 naar Hengelo verhuisd, nadat hij aan het eind van de Eerste Wereldoorlog uit het Franse leger was gedeserteerd en eerst naar België was getrokken en daar ontsnapte gevangenen had geholpen. In Hengelo werd hij eerst kostganger in het gezin van de familie van Sietse Dekema. In 1925 begonnen hij samen met Sietse een groothandel in groente en fruit, de firma S. Dekema & J. Haeck. De firma zou tot 1931 blijven bestaan. In sommige publicaties over Haeck wordt abusievelijk gezegd dat hij in Hengelo een groenteventer was. Bij de Dekema’s ontmoette hij Manie Jetten. Ze besloten niet in het huwelijk te treden, maar als partners verder samen te leven. In september 1933 verhuisde naar Arnhem, waar in januari 1934 werd hier de tweeling René en Irene geboren. In november 1934 waren ze weer terug in Hengelo en zette Jules een nieuwe groothandel in groenten en fruit op. De zaak zou bij een bombardement op 7 oktober 1944 volledig worden verwoest.

Al in 1941 werd Jules Haeck benaderd om een ontsnapte Franse krijgsgevangene te helpen. Een logische keuze omdat hij de Franse taal uiteraard volledig beheerste en familie in Frankrijk had wonen om verdere ondersteuning te kunnen geven. Het mondde uit in het opzette van een omvangrijke ontsnappingsroute waardoor tientallen gevluchte Franse krijgsgevangenen en geallieerde piloten richting Frankrijk konden worden doorgesluisd. In ‘De lijst van Haeck’, een boek van H.B. van Helden werd Haeck’s hulpverlening, dat een zeer omvangrijke biografie geeft van Jules Haeck en de hulp aan piloten, globaal in drie fasen onderverdeeld: (meer…)

YOSEMITE (1915)

Albert Arthur Allen (Boston, 8 mei 1886 – Hayward, 25 januari 1962) was een Amerikaans fotograaf en filmregisseur, die vooral bekend werd door de vele naaktportretten die hij in de twintiger en dertiger jaren maakte. Hij werd geboren in een vooraanstaande en rijke familie in New England. Hij kreeg zijn opleidingen in Boston. Op 21-jarige leeftijd verkaste hij naar Californië, waarna hij jarenlang de staat doortrok. Enerzijds vanuit een zucht naar avontuur naar het gebied dat pas in ontwikkeling kwam, anderzijds om zich steeds meer in allerlei kunstvormen te bekwamen. In het begin van zijn carrière maakte Allen een aantal prachtige landschapsfoto’s van Yosemite National Park in het oosten van Californië. Pas vanaf de eerste helft van de 19e eeuw verkenden uit Europa afkomstige Amerikanen voor het eerst het Sierra Nevada-gebergte en ontdekten toen de Yosemite Valley die werd bewoond door de Ahwahnechee, een stam van Sierra Miwok-indianen. Deze werden door de kolonisten met geweld uit het gebied verdreven. In 1890 werd door natuurbeschermers het Yosemite National Park opgericht, een van de eerste nationale parken in de wereld. Het natuurpark is beroemd om de Yosemite Valley, een door gletsjers ontstaan dal met granieten rotswanden, door het hooggebergte, de heldere bergrivieren en watervallen en de zeldzame reuzensequoiabossen. Vanaf eind negentiende eeuw werd Yosemite Valley bij een breed stedelijk publiek bekend en een geliefde toeristische attractie door de verspreiding van schilderijen, foto’s en artikelen in allerlei publicaties. Albert Arthur Allen heeft hieraan een bescheiden steentje bijgedragen, zie hiervoor onderstaande foto’s.

(meer…)

NIEDERMACHUNGSBEFEHL 2

De opeenvolgende Duitse nederlagen, het toenemende verzet in de bezette gebieden, de aanslag van Von Stauffenberg en Hitlerbefehl D-762 hadden ook grote gevolgen op de manier waarop de Duitse bezetter omging met het Nederlandse verzet. In het algemeen werd tot juli 1941 uitgegaan van ‘rechtvaardige’ vonnissen, uitgesproken door rechtbanken die weliswaar werden geacht precies te doen wat de bezettende macht van hen verlangde, maar toch de schijn ophielden dat correct via het recht en de vastgelegde procedures werd gehandeld. Vooral de steile jurist Arthur Seyss-Inquart werkte graag via deze lijn. Hij was overigens ook niet te beroerd hier in noodgevallen onverbiddelijke van af te wijken. Tijdens de Februaristaking op 25 en 26 februari 1941 naar aanleiding van de eerste razzia’s in Amsterdam waarbij honderden Joodse mannen werden opgepakt, stapte hij over op standrecht om met de demonstranten af te rekenen. De Duitsers braken de staking met geweld, intimidatie en meedogenloos ingrijpen. Er waren negen doden en 24 zwaargewonden te betreuren; vele demonstranten werden gearresteerd. Amsterdam kreeg een boete opgelegd van vijftien miljoen gulden, Zaandam van een half miljoen gulden en Hilversum 2,5 miljoen gulden. De Joodse communist Leendert Schijveschuurder, die op 5 maart 1941 werd betrapt op het aanplakken van nieuwe stakingsoproepen, werd de andere dag als eerste Nederlander standrechtelijk geëxecuteerd. Op 13 maart 1941 werden op de Waalsdorpervlakte drie communistische Februaristakers (Hermanus Coenradi, Joseph Eijl en Eduard Hellendoorn) en vijftien leden van de Geuzen-verzetsgroep door een Duits vuurpeloton gefusilleerd. Daarnaast werden 22 communisten veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen die in Duitsland moesten worden uitgezeten.

(meer…)

NIEDERMACHUNGSBEFEHL 1

In juni 1944 werd SS-generaal Karl Eberhard Schöngarth (Leipzig, 22 april 1903 – Hamelen, 16 mei 1946) een nieuwe functie binnen het Reichssicherheitshauptamt (RSHA), de overkoepelende veiligheidsdienst van het Derde Rijk die op 27 september 1939 door Heinrich Himmler was opgericht. Deze organisatie was een samenvoeging van de Sicherheitsdienst, de Gestapo en de Kriminalpolizei en had als doel alle ‘vijanden van het Rijk’ (zoals communisten, vrijmetselaars, Joden, zigeuners en andere ‘ongewenste rassen’) te bestrijden, zowel binnen als buiten Duitsland. Schöngarth werd in Nederland de bevelhebber van de Sicherheitspolizei en Sicherheitsdienst, en kwam daarmee rechtstreeks onder Generalkommissar für das Sicherheitswesen, Hanns Albin Rauter.

Schöngarth, de zoon van een bierbrouwer in Leipzig, zou in 1920 hebben meegedaan aan de Kapp-putsch, een mislukte staatsgreep. Van 1922 tot 1924 was hij lid van de NSDAP en de Sturmabteilung (SA). In de periode 1924-1929 studeerde hij  rechten en trad daarna in dienst van de Pruisische overheid. In 1935 aanvaarde hij een baan bij de Gestapo en spoedig daarna bij de Sicherheitsdienst (SD). Vanaf 1936 was hij opnieuw lid van de NSDAP en ook van de SS. In 1940 was hij als reserve-luitenant van de Luftwaffe betrokken bij de Slag om Frankrijk. Daarna werd hij luitenant-kolonel van politie. Van begin 1941 tot midden 1943 was hij Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD in het Poolse Generaal-Gouvernement. In juli 1941 leidde hij een Einsatzkommando zur besonderen Verfügung (onderdeel van de zogeheten Einsatzgruppen), die in Lemberg verantwoordelijk was voor de moord op zeker twintig professoren en anderen medewerkers van de universiteit. Een actie die onderdeel was van een campagne van de nazi’s om de Joodse en Poolse intellectuele elite uit te roeien. (meer…)

KOLONIËN ITALIË 6

Kos 1912Italië had al direct na de stichting van de staat koloniale ambities, om in de paste lopen met de andere Europese landen. Bij het Congres van Berlijn (1878) lieten de Italianen al weten dat ze bij de opdeling van het Osmaanse Rijk graag het eiland Rodos en de andere eilanden van de Dodekanesos voor zichzelf opeisten. Ook keek men al met een begerig oog naar de provincie Albanië. De prille staat kon op dat moment die ambities niet realiseren. Meer succes had men tijdens de Koloniale Conferentie van Berlijn (november 1884 – februari 1885), waar veertien Europese landen en de Verenigde Staten onbeschaamd Afrika verdeelden. Italië kreeg Somalië-Eritrea en Libië toebedeeld, wat eigenlijk een teleurstelling voor hen was, omdat men vooral belangstelling had voor Tunesië. Daar waren in 1881 de Fransen hen echter te slim af geweest, waarna de interesse verschoof naar de Osmaanse provincies Cyrenaica, Tripolitanië en Fezzan. In 1902 sloten Italië en Frankrijk een overeenkomst, waarmee Italië de vrije hand kreeg in die drie provincies, terwijl Frankrijk de vrijheid kreeg in Marokko. In 1911 werd Marokko een Frans protectoraat en begon Italië met de verovering van Libië. De Italianen wilden van de zwakte van de Osmanen ook gebruikmaken door haar oude ambities in de Balkan en het oostelijk deel van de Middellandse Zee te realiseren. Op 25 september 1911 verklaarde Italië de oorlog aan het Ottomaanse Rijk.

De Italiaanse-Turkse Oorlog begon op 29 september 1911 en eindigde op 18 oktober 1912. De oorlog staat ook bekend als de Tripolitaanse Oorlog of als Italiaanse verovering van Libië, want daar lag de kern van de oorlog. Hoewel de Italianen vele malen sterker waren dan de Osmaanse Turken, die nog volop bezig waren met de modernisering van hun leger, wisten de Osmaanse legers met de hulp van Libische stammen onverwacht veel weerstand te bieden. Vanwege de moeizame oorlog in Libië, zochten de Italianen daarop steun op de Balkan. Daar stonden de Bulgaren, Grieken, Serven en Montenegrijnen in een gezamenlijke liga klaar om de wapens op te nemen tegen hun overheersers. Op 13 maart 1912 kwamen deze vier christelijke volken in opstand, wat in 1912-1913 zo leiden tot de Eerste Balkanoorlog.

(meer…)

ALBERT KEUTER (61)

Albert Keuter (Blokzijl, 7 januari 1892 – Bergen-Belsen, 10 maart 1945) was eerst predikant geweest in Oost- en West Graftdijk (1917), Twisk en Medemblik (1920) en Akkrum (1925), voordat hij predikant werd bij het Doopsgezinde Broederschap in Den Haag. Tot die dorpsgezinde gemeente behoorden ook de honorair consul van Finland A.J.Th. van der Vlugt en Lambertus Neher (Amsterdam, 13 september 1889 – Voorst, 22 augustus 1967), die vanaf 1935 directeur van het Haagse telefoniebedrijf. Hij werd in 1943 door de Duitsers ontslagen omdat hij zich actief ingezette bij een ambtenarenactie tegen de verplichte Arbeitseinsatz. Onder de verzetsnaam Dijkstra was Neher actief in het verzet. Als lid van het Nationaal Comité van Verzet zorgde hij voor de coördinatie van het inlichtingenwerk verzorgde. Voor de Ordedienst zette Neher een uitgebreid illegaal telefoonnet op en samen met Herman Jan van Aalderen zette hij een geheim telefoonnetwerk op via het seinwezen van de Nederlandse Spoorwegen. In de zomer van 1944 werd hij lid van de Contactcommissie van de Groote Advies-Commissie der Illegaliteit en ook was hij lid van het College van Vertrouwensmannen, die vanuit Londen werd opgezet.

In Den Haag werkte Keuter nauw samen met ir. Casper ter Galestin, die ook lokale verzetsgroep van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) leidde. Ook zijn zoon Barend Klaas (‘Jons’) was lid van deze verzetsgroep Ter Galestin die zich bezig hield met de coördinatie van de hulpacties voor bemanningen van neergeschoten geallieerde vliegtuigen. Elke week werden neergeschoten Britse piloten uit Friesland gesmokkeld. Dit gevaarlijke werk combineerde Keuter met het onderbrengen van joden en met zijn taak in de gemeente. Op 2 januari 1944 preekte hij met de tekst ‘Sta op en ga uit’, een felle aanklacht tegen de bezetter.

(meer…)

KAREL DERKZEN VAN ANGEREN (60)

Karel Hendrik Derkzen van Angeren (Hof van Delft, 2 februari 1903 – Keulen, 25 november 1943) was de zoon van Antoon Derkzen van Angeren (Delft, 21 april 1878 – Bedford (Canada), 14 juni 1961), een Nederlands etser, graficus, kunstschilder en van 1917 tot 1943 docent aan Academie voor Beeldende Kunsten te Rotterdam. Hij wordt gezien als grondlegger en nestor van de Rotterdamse grafiek. In 1952 emigreerde hij met zijn vrouw naar Canada. Toen de oorlog uitbrak was Karel Derkzen van Angeren de procuratiehouder bij Quick Dispatch in Antwerpen, een bedrijf dat was gespecialiseerd in de overslag van bulkgoederen. Het bedrijf was eigendom van Henk van Dulken en zijn zoon Frans, die met Anna Maria Swarttouw was getrouwd. Henk van Dulken was in Antwerpen ook de voorzitter van de Nederlandsche Vereeniging. Een latere telg van de Swarttouw-dynastie was Frans Swarttouw (Den Haag, 15 december 1932 – Amsterdam, 3 februari 1997) die eind twintigste eeuw probeerde vliegtuigbouwer Fokker van de ondergang te redden en voor de Rotterdamse havens de overgang naar containervervoer stimuleerde.

Tijdens de meidagen van 1940 stelde Derkzen van Angeren zich met zijn auto ter beschikking van de Koninklijke Landmacht.
In december 1941 werd Derkzen door C.L. Kist gerekruteerd om inlichtingen in te winnen over Duitse vliegvelden en munitiedepots. Dat was binnen het spionagenetwerk van majoor J. de Mascureau, die onder de schuilnaam Roger le Saule opereerde. Die was in 1939-1940 de Franse militair attaché in Den Haag geweest en had toen Jan Somer (Assen 22 oktober 1899 – Bussum, 3 april 1979) leren kennen, een Nederlands militair die eerst bij de KNIL in Nederlands-Indië had gediend en vanaf 1928 als leraar was verbonden aan de KMA in Breda. (meer…)

IK ZAL HANDHAVEN


De Leidse verzetsgroep ‘Ik zal handhaven’ bestond vooral uit studenten en was actief in spionage- en sabotageacties. Van 1 oktober 1940 tot en met 1 december 1943 gaven zij het illegale blad ‘Ik zal handhaven’ uit, dat praktische aanwijzingen bevatte voor de techniek en tactiek van het openlijk verzet, vooral bestemd voor personen die direct met de bezettingsautoriteiten te maken hadden, zoals ambtenaren. De betrokkenen waren onder meer de studenten drs. J .F. van Walsem, een chemicus en de vermoedelijke oprichter, H. ’t Hart, D.A.E. de Loos, F.N.F. van der Schrieck en de officieren C.L. Kist en Sj. Nauta en de cadet-vaandrig A.C.L. de Klerck. Deze aspirant-officieren hadden hun toevlucht gezocht bij de Leidse universiteit.
Het blad verscheen in Leiden van de herfst in 1940 tot december 1943 een tijdje regelmatig (maandelijks) in een oplage van 500 stuks, maar na de herfst van 1941 werd de uitgave onregelmatig. Het waren stencils waarvan de inhoud voornamelijk bestond uit binnenlandse berichten, humor en opinieartikelen. De exemplaren werden ook onder de Duitse Weermacht verspreid. Rond september 1941 werd door de redactie een lijst opgesteld van verraderlijke en onbetrouwbare officieren, studenten en dames uit deze kringen. Deze lijst werd in een oplage van 1000 exemplaren verspreid en later vele malen aangevuld en opnieuw vermenigvuldigd.

(meer…)

LOUIS KIST

Cornelis Louis Kist (Bandoeng, 19 juli 1916 – Leusden, 24 juni 1943) was een 2e luitenant van de infanterie KNIL, die op 26-jarige leeftijd op de Leusderheide werd gefusilleerd. Met hem werden daar zeven andere verzetsmannen door de Duitsers vermoord. Dat waren Johannes Hendricus van Dongen (05-11-1916), chemicus Johannes Hovenkamp (16-10-1913), militair Adriaan Cornelis Laurens Klerck (21-06-1917) en militair Cornelis Spaans (14-07-1922), die op 6 augustus 1942 betrokken waren bij de liquidatie van verrader Izak Anthonie Daane bij Schipborg in Drenthe. Verder stratenmaker Henri Pieter Drenth (20-10-1917), monteur Willem Hendrik ’t Hart (27-10-1916) en militair Adriaan Cornelis Laurens Klerck (21-06-1917), die lid waren van de Zeeuwse verzetsgroep Van Beest, die samen met enkele andere leden van deze verzetsgroep hadden deelgenomen aan de aanslag op de verrader Gerard Stellbrink op 14 oktober 1941 in Haarlem. Louis Kist werd na de oorlog postuum onderscheiden met de Bronzen Leeuw, een onderscheiding die op 30 maart 1944 bij Koninklijk Besluit werd ingesteld en kon worden toegekend aan Nederlandse militairen die zich in de strijd tegenover de vijand door het bedrijven van bijzonder moedige en beleidvolle daden hadden onderscheiden. De Nederlandse Oorlogsgravenstichting plaatste op haar website onderstaand artikel over Louis Kist.

(meer…)

EDZARD BOSCH VAN ROSENTHAL (59)

Edzard Jacob Bosch ridder van Rosenthal (Dordrecht, 27 mei 1892 – Almen, 2 april 1945) was een telg uit het geslacht Van Rosenthal, die vermoedelijk uit Wesel stamde en waarvan Hans Heinrich Conrrad von Rosenthal (1762-1822) in 1787 met hert Pruisische leger naar Nederland kwamen. Hij huwde in 1790 met Louisa Anna Bosch, dochter uit een Culemborgse familie. Sindsdien voerde deze Nederlandse tak van de familie de naam Bosch van Rosenthal. Twee van hun zonen werden in 1834 en 1843 ingelijfd in de Nederlandse adel. De mannelijke leden mogen de titel ridder voeren; de vrouwelijke leden jonkvrouw.

Edzard Bosch van Rosenthal was watergraaf van het Waterschap De Berkel in Oost-Gelderland. Het waterschap was in 1882 door de Provinciale Staten van Gelderland opgericht voor het waterbeheer van de rivieren de Berkel en de Groenlose Slinge. Het waterschap is in 1997 opgegaan in het Waterschap Rijn en IJssel. De Berkel ontspringt in Duitsland ontspringt, stroomt door de Achterhoek en mondt bij Zutphen in de IJssel. De Groenlose Slinge is een laaglandbeek die ontspringt achter Winterswijk en mondt tussen Lochem en Borculo uit in de Berkel. Hij woonde in Huis Den Dam te Eefde, een monumentaal landhuis dat vroeger een van de 36 erkende havezaten in het kwartier Zutphen was. Het is sinds 2015 een rijksmonument. Zijn broer L.H.N. Bosch van Rosenthal was de Commissaris der Koningin in de provincie Utrecht en sinds 1944 voorzitter van het College van Vertrouwensmannen, dat door het kabinet-Gerbrandy I was ingesteld om vanaf de bevrijding tot de terugkeer van de regering in Nederland als haar vertegenwoordiger op te treden en zo te voorkomen dat er tijdelijk een gezagsvacuüm zou ontstaan. De door de regering aangewezen leden uit het bezet gebied waren voormalige politici en vertegenwoordigers van het verzet.

(meer…)

ROELOF JAN DAM (58)

Roelof Jan Dam (Barneveld, 18 november 1896 – Assen, 10 april 1945) studeerde in 1922 af toen hij al twee jaar docent klassieke talen aan het gereformeerde gymnasium in Kampen was. Van 1925-1930 gaf hij les op het christelijke lyceum in Zutphen, waarna hij weer terugkeerde naar Kampen als rector. In dat voormalige lyceum in nu een zaal naar hem genoemd, de Dr. R..J. Damzaal. Dat jaar behaalde hij cum laude zijn doctorsgraad aan de rijksuniversiteit in Utrecht. Dam was zeer calvinistisch en rechtlijnig. Hij was ouderling van de gereformeerde kerk in Kampen en was een volgeling van Klaas Schilder en volgde hem in de Vrijmaking in augustus 1944.

Hij kwam al vroeg in verzet tegen het nationaalsocialisme. In 1940 woonde hij bijeenkomsten bij van de Lutherse Kring en als lid van de Anti-Revolutionaire Partij ARP) had hij contact prof. Mr. Victor Henri Rutgers (‘s-Hertogenbosch, 16 december 1877 – Bochum, 5 februari 1945), een advocaat, ARP-Tweede Kamerlid, vooraanstaand lid van de Gereformeerde Kerken en kortstondig minister van Onderwijs in het eerste kabinet-Colijn. Hij was in de jaren 1933-1934 en 1940-1942 rector van de Vrije Universiteit. Rutgers was fel anti-Duits en zat vanwege zijn rol in het verzet in oktober-november 1940 enkele weken vast. In april 1943 werd hij opnieuw gearresteerd, toen op verdenking lid te zijn van het Groot Burger Comité, dat voorlichting en adviezen gaf aan de regering in Londen en maatregelen voorbereidde voor het geval er in ons land een gezagsvacuüm zou ontstaan. Aan de werkzaamheden van het comité kwam een einde, toen begin april 1943 alle leden door toedoen van de V-Mann Van der Waals werden gearresteerd. Begin september 1943 werd Rutgers weer vrij gelaten. Op 26 april 1944 probeerde hij vergeefs in een gammel bootje naar Engeland te gaan. Hij kreeg een straf van twee jaar tuchthuis en overleed vlak voor de bevrijding in de gevangenis van Bochum. Een ander vooraanstaand ARP-lid waarmee Dam contact had en die zijn deelname aan het verzet beïnvloedde was dr. Dr. Sieuwert Bruins Slot, die later van 1956 tot 1963 de Tweede Kamerfractie van de ARP zou leiden. In de oorlog nam hij ontslag als burgemeester en speelde in het verzet een belangrijke rol bij het illegale Trouw, waar hij na de oorlog als hoofdredacteur aan verbonden bleef.

(meer…)

STRIJDEND NEDERLAND

De historica Lydia Winkel (Semarang, 4 mei 1913 – Guignes, 12 april 1964) schreef in 1954 het standaardwerk ‘De ondergrondse pers 1940-1945’. In de jaren 1941-1942 was zij betrokken bij het verzetsblad Vrij Nederland. In die periode kwam ze in contact met prof. N.W. Posthumus, die haar vroeg om mee te helpen bij het verzamelen en bewaren van Nederlandse illegale bladen en pamfletten uit de Tweede Wereldoorlog. Daardoor kwam Winkel direct na de bevrijding als eerste medewerkster in dienst van het toenmalige Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Ze bracht een imposante collectie van illegale bladen en pamfletten bijeen. Van 1176 titels (zowel bladen als pamfletten) had ze één of alle uitgaven achterhaald, maar ook steeds zoveel mogelijk feiten bijeen gesprokkeld omtrent het ontstaan en de verdere geschiedenis van de titels. Tijdens het schrijven van het boek kwamen er nog 14 titels bij. In een herziene uitgave in 1989 was het aantal illegale publicaties gestegen van 1190 naar bijna 1300 titels. Een van die 1.300 titels is Strijdend Nederland; het contact met de vrije wereld, dat vanaf 1 augustus 1943 tot 17 april 1945 in Kampen werd uitgegeven, drie keer per week en in een oplage tussen de 14 en 600 exemplaren. Initiatiefnemer voor het blad was Roelof Jan Dam, rector van het Gereformeerd Gymnasium van Kampen en vertegenwoordiger van de verzetskrant Trouw voor de vier noordelijke provinciën.

(meer…)

DIRK ARIE VAN DEN BOSCH (57)


Dirk Arie van den Bosch (Hazerswoude, 23 oktober 1884 – Amersfoort, 20 maart 1942) was de zoon van een veeboer. Het nakomertje in het gezin heeft echter weinig affiniteit met het boerenbestaan. In hervormde kring omschreef men dat als volgt: ’Als kind kent hij al het verlangen om in Gods wijngaard werkzaam te zijn’. Hij kreeg op school bijles om hem klaar te stomen voor het gymnasium in Leiden. In Leiden ging hij ook theologie studeren. Op 4 september 1910 werd hij als predikant bevestigd in Nieuw-Vennep, nadat hij in het huwelijk was getreden met Catrien Fortgens, de dochter van zijn leermeester in Hazerswoude. In 1914ging hij naar het Groningse Stedum. Twee jaar later aanvaardde hij een betrekking in Den Haag, tot diepe teleurstelling van de Stedumers. Een ervan verwoordde zijn teleurstelling: ‘Ik mag lijden dat hij met zijn hele verhuisboel de gracht inrijdt.’ In Den Haag kreeg hij de verantwoordelijkheid voor een wijk met 11.000 adressen en zo’n 20.000 zielen. In korte tijd maakte hij naam als bewogen prediker, trouw pastor en begaafd spreker. Het leverde hem de bijnaam ‘de Haagse Spurgeon’ op, een verwijzing naar de 19e-eeuwse Engelse baptistenpredikant Charles Haddon Spurgeon (Kelvedon, 19 juni 1834 – Menton, Frankrijk, 31 januari 1892) die een grote reputatie had binnen de protestante kerk. Duizenden kwamen af op de preken van Van den Bosch, waarin hij van leer trok tegen het nazisme en de Jodenvervolging in Duitsland. Zoals veel mensen uit de christelijke wereld had hij een grote afkeer van het nationaalsocialisme. Scherp veroordeelde hij de Jodenvervolging in Duitsland. Meermalen sprak hij op toogdagen van Elim, de Nederlandsche Vereeniging voor Zending onder Israël. Op 26 juni 1940, anderhalve maand na de inval van de Duitsers, opende de moedige predikant in Den Haag een zendingshuis voor Joden, die onder Elim wordt geplaatst. Begin 1941 wordt het pand door de Duitsers in beslag genomen en leeggeroofd. Op dat moment zit Van den Bosch al in hechtenis.

(meer…)

LUDO BLEYS (56)

Pater Ludovicus Adrianus Bleys werd op 17 oktober 1906 geboren in de Tilburgse wijk Veldhoven in het gezin van schoenmaker Adrianus Bleijs en Joanna Maria Meijers. Om onduidelijke redenen is zijn naam later gewijzigd in Bleys. Hij werd op 30 mei 1931 tot priester gewijd en was onder andere pater-kapelaan in de Kapel in ’t Zand naast het redemptoristenklooster in Roermond. De Congregatie van de Allerheiligste Verlosser (Congregatio Sanctissimi Redemptoris, C.Ss.R.) is een katholieke congregatie, meestal de redemptoristen genoemd, die een sterk christocentrische spiritualiteit hebben en erg zijn gericht op retraites, deels in eigen retraitehuizen, deels in volksmissies en vastenprediking. In de oorlog was hij onder de verzetsnaam Lodewijk actief op allerlei fronten en betrok vele jonge mensen bij zijn verzetsactiviteiten. Hij was vanaf het begin tegenstander van de gelijkschakeling met de Duitse opvattingen en methoden en werd lid van de Nederlandsche Unie omdat hij in deze beweging een mogelijkheid zag zich af te zetten tegen het nationaalsocialisme. Toen in Limburg onder leiding van reserve-generaal-majoor b.d. J.R.L. Jans de Ordedienst (OD) actief werd, werd Bleys belast met de geestelijke verzorging. Hij was de raadsman van iedereen die onder de verplichtingen van de arbeidsdienst vielen. Zijn bemoeienissen hadden tot gevolg dat hij zich moest verantwoorden bij de procureur-generaal in ‘s-Hertogenbosch, maar daar wist hij zich vrij te pleiten. Hij was later in zijn woonplaats Roermond een van de oprichters van de Limburgse Onderduikorganisatie (LO), die eind 1943 onderdeel werd van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). De Venlose onderwijzer Jan Hendrikx werd hun regionale vertegenwoordiger. Nadat de LO was gedwongen zich te reorganiseren, was Hendrikx ook lid van de zgn. Landelijke Top. Pater Bleys had contact met Jan Hendrix en stond ook in voortdurend contact met drs. J.L. Moonen, de secretaris van de bisschop van Roermond.

(meer…)

HENK BEERNINK (55)

Henk Beernink (Hendrikus Dirk Jan) (Lichtenvoorde, 3 februari 1910 – Zwolle, 8 februari 1945) woonde van januari 1932 tot eind november 1933 in Oldenzaal. Hij was toen leerling machinist bij de Nederlandse Spoorwegen. Hij was in de kost bij de wed. G. Kuijers aan de Julianastraat 51, later bij G. T. Derksen een paar huizen verderop. Daarna vertrok hij weer naar zijn ouders en zus in Winterswijk. In Mei 1938 trouwde hij met Riek te Riet, een jaar later verhuisden ze naar de Harculostraat 6 te Zwolle, waar in april 1940 hun dochtertje Rineke (Renée) werd geboren. Hij was inmiddels telegraafwerker bij de Nederlandse Spoorwegen. Op 8 februari 1947 zou de Harculostraat naar hem worden vernoemd. Hij was eerste telegraafwerker bij de Nederlandse Spoorwegen te Zwolle en gaf les aan aankomende technici bij de spoorwegen. In het eenvoudige milieu waarin hij opgroeide gold een technische basisopleiding als het hoogst haalbare. Hij had grote belangstelling voor geschiedenis en genealogie, was politiek liberaal georiënteerd en Nederlands-hervormd van gezindte. Niet bijzonder kerks, maar wel religieus geïnspireerd in zijn kijk hoe je met mensen omging. Beernink stond bekend als een wat introverte man, niet altijd even makkelijk in de omgang, maar wel erg wel toegankelijk. En zeer sociaal iemand, bij wie ‘alles kon’. Er was bij hert gezin Beerninks altijd volk over de vloer, zowel overdag als ’s nachts. Het was een voortdurend komen en gaan van mensen, plotselinge eters en slapers. De drukte, rommel en vuile schoenen maakte Henk en zijn vrouw niets uit.

(meer…)

KOLONIËN ITALIË 5

Op 1 maart 1911 begonnen de Italiaanse Nationalistische Vereniging een wekelijkse krant, L’Idea Nazionale. De verschijningsdatum 1 maart was niet toevallig, maar werd gekozen vanwege de 15e verjaardag van de voor Italië verpletterende nederlaag in de Slag bij Adwa. Italië had in de jaren 1885-1890 de Afrikaanse gebieden Eritrea en Somalië veroverd en zocht daarna uitbreiding naar het buurland Ethiopië. Keizer Menelik II van Ethiopië was hier zeer fel tegen, maar stemde ermee in om een verdrag met Italië te sluiten. Hij droeg een aantal gebieden van Ethiopië aan Italië over in ruil voor de verzekering dat Ethiopië onafhankelijkheid zou blijven en van Italië financiële en militaire hulp kreeg. Op 2 mei 1889 tekenden koning Menelik II van Shewa (later de keizer van Ethiopië) en Graaf Pietro Antonelli van Italië in het kleine Ethiopische stadje Wuchale het Verdrag van Wuchale, waarmee enerzijds de Italiaanse bezetting van Eritrea werd erkend en anderzijds de vriendschap en handel tussen Italië en Ethiopië werd vastgelegd. Het doel was een langdurige, vreedzame onderlinge relatie op te bouwen, maar door kleine verschillen in de Italiaanse en Amhaarse versie van het verdrag ontstond er al snel een conflict tussen beide landen. De Italiaans versie verklaarde dat Ethiopië verplicht was alle buitenlandse zaken via Italiaanse autoriteiten te regelen, waardoor Ethiopië in feite een Italiaans protectoraat werd. De Amhaarse versie gaf Ethiopië aanzienlijke autonomie, met de mogelijkheid om via de Italianen met derde mogendheden te communiceren. Dit verschil leidde ertoe dat Menelik II in 1893 het verdrag opzegde. De Italianen wilden via oorlog alsnog hun gelijk af te dwingen, maar de Eerste Italiaans-Ethiopische Oorlog (1895-1896) eindigde voor hen in een nederlaag. In 1895 haalden Italiaanse troepen vanuit Eritrea voortgang, maar al snel worden ze door Ethiopische troepen gestopt. Die vielen daarna de Italiaanse posities aan en zorgde ervoor dat de Italianen het belegerde fort Mekele moesten opgeven. De Italiaanse nederlaag kwam daarna tot stand bij de Slag bij Adwa, waar het Ethiopische leger de zwaar in de minderheid zijnde Italiaanse soldaten en Eritreeërs versloegen en dwongen tot een smadelijke terugtocht naar Eritrea. De Ethiopiërs hadden hun wapens geleverd gekregen door Drankrijk en Rusland. Sommige Eritreeërs, die door de Ethiopiërs als verraders werden beschouwd, werden gevangengenomen en verminkt. De oorlog eindigde op 23 oktober 1896 formeel met de Verdrag van Addis Abeba, waarmee het Verdrag van Wuchale nietig werd verklaard en Ethiopië als een onafhankelijk land werd erkend. Aansluitend sloten ook Frankrijk (januari 1897) en Groot-Brittannië (mei 18970 verdragen met Ethiopië. Het was de eerste overwinning van Afrikaanse troepen op een Europese koloniale macht, waardoor deze oorlog het symbool werd van panafrikanisme. In 1936 veroverde de Italianen Ethiopië alsnog, maar daarover later meer.

(meer…)

DE ORDEDIENST 3

In de periode november 1941- september 1942 waren de Duitsers er op uit om de Ordedienst volledig uit te schakelen, want ze veronderstelde dat het een bewapende strijdgroep was, die niet alleen de Engelsen kon helpen om Duitsland aan te vallen, maar ook al eerder tot sabotage, inlichtingenwerk en andere vormen van daadwerkelijk verzet kon overgaan. Had de organisatie niet een militaire structuur met commandanten, leden door het hele land en een schriftelijk plan met richtlijnen voor het handelen? Het gevolg was een grote arrestatiegolf,wat niet alleen het resultaat was van hardnekkige vervolging door de Duitse bezetter, maar ook van onvoorzichtigheid, van informatie uit eerdere verhoren, van pure pech én van verraad. De organisatie was namelijk geïnfiltreerd door ‘vertrouwensmannen’ die voor de Duitsers werkten zoals Mozes Brandon Bravo, Engelbertus Brune, Johnny de Droog, George Ridderhof en Anton van der Waals. De Sicherheitspolizei kreeg bovendien hulp van twee Haagse politiemannen, Leo Poos en Marten Slagter, die betrokken waren bij arrestaties en verhoren van personen die in het verzet zaten. 

Terwijl in april 1942 het Eerste OD-proces tegen leden van de Ordedienst, de Mekel-groep en de Schoemaker-groep door de Sicherheitsdienst lopend was, werd door dezelfde Duitse dienst het Tweede OD-proces al voorbereid. Op dat moment zaten namelijk in de gevangenis van het ‘Oranjehotel’ te Scheveningen zo’n driehonderd gearresteerde leden van de Ordedienst, waarvan er uiteindelijk ongeveer honderd ‘Todeskandidaten’ werden uitgezocht om voor de rechtbank te verschijnen. Een Todeskandidat was onder het nazi-regime een gevangene die op een lijst stond om als represaille voor een aanslag van het verzet gefusilleerd te worden. De fusillades vonden meestal plaats nabij de plek waar de aanslag had plaatsgevonden. Ter voorbereiding op de nieuw rechtszaak werden in het najaar van 1942 de beklaagden uit de gevangenissen/kampen van Scheveningen, Amersfoort en Vught overgebracht naar Kamp Haaren gebracht. Polizei- und Untersuchungsgefängnis Lager Haaren, zoals de Duitsers het noemden, was gevestigd in het grootseminarie Haarendael in Oisterwijk (Noord-Brabant) en functioneerde van 8 december 1941 tot 5 september 1944 als gijzelaarskamp en huis van bewaring in gebruik Voor de Sicherheitsdienst. Van 8 december 1941 tot 1 februari 1944 had SS-Obersturmführer Heinrich Wacker de leiding over de gevangenen, die enerzijds bestond uit personen die gegijzeld waren en anderzijds uit personen die Grenzübertritt (verzetsmensen, Nederlandse agenten die vanuit Engeland gedropt waren, piloten, parachutisten, ontsnapte gevangenen en onderduikers). Op Dolle Dinsdag (5 september 1944) werd het kamp ontruimd en werden de gevangenen naar Kamp Vught gebracht. Gijzelaars zonder papieren werden vrijgelaten. De resterende 2800 mannen werden naar Sachsenhausen gedeporteerd; 650 vrouwen werden naar Ravensbrück gebracht. In het gebouw van het grootseminarie in Haaren zaten tussen 13 juli 1942 en begin 1943 ongeveer 600 min of meer bekende Nederlanders, waaronder de latere minister-president Jan de Quay, de reder Willem Ruys, de latere hoge Brusselse ambtenaar Max Kohnstamm, de schrijver Jan Campert, de componist Hendrik Andriessen, de concertpianist Willem Andriessen, de goochelaar Henri Nolles, de cabaretier Lou Bandy en Jan Goudriaan (president-directeur van de Nederlandse Spoorwegen). Onder de gijzelaars waren 150 leiders van ondernemingen, 133 mensen uit de vrije beroepen, 60 hoogleraren, leraren en onderwijzers, 103 ambtenaren, 60 geestelijken, 3 vakbondsleiders en 5 studenten. Tweemaal, op 15 augustus 1942 en op 16 oktober 1942, werden er (totaal 85) gijzelaars uit Haaren gefusilleerd. (meer…)

OCHTENDBEZOEK EN AVONDWANDELING (4)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (76)
EERDERE AFLEVERINGEN

‘Bout,’ was het antwoord van den binnengekomene. ‘Lui beest, legje nog al op je bed?’
‘Hei, hei wat,’ antwoordde Van der Hoogen, ‘’t is pas dag. Je moet bedenken dat ik zes dagen van de week voor dag en dauw op moet. Dat verhaal ik op den rustdag, man! D….rs, ik heb koppijn, hoor! Die wijn op de sociëteit is slecht.’
Er volgde een gesprek daar ik niet alles van verstond, maar wel merkte ik, dat het op het laatst over iemand liep, die zij, ‘het zwartje’ noemden; en spoedig daarop werd het Hildebrand duidelijk, dat Van der Hoogen zijn wedervaren met juffrouw Noiret vertelde, waarvan de herinnering hem zoo veel genoegen scheen te verschaffen, dat hij in een geweldig lachen uitborst.
‘Alles goed en wel!’ zei daarop de persoon, dien Hildebrand met den naam van Bout had horen benoemen, en die een zeer rauw en onaangenaam geluid sloeg, ‘alles goed en wel! maar je bent toch een handjegauw.
Waarom nu niet nog een beetje gewacht, totdat de jongen goed en wel in de West is?’
‘Boutje!’ antwoordde Van der Hoogen, die in dit gezelschap zijn lievelingsterm charmant voor een minder onschuldigen scheen te moeten verwisselen, ‘het zwartje is zoo verd… mooi.’
‘Kinderachtig!’ hernam de ander; ‘een reden te meer om geduld te hebben. Ik heb uit louter vriendschap voor jou een half jaar geijverd om den schimmelbek zin in de West te doen krijgen, en nu het eindelijk lukken zal, ga je met je eigen drieguldens je glazen ingooien. Als de meid het immers vertelt, hebje gedaan.’ (meer…)

WILLEM HERTLY / GERARD VINKESTEIJN

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Twee van de zeventien terechtgestelden waren:

Willem Hendrik Hertly (Engwierum/Oostdongeradeel, 2 januari 1891) was hoofdambtenaar bij het Gemeentelijk Electriciteits Bedrijf te Den Haag en was getrouwd met Frederika Rauws (Den Haag, 14 september 1887). Hij was actief betrokken bij het verzet van de Ordedienst, waarbij hij samenwerkte met Jan Velu (Malang, 29 juni 1882 – Sonnenburg, 31 mei 1944). Velu was een luitenant-kolonel van het KNIL, die tegelijk met Hertly door verraad op 25 juli 1942 werd gearresteerd en onder andere werd opgesloten in de kampen Vught en Haaren. Uiteindelijk kwam hij als Nacht und Nebel-gevangene om in het KZ-Aussenkommandi Sonnenburg, een buitenkamp van Buchenwald, waar krijgsgevangenen dwangarbeid moesten verrichten voor de Thüringer Zahnradwerke mbH Sonneberg, een dochteronderneming van Maschinenfabrik G. E. Reinhardt uit Leipzig. Hij stierf daar op 31 mei 1944 aan de ontberingen. Hertly stond bij het Tweede OD-proces terecht, werd door het Feldgericht des kommandierenden Generals und Befehlhabers im Luftgau Holland ter dood worden veroordeeld vanwege spionage, sabotage en wapenbezit en op 29 juli 1943 op de Leusderheide worden geëxecuteerd. Hertly ligt begraven op de Algemene Begraafplaats Rusthof te Amersfoort. Postuum is hem het Verzetsherdenkingskruis verleend. Er is van hem gen foto bewaard gebleven, slechts de overlijdensadvertentie.

Gerardus Joannes Franciscus Vinkesteijn (Schiedam, 22 maart 1907) was een binnenhuisarchitect te Wassenaar. Hij was voor de oorlog al lang bevriend met de Engelandvaarder Chris Krediet en sinds 1940 met Adriën Moonen, met wie hij ook deelnam aan activiteiten van de Ordedienst. Vinkesteijn stelde zijn huis ter beschikking voor het verzet en probeerde geld bij elkaar te brengen om voortvluchtige mensen te helpen. Op 5 januari 1942 probeerde hij naar Engeland te gaan, maar werd vier dagen later in de trein opgepakt. Vinkesteijn stond terecht bij het Tweede OD-proces, werd door het Feldgericht des kommandierenden Generals und Befehlhabers im Luftgau Holland ter dood worden veroordeeld vanwege spionage, sabotage en wapenbezit en werd op 29 juli 1943 op de Leusderheide worden geëxecuteerd. Voor de executie schreef hij een klein berichtje: ‘Gun me mijn onmetelbaar geluk.Ik zie dankbaar terug op mijn leven, dat soms streng,maar dikwijls ook ontstellend mild voor me is geweest. Mag Marie mijn rozenkrans hebben, hij is het die tot het laatst bij me was. Ik zal voor U bidden bij Gods troon en Uw zorgen aanbevelen. Adieu. Gerard‘. Aan zijn moeder liet de 36-jarige Vinkesteijn een langere brief na. Hij ligt begraven op de Algemene Begraafplaats Rusthof te Amersfoort, vak 12, rij C, nummer 146.

ADRIËN MOONEN

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Adrien Lambert Jacques Emile Marie Moonen, bijgenaamd “Broer” (Den Haag, 16 december 1914 – Amersfoort, 7 augustus 1943), was een Nederlands politieman en verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog. Hij trad op 1 mei 1936 als ambtenaar in opleiding in dienst van de Haagse gemeentepolitie. Op 1 april 1938 werd hij bevorderd tot adjunct-inspecteur. Gedurende de mobilisatie van 1939-1940 diende hij van 24 augustus 1939 tot 25 mei 1940 als reserve eerste luitenant bij het 6e Regiment veldartillerie. Na de mobilisatie hervatte hij zijn werk bij de gemeentepolitie. Op 15 september 1940 werd hij bevorderd tot inspecteur van politie 2e klasse. Na de Nederlandse capitulatie besloot Moonen in het verzet te gaan. Hij sloot zich aan bij de Ordedienst. Hij ving Engelse agenten op die in Nederland gedropt werden. Als inspecteur van politie kon hij zich in spertijd, de periode dat een gewone burger niet op straat mocht komen, vrijelijk bewegen. Bij zijn verzetswerk werkte Moonen samen met onder anderen Peter Tazelaar, die hij in contact bracht met Aart Alblas en Gerard Dogger. Hij zorgde er ook voor dat Johannes Terlaak een onderduikadres kreeg.
(meer…)

KOLONIËN ITALIË 4

Nadat de Ottomaanse troepen uit Libië waren weggetrokken, werd de strijd door de Libiërs voortgezet. Dit gebeurde onder aanvoering van de Libiër Omar Mukhtar, bijgenaamd de Leeuw van de woestijn. Hij voerde twintig jaar lang een guerrillaoorlog tegen de Italianen en werd in 1931 gevangengenomen. Hij was toen inmiddels al zeventig jaar oud, maar de Italianen beschouwden hem als een belangrijke en gevaarlijke gevangene, die zware kettingen om zijn armen en benen kreeg. Volgens zijn ondervragers las Omar Mukhtar op uit de Koran op de momenten dat hij werd gemarteld. Muktar werd door de bezetter na een kort showproces ter dood veroordeeld en op 16 september 1931 in Benghazi in het openbaar opgehangen. Tegenwoordig staat zijn beeltenis In Libië op het briefpapier van 10 Libische dinar. In 1981 kwam er de film Lion of the Desert uit over de laatste jaren van zijn leven, met onder anderen Anthony Quinn, Oliver Reed en Irene Papas. Er zijn ook overal straten naar hem vernoemd, niet alleen in Libië, maar ook in andere Arabische landen, want hij geldt als een voorbeeld voor moslims in onderdrukte gebieden.

(meer…)

KOLONIËN ITALIË 3

Italië was net als Duitsland pas laat in de 19e eeuw een eenheidstaat geworden, dus veel te laat om op koloniaal gebied nog echt een rol van betekenis te spelen. Wat beide landen er overigens niet van weerhield grote dromen te hebben. Bij de Koloniale Conferentie van Berlijn (november 1884-februari 1885) werd door veertien Europese landen en de Verenigde Staten onbeschaamd het Afrikaanse continent verdeeld. Groot-Brittannië en Frankrijk pikten het grootste deel van Afrika in, Duitsland kreeg Duits-Oost-Afrika, Namibië, Kameroen en Togo, België kreeg de begeerde vette kluif Congo, Portugal voegde Angola en Mozambique toe aan het koloniale rijk toe en Spanje bezette het zuiden van Marokko. En de Italianen mochten Libië, Somalië en Eritrea bezetten. Vanaf 1886 werden Somalië en Eritrea onmiddellijk door de Italianen bezet.

De bezetting van Libië liet aanmerkelijk langer op zich wachten. In 1882 had Italië met Duitsland en Oostenrijk-Hongarije een verdrag gesloten (de Triple Alliantie) met de afspraak dat ze elkaar zouden steunen indien een van hen door twee of meer grootmachten zou worden aangevallen. Het verdrag was vooral gericht tegen Frankrijk, dat in 1881 Tunesië had bezet. In haar expansiedromen naar de overkant van de Middellandse Zee hadden de Italianen nu juist Tunesië als eerste op het oog. De gespannen relatie met het militair aanzienlijk sterkere Frankrijk, plus de inspanningen vanwege de kolonisatie van Somalië en Eritrea zorgden ervoor dat de bezetting van Libië niet de hoogste prioriteit had. En verder was Libië natuurlijk nog steeds deel van het Ottomaanse Rijk, dat weliswaar in verval was maar nog altijd een geduchte tegenstander.

(meer…)

EDUARD ALEXANDER LATUPERISSA

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Eduard Alexander ‘Eddy’ Latuperisa (Koedoes, 9 april 1902), de kapitein van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) die bij het uitbreken van de oorlog in Den Haag woonde, is meteen zeer actief in het verzet. Hij maakt deel uit van de Ordedienst, een groep van voornamelijk militairen, die de basis wil vormen van een nieuwe Nederlandse krijgsmacht na de oorlog. Deze Ordedienst moest bestaan om ongeregeldheden te voorkomen, die kunnen ontstaan na de oorlog, na het vertrek van de Duitsers. Onvermijdelijk ontwikkelt de Ordedienst zich vrijwel meteen tot verzetsorganisatie. Men wil bijvoorbeeld militaire steun bieden bij geallieerde landingen. Al in het eerste oorlogsjaar worden spionage- en sabotage-activiteiten gesteund en ondernomen. Kapitein Latuperisa staat in Den Haag in direct contact met een van de hoofdfiguren van de Ordedienst, jonkheer Johan Schimmelpenninck. In opdracht van deze Schimmelpenninck organiseert hij onder meer bridgeavonden, die in feite zijn bedoeld om cadetten van de officiersopleiding en adelborsten (aspirant zeemachtofficieren) tot de Ordedienst toe te laten treden. Hij trachten ook om wapens en een wapenopslagplaats te regelen, met geld van Schimmelpenninck.

Als een briefje uit de gevangenis is gesmokkeld over het transport van een gevangene is het Latuperisa die bij Schimmelpenninck aandringt een vrachtwagen te regelen om de gevangene (de Indische Johan Nout) te bevrijden. Latuperisa is ook betrokken bij de poging van drie mannen (Peter Tazelaar, Wiadi Beckman en Frans Goedhart) om in de nacht van 17 op 18 januari 1942 vanaf Scheveningen naar Engeland te vluchten. De poging mislukt, Tazelaar ontkomt, de andere twee worden opgepakt. Ook Latuperisa wordt op 13 maart 1942 aangehouden, twee maanden na het voorval op het Scheveningse strand. De aanklacht tegen de KNIL-kapitein luidt: ‘Sabotage, Feindbegünstigung (hulp aan de vijand), politischer Bestätigung und Wortbruch.’ (meer…)

OCHTENDBEZOEK EN AVONDWANDELING (3)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (75)
EERDERE AFLEVERINGEN

Ondertussen was hij dagelijks voortgegaan met de jeugdige te bestormen, die hem waarschijnlijk wel niet liefhad, maar jong en onervaren zich aan hare behaagzucht overgaf en aan den prikkel van het romaneske, waartoe zij enige neiging toonde. Daarenboven kon men aan Van der Hoogen enige uiterlijke voorrechten niet ontzeggen. Het was nu tussen hen beiden een stille liefdeshistorie geworden, dat wil zeggen, zoo gevaarlijk als een liefdeshistorie zijn kan. Het biljet in den ruiker had dit voor mij boven allen twijfel verheven. Ondertussen had de charmante zich in het gebeurde met juffrouw Noiret aan mij vertoond als een lage dubbelhartige bedrieger en avontuurlijke lichtmis, die het op het geluk en de onschuld van onervarenen en weerlozen toelegde, en ik verachtte hem in het diepst van mijn ziel. Ik begreep dat het mijn plicht was jufvrouw Noiret tegen alle verdere lagen te beschermen, en Henriette, om een versleten leenspreuk te gebruiken, van den afgrond terug te leiden, op welks rand zij in zulk slecht gezelschap omdoolde.
Waar ik eindelijk toe besloot zal het volgende hoofdstuk leren.

          Een hoofdstuk waarmee de auteur ijselijk verlegen is,
omdat hij er zelf de
mooie rol in speelt; iets dat hij wel weet dat hem in ’t geheel niet past,
maar
dat hij toch voor ditmaal niet helpen kan

Hildebrand, die door een samenloop van omstandigheden bestemd was om in deze geschiedenis een handelend persoon te worden, stond den volgenden morgen een half uur vroeger dan de vorige dagen op en liep met een gewichtig gelaat en grote stappen de kamer op en neer, een beweging, die hij altijd aanneemt als hij over iets belangrijks of als hij over niets denken wil. Nu eens blikte hij veelbeduidend op naar de giftige pijlen aan den wand, dan weder overzag hij zijne heldhaftige houding in den spiegel, en eindelijk wijdde hij een groot gedeelte zijner aandacht aan de mussen, die in den tuin af en aan vlogen en elkander niet zelden onaangenaamheden toevoegden omtrent zekere kruimels en kleine korstjes brood, die reeds in dit vroege morgenuur hare hartstochten in beweging brachten. (meer…)

HENRI FRANÇOIS RIKKEN

Henri François Rikken (Paramaribo, 30 mei 1863 – Paramaribo, 17 mei 1908) was een Surinaams prozaschrijver. Hij werd een maand voor de afschaffing van de slavernij geboren. Zijn vader was Jacobus Henricus Rikken, een sergeant-fourier bij de militairen, en zijn moeder was de ‘kleurling’ Elisabeth Maria Jantke, die rond 1825 was geboren. Hij bezocht er tot zijn veertiende jaar de burgerschool van frater Eduard en gaf toen al zijn ogen en oren goed de kost om kennis van de natuur en de mensen van zijn land te vergaren. In 1877 werd de veertienjarige Rikken naar Nederland gestuurd om een priesteropleiding te volgen. Daar schreef hij onder andere voor de Katholieke Illustrator. In Nederland bracht hij talrijke uren door in de Koloniale Bibliotheek in Den Haag en in archieven van Nederland, op zoek naar kennis over de Surinaamse geschiedenis en de folklore van de slaventijd. Op 24 mei 1892 kwam hij terug aan in Suriname waar hij als redemptorist ging werken in Coronie, Para, Vierkinderen, Chattilon en Nickerie. Omdat het Surinaams zijn eigen taal was, die hij door studie nog grondiger leerde en omdat hij ook een uitstekend redenaar was, waren zijn preken zeer geliefd en druk bezocht. Hij organiseerde de missie onder de Chinezen, waartoe hij hun taal leerde, bestudeerde de geschiedenis en folklore van Surinamem, verdiepte zich in het Sranantongo (de taal der Creolen) en ten behoeve van de Antilliaanse gouddelvers en spoorwegwerkers in het Papiaments (de Portugese Creoolse taal). In totaal schreef hij drie historische romans die als feuilleton verschenen in dagbladen en tijdschriften. Hij schreef verder ook enkele korte verhalen. In 1901 publiceerde hij Tokosì of Het Indiaansch meisje. (meer…)

ADELE

Adele Laurie Blue Adkins beter bekend als Adele (Tottenham, Londen, 5 mei 1988) behoeft geen verdere introductie. De Britse popzangeres brak in 2008 door bij het grote publiek met haar album 19 (waarmee ze haar leeftijd op moment van uitgave aangaf, een methode die ze later consequent volhield) en singles als Chasing Pavements en Make You Feel My Love. In 2010 en 2011 had ze grote hits met Rolling in the Deep, Set Fire to the Rain en Someone Like You, afkomstig van haar tweede album 21. In 2012 schreef ze het nummer Skyfall voor de gelijknamige James Bondfilm. In 2015 kwam Adele haar langverwachte derde album 25 uit. De eerste single uit dit album was Hello, die wereldwijd meteen op nummer 1 stond. Op 14 februari 2011 trad Adele op in de Tiny Desk Concerts, waar ze met begeleiding van gitarist Ben Thomas en toetsenist Miles Robertson op indrukwekkende wijze drie van haar successen vertolkte: Someone Like You, Chasing Pavements en Rolling in the Deep.
Tiny Desk Concerts is een serie live-optredens in een boekwinkel in Washington DC, die door NPR Music en All Songs Consideredop video worden gezet. Het eerste concert was op maandagmorgen 22 april 2008 met folksinger Laura Gibson en de aanleiding was dat Bob Boilen en Stephen Thompson, de beide initiatiefnemers, teleurgesteld terugkwamen van een concert van Laura Gibson in een Bar, waar het zo rumoerig was dat ze de muziek amper konden horen. Ze concludeerden: ‘In a perfect world, there’d be no crowded bar shows or super-sized arena concerts. Musicians would come to your home for a private performance, or they’d show up at your office and play at your desk, easing you through the workday.’ Ze zetten dat idee direct om in werkelijkheid, een tijdje later speelde dezelfde Gibson voor een bescheiden publiek. De reeks dankt haar naam aan de voormalige psychedelische muziekband Tiny Desk Unit waarin Boilen in de zeventiger jaren speelde. Sindsdien zijn er meer dan 800 van dit soort Tiny Desk Concerts geweest,waarvan de meeste vele miljoenen malen zijn bekeken. Hert record staat op naam van rapper Anderson Paak van 22 augustus 2016 met momenteel 66 53 miljoen views. Vaak zijn het in Nederland totaal onbekende artiesten maar met regelmaat geven gerenommeerde artiesten een kort optreden, zoals Cat Stevens, The Civil Wars, Sting, Coldplay, Steve Earl, Richard Thompson, Jackson Brown en dus Adele. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 35

FRANS GOEDHART – TWEE VONNISSEN

Het communistische Arbeiders-Schrijverscollectief Links Richten gaf in de jaren 1932 en 1933 elf nummers van het gelijknamige tijdschrift. Uit nummer 3 van het blad is al eens de bijdrage ‘Leve de burgeroorlog’ van een verder totaal onbekende Johan Miera geplaatst, waarin de gezapige burgers worden gewaarschuwd voor de dreiging van het opkomende fascisme en nationaalsocialisme. In de eerste uitgave trof ik een stuk van Frans Goedhart, de Nederlandse verzetsman die al in juli 1940 een eerste illegale uitgave verzorgde, de Nieuwsbrief van Pieter ’t Hoen, waar hij hij de neutraliteitspolitiek in de dertiger jaren van alle respectievelijke regeringen onderuithaalde, nadat in mei 1940 de Duitsers op hardhandige wijze hadden laten zie dat het een waanidee was geweest dat Nederland zich voor een tweede maal afzijdig kon houden van een wereldoorlog.

In zijn bijdrage in 1932 in Links Richten houd Frans Goedhart, kersvers lid van de Communistische Partij Nederland en eindredacteur van hun huisorgaan De Tribune, een vlammend betoog, waarbij toch wel een aantal keren de wenkbrauwen werden gefronst en werd afgevraagd: ‘Waar gaat dit precies over?’ Eerst maar eens het verhaal Twee vonnissen, daarna de resultaten van het nodige gegoogle. (meer…)

SIEG VAZ DIAS

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Salomon Vaz Dias (Amsterdam, 1 juni 1904) was een Nederlands journalist, fotograaf en verzetsstrijder, die in de dagelijkse omgang door iedereen Sieg werd genoemd. Hij was de zoon van de kunsthandelaar Jacob de Salomon Vaz Dias en Hana Hamburger, die al voor de oorlog naar Groot-Brittannië waren geëmigreerd. Hij had één zus, Selma Vaz Dias (23 november 1911 — 30 augustus 1977), die ook in Amsterdam was geboren maar al op jonge leeftijd naar Groot-Brittannië was verhuisd en daar een carrière als actrice, schrijfster en schilderes opbouwde. Ze trad onder meer op in films van Alfred Hitchcock’s (The Lady Vanishes, 1938) en Michael Powell (One of Our Aircraft Is Missing, 1942), Ernest Morris (The Tell-Tale Heart, 1960). Verder zorgde ze dat het werk Good Morning, Midnight (1939) van de schrijfster Jean Rhys via theater en radio bekendheid verkreeg en introduceerde het werk van Jean Genet in het verenigd Koninkrijk. Sieg Vaz Dias was voor de oorlog als journalist verbonden aan De Telegraaf, waar Frans Goedhart een collega was. Gedurende de oorlog zouden beiden in de illegale Parool-groep  samenwerken. Sem Presser was in 1935 zijn leerling bij De Telegraaf. Het is niet uitgesloten dat Sieg familie was van Mozes Salomon Vaz Dias (Amsterdam, 22 mei 1881 – Amsterdam, 4 januari 1963), een Nederlands journalist en oprichter in 1904 van het Persbureau M.S. Vaz Dias, dat onder meer persberichten leverde aan dagbladen en in 1922 het eerste live-radioverslag ter wereld van een voetbalwedstrijd gaf. Het persbureau had ook een wereldprimeur door als eerste de moord op de aartshertog Franz Ferdinand en zijn echtgenote in Sarajevo op 28 juni 1914 wereldkundig te maken. Voor deze Mozes Salomon Vaz Dias is aan de Weesperstraat net ten zuiden van de M.S. Vaz Diasbrug het Monument Vaz Dias van Herman van der Heide geplaatst. Voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zat Vaz Dias met fotojournalist Henk Temme bij de contraspionage, als medewerker van de Generale Staf sectie III (GS III), de eerste moderne Nederlandse inlichtingendienst die op 25 juni 1914 was opgericht om militaire gegevens over diverse Europese landen te verzamelen. (meer…)

WILLEM (BILL) DE ROOS

66e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Willem Leonard de Roos (Zwolle, 1 september 1906 – Richmond/Brits Columbia, Canada, 9 juni 1986) vertelde toen hij nog maar dertien jaar oud was al aan zijn ouders dat hij zo snel mogelijk met school wilde stoppen en naar Canada wilde. Zijn ouders gaven met tegenzin hiervoor toestemming, waarna de tiener direct in zijn eentje vertrok. In Canada ging hij afwisselend in de landbouw en bosbouw of in kolen- en goudmijnen werken. Uit een huwelijk met Dorothy Dawson werd een dochter geboren.  In 1941 meldde De Roos zich in het opleidingskamp in Stratfort (Canada), later  bij de Irene Brigade in Engeland. Hij werd ingescheept voor Suriname en doorliep daar de opleiding voor officieren. Eind oktober 1942 werd hij benoemd tot commandant van kamp Jodensavanne, een strafkolonie aan de Surinamerivier, waar leden en vooral veel vermeende leden van de Indische NSB gevangen zaten. Het was er in dit gebied niet alleen verstikkend heet, maar de kampbewoners (waaronder ingenieurs, juristen, artsen en andere academici) leden hier onder het brute optreden van de bewakers, voornamelijk mariniers en enkele soldaten van de Prinses Irene Brigade. Velen schiepen er genoegen in hun te treiteren en te mishandelen. Om de paar maanden meldde zich vanuit Paramaribo een andere kampcommandant, waarna het regime ook veranderde. Ook Bill de Roos was een maal de verantwoordelijke man. Op het moment van zijn benoeming telde het cellenblok vijf bewoners. Uit de verhalen van oud-kampbewoners blijkt dat De Roos, net als alle andere bewakers,weinig zachtzinnig met de bewoners van kamp Jodensavanne omgingen. Niet altijd echter. (meer…)

OCHTENDBEZOEK EN AVONDWANDELING (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (74)
EERDERE AFLEVERINGEN

Het leek mij toe, dat de mijnheer, tot wien deze bedreiging gericht was, en die een langen mantel droeg, van nature een vijand van schreeuwen was.
Altans hij liet de persoon die gesproken had ogenblikkelijk los en verdween in een zijstraat. Ik had de stem herkend.
‘Zijt gij het, juffrouw Noiret? Wie durft u aanraken? Laat ik u thuis brengen,’ sprak ik haar toe.
Het arme meisje kon niet antwoorden; zij beefde van het hoofd tot de voeten, en ik had moeite haar op de been te houden.
‘Het is verschrikkelijk,’ snikte zij: ‘o indien gij zoo goed wilt wezen; het is ijselijk…’
Meer kwam er niet uit. Ik geleidde haar zwijgend tot naar den kleinen koomenijswinkel, waar zij haar kamertje had. In het voorhuis zonk zij op een bank neder. Het was er donker, want op de geringe nering kon geen licht overschieten. De vrouw uit den koomenijswinkel kwam naar voren lopen, met een baklamp in de hand.
‘Och lieve help! wat scheelt de juffrouw? wat ziet ze bleek. Is de juffrouw verschoten? Ga gauw in ’t kantoortje, juffrouw! Ik ga de kaars opsteken.’
Zij ging heen om den blaker van juffrouw Noiret te halen, en ik bracht die in een klein, van ’t voorhuis afgeschoten kamertje dat zij mij als ’t kantoortje had aangewezen en dat dien naam met recht verdiende, daar er niets te vinden was dan een kleine hangoortafel, vier matten tabouretten, en een lelijk gezicht in een lijstjen aan den wand, voorstellende den held Van Speyk! (meer…)

REINDER BROLSMA

Reinder Brolsma (Stiens, 23 mei 1882 – Leeuwarden, 23 november 1953) was een Nederlandse schrijver en journalist, die alleen in het Fries publiceerde. Hij was een van de acht kinderen van her gezin Brolsma in Stiens. Op zijn zestiende ging hij in de leer bij zijn oudere broer Jolke om huisschilder te worden. In 1910 vestigde hij zich als schildersbaas in Lichtaard. In dat jaar, op 5 maart 1910, trouwde hij in Ferwerd met Janke Lieuwes Westerbaan. Het paar kregen drie kinderen. In 1903 werd Brolsma secretaris van de rederijkerskamer Halbertsma in Stiens, waarvan onderstaande foto is (Brolsma geheel links). Zijn eerste publicatie, het korte verhaal Sinnestrielen, verscheen in 1903 in het tijdschrift Sljocht en Rjucht. In 1937, toen hij inmiddels 55 jaar oud was, kon hij de verfkwast neerleggen want vanaf dat moment  was hij als journalist werkzaam bij het Leeuwarder Nieuwsblad en Nieuwsblad voor Friesland. Hij schreef onder meer de rubriek ‘Gesprekken op de brug’. Hij heeft een negental publicaties op zijn naam staan: It Heechhof (1926), De Skarlún (1929), Neisimmer (1931), Sate Humalda (1934), It Aldlan (1938, deel 2 van de trilogie It Heechhof), Groun en minsken (1940), Richt (1947, deel 3 van de trilogie It Heechhof), Sa seach ik Fryslân (1951) en Folk fan Fryslân (1952). De It Heechhof-trilogie werd in 1993 herdrukt. In zijn romans, verhalen, schetsen en toneelstukken toont hij zich een scherp waarnemer van het leven op het platteland en van de kleine burger en achterbuurtbewoner uit de stad. Zijn werk is realistisch, met een milde kijk op zijn medemens. Dikwijls beeldt hij de mensen uit in de zware strijd om het bestaan, zoals die tijdens de landbouwcrises van 1880 en 1930 door velen gevoerd moest worden. Hij ontleende zijn inspiratie soms aan de dorpsbewoners van zijn geboorteplaats Stiens, de boeren en arbeiders in de Noordwesthoek, maar ook Leeuwarden is redelijk vaak plaats van handeling. In het verhaal ‘Hy’ in Sa seach ik Fryslân vertelt hij over zijn jeugd in Stiens. (meer…)

FRANK WATKINSON

Frank Watkinson, een 68-jarige gepensioneerde uit Huntingdon (een plaatsje in de omgeving van Cambridge), kan met recht een overnight-sensation worden genoemd. Ik kwam hem recent op  YouTube tegen toen ik op zoek was naar covers van The Days of Pearly Spencer van David McWilliams. Een van de pareltjes die ik er aantrof was dus van Frank, die maar liefst 341.000 abonnees heeft op zijn YouTubekanaal. Er staan een schijnbaar eindeloze lijst met akoestische covers op dat kanaal, waarbij moert worden gezegd dat na beluistering van een aantal nummers de eentonigheid gaat opvallen. Elk van de nummers is mooi, maar het verdient dus aanbeveling niet teveel nummers achtereen af te spelen. Wel spreekt in zijn voordeel dat hij niet eenkennig is in de keuze van zijn repertoire, dat ook veel nummers bevat van jonge, onbekende artiesten zoals Neutral Milk Hotel, The Growlers, Bright Eyes en Slipknot. Juist hierdoor werd hij door jongelui ontdekt, in de trant van ‘Zie deze opa eens lekker spelen in zijn huiskamer’. Via de sociale media explodeerde in de lockdownperiode het aantal volgers gigantisch. Waarbij Frank, die zichzelf gitaar leerde spelen en die nooit voor een publiek op de planken heeft gestaan, zich goed realiseert hoe tijdelijk zijn roem kan zijn. In de tussentijd geniet hij van het succes en de interviews die dat met zich meebracht, zoals voor Flood Magazine, Inside Hook en Chelsea Montley. (meer…)

KOLONIËN ITALIË 2

Twee jaar later werd de Italiaanse koloniale droom een klein beetje ingevuld. Tussen 15 november 1884 en 26 februari 1885 werd de Koloniale Conferentie van Berlijn gehouden, waar veertien Europese landen en de Verenigde Staten onbeschaamd Afrika verdeelden. Groot-Brittannië richtte zich op het bezitten van een ononderbroken strook van Egypte tot aan Zuid-Afrika, dus het oosten en zuiden van het continent. Dat Nigeria en Zuidelijk Afrika Brits werden was grotendeels het gevolg van particulier initiatief. Het Britse streven werd doorkruist door dat van de Fransen die een west-oostverbinding wilden, een strook die het gehele continent bestreek vanaf de Atlantische Oceaan, via de Sahara, tot aan de Rode Zee. Op het snijpunt kwam het bijna tot een gewapend treffen, het Fashoda-incident. Het Britse streven werd ook doorkruist door de Duitse aanwezigheid in Duits-Oost-Afrika (het huidige Tanzania). Duitsland had behalve Tanzanië ook Namibië, Kameroen, en Togo toegewezen gekregen. België kreeg de begeerde vette kluif Congo, die privébezit van koning Leopold II zou worden. Portugal voegde Angola en Mozambique toe aan hun bezittingen en Spanje bezette het zuiden van Marokko. En de Italianen mochten Libië, Somalië en Eritrea bezetten. (meer…)

KOLONIËN ITALIË 1


Vanaf de 17e eeuw was de macht van de Italiaanse stadstaten flink gedaald. In de klassieke oudheid was het Italiaanse schiereiland de kern van het Romeinse Rijk en toen een absoluut hoogtepunt wat betreft politieke, economische en culturele invloed. Vanaf de inval van de Longobarden in de vroege Middeleeuwen ging het rijk langzaam ten onder, hoewel het gebied ondanks de staatkundige verdeeldheid en onderlinge oorlogen nog redelijk belangrijk bleef. Het Apennijns Schiereiland kende rijke handelsrepublieken zoals Florence, Genua en Venetië en ook cultureel was de invloed nog steeds erg groot. Zo was de regio Toscane de oorsprong van de renaissance. Het Italiaans gebied was verder van belang omdat Rome de zetel van de paus was.

De macht van de Italiaanse staten slonk echter vanaf de 17e eeuw aanzienlijk. De wereldlijke en geestelijke macht in Europa van de paus ging door toedoen van de protestantse reformatie achteruit. Het Ottomaanse Rijk controleerde steeds meer de gehele Middellandse Zeegebied en de opkomst van West-Europese koloniale machten op de wereldmarkt verminderde de economische en militaire macht van alle Italiaanse staten. Het Italiaanse grondgebied, inclusief de eilanden, werd een speelbal van Spaanse, Franse en Habsburgse vorstenhuizen. In de Tweede Coalitieoorlog (1799-1802) versloeg Napoleon de Habsburgse monarchie. Deze nederlaag dwong Oostenrijk in 1801 tot het tekenen van de Vrede van Lunéville, waardoor een groot deel van Italië in Franse handen kwam. In 1805 liet Napoleon zich eveneens kronen tot koning van Italië. Het zou tot 1814 duren vooraleer hij het hele schiereiland, rechtstreeks of indirect, onder zijn heerschappij kreeg. (meer…)

ACHTERBAKS

Als iemand achterbaks wordt genoemd, wil dat zeggen dat het een stiekemerd is. Het is iemand die van alles uitspookt en bekonkelt achter de rug van anderen om. Iemand die het achter de ellebogen heeft (wat ook een uitdrukking die verklaring behoeft, zie hiervoor F.A. Stoett). Het Middelnederlandse woord bac betekende ‘rug’. De herkomst van dit bac is niet bekend, waarschijnlijk stamt het uit een Scandinavische taal. Achterbaks betekent dus letterlijk ‘achter de rug’. In het Engels zien we dit woord nog terug in het woord back. Als je iets stiekem deed, gebeurde dat achter de ‘bac’ (rug) van anderen om. Achterbaks dus. Het woord komt sinds circa 1450 in onze taal voor. Nog tot in de achttiende eeuw, betekende het woord ‘achterbaks’ vooral letterlijk ‘iets achter je rug om’ doen. De oudste vermelding in de krantendatabase Delpher komt uit de Oprechte Haerlemsche Courant van 21 januari 1762 in een citaat over korenhandelaars die letterlijk veel koren achter hielden: ‘Dezer dagen is de Rogge 10 Rijksdaal. Per Last in Prys gedaald, om redenen dat de baatzuchtige Koornhandelaars, die daarvan buytengemeen groote Quantiteit ingeslagen en achterbaks gehouden hadden, thans eensklaps alle Hoop van Duurte moeten opgeven…’. In  het artikel ‘Extract van een brief uit Friesland’ in de Oprechte Nederlandsche Courant (22 maart 1787), werden in de context van de Patriottentijd de zittende bestuurders in Friesland ‘achterbaks’ genoemd werden, omdat ze geen echte volksvertegenwoordigers zouden zijn… Hier heeft het voor de eerste keer de betekenis van ‘geniepig’ of ‘stiekem’ en heeft her betrekking op het gedrag van personen. (meer…)

WILLEM MULDER / COR VAN RIJN

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Twee van de zeventien terechtgestelden waren:

.
Willem Mulder
(Amsterdam, 20 december 1888), was een leraar scheikunde te Amsterdam, maar op de slachtofferlijst van Kamp Amersfoort wordt ‘kantoorbediende’ als beroep opgegeven. Er is slechts een jeugdfotootje van hem beschikbaar, want hij moet in de oorlogsjaren eind vijftig zijn geweest. Er is verder alleen nog maar van hem overgeleverd dat hij waarschijnlijk betrokken was bij Vrij Nederland en verspreiding van illegale bladen. Dat ‘waarschijnlijk’ is veelzeggend. Er moet een relatie zijn geweest met de groep-Schimmelpenninck en Ordedienst, maar meer dan dat hij onderdak heeft geboden aan Cor van Rijn is niet te achterhalen. Samen met deze Cor van Rijn werd hij op 16 april 1942 opgepakt. Hij heeft dus in elk geval een tijd doorgebracht in kamp Amersfoort en is van daaruit vervoerd naar kamp Haaren. Hij was een van de leden van de Ordedienst die op 27 april 1943 in kamp Haaren ter dood werden veroordeeld en op 3 mei 1943 op de Leusderheide werd geëxecuteerd. Deze fusilladeplaats van het kamp lag op een paar honderd meter afstand van begraafplaats Rusthof te Amersfoort. Veel geëxecuteerden zijn later herbegraven op deze begraafplaats, waaronder de 17 geëxecuteerden van het Tweede OD-proces. (meer…)

OCHTENDBEZOEK EN AVONDWANDELING (1)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (73)
EERDERE AFLEVERINGEN

Des anderen daags vóór den middag werd de goede De Groot aangediend en trad de kamer binnen verzelschapt van zijn lieve dochter, die een grote gunstelinge van den heer Kegge was en in zijn huishouden goede diensten bewees. Dien middag zou zij met ons dineren, en haar vader bracht haar zelf, omdat hij meteen zijne dankbaarheid wilde komen betuigen voor het introductiekaartje. Hij sprak met de grootste opgewondenheid over den avond van gisteren.
‘Nooit in zijn leven had hij zoo iets moois gezien of gehoord. Dat was een rijkdom! Dat waren stukken muziek! Hij wist niet hoe het mogelijk was, dat een mens zoo vlug op ’t klavier wezen kon als nicht Henriette; en toen hij haar zoo had zien zitten, misschien was het zonde geweest, maar hij had gedacht, dat zij zoo mooi was als een engel uit den hemel.’
Henriette glimlachte en vergat, om het strelende der vergelijking, dat zij die voor ditmaal uit den mond vernam van een koekebakker. Zij begon daarop zeer vriendelijk naar juffrouw de Groot te vragen en haar spijt te betuigen dat zij niet op de verguldpartij had kunnen komen; zij zou juffrouw de Groot nog eens in persoon haar excuses komen maken.
‘Neen maar, juffrouw… ik wil zeggen, nicht Henriette!’ zei de goede man, ‘dat behoeft in ’t geheel niet. Uw bezoek zal haar welkom zijn, maar excuses! och, dat behoeft niet; dat weet neef Kegge wel. Mijn vrouw heeft het ook volstrekt niet kwalijk genomen; dat moet u toch vooral niet denken!’
‘Nu, neef de Groot…’ zei Henriette vriendelijk… en wie weet hoe lief zij zou geweest zijn? maar het woord bestierf haar op de lippen, want de charmante trad binnen en maakte wat ik zijn compliments de coutume’ noemde.
‘Wel, juffrouw Henriette! Is de nachtrust goed geweest, na de fatigue van gisteren? Ik heb geen oog toe kunnen doen; ik was nog zoo geënthusiasmeerd van de muziek. Het was een charmante avond; de gehele wereld had zich dan ook perfect geamuseerd. De stad is van u vervuld!’
‘Vleier!’ zei Henriette; ‘maar ik weet,’ liet zij er op goedige toon op volgen, ‘ik weet dat gij het goed meent.’
En zij reikte hem de hand.
Hij nam die met vervoering aan en trok haar naar de vensterbank. (meer…)

DIETRICH VON SAUCKEN

Dietrich Friedrich Eduard Kasimir von Saucken (Fischhausen, 16 mei 1892 – Pullach im Isartal, 27 september 1980) was een Duits aristocraat, een telg uit het oude Pruisische geslacht Von Saucken. Hij werd geboren in Fischhausen in Oost-Pruisen, vlak bij Köningsberg. Het was een van de oudste nederzettingen in de regio. Het stadje werd na heftige gevechten van 21 tot 24 april 1945 door de Russen veroverd en bijna compleet verwoest. Sindsdien hoort de plaats tot de oblast Kalinigrad in Rusland, onder de naam Primorsk. Uit de Duitse tijd resteren nog het station, een brug en de ruïne van de kerk. In 1996 werd er een Duitse oorlogsbegraafplaats ingewijd. Von Saucken was de zoon van de Landrat, de hoogste gezagvoerder van een Duitse Landkreis, een bestuurlijke laag tussen de gemeenten en een Regierungsbezirk, (een van de districten waarin een deelstaat is verdeeld). Elke Landkreis heeft een eigen, gekozen volksvertegenwoordiging, de Kreistag en een Landrat als hoofdbestuurder. Deze hoogste ambtenaar op lokaal niveau wordt via directe verkiezingen gekozen door de inwoners. Ze is verantwoordelijk voor bepaalde bovengemeentelijk zaken zoals een ziekenhuizen, afvalverwerking, rijbewijzen, monumentenzorg en dergelijke.De jonge Von Saucken ging in Köningsberg naar het  Collegium Fridericianum, een zeer prestigieus gymnasium, waar hij in 1910 afstudeerde. Als student liet hij als zien artistieke kwaliteiten te hebben, wat door zijn moeder en Georg Ellendt, de directeur van het gymnasium, werd aangemoedigd. Hij bezocht dan ook vaak de kunstenaarskolonie Nidden (tegenwoordig Nida in Litouwen), waar beroemde schilders en dichters als Lovis Corinth, Max Pechstein, Alfred Lichtwark, Karl Schmidt-Rottluff, Alfred Partikel, Julius Freymuth, Eduard Bischoff, Ernst Wiechert, Carl Zuckmayer, Ernst Kirchner, Ernst Mollenhauer, Franz Domscheit, en Herrmann Wirth vaak vertoefden. (meer…)

ARA DUZIAN

Ara Duzian is een Amerikaans-Franse zanger-gitarist, waarover verder schrikbarend weinig is te vinden. Dan kom ik weer tegen dat hij in Parijs of omgeving woonachtig is, maar andere summiere berichten geven aan dat hij in Normandië verblijft. In elk geval treedt hij regelmatig in die hoek van Frankrijk op. Enkele jaren geleden heeft hij meegespeeld in de Frans-Amerikaanse band Deleyaman, die in Normandië resideert en is opgebouwd rond Aret Madilian, een Amerikaan uit Los Angeles met Grieks-Amerikaanse roots. Datzelfde kan voor Duzian gelden, waarvan ook wordt vermeldt dat hij uit Los Angeles is overgekomen om zich in Frankrijk ge vestigen. Op zijn Facebookpagina en YouTube-account heeft hij Duzian tal van videos staan en hij heeft ook twee cd’s uitgebracht, overwegend covers van nummers van Amerikaanse en Engelse zangers/bands. Een van zijn favorieten blijkt Leonard Cohen te zijn, waarvan ik zijn vertolking van First We Take Manhatten de beste vertolking vind die ik ooit heb gehoord. Het nummer werd in 1987 door Jennifer Warnes als single van Jennifer Warnes, waarna een jaar later Leonard Cohen met een eigen single van het nummer kwam. Het nummer is ook dor onder meer Joe Cocker en REM gecoverd.  Het is een sinister en gespannen klinkend nummer dat onder meer over de wraak van een extreemrechtse activist zou gaan. Cohen was erg gefascineerd door extreemrechtse retoriek wanneer hij het nummer schreef.De tekst staat bol van suggestieve verwijzingen naar religieuze thema’s en verwijzingen naar het einde der tijden. Een journalist van Rolling Stone beschreef het nummer als ‘a threatening vision of social collapse and a terrorist’s revenge’. Een andere criticus zag er een profetische verwijzing in naar de laatste dagen van de Sovjet-Unie. Cohen zelf zei in 1988: ‘I think it means exactly what it says. It is a terrorist song. I think it’s a response to terrorism. There’s something about terrorism that I’ve always admired. The fact that there are no alibis or no compromises. That position is always very attractive. I don’t like it when it’s manifested on the physical plane – I don’t really enjoy the terrorist activities – but Psychic Terrorism. I remember there was a great poem by Irving Layton that I once read, I’ll give you a paraphrase of it. It was ‘well, you guys blow up an occasional airline and kill a few children here and there’, he says. ‘But our terrorists, Jesus, Freud, Marx, Einstein. The whole world is still quaking.'” (meer…)

BOB WIJNBERG

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Abraham ‘Bob’ Wijnberg (Groningen, 17 oktober 1913) was een zoon van Mozes Wijnberg (Leek, – Vught, – Sobibor, 15 juli 1909 – Sobibor, Vrouwgien (Groningen, 6 augustus 1911) overleefde als enige van het gezin de oorlog. Bob was getrouwd met Mimi Gobits (Den Haag, 29 december 1914), het oudste kind van stoffeerder Samuel Gobits en Rebecca Leeuwin. Haar ouders hadden in Dordrecht twee goedlopende meubelzaken aan de Voorstraat. Het gezin was traditioneel joods. Alle feestdagen werden gevierd en het huishouden was koosjer. Dat gold ook voor het gezin Wijnberg, al hield zoon Bob zich niet bepaald aan de spijswetten. Hij was vooral geïnteresseerd in de linkse zionistische jeugdbewegingen, zoals zoveel joodse jongeren – net als zijn aankomende vriendin Mimi. In 1932 ontmoetten Bob en Mimi elkaar tijdens een bijeenkomst van de Nederlandse Zionisten Bond. Ze waren eerst van plan naar Palestina te emigreren, maar het lukte Bob niet er vast werk te vinden en hij keerde terug. De jonggeliefden trouwden en kregen op 6 juli 1942 een dochter: Chawwa Hadassah Riwka. In 1941 ging Bob in het gewapend verzet, maar op 24 juli 1942 werd hij in Ede gearresteerd. Als gevolg van die arrestatie moeten Mimi en Chawwa in juli 1942 in Ilpendam onderduiken, wanneer ze nog maar zestien dagen oud is. Ze zouden de oorlog overleven, honderden familieleden werden echter vermoord in de vernietigingskampen. (meer…)

EERSTE NIEUWSBRIEF VAN PIETER ‘T HOEN

Op 25 juli 1940 verscheen van Frans Goedhart het eerste gestencilde krantje dat de naam De nieuwsbrief van Pieter ’t Hoen had gekregen, een verwijzing naar de Nederlands journalist, dichter en politicus Pieter ’t Hoen (1744-1828) die als Patriot ten strijde was getrokken tegen het absolutisme van zijn tijd. Vlijmscherp legt Goedhart uit dat de neutraliteitspolitiek die Nederland jarenlang navolgde wel gedoemd moest zijn te mislukken en dat een enorme misrekening van de nationaalsocialistische dadendrang eraan ten grondslag lag. Goedhart stuurde het stencil op aan een aantal bekende Nederlanders en een aantal kapperszaken. Zijn pamfletten werden binnen Amsterdam en directe omgeving snel populair. Om de oplage te kunnen vergroten en de verspreiding te verbeteren was al snel samenwerking nodig met anderen. Met drukkers bijvoorbeeld, want voor grotere oplagen kon niet langer worden volstaan met stencils. Met andere journalisten, omdat het ondoenlijk was alle journalistieke werkzaamheden in je eentje te doen. Met medestanders die hetzelfde sociaaldemocratische gedachtegoed aanhingen. Met mensen die zorgden voor de financiën en organisatie. Met vrijwilligers die zorgden dat de kranten telkens weer bij die tienduizenden abonnees terecht kwamen. Vanaf 10 februari hield De nieuwsbrief van Pieter ’t Hoen op te bestaan en werd het illegale werk via de nieuw opgerichte krant Het Parool voortgezet. Op 27 september 1943 zou Het Parool als allereerste uitgave in Nederland berichten over het bestaan van gaskamers in Duitse Kampen. Frans Goedhart hoorde dit in groot detail van Poolse medegevangenen toen hij in Kamp Vught vast zat. Twee pagina’s werden er gewijd aan het begrip concentratiekamp en de afschuwelijkheden die er gaande waren in deze kampen. Volgens Madelon de Keizer, die een boek schreef over het verzetsblad in oorlogstijd, verschenen na het eerste nummer van 25 juli 1940 nog 26 stencils van De nieuwsbrief van Pieter ’t Hoen. De laatste verscheen op 10 april 1941, met de kanttekening dat van bij drie nummers geen exemplaren overgebleven zijn en vraagtekens kunnen worden geplaatst bij hun verschijning. Hieronder de eerste memorabel uitgave van Frans Goedhart.

(meer…)

FRANS GOEDHART

Frans Goedhart (Amsterdam, 25 januari 1904 – Amsterdam, 3 maart 1990) was een Nederlands politicus, verzetsstrijder en journalist. Vanaf zijn zesde jaar groeide hij op in verschillende weeshuizen, nadat zijn vader overleden was en zijn moeder niet in staat was hem te verzorgen. Na afronding van zijn MULO-opleiding in Dieren in 1922 werd hij als leerling-journalist aangenomen bij de Velpsche Courant. Een jaar later kwam hij in dienst bij de Provinciaalsche Geldersche en Nijmeegsche Courant. In 1924 trad hij in dienst van De Telegraaf, maar na anderhalf jaar werd hij ontslagen omdat hij aan astma leed. Hij slaagde er daarna nauwelijks in het hoofd boven water houden en greep de kans aan een baan te krijgen bij de Belgische krant Het Laatste Nieuws, een krant die in juni 1888 in Brussel was opgericht en een liberale en vrijzinnige karakter had. De krant was aanvankelijk een spreekbuis van het radicaal antiklerikalisme, maar later werd een ruimer publiek bereikt door een gematigdere stijl, meer regionaal nieuws en een verruimde sportkatern. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zou het blad onder Duitse censuur blijven verschijnen. Hier beleefde Goedhart de eerste jaren van de economische depressie. Omdat hij in 1931 deelnam aan een grote typografenstaking werd hij hier ontslagen. Hij en zijn echtgenote (hij was op 10 juli 1929 in het huwelijk getreden met Maria van den Ring, met wie hij een zoon kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 12 november 1945. Op 13 december 1945 hertrouwde hij met Maria van Alebeek, lerares Nederlands en geschiedenis, met wie hij een dochter en een zoon kreeg) keerde begin 1932 terug naar Nederland. (meer…)

HET CONCERT 5

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (72)
EERDERE AFLEVERINGEN

Zoo kwam ik tot aan de deur, en nu bezocht ik ook de koffiekamer. Hier waren de standen meer dooreengemengd, en vooral onder de werkende leden vond men van alles. De muziek, het ijsvermaak, en het tabakroken nemen allen aanzien des persoons weg. Hier werd hevig gerookt door allerlei soort van rokers. Er waren er die pijpen, er waren er die sigaren, er waren er die baai rookten; sommigen hadden al lang naar hun rooktoestel gesmacht, andere deden het alleen, omdat de rook der overige hun dan minder hinderde. Er waren er die het niet laten konden, en er waren er die het doen en laten konden allebei, en het daarom zoo veel mogelijk deden; verslaafden, en vrijwillige dienstknechten; en de kleine Keggetjes drongen door de menigte heen, en hadden waarlijk ook ieder een sigaartje in den mond, ter zake waarvan hun vader lachte dat hij schaterde.
‘Die juffrouw Kegge speelt admirabel, niet waar?’ zei een beschaafd heer, zijn viool weer uit de vioolkas nemende, om zich voor de tweede afdeling gereed te maken, en omziende naar een groot liefhebber, een dik persoon, met een lomp uiterlijk, dien ik in ’t orkest met een waldhoren gezien had.
‘Ze speelt verdraaid vlug!’ antwoordde die van den waldhoren.
‘Veel smaak, veel smaak!’ riep een wijs burgerheer, die een dwarsfluit blies.
‘Smaak?’ riep een klein heertje, dat zich juist aan een heet glas punch brandde, met een pieperig stemmetje, ‘smaak? geen zier smaak! al den duivel vlugheid, kunstjes, brille.‘
‘Een mooie piano, niet waar?’ hoorde ik in een anderen hoek, uit den mond van een werkend lid.
‘Ja, en een weergasche mooie meid ook,’ antwoordde een honorair lid.
‘Foei, oude snoeper, waar kijkje na?’ zei de eerste spreker.
Zoo gaat het, wanneer gij op concerten speelt. Waarom laat gij het niet liever? (meer…)

EDU SNETHLAGE

Edu Snethlage (Ngawi, Nederlands-Indië, 9 mei 1886 – Medan, Nederlands-Indië, 12 januari 1941) was een Nederlandse voetballer en medicus, afkomstig uit een voormalig Duitse domineesfamilie Snethlage. Hij speelde voor Haagse Voetbal- en Cricketvereniging Quick (HV & CV Quick), een uit Den Haag, waar zoals de naam al aangeeft voetbal en cricket werd en wordt gespeeld. Hij was in 1901 tegelijkertijd met zijn twee jaar oudere broer Bram lid geworden. De broers zouden beiden het eerste elftal van de club halen. Edu zou maar een jaartje in de lagere elftallen spelen. Al in 1903, amper 17 jaar oud, was hij al een vaste waarde in het eerste elftal. Aanvankelijk speelde hij op het middenveld als rechtshalf, maar vanaf het seizoen 1906-1907 werd hij in de voorhoede opgesteld. Eerst als midvoor maar al snel als rechtsbinnen. Vanaf toen begon een glorieperiode in het bestaan van de Hagenaars. In 1908 werd hij met Quick kampioen van Nederland. In twee van de drie wedstrijden tegen de oostelijk kampioen UD uit Deventer scoorde hij. In de tweede wedstrijd scoorde ook zijn onafscheidelijke aanvalspartner Caius Welcker (Alkmaar, 9 juli 1885 – Schiedam, 13 februari 1939). Met hem vormde Snethlage jarenlang de meest gevreesde rechtervleugel die Nederland tot op dat moment had gekend. In het kampioensjaar 1908 waren beiden iedere wedstrijd van de partij. Snethlage was op dat moment een van de grootste spelers die het Nederlands voetbal had voorgebracht. Ir. Ad van Emmenes noemde hem en Welcker de eerste ‘wetenschappelijke voetballers’ uit ons land en schreef een ware lofzang op de voetballer, die een voor die tijd opmerkelijke mengeling van tactiek en techniek liet zien. Dat ‘wetenschappelijk’ zal wel met hun studies te maken hebben gehad, want Snethlage studeerde medicijnen en wilde zich als arts in Nederlands-Indië waar hij was geboren vestigen. Welcker studeerde rechten en ambieerde een praktijk als advocaat. Hij zou na zijn actieve voetbaltijd jarenlang de huisjurist van de voetbalbond zijn. Volgens kenners kon Snethlage zich als een van de weinige spelers met de Engelse profvoetballers. Na een wedstrijd in Antwerpen tegen Manchester University werd hij door de Engelse scheidsrechter James uitgeroepen tot uitblinker van de wedstrijd, met de toevoeging dat hij in Engeland als prof in de hoogste salarisklasse zou vallen. (meer…)

RODOLPHE BURGER

Van de Franse componist, gitarist en zanger Rodolphe Burger (Colmar, 26 november 1957) is hier al twee maal wat geplaatst. De eerste maal met het nummer La Cambre toen hij nog deel uitmaakte van de groep Kat Onoma, die in Nederland waarschijnlijk bij slechts een enkeling een belletje doet rinkelen. Wat jammer is, maar helaas. Burger was in 1986 een van de oprichters van de cultgroep, die nog tot 2002 actief was. Daarna ging Burger solo en bracht hij zowel eigen nummers uit als coverversies van Engelstalige hits. Burger heeft een zekere monotonie in de zang, sombere, melancholieke teksten, zacht en melodieus gitaarspel dat bijna net zo herkenbaar als dat van Mark Knopfler. Een van die covers betrof The Days of Pearly Spencer van het Noord-Ierse two-hits-wonder David McWilliams. Een nummer dat bij Burger een compleet andere sfeer kreeg. Datzelfde gold ook voor Billy Jean, een nummer van Michael Jackson dat al door gigantisch veel artiesten is gecoverd. De meesten blijven erg dicht bij het origineel, wat lekker veilig is. Burger geeft het nummer echter een geheel eigen tempo. In deze live-uitvoering (Rouen, Le Cabaret de la Dernière Chance. 9 juni 2013) wordt de zang en elektrische gitaar van Burger slechts begeleid door een keurig geklede organist. (meer…)

MEER DAN ALLEEN AUSCHWITZ

Kevin Prenger (1980, hoofdredacteur bij Traces of War) heeft een aantal boeken over de Tweede Wereldoorlog geschreven, waaronder biografieën van Kurt Gerstein (‘Een boodschapper uit de hel’), Konrad Morgen (‘Een rechter in Auschwitz’) en Arthur Nebe (‘Het masker van de massamoordenaar’). Drie SS’ers die enerzijds volop meedraaide in de nazi-machinerie en de massamoord op Joden, socialisten, homoseksuelen, zigeuners, Jehova Getuigen en gehandicapten en anderzijds claimde betrokken te zijn in het Duitse verzet. Ook schreef hij aardig boeken over de manieren waarop aan de diverse fronten gedurende de oorlog Kerstmis werd gevierd (‘Kerstmis onder vuur’) en over de laatste Duitse propagandafilm en de ondergang van het stadje Kolberg (‘Kolberg’). In zijn laatste boek vertelt hij twaalf verhalen die de Holocaust beschrijven ‘vanuit een ander perspectief dan gebruikelijk’. Verhalen die makkelijk onafhankelijk van elkaar kunnen worden gelezen, maar tezamen een brede blik op verschillende facetten van de Jodenvervolging geven.

De titel geeft wat dat betreft de intentie van de auteur treffend weer: de Holocaust was meer dan alleen Auschwitz. Dat vernietigingskamp is niet ten onrechte het symbool van de massamoord geworden, maar is in de loop der jaren zo allesoverheersend geworden dat soms het idee postvat dat de zes miljoen vermoorde Joden allemaal in de gaskamers van dat Duitse kamp in Polen om het leven werden gebracht. In Auschwitz zijn volgens de meest accurate schatting 1,1 miljoen mensen vermoord, waaronder ongeveer 200.000 niet-Joden (140.000 Polen, 23.000 zigeuners, 15.000 Russische krijgsgevangenen en ruim 25 000 slachtoffers van andere etniciteiten). De andere vijf miljoen Joden die gedurende de oorlog het leven verloren werden dus elders omgebracht. (meer…)

PIETER ‘T HOEN

Pieter ’t Hoen (gedoopt 18 oktober 1744 in Utrecht – Amersfoort, 9 januari 1828) was een Nederlands journalist, dichter en politicus die een belangrijke rol speelde tijdens de Patriottentijd als de redacteur van De Post van den Neder-Rhijn. Hij was de zoon van een Utrechtse kruidenier en kaashandelaar. Pieter begon in 1755 een studie aan de hoog aangeschreven Hiëronymusschool (een Latijnse school in Utrecht), maar was zo onhandelbaar dat hij op verzoek van zijn ouders op 29 december 1761 veroordeeld werd om voor een jaar opgesloten te worden in De Vurige Kolom, een verbeterhuis in de Lange Nieuwstraat in Utrecht. Hier mocht hij in november 1762 weer van vertrekken. In april 1763 trouwde de negentienjarige Pieter met de toen zeventienjarige Annemietje Nihot, dochter van een Leidse textielkoopman. Ze zouden bijna 63 jaar gehuwd blijven en tussen 1764 en 1781 vier zonen en vier dochters krijgen. Het paar trok in bij zijn ouders op de Neude in Utrecht, waar hij waarschijnlijk tot 1777 werkzaam werd in het bedrijf van zijn vader. Via zelfstudie probeerde hij de afgebroken schoolopleiding weer goed te maken en tegelijkertijd probeerde hij toegang te krijgen tot de literaire kringen van eind 18e eeuw. Dat lukte hem en in de loop der jaren werd hij een succesvol schrijver van poëzie, vooral van kinderrijm en toneelstukken. In 1777 werd hij benoemd tot rentmeester van het Collegium Willebrordi, een internaat dat was verbonden aan de Hiëronymusschool. Hij kreeg nu meer tijd om zich te wijden aan zijn literaire werk en de functie gaf hem toegang tot de wereld van de Utrechtse regenten en de Utrechtse politiek. (meer…)

JOHAN DE JONGE MELLIJ

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Johan Frederik Henri de Jonge Mellij (Amsterdam, 16 oktober 1905) was een eerste luitenant der infanterie, die in 1938 bij het Kaderbataljon te Laren werd geplaatst en woonachtig was in Bussum. Hij maakte in Den Haag deel uit van een informele groep van cadetten van de KMA te Breda, die de onderlinge contacten intact wilde houden. Tot die groep behoorde onder meer de tweede-luitenant Chris Navis, de kornet Fridtjof Dudok van Heel en de cadet Ton Abbenbroek. Het roepje zou later deel uitmaken van de verzetsgroep van Joan Schimmelpenninck, een groep die later geruisloos zou opgaan in de Ordedienst. De Jonge Mellij werd door Pierre Versteegh gevraagd om voor de Ordedienst koerier te worden en wapens te verzamelen. Nadat Versteegh was gearresteerd werd op dezelfde manier doorgewerkt door De Jonge Mellij onder leiding van respectievelijk Schimmelpenninck, Abbenbroek en Gerard Dogger. Hij pleegde bijvoorbeeld sabotage op het vliegveld Soesterberg en wist wapens te bemachtigen uit door Duitsers bewaakte magazijnen.

Op 18 januari 1942 was er op de Scheveningse Boulevard een ‘afhaaloperatie‘ van de groep-Hazelhoff Roelfzema, die Wiardi Beckman en Frans Goedhart met een torpedoboot naar Engeland zouden brengen. Deze operatie mislukte waarbij Wiardi Beckman, Goedhart en Willem Pasdeloup werden gearresteerd. Pasdeloup kreeg bij zijn arrestatie te maken met twee beruchte Haagse agenten, Leo Poos en Marten Slagter, die de Sicherheitspolizei hielpen bij de opsporing en hardhandige ondervraging van verzetslieden. Het duo was onder meer betrokken bij de arrestaties en verhoren van Joan Schimmelpenninck, Stuuf Wiardi Beckman, Frans Goedhart, Willem Pasdeloup, de groep van Velu en Hertly, sergeant-majoor Hoekstra, Pim Boellaard, Cor Gootjes, de Bastiaans-Nout en de studenten Bekkie de Loos en Frits van der Schrieck. (meer…)

HET CONCERT 4

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (71)
EERDERE AFLEVERINGEN

Ik deed mijn best om Henriette te genaken, die in een kring van heeren stond, welke zij ten deele kende, ten deele nimmer geluid had horen geven, maar die allen van deze gelegenheid gebruik maakten om haar iets aangenaams te zeggen. Iedereen was even verrukt, en de charmante week niet van hare zijde. Ik maakte haar mede mijn compliment, en liet mij daarop van hoeken tot kanten dringen, waarbij ik het voordeel had veel te zien en te horen, dat mij voor dien avond belangrijk voorkwam.
‘Ze zullen die juffrouw Kegge, hiet ze zoo niet? het hoofd wel op hol maken!’ merkte een mevrouw van een zekeren leeftijd, met een zwarte gazen toque, aan. ‘’t Is niet goed voor zo’n jong ding.’
En zij sloot haren mond zoo dicht, zoo dicht, alsof zij er van afzag den gehele verdere avond iets meer in het midden te brengen.
‘O, ik vind dat ze er allerinteressantst uit kan zien,’ sprak een jonge dame, in antwoord op het zeggen van een heer van middelbare jaren, dat juffrouw Kegge heel mooi was; ‘maar van avond, dunkt mij, heeft zij haar beau jour niet.’
‘Kent u die familie Kegge?’ vroeg een andere aan een jongen heer, en zij legde duizend pond nadruk op den naam.
‘Vraag excuus!’ was het antwoord, ‘ik weet niet anders dan dat de menschen rijk zijn… Maar,’ ging hij zachter voort, ‘ze zijn volstrekt niets. Haar grootvader was hier ter stede een kruidenier of zoo wat, en haar vader…, die heeft fortuin gemaakt in de West.’ (meer…)

ROWWEN HÈZE

ROWWEN HÈZE

Rowwen Hèze is een in 1985 opgerichte band uit America (Limburg), die overwegend in het Horsterse dialect van dit dorp zingt. De muziek varieert qua genre van gevoelige ballads tot snellere tex-mex- en folknummers. De band ontstond omdat de band The Legendary Texas Four een nieuwe zanger zocht en in Jack Poels een geschikte kandidaat vond. Poels had de voorgaande tien jaar zongen en gespeeld bij de opgeheven hardrockband Bad Edge uit America, die vooral covers speelde van Britse rockgoden als Status Quo en Thin Lizzy. Poels: ‘We hadden lang haar, we droegen eigen T-shirts en ik had in Amsterdam prachtige ‘blue suede shoes’ gekocht. Dat gaf een hele schok: een jongen met spitse schoenen was hier nog niet vertoond. We speelden onverbiddelijk scheurende gitaarmuziek.’ Poels stelde een voorwaarde om toe te treden tot de band: hij wilde één zelfgeschreven liedje in het lokale dialect vertolken. De overige bandleden gingen akkoord en de band besloot zich te hernoemen omdat hun oude naam te ver van hen afstond. Men kwam toen uit bij de naam Rowwen Hèze, een verwijzing naar Christiaan Hesen (1853-1947), een nogal zonderlinge dorpsfiguur uit America met een vreeswekkend uiterlijk en een niet onbesproken verleden die de bijnaam Rowwen Hèze (Ruige Hesen) had. De band nam de naam over omdat die wel lekker bekte, zonder echter de achtergrond van de legendarische dorpsgenoot te kennen. In de eerste jaren van hun bestaan speelde men nog steeds vooral Engelstalige covers. (meer…)

CHRISTIAAN HESEN

Christiaan Hesen (Horst, 19 mei 1853 – Tegelen, 5 februari 1947) was een dorpsfiguur uit het Limburgse dorp America, die postuum legendarisch zou worden. Hij was de zoon vaneen arme  dagloner, de jongste van acht kinderen. Met z’n 1,61 meter was hij betrekkelijk klein van stuk en zijn dikke neus en ronde kin maken hem tot een markant figuur. Hij trouwde op 30 november 1883 in Horst met de drie jaar jongere Maria Scheeres uit Roggel. Kort daarna verhuisde het echtpaar naar America, waarschijnlijk omdat werk te vinden was in dat dorp van veenarbeiders dat pas enkele decennia bestaat. Door verbeterde landbouwmethoden en de uitvinding van kunstmest vonden in de loop van de negentiende eeuw in de Peel kleinschalige ontginningen plaats van de immense heidevelden, wat steeds gepaard ging met de bouw van boerderijen. De ontwikkeling van America tot dorp hing ook samen met de aanleg van de spoorlijn Venlo-Eindhoven. Op de plaats waar een karrenspoor de spoorlijn kruiste, werd in 1866 Wachtpost 16 gebouwd, wat uitgroeide tot een dorpskern met onder meer een school (1888), een kerk (1892) en een bakkerij met maalderij, winkel en café (1892). Werk is vooral te vinden in het naburige Griendtsveen, waar op grote schaal turf wordt gewonnen en verwerkt, onder impuls van de familie Van de Griendt. Jan van de Griendt (1804 – 1882), een koopman uit Den Bosch, was de aannemer van het traject Helmond-Venlo van de spoorlijn geweest. In 1853 was hij een van de oprichters van de Maatschappij tot ontginning en vervening van de Peel, later omgedoopt in Maatschappij Helenaveen. Hij stichtte het dorp Helenaveen, dat in Noord-Brabant ligt. Zijn zoons Jozef en Eduard zetten zijn werk voort en stichtten in Limburg het dorp Griendtsveen, waar de Griendtsveen Turfstrooisel Maatschappij actief was. Beide door de familie gestichte dorpen waren verbonden door de Helenavaart, een 15,7 km lang kanaal dat van 1853-1880 door de Maatschappij Helenaveen werd gegraven om turf af te voeren uit verveningsgebieden en ter ontwatering van het veengebied. (meer…)

CIMON EN PERO – 07

Cornelis van Caukercken (Antwerpen, 10 maart 1626 – Brugge, 1689) was een Vlaamse graveur en verkoper van prenten. Zijn naam wordt een zeldzame keer geschreven als Cornelis van Koukerken. Hij was de zoon van de boekbinder Lambrecht van Caukercken, die uit Breda afkomstig was, en Gasparine Vereycken. Cornelis was op 2 augustus 1664 getrouwd met Marie Breyghel, die eerder weduwe was geworden van de Bruggenaar J.B. Muenincx. Aanvankelijk werkte Van Caukercken in zijn geboorteplaats Antwerpen, maar na zijn huwelijk trok hij naar de stad van zijn bruid. Hij maakte vooral prenten die waren gebaseerd op de werken van erkende Vlaamse meesters als Rubens en Van Dijck. De invloedrijke Engelse graveur, schrijver en antiquair Joseph Strutt (27 oktober 1749 – 16 oktober 1802) liet eind 18e eeuw over de graveerwerken van zijn verre voorganger Van Caukercken weten: ‘He worked entirely with the graver, in a heavy laboured style, without much taste. He usually crossed his second strokes squarely upon the first, which mode requires more exquisite handling of the graver than Caukerken possessed, to render the effect agreeable.’ Strutt liet ook weten Caukerken’s tekeningen als onvolmaakt te beschouwen, hoewel hij nog wel zo genereus was te zeggen dat de beste werken van Van Caukercken niet zonder enige kwaliteit waren. Van Caukercken heeft nochtans de nodige mooie portretgravures op zijn naam staan van collega-schilders als Peter Snayers, Tobias Verhaect, Robert van Hoeck, Peeter Meert of van Charles van den Bosch (de bisschop ban Brugge) en koning Charles II van Engeland. Verder maakte hij een groot aantal portretten van apostelen en heiligen, plus gravures van christelijke voorstellingen. In zo’n rijtje kon natuurlijk de Charitas Romana ofwel het mythische verhaal van Cimon en Pero niet ontbreken, en er mag best bij worden gezegd dat in tegenstelling tot wat Strutt beweerde, dit werk meer dan verdienstelijk is.

BRIGITTE HELM


Brigitte Helm in Metropolis, een Duitse sciencefictionfilm van Fritz Lang uit 1927.

RUDOLF HARTOGS

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Rudolf Hartogs (Berlijn, 1918) was een boekhouder te Amsterdam. Hij werd op 18 april 1942 in Amsterdam opgepakt, samen met Jacob Knol. Er is nergens te achterhalen voor welk misdrijf beide mannen werden aangehouden en hoe het direct daarna is verlopen. Van Jakob Knol (Amsterdam, 17 april 1914) is bekend dat hij op van 6 november 1942 tot 16 januari 1943 gevangen zat in kamp Amersfoort, daarna tot 11 maart in kamp Vught, daarna tot 25 oktober 1943 op een onbekend gebleve locatie verbleef, op 25 oktober 1943 op transport werd gezet naar Natzweiler en van daaruit op 6 september direct naar Dachau. Sommige bronnen zeggen dat hij ook van daaruit direct werd doorgestuurd, nu naar concentratiekamp Flossenburg, waar hij op 27 september 1944 zou zijn overleden, pas dertig jaar oud. Een andere bron meldt echter dat hij pas op 2 april 1945, vlak voor zijn 31ste verjaardag, zou zijn in Aussenlager Gröditz, dat van 27 september 1944 tot 17 april 1945 een buitenkamp van concentratiekamp Flossenbürg was en waar in totaal bijna 1.000 mannen tewerkgesteld waren aan de bouw van Flak-afweergeschut voor de Mitteldeutsche Stahlwerke van het Flick-concern. Ze werkten en waren ondergebracht in een afgescheiden deel van de machinebouwfabriek. Van Rudolf Hartogs is het traject niet bekend. Hij was een van de leden van de Ordedienst die op 27 april 1943 in kamp Haaren ter dood werden veroordeeld en op 3 mei 1943 op de Leusderheide werd geëxecuteerd.

HET CONCERT 3

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (70)
EERDERE AFLEVERINGEN

De hoornist blies zijn wangen op, zijn ogen uit, en zijn hoorn vol, tot algemene verrukking der aanwezigen die van een hoorn hielden, ofschoon er verscheidene waren die met een wijs en veelbeduidend aangezicht beweerden dat het Potdevin niet was, een blijkbaarheid die ook door het programma voldingend werd uitgewezen. Het schoonste van ’s mans spel scheen daarin te bestaan, dat het geluid van zijn hoorn op alle geluiden geleek, die gewoonlijk uit andere instrumenten komen. Nu eens knorde hij als een jichtige fagot, dan weder had hij al het rochelende van een vetten waldhoren, dan weder het door den neus pratende van een intriganten hautbois, of het uitgelatene van een opgewonden trompet, ja zelfs nu en dan iets van het gillende eener hysterische dwarsfluit; zelden maar geleek hij op hetgeen hij waarlijk was, een klephoorn; en eenmaal was het geluid zoo zacht en zoo verfijnd, dat ik, zoo ik niet de rijkgeringde vingers van den virtuoos had zien bewegen, waarlijk zou gezworen hebben, dat er niets gebeurde. In zoo verre was het maar weer goed, dat de muzikant zichtbaar was. Ik vermaakte mij gedurende het spel machtig met het gadeslaan van een dik heer achter op het orkest, die den duizendkunstenaar had geëngageerd en allerliefste knipoogjes aan alle de leden rondzond, die tegelijkertijd moesten beduiden hoe heerlijk hij het vond, en vragen of zij het ook niet heerlijk vonden; en van een lang jong mensch dicht bij mij, met zwarte haren en bleke wangen, die zijne ogen aandachtig toedeed onder het spel en de maat met zijn tenen sloeg, en dan weer een ‘hoe-is-het-mogelijk!’- gezicht zette en een schrikkelijken nood had om aan iedereen te vertellen hoe familiaar hij dien duizendkunstenaar kende, en hoe goed die duizendkunstenaar biljartte, en hoe ’n aangenaam mensch en van welk een goede familie die duizendkunstenaar was, en hoe die duizendkunstenaar enkel speelde omdat hij ’t niet laten kon, en welk een duizendwondertje van een mooi snuifdoosje die duizendkunstenaar van een prinses had gekregen, en hoe hij zelf in eigen persoon op de repetitie van dien duizendkunstenaar geweest was, en hoe de duizendkunstenaar hem verhaald had, dat die eigen hoorn, daar hij op speelde, hem duizend gulden had gekost. (meer…)

BOUDEWIJN DE GROOT

BOUDEWIJN DE GROOT

Boudewijn de Groot (Batavia, 20 mei 1944) werd aan het eind van de Tweede Wereldoorlog in een Japans interneringskamp in Batavia geboren. Zijn moeder, Sophie Elisabeth Saueressig, overleed in juni 1945 in het Japanse interneringskamp Tjideng in de omgeving van Batavia. Het interneringskamp voor speciaal ingericht voor (vooral Nederlandse) vrouwen en kinderen; de mannen en jongens werden ondergebracht in andere kampen, vaak kampen voor krijgsgevangenen. In eerste instantie stond Tjideng onder burgergezag en waren de omstandigheden dragelijk. Toen echter de militairen het gezag overnamen werden privileges (zoals het zelf mogen koken en de mogelijkheid voor kerkdiensten) al snel ingetrokken. Bezittingen moesten worden afgestaan, en tweemaal daags moesten alle gevangenen aantreden op appel en moest er gebogen worden in de richting van Japan. Er kwam een centrale voedselvoorziening en de kwaliteit en hoeveelheid voedsel nam snel af. Honger en ziekte sloegen toe en omdat er geen medicijnen beschikbaar werden gesteld steeg het aantal dodelijke slachtoffers. In 1946 keerde het gezin terug naar Nederland, waar de kinderen in verschillende gezinnen werden ondergebracht, zodat zijn vader kon terugkeren naar Indië. Boudewijn kwam terecht in het gezin van een tante in Haarlem. In 1951 keerde De Groots vader voorgoed terug uit Indië, waarna hij in Nederland hertrouwde en het gezin werd herenigd en zich vestigde in Heemstede. Hier maakte Boudewijn in 1952 kennis met Lennaert Nijgh, die in dezelfde straat kwam wonen en naar dezelfde school ging. Veel contact hadden ze aanvankelijk niet, omdat Boudewijn een klas hoger zat dan Nijgh. Na de lagere school ging De Groot naar het Coornhert Lyceum. Hij had ondertussen gitaar leren spelen en maakte op school indruk met liedjes van Jaap Fischer en Jacques Brel. In de vriendengroep, die hij opbouwde op het lyceum, dook ook Nijgh weer op, die weliswaar op een andere school zat, maar voornamelijk optrok met leerlingen van het Coornhert Lyceum. (meer…)

DE STORMRAMP VAN 1863 – 2

In de nacht van 3 op 4 december 1863 woedde een zeer zware storm in het Noordzeegebied en ook elders in Europa was het aan de kust aanhoudend uitzonderlijk zwaar weer. De hele week werd beheerst door storm; van het Skagerrak tot aan Zuid-Spanje hadden de kusten het hevig te verduren.

De grootste scheepsramp tijdens de stormramp van 3-4 december 1863 was die van de Duitse bark Wilhelmsburg op de Boschplaat bij Terschelling. Het schip, genoemd naar een havenwijk van Hamburg, was in 1853 gebouwd voor vervoer van landverhuizers. De Wilhelmsburg kwam ’s nachts bij Oost-Terschelling in moeilijkheden. Het schip was op 25 november 1865 uit Hamburg vertrokken met 29 bemanningsleden en ruim driehonderd passagiers aan boord, die op weg waren naar Moretonbay, Queensland in Australië, waar ze een nieuw bestaan wilden opbouwen. Moreton Bay en de gelijknamige eilanden ligt vlak voor de kust van Brisbane. Vermoedelijk waren de landverhuizers op weg naar Brisbane, maar zouden ze in de Moreton Bay aan land gaan. Vanaf woensdag 2 december had het schip te kampen met harde storm uit het westen, die op donderdag 3 december in de middag toenam en uit West Zuid West kwam. De zee was toen al ‘schrikwekkend hoog’. Om negen uur in de avond van 3 december was de wind toegenomen tot orkaankracht waardoor het schip door de zee overstelpt werd en op haar kant kwam te liggen. Rond middernacht was de wind west-noord-west, een hevige orkaan met hagel en regen. Om twee uur ’s nachts raakte het schip grond op de Boschplaat ten oosten van Terschelling, waarna werd besloten de masten te breken. Om drie uur begon het schip in stukken te breken. (meer…)

DE STORMRAMP VAN 1863 – 1

In de nacht van 3 op 4 december 1863 woedde een zeer zware storm in het Noordzeegebied en ook elders in Europa was het aan de kust aanhoudend uitzonderlijk zwaar weer. De hele week werd beheerst door storm; van het Skagerrak tot aan Zuid-Spanje hadden de kusten het hevig te verduren. Op 3 december was het overdag meteen als raak. In de loop van de dag bereikte het centrum van de depressie via de Britse eilanden de Noordzee, die door de orkaan werd opgezweept tot een ontembaar monster. In de avond van 3 december daalde het weerglas op Terschelling plotseling tot ongekende laagte. Het centrum van de depressie zou die nacht langs de Waddeneilanden trekken, een spoor van menselijk leed achterlatend. De Harlinger Courant berichtte later: ‘In de namiddag van de 3de december 1863 wakkerde de wind steeds meer aan en bereikte in het begin van de avond stormkracht. De bergplaatsen der locomotieven en wagons waren reeds vroeg ingestort. In de nacht begon het steeds harder te waaien, hetgeen gepaard ging met donder en bliksem, terwijl de storm haar grootste kracht scheen te bereiken. De volgende dag durfde zich haast niemand op straat te begeven, daar het hoogst moeilijk was om staande te blijven en de neerstortende dakpannen, schoorstenen, gevels of gedeelten daarvan iedere dreigde te verpletteren. Met het aanbreken van de dag zag onze stad er uit alsof zij een kanonnade had doorstaan. Overal puinhopen, aan alle zijden verwoesting en zelfs ingestorte gebouwen’. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 34

FRITJOF DUDOK VAN HEEL

Door de nauwe onderlinge banden met de leiding van de Ordedienst ging de Schimmelpenninck-groep geruisloos in de Ordedienst op. Joan Schimmelpenninck zou in september 1941 na de arrestatie van Pierre Versteegh, die Johan Westerveld was opgevolgd als commandant, de leiding over de Ordedienst op zich nemen. Het zou van korte duur zijn, want Schimmelpenninck werd op 13 november 1941 thuis gearresteerd. Datzelfde lot was veel andere leden van zijn groep beschoren. Zestien van hen stonden net als Schimmelpenninck terecht bij de Tweede OD-proces, werden toen ter dood veroordeeld en werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide bij Amersfoort geëxecuteerd. Een van de zeventien terechtgestelden was:

Fritjof Dudok van Heel (Semarang, 19 april 1918) was de zoon van een administrateur van een suikerfabriek in de buurt van Kendal, ten westen van Semarang. Het gezin keerde na de crash van 1929 naar Europa terug en vestigde zich in 1932 in Bussum. In de zomer van 1938 behaalde Fritjof zijn diploma HBS-B aan het Christelijk Lyceum in Bussum. Aanvankelijk was hij vrijgesteld van militaire dienst vanwege ‘broederdienst’, maar die vrijstelling kwam te vervallen. Vanaf 10 oktober 1938 was hij in actieve dienst, per 2 januari 1939 bij het 1e Regiment Huzaren. Hij werd geplaatst op het depot van de cavalerie in Amersfoort: ‘alles meldt zich hier aan, tot de lichting 1929 toe. Dat zijn mensen die al zo’n veertien jaar uit de dienst zijn, getrouwde mannen, die nu net als de groenjassen (nieuwelingen), opnieuw afgericht moeten worden, door ons, piepjonge wachtmeesters.’ Als kornet was hij in de meidagen van 1940 commandant van het 3e peloton van het 3e eskadron van het 4e regiment Huzaren. Dat was gelegerd in Winssen, iets ten westen van Nijmegen in Gelderland. Al op 9 mei om 22.00 uur bereikten het eskadron alarmerende berichten. ‘Volgens vastgesteld plan werden de orders van Staf Brigade B, voor verhoogde en volledige strijdvaardigheid, uitgevoerd, waaronder bruggen bezetten, springladingen en versperringen aanleggen, e.d.’ In een verslag van 12 februari 1941 beschreef Dudok van Heel de oorlogshandelingen van de volgende vier dagen van zijn peloton. Op 12 en 13 mei raakten zij betrokken bij de gevechten rond Rhenen. Daarna moesten ze zich noodgedwongen terugtrekken. Toen het regiment op 14 mei in Achtersloot, ten zuidwesten van Utrecht, was gelegerd hoorden ze in de vooravond het bericht van de capitulatie. ‘Het 3e Peloton is gedurende alle oorlogsdagen volledig in de hand geweest. Er hebben zich geen ontvluchtingspogingen voorgedaan. Ordonnansen zijn steeds teruggekeerd en Huzaren die gewonden naar achteren vervoerden, hebben zich later weer teruggemeld bij hun commandant’, zo besloot hij zijn rapport. Fritjof meldde zich aan bij de School voor Suikerindustrie in de Van Breestraat in Amsterdam en werkte als volontair bij de Suikerfabriek Holland in Halfweg. Maar dat hij zich bij het verzet zou aansluiten, lag voor hem voor de hand: ‘Ben trouw aan Koningin verschuldigd, dus moet ook werken voor Vaderland. Daadwerkelijk meehelpen is wat anders dan met de mond.’ Hij was niet de enige in het gezin. Zijn jongere zus Mun was koerier bij de Geheime Dienst Nederland. De familie had onderduikers in huis en een stencilmachine voor verzetswerk. Zijn vader stierf aan een hartaanval op oudejaarsavond 1942, toen hij op straat werd aangehouden.

Nadat Gerard Dogger, Peter Tazelaar en Stuuf Wiardi Beckman een aantal malen tevergeefs op het strand op Erik Hazelhoff Roelfzema hadden gewacht, besloot Dogger in december 1941 om ‘hulptroepen’ mee te nemen. Zijn verzetsvrienden van de Ordedienst Chris Navis en Fritjof Dudok van Heel zouden de andere piertjes bewaken ‘om de weg te wijzen als die amateurs uit Engeland verkeerd landen’. Fritjof Dudok van Heel en Gerard Dogger kenden elkaar uit de verzetsgroep rond jonkheer Joan Schimmelpenninck. Toen die hem op 7 november 1941 had gevraagd om zich geheel aan het illegale werk te wijden, had Dudok van Heel dat verzoek aanvaard en was naar Den Haag verhuisd. Eerder al, direct na de capitulatie was hij met enkele vrienden, ongeorganiseerd, aan illegale activiteiten begonnen. Daartoe voelde hij zich als reserve kornet van de Cavalerie verplicht. In augustus en september 1941 trad hij enkele malen op als ordonnans van kolonel Peter Versteegh, toen chef-staf van de Ordedienst. Die woonde op de Jacoblaan 16, op een steenworp afstand van Dudok van Heels ouderlijk huis op de Busken Huetlaan 10 in Bussum. Fritjof was verloofd met Versteeghs stiefdochter Bé der Kinderen.

Bij de Ordedienst werd Fritjof verbindingsofficier. Zo verzorgde hij enige tijd de verbinding met de gewestelijke Ordedienst-organisaties in Friesland, Limburg, Overijssel en de Achterhoek en was betrokken bij de financiering van de organisatie door Auguste van Lennep. Na de arrestaties in de top van de Ordedienst, moest Fritjof samen met Chris Navis vanaf maart 1942 de organisatie overeind proberen te houden. Ze zagen elkaar eens in de veertien dagen, ‘waarbij wij elkaar in groote lijnen onze vorderingen mededeelden en beiden nogal geheimzinnig waren’, zo schreef Navis na de oorlog. Dudok van Heel was maar net ontkomen toen er begin maart een inval gedaan werd op zijn adres in de Piet Heinstraat. Zijn hospita had de Gestapo naar de bovenverdieping gestuurd, terwijl hij beneden sliep. Navis had vervolgens de spullen uit zijn kamer gehaald. Maar op 14 juli liep het fout. Cees van der Put, die sinds een maand als koerier van Dudok van Heel fungeerde, haalde hem op in Amersfoort, waar Fritjof bij zijn schoonzus logeerde. Daarna werden ze beiden opgepakt. Van der Put verraadde alles bij zijn verhoor en werd vrijgelaten. Dudok werd gevangen gehouden: tot 7 november 1942 verbleef hij in strenge Einzelhaft in Scheveningen, tot ongeveer 18 januari 1943 was hij geïnterneerd in Amersfoort, tot 12 maart in Vught.

Uit de gevangenis in Haaren had Fritjof een groot aantal boodschappen naar zijn verloofde Bé der Kinderen weten te sturen. Bé werd na de oorlog een van de belangrijke verslagleggers van de geschiedenis van de Ordedienst. Over Scheveningen schreef hij: ‘Einzelhaft (streng) ohne Begünstigung, Briefverkehr oder Lüften. Daarmee zonderen ze je volkomen af van elk ander levend wezen. Toen ik na 3 mnd. eindelijk een boek in handen had, kon ik wel huilen van plezier.’ Sachbearbeiter Walter Bartels had tijdens de verhoren gedreigd zijn ouders en zusje gevangen te nemen. ‘Niet hard geslagen, doch veel geplaagd met kruisverhoren op gekste momenten. ’s Nachts uit bed gehaald of vlak voor eten als dit reeds in gang is gehoord. Onthouding van maaltijd. Eerste 2 dagen niets gekregen. Wel roken. Duizelig van slapte en langdurig verhoor, soms 6 à 7 man tegelijk.’ Het regime dat hij in de Kampen Amersfoort en Vught meemaakte was barbaars. Mishandeling, ondervoeding, doodslag en moord, vernedering, uitputting. Het ‘ophitsen van half afgerichte honden’, de volstrekt onvoldoende kleding, het staan in de kou, de willekeur en het sadisme. De Joodse gevangenen hadden het het zwaarst te verduren.

Op 15 maart 1943 begon in Haaren het zogenoemde Tweede OD-proces waar Dudok van Heel met 99 anderen werd aangeklaagd. Over het proces in Haaren schreef hij dat vanwege de vele verhoren en confrontaties, de Ordedienst-mensen er snel achter kwamen als anderen meer toegaven dan zij. Uit zijn 24 pagina’s lange verklaring moest Dudok van Heel woorden, soms hele bladzijden intrekken, ‘als uit andere getuigenverklaringen [het] tegendeel bleek’. Eerste luitenant Pieter Vroom, die met Navis had samengewerkt en Van der Put bij de Ordedienst had geïntroduceerd, bleek mee te werken: ‘Practisch alle Gew.[estelijke] Ctn.[Commandanten] genoemd. Belofte dan rest vrijuit […].’ Hij kwam ook bij Fritjof: ‘Zeg nu maar alles, het mes moet erin gezet om erger te voorkomen.’ Op 27 april werden 21 van de aangeklaagden ter dood veroordeeld. Ze werden naar het Huis van Bewaring in Utrecht gebracht. Daarna was het afwachten. Zou een gratieverzoek werken, revisie? Als sabotage en spionage niet bewezen konden worden, leek er nog hoop te zijn. Op 5 juli schreef Dudok van Heel in de clandestiene correspondentie aan Bé der Kinderen: ‘Inderdaad is onze zaak hoopvol, doch alles hangt ten slotte toch aan een zijden draad. Hangt er nu maar van af, of die draad sterk genoeg is voor het gewicht.’ Dat bleek niet het geval. Er werden slechts vier gratieverzoeken verleend, aan Willem Kolff, Nicolaas Tibo, Jan Velu en Willem Roëll. Zestien mannen werden op 29 juli 1943 op de Leusderheide gefusilleerd, onder wie Joan Schimmelpenninck, Gerard Vinkesteijn, Anton Abbenbroek, Eddy Latuperisa, Johan de Jonge Mellij, Lex Althoff, Sieg Vaz Dias en Fritjof Dudok van Heel. Broer Moonen werd wegens ziekte later gefusilleerd, op 7 augustus. (overgenomen van www.wiardibeckman.com)

HET CONCERT 2

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (69)
EERDERE AFLEVERINGEN

Zij koos haar plaats een paar rijen vóór de zitplaatsen van onze dames, en hoewel de heer van der Hoogen deze omstandigheid in ’t vooruitzicht charmant genoemd had, geloof ik dat zij hem toch min of meer gênant voorkwam; immers hoe gaarne hij die ook zou hebben willen ten toon spreiden, toen hij de freule van Nagel (en hij moest wel!) zijn compliment ging maken, bleek ons weinig of niets van die gemeenzaamheid waar hij zoo hoog van had opgegeven. De freule beantwoordde zijn diepe buiging met een stijven groet, die hem op een allerakeligste afstand hield en, voor zoo ver ik bemerken konde, kwam er in de weinige woorden die zij hem ten antwoord gaf, veel van mijnheer, maar niets van Van der Hoogen, noch van languisseeren of iets dergelijks. Het was duidelijk dat de charmante haar eerbiedelijk op Henriette opmerkzaam maakte, maar zij was te beleefd om bepaald om te kijken, en eerst veel later, toen de heer van der Hoogen was heengegaan om zijn viool te stemmen, want hij was werkend lid, wendde zij haar schoon hoofd even om en wierp een blik op Henriette, die mij juist influisterde dat die freule Nagel zeker wel een jaar of dertig tellen moest. De kleine Hanna had ook reeds hare aanmerkingen op de aanwezigen, en was bijzonder geestig op het punt eener bejaarde dame, die zij vond ‘dat er dol uitzag; met die bayadère van gitten’.
Nu werden er een paar slagen op de pauken gehoord, en daarna trad, pratende en lachende, en zulks te meer naarmate zij met die opkomst enigszins verlegen waren, dat mengsel van virtuozen en dilettanten op, hetwelk gewoonlijk op een dames-concert zijne krachten samenspant om aller harten te betoveren, plaatste zich achter de respectieve lessenaren, en begon die vervaarlijke, snerpende, krassende kattemuziek uit te voeren, welke aan ieder muzikaal genot noodzakelijk schijnt vooraf te moeten gaan. Het gedruisch in de zaal hield op; ieder schikte zich op zijn gemak. De heren, en daaronder ik, deinsden meestal, op een enkel jong mensch na, die zich op ’t poseren en fixeeren toelei (daar waren onweerstaanbare ogen en alles veroverende tailles!), naar den achtergrond der zaal terug, en alles was doodstil. Daarop verhief de orkestmeester zijn ebbenhouten stafje, en de symphonie begon. Natuurlijk de zoveelste van Beethoven. (meer…)

THE ANIMALS

THE ANIMALS

The Animals was de naam van een Engelse groep, die deel uitmaakte van de Britse beat-explosie van begin jaren zestig. De blikvanger van The Animals was zanger Eric Burdon, klein van postuur maar met een gigantische stem, echter het muzikale genie achter de groep was onmiskenbaar Alan Price. Price vormde in 1961 in Newcastle, samen met bassist Chas Chandler, drummer John Steel en gitarist Hilton Valentine The Alan Price Rhythm and Blues Combo. De leden kenden elkaar van school of uit het kleine jazz- en bluescircuit van Newcastle. Toen een jaar later Eric Burdon er als zanger bij kwam, veranderde men de naam in The Animals, die naar verluidt te danken aan het behoorlijke ruige optreden van de band. De uitzonderlijke stem van Burdon plaatste hem al snel op de voorgrond. The Animals beschouwden zichzelf als rhythm-and-bluesgroep. Hun eerste single, Baby let me take you home, was echter een middle-of-the road popnummer, dat de band nooit live heeft willen spelen. Het nummer kwam op 16 april 1964 uit, maar geraakte in Engeland niet verder dan de 21ste plaats. Twee maanden later volgde hun bewerking van de traditional House of the rising sun en daarmee stootten ze direct door naar de eerste plaats, ook in de Verenigde Staten. Zonder medeweten van de band werd het nummer daar echter in een sterk bekorte versie uitgebracht. Het nummer viel op door het karakteristieke gitaarintro en door het feit dat het zes minuten duurde, hoewel daar dus in de VS ruim de helft af ging. De opvolgers I’m crying, het Nina Simone-nummer Don’t let me be misunderstood, Boom Boom en Sam Cookes Bring it on home to me, deden het iets minder goed, maar de groep had wel zijn naam definitief gevestigd. Het succes eiste ook zijn tol. De band werd door het management in een strak schema de weg op gestuurd en toerde door het Verenigd Koninkrijk, de rest van Europa en de Verenigde Staten. Als zanger kwam Eric Burdon steeds meer in het centrum te staan. Muzikale meningsverschillen, maar ook een vliegangst deden Alan Price in de zomer van 1965 besluiten de groep te verlaten. Velen dachten dat met zijn vertrek  een einde zou aan komen de successen van The Animals. Ook met de vervangers bleven de hits komen. Wekenlang stonden ze in de top tien van alle hitparades met nummers als It’s my life en We’ve gotta get out of this place. (meer…)

GERHARD VON GRAEVENITZ

Gerhard Albrecht von Graevenitz (Schilde, 19 september 1934 – Habkern, 20 augustus 1983) was een Duits beeldend kunstenaar. Hij was het jongste kind met drie broers en een tweelingzus uit het oeradellijke geslacht Von Graevenitz en een zoon van de Pruisische Landrat Dr. Hartwig von Graevenitz, heer van Schilde (1877-1945) en Margarethe Freiin von Feilitzsch (1896-1974), dochter van minister en minister-president Friedrich Freiherr von Feilitzsch (1858-1942). Gerhard trouwde in 1967 met kunsthistorica en hoogleraar prof. dr. Antje Ludwig (Hamburg, 26 augustus 1940), een historica, schrijfster en kunstcriticus. Het echtpaar von Graevenitz kreeg een dochter en een zoon kreeg; ze waren vanaf 1970 woonachtig in Amsterdam. Hij maakte seriële werken die tot de op-art gerekend worden., experimenteerde vroeg met computergrafiek en maakte ook reliëfs, die tot de kinetische kunst gerekend worden. Von Graevenitz studeerde van 1955 tot 1956 economie aan de universiteit in Frankfurt am Main en vanaf 1956 tot 1961 kunst aan de Akademie der Bildenden Künste München. Van 1959 tot 1960 was hij uitgever van het tijdschrift nota. In 1962 was hij mede-oprichter van de internationale groep Nouvelle Tendance (New Tendency), een kunstbeweging die in 1961 is Joegoslavië was opgericht door Matko Meštrović, Almir Mavignier uit Brazilië  en Božo, de Kroatische directeur van het Museum of Contemporary Art in Zagreb. De beweging was erg gericht op pop-art en kinetische kunst. De eerste werken van Von Graevenitz in 1959 waren monochrome reliëfs. Vanaf 1960 begon hij bewegende objecten te maken ofwel kunst waarin beweging centraal staat. De bedoeling van kinetische kunst is om de bewegende verandering van licht of beweging te begrijpen. In 1962 begon hij te experimenteren met computergrafiek. Hij ging series maken van geometrische patronen die hij als prints afdrukte. In 1968 nam hij met drie objecten deel aan de documenta 4 in Kassel. In zijn werk onderzocht Von Graevenitz de werking van de optische waarneming. De meeste van zijn werken werden als zeefdruk afgedrukt. Het vroege werk thematiseerde verhoudingen van vorm en kleur en van lijn en vlakverdeling. In zijn kinetische objecten onderzocht hij de spanningsvelden tussen structuur en beweging en tussen toeval en wetmatigheid. Gerhard von Graevenitz overleed op 20 augustus 1983 in Zwitserland als gevolg van een vliegtuigongeluk. (meer…)

NICO ROST – BRIEF UIT EEN CONCENTRATIEKAMP

Van het ‘arbeiders-schrijverscollectief’ Links Richten verschenen in de jaren 1932 en 1933 elf nummers van een gelijknamige tijdschrift. In een eerder blog is uit nr 3 Leve de Burgeroorlog van Johan Miera geplaatst, waarin hij de gezapige burgers waarschuwt voor de dreiging van het opkomende fascisme en nationaalsocialisme. Nummer 8, dat in mei 1933 verschijnt, is speciaal gericht op alle antifascistische actie en is bedoeld donateurs te werven voor het op initiatief van de dichteres, socialiste en activiste Henriette Roland Holst (Noordwijk-Binnen, 24 december 1869 – Amsterdam, 21 november 1952) en wiskundige, filosoof en socialist Gerrit Mannoury (Wormerveer, 17 mei 1867 – Amsterdam, 30 januari 1956) opgerichte Komitee K.H., wat staat voor ‘protestkomitee van kunstenaars en hoofdarbeiders ter behartiging van de belangen van vervolgden in den strijd tegen imperialisme en fascisme’. Mannoury was juist in 1932 geroyeerd door de Communistiche Partij Holland (CPH) omdat hij het opnam voor Leon Trotski, die door Stalin ten val was gebracht en verbannen. Nadien bleef Mannoury politiek actief voor gerechtigheid en tegen de doodstraf.In haar openingsverklaring begint het Komitee K.H. met de volgende woorden: ‘In steeds toenemende mate nemen in den laatsten tijd de machtsmiddelen, waarvan de naar imperialisme strevende regeeringen gebruik maken ter bestrijding hunner tegenstanders, vormen aan die de geestesontwikkeling der volkeren belemmeren en een ernstig gevaar opleveren voor de wereldkultuur. Bruut geweld treedt in de plaats van uitwisseling der gedachten en het toebrengen van lichamelijk en geestelijk leed aan de tegenstanders schijnt meer en meer het hoofddoel te worden voor de door haat en vrees verblinde machthebbers. Het Digoelkamp in Indonesië, het bloedbad op de ‘Zeven Provinciën’, de met iedere schijn van recht spottende vervolging van de Kom in Suriname, zijn voorbeelden van dat bruut geweld in eigen land; het Scottsboro-proces en de Duitsche terreur zijn recente en sprekende blijken van het heerschen van denzelfden geest in het buitenland. Reeds herhaaldelijk hebben vele kunstenaars en hoofdarbeiders in alle landen der aarde getuigenis afgelegd van de verontwaardiging welke deze geweldadige onderdrukkingsmaatregelen bij hen opwekken en van hun solidariteit met de klassen en rassen tegen dewelke die onderdrukking is, gericht.’ (meer…)