JOAN BAEZ

Joan Báez (New York, 9 januari 1941) is een Amerikaanse folkzangeres en liedjesschrijfster, die in de zestiger en zeventig jaren zeer bekend was vanwege haar actieve politieke betrokkenheid. Baez groeide samen met haar twee zusters op in een quaker-gezin. Ze is zich altijd blijven identificeren met de quaker-tradities, vooral op het vlak van het pacifisme en sociale vraagstukken. Tijdens haar jeugd was Baez regelmatig slachtoffer van racistische opmerkingen en discriminatie vanwege haar Mexicaanse afkomst. Zo raakte zij al vroeg in haar carrière betrokken bij verschillende sociale bewegingen als algemene burgerrechten, geweldloosheid en sociale gerechtigdheid. Ze weigerde dan ook in gescheiden witte studentenlocaties te spelen. Daardoor speelde ze tijdens haar tournees door het Zuiden alleen op zwarte hogere opleidingen. Joan werd vooral bekend door haar songs tegen oorlog en voor vrijheid en algemene burgerrechten. Een bekend lied is With God on our side van het album The times they are a-changin’, dat ze samen met Bob Dylan ten gehore bracht. Dylan was ook de schrijver van het nummer. Dylan lopt eigenlijk als een rode draad door haar leven. Ze heeft tientallen nummers van hem opgenomen. Joan Baez geldt nog altijd als een van de prominentste leden van de protestgeneratie. Ze is nog steeds betrokken bij acties voor maatschappelijke rechtvaardigheid. Baez debuteerde in 1959 op het eerste Newport Folk Festival. In 1969 speelde ze op het beroemde Woodstock. Sinds 1960 zijn iets meer dan veertig albums en cd’s van haar verschenen, waarbij de eerlijkheid me gebiedt te zeggen dat het repertoire na de jaren tachtig minder en minder werd. Voor mij zijn de luisterliedjes uit de vroege zestiger jaren verreweg de mooiste. Een van de juweeltjes uit die tijd is The Trees They Grow So High, een Schotse ballad uit de 17e eeuw (en misschien nog wel eerder) over een gearrangeerd kinderhuwelijk in de Middeleeuwen. Op Early Music Muse verscheen een uitgebreide analyse van het nummer, inclusief de tekst van het nummer. Het nummer is in Schotland altijd onderdeel gebleven van het traditionele repertoire, maar de rest van de wereld nam er pas echt goed kennis van toen in de zeventiger jaren folkmuziek een enorme revival kende. Tal van artiesten namen het nummer sindsdien op. Zo is er een mooie versie van Martin Carthy, die de tekst ingrijpend moest omgooien omdat het origineel bedoeld was om door een vrouw te zorgen gezongen. Ook van Pentangle is er een mooie versie, maar die van Joan Baez blijft favoriet.  (meer…)

HET BERUCHTE VIJFTAL VAN FRIESLAND 4

Vanaf het Burmaniahuis dat gedurende de Tweede Wereldoorlog het hoofdkantoor was van de SD-Aussenstelle Leeuwarden terroriseerden een ‘beruchte viertal’ de provincie Friesland: Lucas Bunt, Abraham Kaper, Fransoos Lammers, Jan Meekhof en Zacharius Sleijffer.

Jan Meekhof (Ruinen, 9 november 1922 – Utrecht, 17 april 1994) was een NSB’er SS’er tijdens de Tweede Wereldoorlog. In een verslag van zijn berechting in 1946 voor het Bijzonder Gerechtshof Leeuwarden wordt over hem opgemerkt: ‘Het behoort tot de grote zeldzaamheden, dat het Bijzonder Gerechtshof op één dag slechte één enkele zaak ter berechting op zijn rol heeft staan. Die éne zaak betrof die van den 23-jarigen Jan Meekhof, een naam welke in één adem behoort te worden en dan in de regel ook wordt genoemd met die van het beruchte duo Lammers en Sleijffer. Meekhof dan, die thans is ingesloten in het Huis van Bewaring „Crackstate” te Heerenveen, was in de oorlogsjaren opperwachtmeester der Staatspolitie en stond in zeer nauw contact met de Duitse Sicherheitsdienst. Reeds in het begin van de oorlog, nog geen achttien jaar oud, sloot deze kwajongen zich aan bij de Waffen S.S. Dit gebeurde te Zwolle. Was het hierbij gebleven, we geloven zeker, dat de advocaat-fiscaal, bij het uitspreken van zijn eis, rekening met de jeugdige leeftijd van dezen verdachte zou hebben gehouden. Doch we kunnen ons voorstellen, dat een gevoel van walging mr. Nubé moet hebben bekropen toen hij de lange lijst van wandaden voorlas, welke deze jonge onverlaat achtereenvolgens heeft bedreven.’ (meer…)

DE FAMILIE STASTOK (14)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (27)
EERDERE AFLEVERINGEN

Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan (1)

De knorrigheid, waarmee Pieter was te bed gegaan, was mij in ’t geheel geen raadsel geweest. Men heeft opgemerkt dat hij den geheel avond niet bij uitstek veel gesproken heeft, terwijl hij anders onder zijn vaders vrienden praats en waanwijsheid genoeg had. Maar twee kleine omstandigheden hadden hem gehinderd en belemmerd, te weten: liefde en haat. Het was mij namelijk volstrekt niet ontgaan dat hij gedurig stille blikken had geworpen in het witte halsje van Koosje, en zeker openlijke blikken op haar gelaat had willen werpen, zoo hij het had durven wagen een geregeld gesprek met haar aan te knopen. Verder was het mij niet moeilijk gevallen te ontdekken hoe de goedkeuring hem gehinderd had, die de schone verzen van Victor (hoe middelmatig en ongeregeld ook vertolkt, en slechtweg voorgedragen) bij haar hadden ontmoet; en hoe hij mij èn de vrijmoedigheid, waarmee ik mij daarna met haar in gesprek had begeven, èn de vriendelijke lachjes, die mij bij die gelegenheid waren te beurt gevallen, had benijd. Hij had zich van dezen avond voor zijn verliefd hart, geloof ik, heel veel voorgesteld; maar Koosje was vertrokken zoo als zij gekomen was, zonder dat hij haar één zoet woordje had toegevoegd, tenzij dan ‘hou je nog al van evenveeltjes?’ Hij had er op den duur ‘ingezeten’: hij had tegenover zijn eigen voornemens en tegenover wat hij voor zijn hartstocht hield een mal figuur gemaakt; wat wonder zoo hij uit zijn humeur geraakt was?
Ik wilde meer van dit alles hebben.
(meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 29

LUCIE BADOUL

Lucie Badoul (1903-1066) is in 1922 pas negentien jaar oud als ze de schilder Tsuguharu-Léonard Foujita (Tokio, 27 november 1886 – Zürich, 29 januari 1968) leert kennen. Ze was de dochter van een rijke boer uit het noorden van Frankrijk. Die hadden hun dochter al op jonge leeftijd naar haar oma in Parijs gestuurd om haar een keurige opvoeding te geven. Kort daarna verlor ze beide ouders; haar moeder stierf aan kanker en haar vader kort daarop na een zware van van de trap. In 1920 overleed ook haar oma en stond de 17-jarige Lucie er alleen voor.  Ze blijft in het appartement van haar oma wonen en weet rond te komen van de erfenis van de drie testamenten. Wel ontdekt ze het uitgangsleven en stuit vanwege haar schoonheid, decadente uitstraling en Parijse kapsones op veel jaloezie met de andere vrouwen die in de Vlaamse kroegen in Parijs aanwezig zijn. Ze heeft vage plannen iets in het theater of de cinema te gaan doen. Eind november 1922 loopt ze in de bekende kroeg La Rotonde Foujita tegen het lijf. Die is dan inmiddels al 36 jaar, al een levende legende in Montmartre en hard op weg de beroemdste schilder van de twintiger jaren te worden. Ze wordt omschreven als een melancholieke schoonheid,  met een weelderig lichaam, een opvallend kapsel en met grote stralende ogen en een oogopslag die maar weinig mannen kunnen weerstaan. Ze schijnt een zeer witte huidskleur te hebben gehad, wat voor Foujita aanleiding was haar de naam Youki te geven  wat de Japanse naam voor ‘roze sneeuw schijnt te zijn. Ze wordt al snel het favoriete model van de schilder en zal drie jaar lang (1928-1931) zijn echtgenoot worden. Omstreeks 1930 hebben Badoul, Foujita en de dichter Robert Desnon (Parijs, 4 juli 1900 – Theresienstadt, 8 juni 1945) een geruchtmakende driehoeksverhouding. De vele andere affaires die Foujita erop nahoudt, drijven hen uiteindelijk uit elkaar. De affaire met Foujati blijft echter wel geboekstaafd als ‘één van de twaalf muses die de loop van de geschiedenis hebben veranderd’. (meer…)

HET BERUCHTE VIJFTAL VAN FRIESLAND 3

Vanaf het Burmaniahuis dat gedurende de Tweede Wereldoorlog het hoofdkantoor was van de SD-Aussenstelle Leeuwarden terroriseerden een ‘beruchte vijftal’ de provincie Friesland: Lucas Bunt, Abraham Kaper, Fransoos Lammers, Jan Meekhof en Zacharius Sleijffer.

Abraham Kaper (Zaandam, 9 mei 1890 – Groningen, 29 juni 1949) was een Nederlands politieagent, collaborateur en veroordeeld oorlogsmisdadiger. Bram was een van de jongste in een gezin met vijftien kinderen. Hij werd vernoemd naar een twee jaar eerder overleden broertje, dat slechts zes werd. Ook drie andere broers en een zus sterven voortijdig. Het gezin Kaper leidde een armoedig bestaan. Zijn vader maakte en verkocht houten gebruiksvoorwerpen. Het gezin is streng gereformeerd. Bram gaat naar school en de kerk, al met al een sober en overzichtelijk leven in de kleine, benauwende gereformeerde wereld in een arbeidersstad waar socialisme en anarchisme een hoofdrol spelen. Op 2 augustus 1913 verhuist hij naar Amsterdam, waar hij een baan heeft gekregen bij de politie. Hij was toen verloofd met de ook in Zaandam opgegroeide, vier jaar oudere Grietje Potman, die dan een één jaar oude zoon heeft die is verwekt door haar eerdere joodse werkgever. Die erkende het kind echter niet. De joodse komaf was voor Bram geen probleem. Hij zorgde er voor voor dat het kind zijn achternaam kreeg. Op 14 mei 1914 traden ze in Zaandam in het huwelijk; er volgen de jaren daarop nog twee kinderen. Bram maakte promotie en werd overgeplaatst het nieuwe Bureau Zeden- en Kinderpolitie en vijf jaar later naar het Bureau Centrale Recherche. Vanaf 1930 mocht hij zich brigadier-rechercheur noemen. De zondagen werden als vanouds benut voor bezoeken aan de gereformeerde kerk. Helemaal goed ging het echter toch niet met hem. Tijdens een Bijbellezing in de kerk kreeg hij een paniekaanval en hij schijnt in die jaren ook een zelfmoordpoging te hebben gedaan. Begin jaren dertig zit hij een tijdje in een zenuwinrichting. Na zijn ontslag daar keerde hij terug naar de politie. In 1933 belandde hij bij de verzelfstandigde Zedenpolitie, wat hem veel contacten met een groot aantal criminele informanten opleverde, die hem vanaf 1940 nog erg van pas zouden komen. (meer…)

JIM MORRISON

THE DOORS

The End is een nummer uit januari 1967 van de Amerikaanse rockband The Doors van hun debuutalbum The Doors. Het nummer was oorspronkelijk geschreven door Jim Morrison over het uitgaan van zijn relatie met vriendin Mary Werbelow, maar na maanden van optredens in het Whiskey A Go-Go in Los Angeles groeide het nummer uit tot een bijna twaalf minuten lang muziekstuk. De thematiek werd daarmee ook breder. Waar het in eerste instantie ging om een relatiebreuk, kwam er nu een shockerend klassiek Oedipus-thema bij, waarin Morrison zingt dat hij zijn vader wil vermoorden en zijn moeder wil beminnen. Dat laatste wordt slechts gesuggereerd, doordat de tekst enigszins onverstaanbaar is: “Mother… I want to…Aaaah!” Aan het einde van het nummer wordt meerdere malen het woord ‘Kill’ herhaald. Dit was jarenlang nauwelijks te horen, maar op nieuwe uitgaven van het album is dit duidelijk aanwezig. De tekst is altijd voor iedereen lastig te begrijpen geweest en vooral de zin dat hij zijn vader wil vermoorden en het een of ander met zijn moeder wilden doen, zijn altijd berucht gebleven. Ray Manzarek, de keybordspeler van de groep, verklaarde later: ‘Morrison had worked on a student production of Oedipus Rex at Florida State University. He was giving voice in a rock ‘n’ roll setting to the Oedipus complex, at the time a widely discussed tendency in Freudian psychology. He wasn’t saying he wanted to do that to his own mom and dad. He was re-enacting a bit of Greek drama. It was theatre!’ Drummer John Densmore zei hierover: ‘At one point Jim said to me during the recording session, and he was tearful, and he shouted in the studio, ‘Does anybody understand me?’ And I said yes, I do, and right then and there we got into a long discussion and Jim just kept saying over and over kill the father, fuck the mother, and essentially boils down to this, kill all those things in yourself which are instilled in you and are not of yourself, they are alien concepts which are not yours, they must die. Fuck the mother is very basic, and it means get back to essence, what is reality, what is, fuck the mother is very basically mother, mother-birth, real, you can touch it, it’s nature, it can’t lie to you. So what Jim says at the end of the Oedipus section, which is essentially the same thing that the classic says, kill the alien concepts, get back reality, the end of alien concepts, the beginning of personal concepts.’ (meer…)

HET BERUCHTE VIJFTAL VAN FRIESLAND 2

Vanaf het Burmaniahuis dat gedurende de Tweede Wereldoorlog het hoofdkantoor was van de SD-Aussenstelle Leeuwarden terroriseerden een ‘beruchte viertal’ de provincie Friesland: Lucas Bunt, Abraham Kaper, Fransoos Lammers, Jan Meekhof en Zacharius Sleijffer.

Lucas Bunt (Nijehaske, 17 april 1907 – Heerenveen, 21 april 1981) was een Nederlandse NSB’er en SS’er Hij was horecaondernemer en exploitant van het Friesch Koffiehuis in et pand zou later in Leeuwarden vaak ‘de rotte kies van Leeuwarden’ worden genoemd, niet vanwege het feit dat Lucas Bunt er ooit eigenaar en exploitant was, maar omdat de vervallen pandjes van het koffiehuis tot frustratie van de gemeente en omwonenden al vanaf eind negentiger jaren leeg stonden en steeds meer in verval raakten. In 2017 werd de hele boel eindelijk gesloopt en werd voor 1,2 miljoen euro een gloednieuw nieuw horeca-etablissement gebouwd. In zijn boek In dienst van de nazi’s merkt Paul van de Water op dat vaak ten onrechte wordt beweerd dat de meeste collaborateurs vooral laagopgeleide mensen waren in sociaal povere omstandigheden. Lucas Bunt was echter bepaald niet armlastig. Verder stond hij voor de oorlog bekend als een vrijmetselaar, apolitiek, Oranjegezind en anti-Duits. Van de Water: ‘Je zou niet verwachten dat hij ging werken voor en met de bezetter en dat hij gewelddadig werd. Dat is toch gebeurd. Tijdens de inval is zijn broer gesneuveld. In hedendaagse verklaringsmodellen voor extremisme wordt zo’n traumatische gebeurtenis als cruciaal gezien voor een omslag.’ Hij voegt eraan toe in zijn boek een meer­dimensionale benadering te volgen en te onderzoeken welke psychologische, sociologische en maatschappelijke factoren van invloed zijn op de ontwikkeling naar radicaal en extremistisch en hoe die factoren elkaar versterken. (meer…)

MUIZENEST EN WEBARCHIVERING KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK

Van oorsprong heeft de Koninklijke Bibliotheek (KB) de opdracht om alle gedrukte publicaties te verzamelen uit of over Nederland opdat die voor toekomstige wetenschappers en studenten beschikbaar zullen zijn. Sinds het begin van deze eeuw is een groot deel van dat (gedocumenteerde) openbare leven verplaatst naar internet en internet is bij uitstek een vluchtig medium, waarop de informatie zeer snel veroudert. De geschiedenis van vandaag wordt vooral online geschreven. Daarom archiveert de KB sinds 2007 de belangrijkste websites van Nederland om te voorkomen dat de onderzoekers van de toekomst te maken krijgen met een digitaal gat in ons geheugen. Om die toekomstige wetenschappers deze informatie te geven worden selectief websites over de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis gearchiveerd en voor de lange termijn bruikbaar gehouden. In juni 2019 waren er 15.400 Nederlandse websites gearchiveerd, wat een erg klein deel is van de ruim twee miljoen websites die ons land kent. In haar keuze voor de selectiemethode heeft KB gekozen voor een selectieve benadering, omdat die zich het beste verhoudt tot de doelstellingen, de beschikbare middelen en de gekozen juridische aanpak van de KB. De KB maakt een beredeneerde selectie, die bestaat uit een dwarsdoorsnede van het Nederlandse webdomein. In de selectie ligt de nadruk op Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis. Daarnaast archiveert de KB ook websites met een inhoudelijk innovatief karakter die exemplarisch zijn voor de huidige trends op het Nederlandse deel van het web. De KB kijkt bij de selectie ook naar maatschappelijke relevantie en populariteit. Een volgende stap zal zijn om samenwerking te zoeken met andere kennisinstituten om op die manier de selectie te verbreden en daarbij gebruik te maken van de inhoudelijke expertise van andere organisaties. Daarvoor is door de KB er een samenwerkingsverband aangegaan met de Universiteit van Amsterdam en het Centrum Wiskunde en Informatica (CWI) uit Amsterdam, dat WebART heet (wat staat voor ‘web archive retrieval tools‘; het heeft dus niks met kunst te maken. Op de KB-website wordt nadere informatie gegeven over de juridische en technische aspecten van de webarchivering, hoe het archief te bereiken is en allerlei overzichten. (meer…)

DE FAMILIE STASTOK (13)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (26)
EERDERE AFLEVERINGEN

Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren (5)

De heer Dorbeen kuchte. De heer van Naslaan trok ogen en wenkbrauwen pijnlijk samen, als of hij vragen wilde: ‘Waar moet dat naar toe?’ – Juist omdat ook hij dat niet wist, liet mijn ooms gelaat onbepaalde bewondering blijken.
‘Zoo zijt gij, dierbaar kind! Waar gij verschijnt, daar vluchten
En duisternis en nacht en zwarte regenluchten;
Gij zijt een heldre zon, een blijd en vroolijk licht;
Door d’adem van uw mond verwekt gij vreugd en leven,
Als zuivre koeltjes, die langs ’t knoppig bloembed zweven,
En ’t blosje sterken op der rozen aangezicht.
Want duizend lieflijkheên uit uw schoone oogjes schijnen;
Uw kleine handjes, die ik berg in een der mijnen,’

‘Och heer!’ zei mijn tante halfluid, en haar ogen werden allervriendelijkst klein.
‘Doen nog geen kwaad; gij weet nog niet wat dat beduidt.
Wat lacht gij vriendlijk, als wij ze u met speelgoed vullen!
Klein heiligje, in een krans van glinstrend blonde krullen,
Hoe lieflijk blinkt uw hoofdjen uit!’
(meer…)

OTTO PIENE

Otto Piene (Bad Laasphe, 18 april 1928 – Berlijn, 17 juli 2014) was een Duits kunstenaar die op 11 april 1957 samen met Heinz Mack in Düsseldorf de Duitse groep ‘Zero’ oprichtte. Piene’s vader was in Bad Laasphe een van de oprichter van het plaatselijke gymnasium. Nadat Otto deze opleiding in 1947 had afgerond studeerde hij tot 1950 aan de Akademie der Bildenden Künste in München en van 1950 tot 1953 aan de kunstacademie in Düsseldorf. Tussen 1951 en 1964 werkte Piene als docent aan de modeschool in Düsseldorf. Van 1953 tot 1957 studeerde hij aan de universiteit in Keulen filosofie, wat hij met een staatsexamen afsloot. Tegelijkertijd met de afsluiting van zijn studie, richtte Piene dus samen met Heinz Mack de kunstenaarsgroep Zero op (‘ein Nullpunkt der Kunst’), waar zich al snel vele andere kunstenaars bij aansloten en die internationaal erg invloedrijk zou worden. De beweging was zeer verwant aan de Nederlands-Belgische Nul-beweging die in 1960 werd opgericht door Jan Schoonhoven, Armando, Jan Henderikse, Herman de Vries en Henk Peeters en waarvan daarnaast ook Stanley Brouwn, Pol Bury, Walter Leblanc, Jef Verheyen en Paul Van Hoeydonck belangrijke leden waren. (meer…)

JULES PASCIN

Jules Pascin (Vidin, 31 maart 1885 – Parijs, 20 juni 1930) was een Bulgaars-Amerikaanse schilder en tekenaar. Hij was het achtste van de elf kinderen in een sefardisch gezin. Zijn vader Marcus Pincas was een welgesteld Bulgaars zakenman, zijn moeder Sofie Russo stamde uit een oude sefardische famile uit Triest en was van Servisch-Italiaanse origine. Binnen het gezin werd Ladino gesproken, de Romaanse taal van sefardische Joden in de diaspora die uit het Spaans is ontstaan en sterk verwant is aan het aan het Duits verwante Jiddisch. Vanaf 1892 woonde het gezin in Boekarest. Hij heette dus eigenlijk Julius Mordecai Pincas, maar onder druk van zijn familie veranderde hij in Pascin, een anagram van zijn oorspronkelijke naam. De familie was namelijk was ontstemd over zijn levenswijze en wat dat voor hun reputatie zou betekenen. Niet onbegrijpelijk, want al op jonge leeftijd bleek dat hij erg veel tekentalent had en op vijftienjarige leeftijd was Jules regelmatig in de plaatselijke bordelen te vinden om naakttekeningen te maken. Iets wat hij de rest van zijn leven zou blijven doen. Vervolgens trok Pascin naar Wenen voor een tekenstudie en in de jaren 1902-1905 verbleef hij in Boedapest, Wenen, München en Berlijn, waar hij aan verschillende academies studeerde. In Berlijn werkte hij een tijdje mee aan het satirische weekblad Simplicissimus, dat verscheen tussen 1896 en 13 september 1944. Aan het blad werkten in de loop der tijd verschillende bekende politiek actieve intellectuelen mee, waaronder Hermann Hesse, Thomas Mann, Erich Mühsam en Käthe Kollwitz. Voor de Eerste Wereldoorlog bereikte het blad een ongekende populariteit vanwege het bespotten van de burgerlijke moraal, de wilhelminische politiek, het militarisme, de ambtenarij en de kerkelijke gezagsdragers. Het blad lag dan ook regelmatig onder vuur van de overheid, die met regelmaat rechtszaken tegen het blad aanspande. Vanaf 1909 verscheen ook een Franse uitgave, waarin de prenten voorzien werden van Franse vertalingen. De uitgevers werden daarop bekritiseerd wegens het verlenen van spandiensten aan de Franse erfvijand. Tijdens de oorlogsjaren 1914-1918 liet het blad de militarisme-kritische houding geheel varen en volgde een nationalistische koers.Later ging het blad uit lijfsbehoud (hoe zei Brecht dat ook alweer: Erst kommt das Fressen, dann die Moral) een steeds rechtsere koers. Na de machtsovername van Hitler in 1933 zou het blad zonder protest een instrument worden van het nieuwe regime. In 1944 ging het blad roemloos ten onder. (meer…)

J.J. CALE

J. J. CALE

J.J. Cale, geboren als John Weldon Cale (Oklahoma City, 5 december 1938 – La Jolla, 26 juli 2013) was een Amerikaanse singer-songwriter en gitarist. Hij groeide op in Tulsa, Oklahoma. J.J. Cale stond bekend om zijn ingetogen, laid-back en hoekige muziekstijl, wat de Tulsa-stijl werd genoemd. Een mengeling van rock & roll, rockabilly en blues met jazzy invloeden. Zijn muziekstijl is later overgenomen door artiesten als Mark Knopfler en Eric Clapton. Zes jaar na zijn overlijden kwam de CD Stay Around uit, zijn vijftiende studioalbum en met allemaal nieuw materiaal. Nieuw in de betekenis dat het allemaal materiaal was dat nooit eerder op plaats verschenen. Sommige nummers zijn zo fantastisch dat je je afvraagt om welke reden het in hemelsnaam nooit eerder is uitgegeven. Christine Lakeland, zijn weduwe en tevens lid van zijn begeleidingsband, en zijn manager-vriend Maike Kappus maakte een selectie uit alle nummers die nog op de plank lagen. Op één na ook allemaal door Cale gecomponeerd, die zoveel mogelijk de instrumenten zelf speelde, zonder gebruik te maken van dure studio’s en sessiemuzikanten. Het ene nummer dat niet van Cale is (My baby blues) werd geschreven door Christine Lakeland, die vanaf eind jaren zeventig deel uitmaakte van Cale’s band. Mijn favouriete nummer, Go Downtown, werd voor YouTube voorzien van een video die door Carine Khalife uit Montreal werd vervaardigd. Ze zei hierover: ‘In a poetic dive into a colourful stained glass scenery, we accompany a character in his peregrinations. Light reveals warm and highly textured landscapes in which each piece of stained glass are intertwined. From a subjective point of view, our character walks, ride, drive, restlessly. It takes efforts, it takes courage, it takes love. Time passes and everything changes but the determination remains like a clock that never stops. The gigantic nature seems infinite, but little by little the city lights start to shine. Based on cut-out shapes, everything is made to change. The backgrounds turn from morning first light to night sky. Shapes echos to themselves, continuously shifting, growing, moulting. Stained glass style will be created using a mix of oil paint, stop motion animation and digital movements. Basically, my technique is to paint on a piece of glass fixed to a light box. A camera, fixed overhead above the animation table, would capture my paintings frame by frame and create the animated textures. The single light source comes from beneath the glass, reveals the textures and details of brushes movements. Frames are then cut out and assembled digitally to compose scenes. The main rhythm and frame rate will be based on the tempo of the track. Inspired by rich and colourful modern stained glass designs as well as organic shapes of painters like Peter Doig, the video aims to immerse the viewer/listener in a soft, luminous and somehow mystical adventure.’ (meer…)

EMILE-ANTOINE BOURDELLE

Émile-Antoine Bourdelle (Montauban, 30 oktober 1861 – Le Vésine), 1 oktober 1929) was een Franse beeldhouwer en schilder. In Mountauban, een plaatsje iets boven Toulouse, had zijn vader een meubelmakerij, waar Bourdelle toen hij veertien jaar oud was als houtbewerker ging werken. Hij leerde tekenen bij Armand Cambon (Montauban, 22 februari 1818- Montauban, 14 januari 1885), een schilder en vriend van Jean-Auguste-Dominique Ingres (Montauban, 29 augustus 1780 – Parijs, 14 januari 1867), de grote neoclassicistische schilder. Cambon werd na de dood van Ingres aangewezen als zijn testamentair executeur en degene die moest zorgdragen voor de oprichting van het Musée Ingres. Ingris had al in 1851 een deel van zijn collectie, die bestond uit eigen werk, werk van leerlingen, een verzameling antieke Griekse vazen en andere antiquiteiten aan zijn geboortestad geschonken. In 1854 werd een Salle Ingris geopend in het stadhuis van Montauban, dat was gevestigd in het voormalige bisschoppelijk paleis uit de zeventiende eeuw. Na de dood van Ingres in 1867 werd de collectie aanzienlijk uitgebreid met onder andere duizenden tekeningen. Na de opleiding hier ging Émile-Antoine Bourdelle voor zijn opleiding als beeldhouwer naar Toulouse, waar hij tien jaar aan de Académie des Beaux Arts studeerde. Toen hij 24 jaar oud was kreeg hij een beurs voor de École des Beaux Arts in Parijs. Zijn leermeesters waren Alexandre Falguière en Jules Dalou. In 1888 vervaardigde hij zijn eerste sculpturen van Beethoven, werken met veel pathos, monumentale kracht en een harmonische beweging. Hij was een der pioniers van de monumentale beeldhouwkunst van de twintigste eeuw. Auguste Rodin bewonderde zijn werk en vanaf 1893 tot 1908 werkte Bourdelle als Rodins assistent. Bourdelle ontwikkelde zich tot een bekende leermeester, zowel in Rodins als in zijn eigen atelier. Veel later bekende kunstenaars (waaronder Alberto Giacometti) kregen van hem onderricht, waardoor hij een aanzienlijke invloed op de beeldhouwkunst uitoefende. Van 1909 tot aan zijn dood in 1929 was hij docent aan de belangrijke Académie de la Grande Chaumière in Parijs. Hij was de oprichter en vicepresident van de Salon des Tuileries in Parijs. Antoine werd begraven op Cimetière du Montparnasse. (meer…)

HET BERUCHTE VIJFTAL VAN FRIESLAND 1

Bij de Sichterheitsdienst (SD) in Leeuwarden werkte vier Nederlanders die als ‘het beruchte viertal van Friesland’ de geschiedenisboeken zouden ingaan. In Leeuwarden was vanaf het begin tot 28 oktober 1942 een afzonderlijke Aussendienststelle van de SD en Sicherheitspolizei (Sipo) gevestigd. Vanaf 28 oktober 1942 werd Leeuwarden een Polizeiposten die ressorteerde onder Groningen. In september 1944 kwamen door de snelle geallieerde opmars veel Duitsers en Duitsgezinde Belgen in Nederland terecht. Leeuwarden werd toen opnieuw een Aussendienststelle. De SD was belast met het opsporen van alle soorten van (mogelijke) tegenstanders van het nationaalsocialistische regime in Duitsland en later in de bezette gebieden. De competenties tussen SS, SD en Gestapo waren echter onduidelijk geregeld. In Leeuwarden werd het Burmaniahuis, een monumentaal herenhuis in de binnenstad uit de 15e eeuw, het symbool van de Duitse onderdrukking, vergelijkbaar met de reputatie van het Scholtenhuis in Groningen. De SD betrok in de oorlog het oude gedeelte van het Burmaniahuis; in het nieuwe gedeelte werkte de verzekeringsmaatschappij ‘Algemeene Friesche’ heel de oorlog gewoon doorwerken. Ter herinnering aan de martelingen en verhoren zal bij het Burmaniahuis een gedenkteken worden geplaatst. Kopstukken bij de SD in Leeuwarden waren onder meer Wilhelm Albrecht, Theodor Vogel, Friedrich Grundmann en Jozef Keijl. (meer…)

DE FAMILIE STASTOK (12)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (25)
EERDERE AFLEVERINGEN

Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren (4)

Het was het speelwerk in de lamp, door mijn tante, in schijn van lepeltjes uit het lepeldoosje, dat voor den olifant stond, te zoeken, opgewonden. Ik begreep nu waarom zij er zoo op gesteld was geweest, dat mevrouw Dorbeen haar reciet mocht hebben uitgesteld.
Mevrouw Dorbeens ogen, die net gereed stonden om met
‘Ik wens geen stap terug te treden,’
hevig uit te rollen, rolden terug met de snelheid van een spoortrein.
‘Wat is dat?’ riep ze.
‘Dat is een walsje,’ zei haar man.
‘Neem mij niet kwalijk, mevrouw,’ smeekte mijn tante, ‘ik had het opgewonden. ’t Is het speelwerk in de lamp. ’t Is anders de aardigheid, dat het zo onverwachts begint, een poosje nadat het opgewonden is. ’t Was om de vrinden te verrassen. Ik had gehoopt dat UE. wat later zou hebben gereciteerd; nu komt het er ook zo mal in.’
Mijn tante zou gaarne, in dat ogenblik van verlegenheid, de gehele bronzen olifant den kop ingedrukt hebben. Maar er was niets aan te doen, en in blinde opgewondenheid ging hij voort met zijn
Ach, du lieber Augustin!
(meer…)

DE DRIE GRATIËN – 038

Glenna Janda is een kunstenares uit Fort Worth, die eerst een ‘fine arts degree’ behaalde aan de Texas Christian University in haar geboorteplaats en daarna rum twintig jaar in Mexico woonde. Daar studeerde ze aan de University of the Americas in Mexico City en beeldhouwkunst en ballet (wat een wonderlijke combinatie) aan het Nationale Instituut  voor de Schone Kunsten (Instituto National de Belles Artes in San Miguel de Allende, een plaatsje met enkele tienduizenden inwoners in het centrum van het land. De plaats, die is vernoemd naar Ignacio Allende (een held uit de Mexicaanse Onafhankelijkheidsoorlog, telt een groot aantal gepensioneerden uit de VS en is redelijk populair onder toeristen die ook wel hoofdzakelijk uit het noorden komen. Terug in Mexico vervolmaakte ze haar opleiding aan de beeldhouwstudio van Enrique Mirala en de keramiekstudio van Manolo Ruiz. Vanaf 1971 werkt ze als kunstenares en heeft ze aan talrijke tentoonstellingen meegedaan, zowel solo als in groepsve3rband. In 1981 vestigde ze zich weer in de Verenigde Staten, in Sante Fe, New Mexico, waar ze haar werk in de eigen keramiekwerkplaats combineerde met het lesgeven in beeldhouwkunst aan de middelbare school. Tussendoor zag Glenna Janda ze ook nog gelegenheid om dans- en balletonderwijs te geven in Santa Fe en in de oude woonplaats San Miguel de Allende. Na een aantal jaren is ze toch weer teruggegaan naar haar geboorteplaats Fort Worth waar ze weer een eigen werkplaats begon. het uitbeelden van de tango is een van haar favoriete thema’s in haar werken; daarnaast laat ze zich inspireren door de traditionele precolumbiaanse handgemaakte kleikunstwerken.

DE KATHOLIEKE EMANCIPATIE

In 1559 voerde Filips II, het staatshoofd van Spanje en de Spaanse gebieden, herindeling van de bisdommen in de Nederlanden door. De noordelijke gewesten vielen onder de Utrechtse kerkprovincie, de zuidelijke onder de Mechelse. Utrecht werd een aartsbisdom, met daarvan afhankelijk de bisdommen Haarlem, Middelburg, Deventer, Groningen en Leeuwarden; onder het aartsbisdom Mechelen vielen de bisschopszetels van ‘s-Hertogenbosch en Roermond. De eerste nieuwe aartsbisschop van Utrecht was echter ook meteen de laatste. De opstand tegen Spanje had namelijk grote gevolgen voor het katholicisme in de rebellerende noordelijke Nederlanden. Nadat het Spaanse gezag was verdreven uit de Noordelijke Nederlanden werd het calvinisme overheersend in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588-1795). In 1592 verklaarde Rome de Utrechtse kerkprovincie tot ‘missiegebied’ omdat naar mening van de katholieke kerk de bevolking weer tot het heidendom was teruggevallen. In 1622 vertrouwde paus Gregorius XV het opperste bestuur over de Kerk in de Noordelijke Nederlanden toe aan de Congregatio de Propaganda Fide (Congregatie voor de voortplanting van het geloof), de instantie die het toezicht uitoefende over missiegebieden. De benaming voor de Katholieke Kerk in de Noordelijke Nederlanden werd vanaf dat moment de Hollandse Zending genoemd, die onder leiding kwam te staan van een apostolisch vicaris. Toen na de Vrede van Münster ook in ‘s Hertogenbosch geen normaal bisschoppelijk bestuur meer mogelijk was, kwam ook hier een apostolisch vicariaat. Na de vervolgingen tot deze Vrede van Münster werden katholieken nu getolereerd, maar het was nog steeds niet erg verstandig in de noordelijke provincies er al te opvallend uiting aan te geven dat men katholiek was. In veel steden kwamen katholieken samen voor de mis in zogenaamde schuilkerken die aan de buitenkant niet herkenbaar waren als kerk. (meer…)

SANDY COAST

SANDY COAST

Sandy Coast was een Nederlandse beatgroep uit Voorburg, met Hans Vermeulen als leadzanger en componist, die eind jaren zestig en begin jaren zeventig populair was. Haar bekendste hits waren Capital Punishment (1969), True love that’s a wonder (1971), Just a friend (1971) en The eyes of Jenny (1981). Dat laatste nummer staat nog steeds in de Top 2000. De groep was in 1961 door de toen veertienjarige Hans Vermeulen opgericht als skifflegroep, maar een paar jaar later werd besloten met de mode mee te gaan en ook een beatgriep te worden. Iets later werd de koers nog iets meer gewijzigd door de kant van de psychedelische muziek op te gaan. Toen in 1969 het nummer Capital Punishment moest worden opgenomen, was Vermeulen snipverkouden, maar de studio was afgehuurd dus moest het nummer absoluut op die dag op de plaat worden gezet. Het belette niet dat het nummer een groot succes werd. Het stelde de groep in staat het bestaande contract te laten ontbinden en een aanzienlijk betere deal te sluiten. Het eerste nummer voor de nieuwe platenmaatschappij was True love that’s a wonder, dat een enorme hit werd. Na 1973 werden de successen spaarzamer en werd Sandy Coast ontbonden. Vermeulen bouwde een grote reputatie op als producer van platen, onder meer The Alternative Way van Anita Meijer. De comeback van de groep leverde nog de hit The Eyes of Jenny op, maar kort daarna kwam een definitief eind aan het bestaan van de groep. Vermeulen ging verder als producer, maar zijn persoonlijke en financiële leven werd steeds meer een puinhoop. Na afbetaling van zijn belastingschuld week hij uit naar Thailand. In 2017 overleed hij op 70-jarige leeftijd. Uit het allerbegin van de groep in 1966 een nummer dat niet de hitlijsten haalde, maar wel een van mijn favorieten is gebleven: Subjects of my thoughts. (meer…)

DUITSE KOLONIËN 8

Vanaf 1872, toen Tidore de soevereiniteit van het Koninkrijk der Nederlanden erkende over Nieuw-Guinea kon Nederland formeel alle aanspraken maken op het gebied Nederlands-Nieuw-Guinea. Lang zou dat alleenrecht echter niet duren want ook de Britten en Duitsland hadden hun oog op het gebied laten vallen. Dat betekende dat er grenzen tussen de diverse nationaliteiten moesten worden vastgesteld. In 1884 werd bij een verdeling onder de koloniale machten (Congres van Berlijn)besloten dat het westelijk deel van het eiland Nederlands zou blijven. De 141ste meridiaan werd gesteld als grens tussen het westelijk en oostelijk deel. De zuidelijke helft van het oostelijk deel kwam in Britse handen, dat vanaf dat moment Brits-Nieuw-Guinea werd genoemd. De Britten zagen blijkbaar al snel dat het gebied hen weinig zou opleveren, want in 1906 droegen ze het over aan Australië, dat het daarna Territorium Papoea noemde. De noordelijk helft van het oostelijk deel van het eiland kwam in Duitse handen, die het deel omdoopte tot Kaiser-Wilhelms-Land. Dit gebied zou het belangrijkste deel uitmaken van de kolonie Duits-Nieuw-Guinea van het Duitse Rijk, die verder bestond uit een aantal eilanden en eilandgroepen (Bismarck-archipel, Marshalleilanden, Noordelijke Salomonseilanden, Carolinen, Palau, Duitse Marianen en Nauru), die in een volgende aflevering worden besproken. Daarnaast was ook Duits-Samoa een Duitse kolonie in Oceanië, maar die hoorde niet tot Duits-Nieuw-Guinea. Ook deze kolonie wordt in een aparte aflevering besproken. (meer…)

JAARTJE OUDER, DAGJE WEG

DE FAMILIE STASTOK (11)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (24)
EERDERE AFLEVERINGEN

Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren (3)

‘Juffrouw Mietje, nog niet een roomsoesje?’ vroeg mijn tante – ‘Jij ook niet, Koosje? Wel kind! wat heb ik je in lang niet reis hier gezien. Het heugt me nog dat je met Pieter speelde. Ja, kleine kinderen worden groot, Koos!’
‘Dat zeg ik zoo dikwijls,’ zei mejuffrouw van Naslaan. ‘Waar blijft de tijd? En ik zeg maar, hoe ouder dat je wordt, hoe meer de tijd vliegt; maar je jongen jaren, kind! zeg ik alle dag tegen Koosje, leer dat van mij, die komen nooit weerom.’

‘En dat zijn van die dingen,’ klonk het van den schoorsteen, uit den mond van den heer van Naslaan, met plechtige langzaamheid en afgebroken door het statig uitblazen van tabaksrook: ‘dat zijn van die dingen, mijn goede vriend! – (p’hoe), die u – (p’hoe) en mij – (p’hoe) en een ander – (p’hoe, p’hoe) ongelukkig maken. En onze voorvaderen,’ – hier nam hij de pijp uit de mond, om er den derden knoop van mijn ooms rok onder ’t spreken onderscheidene kleine tikjes mee te geven – ‘onze vaderen… ik vraag je of ze der zoo veel slechter aan waren dan wij? – onze vaderen, mijnheer! hielden zich met die dingen niet op.’
‘Neen!’ verklaarde mijn oom, in edele opgewondenheid een verse pijp stoppende, ‘dat waren andere mensen! die wisten – Piet, geef me ’t komfoortje reis aan – die wisten handen uit de mouw te steken, al zeg ik ’t zelf; – en wat ik altijd zeg – ze pasten op er tijd. Mijn vader was altijd ’s morgens kwartier voor zessen gekleed en geschoren – kom daar nú reis om!’
En zijn pijp op het vuur zettende, spande hij een schrikkelijke kracht in om haar ineens aan te trekken, en ze daarop omkerende, en een mondvol rook tegen den kop blazende, herhaalde hij, door de inspanning half uit zijn adem: ‘Kom daar nú reis om!’
(meer…)

DE MISDAAD EN HET ZWIJGEN

Anna Bikont (Warschau, 1954) is een Poolse journaliste en auteur. Haar moeder was joods; ze overleefde de holocaust met hulp van een Pool die haar Arische papieren bezorgde, waaronder een geboortecertificaat. Later huwde zij met haar redder. Anna Bikont studeerde biologie en psychologie aan de universiteit van Warschau en was daarna een tijdje werkzaam aan het Departement Psychologie van deze universiteit. Ze was later een actief medewerkster in de solidariteitsbeweging. In 1989 stichtte ze samen met Adam Michnik de Gazeta Wyborcza, de tweede grootste Poolse krant. Bikont schreef hiervoor artikelen over politiek, cultuur en geschiedenis. In 2000 begon ze aan een onderzoek naar de schokkende gebeurtenissen in het stadje Jedwabne (in de omgeving van Bialystok), wat zou uitmonden in dit boek dat in 2004 in Polen werd uitgegeven.

Jedwabne is een plaatsje dat bij het begin van de oorlog bijna 4.000 inwoners kende: 3.670 Polen, 250 joden en 65 Wit-Russen. Als gevolg van het Von Ribbentrop-Molotovpact marcheerde in september 1939 de Sovjettroepen Oost-Polen binnen. Tot juni 1941 zou het Rode Leger de baas zijn in Jedwabne, tot het moment dat Hitler de tijd rijp achtte de aanval van de aartsvijand Rusland in te zetten. De communistische overheersing ging gepaard met een golf van anti-Poolse onderdrukking door de Russische geheime politie. Die werd daarin ondersteund door de communistische aanhang in het plaatsje, die zowel uit Poolse als joodse inwoners van Jedwabne bestond. Een aantal Poolse en joodse gezinnen werden door de sovjets gearresteerd en naar Siberië gedeporteerd. (meer…)

JAN DOORNIK (44)

Jan Louis Guillaume Doornik (Parijs, 26 juni 1905, Mont Valérien bij Parijs, 29 augustus 1941)werd weliswaar in Parijs geboren en groeide daar ook op, maar hij bleef zich toch altijd honderd procent Nederlander voelen. Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen, was hij dan ook vastbesloten om naar Nederland te gaan om zijn vaderland te bevrijden. Hij kwam er al snel achter dat terugkeren naar Nederland niet echt mogelijk was. Talloze pogingen om Nederland te bereiken mislukten. Op 20 mei 1940 meldde hij zich bij de Nederlandse militaire attaché in Parijs met het verzoek in de Nederlandse krijgsmacht te mogen dienen. Dat was op dat moment al een achterhaalde vraag, want het Nederlandse leger had al op 15 mei 1940 de strijd moeten staken. Doornik besluit om samen met zijn ouders naar Engeland te vluchten. Op 18 juni 1940, vlak voordat de Franse strijdkrachten voor de Duitse overmacht moeten buigen, scheepte het gezin Doornik zich in Bordeaux in voor de overtocht. Jan Doornik trekt verder naar Cardiff, waar zich een Nederlands legeronderdeel bevond. Daar aangekomen meldde zich als vrijwilliger aan voor een formatie stoottroepen. Met zijn eenheid nam hij deel aan diverse verkenningstochten van de Franse kust. Bij een van deze tochten sneuvelden alle officieren, waarna Doornik het bevel van de eenheid overnam en erin slaagde met de overgebleven manschappen naar de basis terug te keren. Door deze actie werd hij tot luitenant benoemd. (meer…)

KEVIN MORBY

KEVIN MORBY

Kevin Morby (Lubbock, Texas – 2 april 1988) is in Nederlands een weinig bekende muzikant en songwriter. Waarschijnlijk heeft hij met zijn begeleidingsband nog niet in Nederland opgetreden, hoewel hij toch al vijf schitterende studio-albums heeft gemaakt: Harlem River (2013), Still Life (2014), Singing Saw (2016), City Music (2017) en Oh My God (2019). Morby werd weliswaar in Texas geboren, maar omdat zijn vader, die werkte voor General Motors, een aantal keren werd overgeplaatst, heeft hij op diverse plaatsen n de Verenigde Staten gewoond, voordat het gezin zich min of meer definiteif kon vestigen in Kansas City, Missouri. Op tienjarige leeftijd leerde hij gitaar spelen en vormde met zijn vriendjes zijn eerste bandje. Begin van deze eeuw, pas 17 jaar oud, besloot hij de school te laten voor wat het was en te vertrekken naar New York. Met allerlei baantjes in kroegen en als koerier voorzag hij in zijn levensonderhoud. Daarnaast ging hij deel uitmaken van de band Woods, die zich bezighield met noise-folk. Een onbekende term voor me, maar ik kan me er wat bij voorstellen. In die tijd leerde hij Cassie Ramone kennen, die toen deel uitmaakte van het punktrio Vivian Girls, en vormde met haar het duo The Babies (asjeblieft niet verwarren met de Britse rockgroep The Babys). Het tweetal nam twee albums op en bracht ook een live-album uit. Kort daarna verhuisde Morby naar Los Angeles om aan een solocarrière te beginnen. Het eerste album Harlem River was een ode aan New York. (meer…)

PAUL VAN HOEYDONCK

Paul Van Hoeydonck (Antwerpen, 8 oktober 1925) is een Belgisch kunstenaar. Hij hield zich onder andere bezig als beeldhouwer, schilder, tekenaar, collagekunstenaar en graficus. In 1941 volgde hij aan de Academie in Antwerpen een avondcursus tekenen en hij werkte later in het tekenatelier van Jos Hendrickx. Van Hoeydonck behaalde een graduaat kunstgeschiedenis aan het Kunsthistorisch Instituut in Antwerpen, en ook aan het Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde in Brussel volgde hij cursussen. Vanaf 1955 volgde een korte periode waarin Van Hoeydonck geometrisch abstract werkte. In die periode werd hij lid of medestichter van de groepen Art Abstrait, Formes en Art Construit. In 1957 creëerde hij zijn eerste monochrome wit abstracte ‘lichtwerken’, wat leidde tot een aantal solo-exposities in de bekende galerie Saint-Laurent te Brussel (1956, 1957 en 1959) . In 1961 en 1963 waren er individuele tentoonstellingen in het Paleis voor Schone Kunsten. Hij exposeerde er respectievelijk zijn ‘plexi-reliëfs met lichtwerk’ en ‘steden van de toekomst’. Met zijn plexi-reliëfs verliet hij het platte vlak en begon door het licht- en schaduwspel en de lichtbreking aan de dematerialisering van de stof. In 1959 exposeerde Van Hoeydonck samen met Guy Vandenbranden bij de  avant-garde Galleria Pater in Milaan, waar hij een aantal belangrijke internationale kunstenaars leerde kennen. Vanaf 1961 werkte hij vooral als assemblagekunstenaar. In 1965 werd hij geselecteerd voor de geruchtmakende expo Pop Art, Nieuw Realisme in het Paleis voor schone kunsten. De kunstenaar had inmiddels belangstelling gekregen voor de aanwezigheid van de mens in de ruimte. Hij gaf de planeten en de constellaties een plaats in zijn schilderijen. In 1971 zetten de astronauten van de Apollo 15 zijn beeldje Fallen Astronaut op de maan. Hij had zelf de naam Fallen Astronaut liever niet, omdat het beeldje de gehele mensheid moest representeren en niet enkel de omgekomen astronauten en cosmonauten. Het doel was om het beeldje rechtopstaand te plaatsen op het maanoppervlak en niet liggend op de rug. In september 2014 kreeg de inmiddels 89-jarige kunstenaar in Antwerpen een overzichtstentoonstelling. Op 26 november 2014 werd bevorderd tot Ridder in de Leopoldsorde. Een jaar later werd hij opgenomen in de Brusselse tentoonstelling Pop Art in Belgium, waar verschillende assemblages in gips van hem werden. In januari 2016 trouwde Van Hoeydonck op negentigjarige leeftijd met Marleen Meyers; de bruid was veertig jaar jonger.  (meer…)

LA GRANDE BOUCLE 35

Het wordt er niet makkelijker op als men gaat zoeken naar de renners uit die eerste Tour de France die in de rangschikkingen amper een rol van betekenis hebben gespeeld. Slechts bladvulling lijken te zijn geweest,een anonieme naam onderaan een lijstje. Dat geldt zeker voor de twee laatste buitenlandse renners die aan de start stonden. Er gingen er twaalf van start en daarvan zijn er hier al tien besproken: de Belgen Marcel Kerff, Julien Lootens, Aloïs Catteau en Jules Salés, de Italiaanse Fransman Rodolfo Müller, de Duitser Josef Fischer en het Zwitserse kwartet Anton Jaeck, Charles Laeser, Marcel Lequatre en Paul Mercier. Resteerde nog slechts twee namen: Emile Torisani en Ludwig Barthelmann. De voornaam Emile geeft al aan dat ook deze Italiaanse deelnemer waarschijnlijk zijn hele leven al in Frankrijk had doorgebracht en zich dan ook meer een Franse deelnemer hebben gevoeld. Het is slechts een vermoeden, want met vermoedens moeten we het doen. Niks geen gegevens van de man te vinden, slechts dat hij van start is gegaan en op 1 juli 1903 ergens onderweg in de loodzware eerste etappe van Parijs naar Lyon, 467 kilometers op zanderige en hobbelige wegen en onder een verschroeiende zon, moet zijn afgestapt. Zonder verder ook maar enig spoor achter te laten in de wielerarchieven. Geen voorgeschiedenis, geen verdere carrière. (meer…)

DE FAMILIE STASTOK (10)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (23)
EERDERE AFLEVERINGEN

Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren (2)

Wij laten haar, enigszins vermoeid van al de bereddering, plaats nemen om thee te zetten, en slaan terwijl onze ogen op Pieter Jr., die juist binnentreedt. Ook hij ligt onder zijn, wat de zeelieden noemen, beste tuig. Hij is (ik moet het zeggen) volmaakt naar de mode gekleed; een zwarte pantalon met souspieds, een zwart satijn vest, een blauwe rok met glimmende knopen; en toch ziet hij er infaam ouderwets uit. Want de pantalon is zo kort, en de souspieds zijn zo lang, en het vest is zoo laag uitgesneden, en zoo wijd om het midden; en de rok is zoo smal van kraag en zoo breed van rug; en waarom verstokt hij zich nu om zich met een bruine stropdas te willen uitzonderen, in plaats van een zwarte om te hebben, als alle fatsoenlijke mensen?
Oom kijkt een paar malen op zijn horloge, om aan te merken dat Ds. S. het geweldig lang moet maken. Dit is, in ’t voorbijgaan gezegd, de enige reden, waarom Petrus Stastokius Sen. nooit diaken of ouderling heeft willen worden, omdat hij alsdan genoodzaakt zou zijn geweest, op zijn beurt, ook bij de predikanten te kerk te gaan, die niet als hij, lieden van de klok waren.
Het duurt evenwel niet lang of een bescheiden belletje kondigt de aankomst van de eerst verschijnende gast aan. Wij zullen hem en al de verdere hun jassen en mantels laten afdoen en in handen stellen van Keesje, die van avond bijzonder verlof heeft om later in ’t Huis te komen; hun vervolgens pijpen laten stoppen, en complimenten maken over ‘de zorg’; hen daarna een uurtje laten praten over ’t weer, over de kou in de kerk, over het verkieselijke van een open haard boven een ‘toe kachel’, over den stand der fondsen, over het werk van de dames, en over de laatste verkoping van huizen en het laatste plan van de stedelijke raad om een brug te leggen over een water, waarover reeds voor tien jaren een brug is nodig geweest; om u daarna op eens midden in ’t gezelschap binnen te leiden en u al zijne leden in hunne grootheid te laten aanschouwen. Gij kunt ondertussen zelf een verse pijp stoppen.
(meer…)

DE LAATSTE WOORDEN VAN GEORGE FLOYD

Afgelopen nacht met verbijstering naar CNN gekeken. In Washington staat een grote groep vreedzame demonstranten bij het Witte Huis. Luid schreeuwend en gebarend, dat wel. Voor hen staat een lint van agenten van State Police. Iets later wordt een tweede lint van de National Guard toegevoegd. Allemaal met grote schilden, knuppels en geweren. En daar weer achter een hele rits bevelvoerders en hulptroepen. De aangekondigde persconferentie van de president wordt steeds verschoven. Tot het moment dat de demonstranten ook aan de achter- en linkerzijde worden ingesloten door State Police en National Guard, aangevuld met politie te paard, die met traangas en rubberkogels de demonstranten wegvegen van hun plaatsen. Hier en daar wordt een flinke mep uitgedeeld aan een demonstrant die met de handen in de lucht is blijven staan, ‘Don’t shoot’ roepend. Anderen krijgen pepperspray in het gezicht gespoten. Juist als dit aan de gang is, begint Trump aan zijn speech. Terwijl op de achtergrond het politiegeweld en het geluid van vluchtende demonstranten te horen is, roept hij de president van ‘law and order’ te zijn en in het land te gaan zorgen dat het afgelopen is met de protesten. Als de gouverneurs dat in hun staten niet onmiddellijk vrijwillig doen, dan zal hij de boel overnemen. Dat dit absoluut ongrondwettig is, lijkt hem niet te storen. De commentatoren op CNN spreken al over een aanzet naar een dictatorschap van Trump en over de vrees voor een soort burgeroorlog. Als de straat voor het Witte Huis is ontdaan van demonstranten en hun plaats is ingenomen door politiemannen en veiligheidspersoneel marcheert de grote blonde Führer naar een kerkje, waar een dag eerder wat tumult was geweest. Triomfantelijk steekt hij een bijbel in de lucht. Het laatste deel van zijn campagneritueel, want het is dan wel duidelijk dat de hele show slechts onderdeel is van zijn poging herkozen te worden. In plaats van zalvende woorden om de protesten in te dammen, zet Trump alle demonstranten weg als boeven, tuig en terroristen. Geen enkel woord van compassie met George Floyd. Geen enkel woord waarin hij laat merken de gevoelens van angst en woede van de demonstranten te voelen. Geen enkele poging het zoveelste tragische overlijden door toedoen van de Amerikaanse politie een kantelmoment te laten worden is het racisme in de Verenigde Staten of de enorme tweespalt in de samenleving. Avaaz wil met een internationale handtekeningsactie de Amerikaanse regering en lokale overheden oproepen veranderingen aan te brengen. (meer…)

IMAN JACOB VAN DEN BOSCH (43)

Iman Jacob van den Bosch (Groningen, 30 mei 1891 – Kamp Westerbork, 28 oktober 1944) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was een zoon van de militair Isaac van den Bosch. Voor de oorlog was Van den Bosch was werkzaam bij de Koninklijke Marine. Hij begon in 1909 zijn opleiding tot marineofficier aan het Koninklijk Instituut voor de Marine. In 1919 verliet hij de marine als luitenant ter zee der tweede klasse. Hij werd in 1940 aangesteld als procuratieouder-afdelingshoofd van de buitenlandse expeditiedienst van de Philipsfabriek te Eindhoven. Hij was gehuwd, had drie kinderen en was aangesloten bij de Nederlands Hervormde kerk. In december 1940 stichtte hij de verzetsgroep Tromp en het daaraan gelieerde Trompfonds, dat onder meer geld inzamelde voor de gezinnen van marinemensen die in geallieerde dienst voeren. Op last van de Duitse bezetter worden deze transacties in april 1941 stopgezet. Hierna ontstaan verschillende initiatieven van verzetslieden en –groepen om alsnog financiële steun te bieden aan zeemansgezinnen. Samen met bankier en oud-koopvaardijofficier Walraven van Hall richt Iman Jacob begin 1942 het Nationaal Steun Fonds (NSF) op, waarin al deze verschillende initiatieven worden verenigd. De doelgroep wordt dan ook verbreed; ook ondergedoken joden en gezinnen van ondergedoken beroepsofficieren komen in aanmerking voor financiële steun. Later ontvangen ook de gezinnen van onderduikers van de Arbeitseinsatz steun van het NSF. Na 17 september 1944 vormt de spoorwegstaking van dertigduizend personeelsleden een extra belasting voor het NSF. De voortzetting van de staking is een grote verdienste geweest van het fonds. Van de ruim tweeduizend medewerkers van het NSF werden er 84 door de Duitsers gefusilleerd, waaronder de beide voormannen: Walraven van Hall en Iman Jacob van den Bosch.
(meer…)

THE OUTSIDERS 2

THE OUTSIDERS 1

The Outsiders was een Amsterdamse nederbeatband onder aanvoering van zanger Wally Tax, die de band oprichtte toen hij amper 12 jaar oud was. Het is ook alleen zijn naam die bij het publiek echt is blijven hangen, slechts een verstokte fan zal de andere leden van de legendarische band kunnen noemen. De band speelde aanvankelijk alleen in het alternatieve Amsterdamse circuit, maar kon doorbreken toen ze door Paul Acket werden gevraagd om op te treden in het voorprogramma van het tweede optreden van The Rolling Stones in Nederland. Die gaven in 1964 in het Kurhaus in Scheveningen een legendarische show, die in een totale chaos en een vernield Kurhaus eindigde. Acket had daarom besloten uit te wijken naar de Brabanthallen te ‘s-Hertogenbosch, op 26 maart 1966. Hitweek (het vakblad voor langharig werkschuw tuig) schreef dat The Outsiders beter waren dan de Stones en veel fans waren het daarmee eens. De Outsiders braken vervolgens landelijk door. De band had al een platencontract bij het OpArtlabel van Muziek Expres, maar de twee nummers die ze daar opnamen werden geen hits. Ze leverden de groep wel een beter contract bij een andere platenmaatschappij op. Hun eerste nummer hier, Lying All The Time, belandde hoog in de hitparade, gevolgd door Touch, Keep On Trying, Monkey On Your Back en Summer is here. De stijl van The Outsiders was veel meer garagerock dan typische Nederbiet. De eerste langspeelplaat van The Outsiders bevatte naast studio-opnames ook live-opnames. Die waren op 17 februari 1967 (in één dag!) opgenomen in Beatcentum ‘De Schuur’ in Breda. De band trad ook op in Parijs in het voorprogramma van Little Richard. Zanger Wally Tax had inmiddels ook solo een aantal successen. Rond 1968 naderde het einde van de band snel, nadat in 1987 eerst een lid uit de band was gezet en een jaar later een ander bandlid vrijwillig opstapte. De groep maakte nog één LP, maar hield er in 1969 definitief mee op. De meeste leden gingen verder onder de naam Tax Free. Vanaf midden jaren tachtig kwamen de oude leden weer bijeen omdat de revival van hun platen in klinkende munt om te slaan. Dat duurde maar even. Eind jaren negentig waren alle onderlinge contacten verwaterd, maar om de uitgave van hun veelgeprezen biografie van de groep te ondersteunen kwam men in 1997 weer bij elkaar voor een nieuwe reünietournee. Daarna verliet Wally Tax de groep om solo te gaan. Aan alle geruchten over weer een nieuwe reünie van de groep kwam abrupt een einde in april 2005, toen Wally Tax overleed. De doodsoorzaak is niet bekendgemaakt, maar er werd gedacht aan een overdosis medicijnen of een epileptische aanval. Een aantal andere leden is inmiddels ook overleden. (meer…)

DE DRIE GRATIËN – 037

Marino Marini (Pistoia, 27 februari 1901 – Viareggio, 6 augustus 1980) was een Italiaanse beeldhouwer, maar hij maakte ook wel schilderijen en prenten. Hij geldt als een van de bekendste Italiaanse beeldhouwers van de moderne tijd. Hij begon zijn studie in 1917 aan de Accademia di Belle Arti in Florence. Hij werd in zijn werk vooral beïnvloed door de beeldhouwer Arturo Martini. Van 1929 tot 1940 was Marini diens opvolger als hoogleraar aan de Scuola d’Arte di Villa Reale in Monza bij Milaan. Gedurende deze jaren reisde hij veelvuldig naar Parijs, waar hij onder andere kennis maakte met Massimo Campigli, Giorgio de Chirico en Alberto Magnelli. In 1935 won hij de Quadriennale di Roma en in 1936 verhuisde Marini naar Zwitserland, waar hij in Zürich en Bazel veelvuldig de beeldhouwers Alberto Giacometti, Germaine Richier en Fritz Wotruba. In 1940 volgde zijn benoeming tot hoogleraar beeldhouwkunst aan de Accademia di Belle Arti di Brera in Milaan. Daar vestigde hij zich ook in 1946. Zijn deelname aan een expositie in New York in 1950 leidde tot ontmoetingen met kunstenaars als Hans Arp, Max Beckmann, Alexander Calder, Lyonel Feininger en Jacques Lipchitz. In Europa bezocht hij de beeldhouwer Henry Moore te Londen en stelde werken tentoon in Hamburg en München. Marino Marini werd geïnspireerd door de archaïsche periode in Griekenland en door de vormgeving van de Etruskische kunst. De motieven vrouwelijk naakt, portretbustes en ruiters te paard zijn de centrale thema’s van zijn werk. Zijn werk werd in de loop der jaren steeds abstracter. Zijn bekendste werk is Angelo della Città (1948), dat zich in Venetië in de Peggy Guggenheim Collection bevindt, op het terras van het Palazzo Venier dei Leoni. Het is een recht gestileerd paard met een gedrongen, naakte ruiter die vijf ledematen uitstrekt. (meer…)

DE SLANG VAN LOUISA EN DOMINÉ VALENTIJN

Verhaal van de schrijfster Maria Dermoût
Eerder verscheen hier van haar: Het kopje koffie

Wij wonen in Ambon, en ik heb Valentijn cadeau gekregen, drie dikke delen in een geel papieren omslag met zwarte ouderwetse letters en krullen bedrukt – Oud en Nieuw Oost Indien. – Ik lees er veel in, vooral Beschrijving der Molucco’s, en Moluksche zaken, en leg het weg omdat hij me zo ergert – zo eigengereid! huichelachtig! en hij heeft zoveel van Rumphius gestolen! – ik neem het weer op, omdat hij goed opgelet heeft, en vertellen kan. Wij wonen hier al lange jaren, en deze kant van het eiland – het schiereiland Leytimor – doorkruisten wij aan alle kanten, de buitenbaai, de binnenbaai, de smalle landengte van Passo – dat zeiden de Portugezen al – waar de prauwen op een weggetje van boomstammen overheen getrokken worden, de bergen van Soya achter de stad, de punt uitstekende in volle zee, die Noessa-Nivé heet. Maar het andere schiereiland, Hitoe, kennen we niet – de Driehuizen aan de overkant van de baai nog wel – maar niet de buitenkant, Hitoe’s Noordkust en Hila.
– Hier op dit Hila schijnen mij de eerste Hollanders ten anker te zijn gekomen – zegt Valentijn – dit is het vermakelijkst land van gansch Amboina, zoowel wegens de schoonen vlakten en de heerlijke rivier, waar men zich wasschen kan, als wegens de vermakelijke heuvels, die men daar rondom heeft, op welk men gewoon is te paard op de hertejacht te gaan. Een ongemeen vermaak en de grootste verlustiging geeft ook een zeer schoon en groot mangga’s-bosch. –
Ik vind dat wij eens naar Hila moeten gaan. De twee oudste kinderen vinden het ook. Zij hebben van Domingoes, de oude oppasser van de landraad, die dikwijls een beetje dronken is – maar niet erg! zeggen zij – die alle liederen kent, ook dat mooie van de koning van het Westerstrand; en dat van de moord, waarin driemaal met een kapmes wordt geslagen; dat klinkt zo – tók-tók-tók-; toevallig juist het lied geleerd van Hila, waarop geschept wordt in de prauwen. En ook hoe zij met twee handen de trommen en de gong kunnen nabootsen erbij: de linker de trommen aan één stuk door, de rechter de gong, alleen op de voorlaatste lettergreep. En als de een zingt, kan de ander de stormwind zijn, zo sissende tussen de tanden – de Zuidenwind, de Westenwind, en de fluitende rukwind, die Baradajat heet, en die van overal tegelijk komt. (meer…)

LA GRANDE BOUCLE 34

Aan de eerste editie van de Tour de France namen ook vier Zwitserse renners deel: Anton Jaeck, Charles Laeser, Marcel Lequatre en Paul Mercier. Het kan toeval zijn maar alle drie staakte in de derde etappe de strijd. Anton Jaeck (Basel, 10 februari 1882 – Normandië, 17 november 1942) was een professioneel wielrenner van 1901 tot 1913. In 1902 had hij deelgenomen aan Marseille-Parijs, een monsterrit over 938 kilometer die onder erbarmelijk slechte omstandigheden werd verreden. Een broer van de Belgische coureur Marcel Kerff zou daarbij onder nooit opgehelderde omstandigheden om het leven komen. De rit eindigde in een klinkende overwinning voor Lucien Lesna en het succes van de koers was voor organisator Henri Desgranges van L’Auto-Vélo genoeg reden om een jaar later een nooit zwaardere koers uit te stippelen: de Tour de France. Anton Jaeck en zijn landgenoot Charles Laeser maakte deel uit van de dominante equipe La Française, met een keur aan gevestigde namen die slechts de opdracht hadden Maurice Garin aan de overwinning te hebben. In de derde etappe moest Jaeck opgeven. Later dat jaar zou hij tweede worden in Bol d’Or, na Léon Georget en voor Rodolfo Muller. De Bol d’Or was een wielerwedstrijd op de baan, die tussen 1894 en 1950 jaarlijks op verschillende banen in Frankrijk werd gereden. Het was een 24-uursuithoudingsrace voor wielrenners met gangmaker. In de eerste jaren waren de gangmakers tandems of triplets, vanaf 1899 werden elektrische tandems ingezet en pas in 1950 werd overgestapt op derny’s. Blijkbaar beviel dat niet, want het was tegelijkertijd de laatste keer dat werd gestreden om de fameuze vergulde bronzen beker of schaal. De al genoemde Léon Georget won negen keer het eindklassement in de jaren 1903-1919. Dat had nog een vijf keer meer kunnen zijn geweest als in de jaren van de Eerste Wereldoorlog ook koon worden gekoerst. In 1904 ging Anton Jaeck opnieuw van start in de Tour, maar opnieuw moest hij opgeven. In de tweede etappe stond Anton niet meer aan de start. In 1907 en 1909 probeerde hij nogmaals, maar ook deze twee keren haalde Jaeck Parijs niet. Het wordt eentonig, maar in 1909 moest hij bij zijn enige deelname aan Parijs-Roubaix ook vroegtijdig afhaken. Blijkbaar was Anton Jaeck toch meer thuis op de baan dan op de ruwe Franse wegen. (meer…)

FRANS VAN DEN MUIJSENBERG – 035

Frans van den Muijsenberg / 19 september 2013, Dalyan, Turkije

DE FAMILIE STASTOK (9)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (22)
EERDERE AFLEVERINGEN

Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren (1)

Des zondagavonds was de tuinkamer in haar schitterendste pracht. Ik zal pogen er u een flauw denkbeeld van te geven. Verbeeld u een ruim vierkant vertrek, met een vierkante tafel in het midden, waar het vierkante groene kleed van is afgenomen en vervangen door een vierkant zilveren theeblad, waarop een degelijk ouderwets porselein theeservies prijkt, lange lijzen met zes merken. Daaromheen staan vijf stoelen geschikt met hoge ruggen en zittingen van groen gebloemd trijp. Men maakt dat tegenwoordig zoo goed niet meer. Als men onder de tafel kijkt, ziet men als twintig vurige ogen, vanwege vier stoven; de vijfde vonkelt niet, het is een stenen. Daaraan, en aan de plaatsing van het theegoed, en aan den verlakten ketel, die naast den stoel staat, ken ik de plaats van mijn eerzame moei. Midden op de tafel staat een dierbaar pronkstuk. Het is een verbazend grote bronzen lamp, die door een olifant getorst wordt, in wiens voetstuk een speelwerk verborgen zit. Bij deze bijzondere gelegenheid ligt er, reeds vóór November, een netgebouwd turfvuurtje in de helder gepolijste haard; het is alleen maar opdat er met schik stoelen omheen zouden kunnen worden gezet, voor de heren. De smalle marmeren schoorsteenmantel is versierd met een pendule, voorstellende een negerslaaf met witte ogen, rode neusgaten, en gouden voorschoot, die op een ongedwongen wijze den arm om een wijzerplaat slaat; en aan de beide kanten, met twee vaasjes met gekleurde bloempjes onder stolpjes, zo poppigjes en zo kleintjes, dat men ze voor de pasgeboren kindertjes houden zou van die grote stolp met opgezette vogels, die tegenover den schoorsteen, op een bruinhouten tafeltje met één lade, pronkt. Het schoorsteenstuk vertoont in stukadoorswerk van een aangename partij weverskammen, weversspoelen en weversklossen, in een luchtige strik bijeengehouden en half begraven onder witsellagen van onderscheidene formatie.
(meer…)

GERARD STEEN

55e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Gerard Steen (Dordrecht, 26 januari 1925 – Sint Pancras, 15 april 1945) was een 20-jarige kantoorbediende in Amsterdam toen hij vlak voor het einde van de oorlog door de Duitsers werd terecht gesteld. Hij had in 1941 het Mulo-diploma gehaald. Omdat hij broeder-onderwijzer wilde worden, ging hij in september 1941 naar het Juvenaat der Broeders van de Heilige Aloysius in Oudenbosch, daar merkte hij al snel dat de kloosterroeping toch niet erg geschikt voor hem was. Hij ging terug naar Amsterdam en ging begin 1942 als aspirant-schrijver bij het Ontvangkantoor der Directe Belastingen in Amsterdam aan de slag. Hij was daar nog maar goed en wel aan de slag toen hij werd opgeroepen voor een half jaar in de Nederlandse Arbeidsdienst. Toen in september 1944 het einde van de oorlog in zicht kwam (het zuidelijke deel van Nederland was inmiddels al bevrijd) sloot Steen zich aan bij een sectie van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) in Amsterdam (lid van sectie 5 van de Binnenlandse Strijdkrachten, BS-onderdeel Bruggenlinie-West. Hij nam per 1 december 1944 ontslag om zich geheel aan het verzetswerk te kunnen wijden. Hij was meermalen betrokken bij kleine wapentransporten en verrichtte voor verschillende BS-commandanten koeriersdiensten. Hij stelde zijn kamer in zijn ouderlijk huis ter beschikking voor het geven van wapeninstructies. Begin april had echter een gearresteerde verzetsman aan de Sicherheitspolizei het adres doorgegeven van een pelotonscommandant van de BS. De Sicherheitspolizei vond bij een in de woning van die pelotonscommandant een groot aantal geponste metalen BS-identiteitsplaatjes gevonden, die bedoeld waren om na de bevrijding te worden verspreid. Naar aanleiding van deze vondst werden op zondag 8 april 1945 op verschillende adressen invallen gedaan. (meer…)

PAUL CELAN – CORONA

Paul Celan was een Roemeense dichter, het enig kind van Duitstalige joodse ouders. Hij leefde ook in Oostenrijk en lange tijd in Frankrijk. Zijn ouders werden door de nazi’s vermoord, hijzelf ontsnapte in een werkkamp ternauwernood aan de dood. In 1950 trouwde hij met Gisèle Lestrange, met wie hij twee kinderen kreeg, waarin een kort na de geboorte overleed. Celan schreef zijn hele leven in het Duits, zijn moedertaal maar ook de taal van de moordenaars van zijn ouders en het Joodse volk. Door gedichten in deze taal te schrijven herdacht hij zijn moeder. Naast zijn werk als dichter bezorgde hij de Duitse literatuur ook een groot aantal vertalingen van poëzie uit het Frans, Engels, Russisch, Italiaans, Roemeens, Portugees en Hebreeuws. Paul Celan wordt algemeen beschouwd als een der grootste dichters van de tweede helft van de twintigste eeuw. Hij schreef, beïnvloed door het symbolisme en het surrealisme, gedichten waarin hij op zijn eigen wijze zijn ervaringen met de Holocaust verwerkte. Eén van zijn bekende gedichten is Todesfuge, waarin hij bezwerend het lot van de Joden in de Tweede Wereldoorlog oproept en zijn moeder herdenkt. Rond 1960 werden door Claire Goll, de weduwe van de Joodse dichter Yvan Goll, zware en ongegronde plagiaatbeschuldigingen geuit. Deze onterechte beschuldigingen beïnvloedde Celan erg en hebben waarschijnlijk bijgedragen aan zin zelfmoord in 1970. (Een uitgebreidere biografie is hieronder opgenomen). (meer…)

AREND BONTEKOE (42)

Arend Andries Bontekoe (Naarden, 13 oktober 1895 – Sachsenhausen, 13 januari 1945) was een Nederlandse kapitein der infanterie van het Indische leger en verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was het achtste en jongste kind van Andries Bontekoe (Wanswerd, 12 november 1860 – Rotterdam, 11 mei 1943), een uit Friesland afkomstig adjudant-administrateur., die in mei 1881, nog maar twintig jaar oud, in Leeuwarden in het huwelijk was getreden met Klaske Biegel. De meest van hun acht kinderen zouden vroegtijdig sterven; zes werden niet ouder dan 1 tot zes jaar oud, één broer van Arend zou 21 jaar oud worden. Slechts het achtste kind, Arend Andries, zou uiteindelijk overblijven.

Arend Andries Bontekoe begon zijn militaire loopbaan te Kampen bij het instructiebataljon op 6 februari 1912, zijn opleiding werd voltooid op de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Hij werd achtereenvolgens korporaal, sergeant en vaandrig bij het 4e en 15e regiment infanterie. Hij slaagde in september 1920 als onderofficier voor het toelatingsexamen voor de hoofdcursus, die hem opleidde voor de rang van tweede luitenant bij het wapen der infanterie in het Indische leger. In augustus 1921 slaagde hij voor het overgangsexamen en in december 1921 werd hij bevorderd tot vaandrig titulair. In augustus 1922 slaagde Bontekoe voor de hoofdcursus en op 4 september 1922 werd hij benoemd tot tweede luitenant. Op 31 oktober 1922 trouwde hij in Leiden met Adriana Maria Voorbroot (Leiden, 13 maart 1892). Een maand later, op 18 november 1922, vertrok de 27-jarige Bontekoe en zijn echtgenote met het stoomschip Patria naar Nederlands-Indië. Daar werd hij bij het veertiende bataljon te Buitenzorg (het huidige Bogor op West-Java) geplaatst en vervolgens overgeplaatst van Sigli naar het zevende bataljon te Magelang, een stad op Midden-Java, gelegen tussen de gebergten Merbabu en Sumbing en de rivieren Progo en Elo. Al in de VOC-tijd was hier een militaire post gevestigd en gedurende de gehele koloniale tijd was Magelang een belangrijke militaire garnizoensstad. Zijn echtgenote zal in de stad op 2 mei 1925 overlijden aan kraamvrouwenkoorts. Een dag eerder was dochtertje Klaske Wilhelmina Bontekoe geboren. Die zal op 20 april 1945 in Batavia vlak voor haar twintigste verjaardag overlijden, onwetend dat twee maanden eerder haar vader is overleden. Een andere dochter, Adriana, zal wel de volwassen leeftijd bereiken. (meer…)

EEN NEDERLANDSE HELD

De verzetsstrijder Jan Verleun is een van de weinigen uit het verzet die aan de vergetelheid zijn ontrukt. Een beetje althans, want Nederland gaat slordig om met zijn helden. Harder geformuleerd, Nederland houdt niet van helden. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Waar in de meeste landen helden op allerlei wijzen geëerd worden en geprobeerd wordt alle dode helden in het collectieve geheugen vast te pinnen, lijkt Nederland er vooral op uit om helden zo snel mogelijk weer te vergeten. Het gevolg is dat de meeste landgenoten amper enig besef hebben van de hoeveelheid activiteiten die in de oorlogsjaren onder grote dreiging zijn verricht. Men is zelfs geneigd te denken dat er amper enig verzet is geweest en, nog erger, dat bijna alle Nederlanders al dan niet met volle inzet met de bezetters collaboreerde. Men heeft amper weet van het grote aantal verzetsstrijders dat door de Duitsers is gefusilleerd of naar een van de vernietigingskampen is gestuurd. Slechts een enkele naam is blijven hangen en dat zijn ook steevast dezelfde namen die dan opduiken. Het merendeel is echter geruisloos verdwenen in ‘de mist van het schimmenrijk’, zoals de schrijver Hermans de vergetelheid zo fraai omschreef.

Willem Frederik Hermans (1921-1995, een van onze meest geroemde auteurs en onder meer de schrijver De donkere kamer van Damocles (1958) dat erg geïnspireerd is door de activiteiten van de links-radicale verzetsgroep CS-6, publiceerde in 1979 de bundel Houten leeuwen en leeuwen van goud, dat meer dan dertig korte stukken bevat die Hermans verspreid over een langere periode had gepubliceerd. De vroegste bijdrage stamt uit 1963, maar het grootste deel van de artikelen schreef Hermans in de tweede helft van de jaren zeventig. Hermans bracht de bijdragen onder in zeven thematische hoofdstukken en vatte, in een speciaal voor de bundel geschreven voorwoord, het overkoepelende thema van de geselecteerde stukken samen als ‘de afbraak van de taboes’. (meer…)

DE FAMILIE STASTOK (8)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (21)
EERDERE AFLEVERINGEN

Het diakenhuismannetje vertelt zijn historie (3)

‘Neen!’ – zei hij, uit het droef gepeins, waarin zijn eigen laatste woord hem gestort had, oplevende: ‘maar hij is er achter gekommen dat ik et had. Zijn kreb staat naast mijn kreb. Of ie et gezien het as ik me uitkleedde, of as ik me ankleedde, of toen ik ziek was, of dat ik er hardop van gedroomd heb, ik weet et niet. Ik zou wel haast zeggen dat ik er van gedroomd had; want ik denk er altijd om. – Verleden dinsdag had et de hele voormiddag geregend, as meheer wel weten zel. Klaas had geen cent opgedaan. Het was te slecht weer; de jongens hielden zich niet met hem op. Zen zakduiten waren ook weg, en hij had razenden trek om na de Vette Vadoek te gaan. “Kees,” zeid’ie na den eten, “leen me zes centen.” “Klaas,” zeg ik “dat doei ik niet; want je verzuipt ze toch maar.” “Kees,” zeid’ie, “ik mot ze hebben,” zeid’ie. Ik zeg: “Nou je krijgt ze niet, hoor!” “Weetje wat,” zeid’ie, “Kees,” zeid’ie, “as je ze me niet geeft, zei ik an de’ Vader zeggen, wat je onder je hemd hebt,hoor!” Ik besturf as ‘en doek, en gaf ‘em de zes centen. Maar ik zeid’er bij: “Klaas, je bent een schurk!” Dat zei ik. Of ie daar toen toch kwaad om geworden is, kan ik niet zeggen; maar gisteren mot ie dronken geweest zijn, en toen de suppoosten ‘em ’t blok andoen lieten, het ie as ‘en gek geschreeuwd en gezongen: “Kees het geld! Kees het geld! Onder zen hemmetje het ie geld!” de broers vertelden ’t me, toen ik in ’t Huis kwam. Ik was as ‘en dooie. We gingen na’ de mannezaal en kleedden ons uit. Klaas lag er al en snurkte as ‘en os. Toen ze allemaal sliepen, stak ik me hand onder me hemd om et zakkie weg te nemen en, as ik kon, in ’t strooi van me bulster te verstoppen. Maar eer ik et los had, daar ging de deur ope’, en de Vader kwam op de zaal met ‘en lantaren. Ik viel achterover op me kussen met et geld in me hand, en tuurde as ‘en gek mens na’ de lantaren. Ieder stap, die de Vader dee, voelde ik op me hart. “Kees,” zeid’ie, over me heen bukkend: “je heb geld; je weet wel dat je dat hier in ’t Huis niet verstoppen mag;” en meteen trok ie ’t uit me hand. – “’t Is voor een doodhemd,” stotterde ik, en viel op me knieën in de krib – maar ’t holp niet. “We zellen ’t voor je bewaren,” zei de Vader, en maakte het zakkie ope’, en telde het geld bedaard. Mijn eigen ogen hadden et niet gezien sunt ik et er in genaaid had; dat was dertig jaar geleden; et was mijn, eigen, lief, begrafenisgeldje. “Ik zweer je dat ik er niets voor doen zel,” huilde ik, “dan me eerlek laten begraven.” – “Daar zellen we zelf wel voor zorgen,” zei de Vader; en weg ging ie met et geld en met de lantaren. “Klaas,” riep ik hem na, “het et je verteld, omdat ie…” maar wat holp het of ik gezeid had, omdat ie ‘en lap is! wat holp et of ik hem verteld had dat Klaas alle dag na’ de Vette Vadoek ging? Ik had er me geld niet mee weerom. Den hele nacht heb ik geen oog toegedaan. – Et is wat te zeggen!’
(meer…)

DE FAMILIE STASTOK (7)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (20)
EERDERE AFLEVERINGEN

Het diakenhuismannetje vertelt zijn historie (2)

‘Het is,’ zei Keesje, ‘in ’t geheel geen man. ’t Is een dwerg, meheer! Een dwerg, zo waar as ik hier voor je sta. Je kent er mee in een spul reizen. Maar ’t is een kwaad kreng. Ikken hem goed.’
Ik wenste hartelijk naar wat meer orde in de berichten van Keesje.
‘Hij is uit het Huis,’ hernam hij na een ogenblik zwijgen: ‘hij loopt over straat as ‘en gek. Hij wint geld met zen bochel. Als er ‘en school uitgaat, leggen de jongens centen bij mekaar, en laten Klein Klaasje dansen. Dan springt ie om een stok net as zo’n aap, en dan maakt ie zijn bochel wel eens zo groot. Ik heb geen bochel, meheer!’ liet hij er met een zucht op volgen.
Terecht begreep ik dat Keesje minder jaloers was van den bochel dan van diens geldige vrucht.
‘Ik wou,’ ging hij op een treurige toon voort, de rok een veel harder streek met de schuier gevende, dan voor laken van negen gulden dienstig was; ‘ik wou dat ik een bochel had. Ik zou nies uitvoeren; ik zou centen krijgen; ze zouen om me lachen… Maar ik zou niet drinken,’ zei hij, eensklaps van toon veranderende. En den volzin omkerend, voegde hij er, zeer bedaard de rok van de knaap nemend en hem opvouwend, nog eens bij: ‘Drinken zou ik niet.’
‘Keesje,’ zei ik, ‘toen je de tuin doorkwam, en toen ik je aansprak, was je bedroefd, en nu lijk je wel wat boos te zijn; ik zie je liever bedroefd!’
De oude ogen schoten weer vol tranen; hij stak zijn dorre handen naarmij uit; ik vatte ze, toen hij ze, beschaamd over zijn gemeenzaamheid, terug wilde trekken, en liet ze niet dan na een bemoedigend drukje varen.
(meer…)

DE BEVRIJDING VAN NEDERLAND EN BELGIË 15

23 mei 1945, Flensburg

De Duitse delegatie keerde na de ondertekening van de capitulatie op 4 mei meteen naar Flensburg terug (zie: Bevrijding van Nederland en België 1). Flensburg lag binnen de Britse bezettingszone, maar de geallieerden ondernamen geen stappen om de regering te arresteren. President Dönitz regeerde na de capitulatie dus onverdroten voort als hoofd van een marionettenregering. De regering-Dönitz deed zelfs nog een onderzoek in naar de ‘misstanden’ in de concentratiekampen. Men had ook de Hitlergroet in het leger afgeschaft, maar tegelijk bleven Dönitz’ militaire rechtbanken doodvonnissen uitspreken en uitvoeren. Pas op 13 mei 1945 arresteerden de Britten veldmaarschalk Wilhelm Keitel wegens zijn betrokkenheid bij de executie van vijftig Britse krijgsgevangen gemaakte luchtmachtofficieren. Keitel zou later bij het Proces van Neurenberg ter dood worden veroordeeld en worden opgehangen. Na Keitels arrestatie werd kolonel-generaal Alfred Jodl benoemd tot (laatste) stafchef van het Duitse opperbevel. Ook die zou op 16 oktober 1946 aan de Neurenbergse galg eindigen. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN NEDERLAND EN BELGIË 14

11 juni 1945 – Schiermonnikoog

Schiermonnikoog werd op 16 mei 1940 bezet. Vlak daarvoor had burgemeester H.W. van den Berg de Duitsers om bescherming had verzocht. Op 28 juli 1943 werden Amerikaanse bommenwerpers boven de Waddenzee aangevallen door Duitse jagers. Ze ontdeden zich van hun lading, waardoor zeventien bommen op het eiland terechtkwamen. Zeven bewoners kwamen om het leven, waaronder Hendrik Willem van den Berg en zijn echtgenote. Reden voor de Duitsers direct een NSB’er van het vasteland te halen en te installeren als nieuwe burgemeester. De andere opzienbarende gebeurtenis op het eiland gedurende de oorlog was dat de predikant Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard (Amsterdam, 25 juli 1870 – aldaar, 4 januari 1955) na zijn opzienbarende toespraak in Groningen tot het eind van de oorlog naar dit eiland werd verbannen. De roemruchte Nederlandse predikant, publicist, flamingant en Groot-Nederlander. Tevens een neef van Ferdinand Domela Nieuwenhuis, was in de herfst van 1944 per fiets naar Groningen getrokken om zijn beide zoons te bezoeken. Op 25 september 1944 werd zijn jongste zoon Jakob, die betrokken was bij verzetsacties, door een Duitse politiepatrouille in zijn woning doodgeschoten. Domela, die kort na de moord het huis van zijn zoon en schoondochter binnentrad, geraakte buiten zichzelf van woede en smart, wierp een venster open en hield voor een talrijk publiek een scheldkanonnade tegen ‘Hitler, Himmler en hun bende’. Hij werd door de teruggekeerde patrouille gegrepen en naar het beruchte Scholtenshuis gebracht, waar hij zich kranig heeft gedragen en zijn medegevangenen tot een daadwerkelijke geestelijke steun is geweest. Dankzij bemiddeling van enkele invloedrijke personen kon worden verhinderd dat hij niet werd afgevoerd naar een van de Duitse kampen om daar in nacht en nevel te verdwijnen, maar werd hij voor de duur van de oorlog verbannen naar het eiland Schiermonnikoog. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN NEDERLAND EN BELGIË 13

3 juni 1945 – Ameland

Binnen een paar uur nadat de Duitse troepen in 1940 op Ameland kwamen hadden ze het eiland onder controle. Wel moesten in juli-augustus ongeveer zestig lijken worden geborgen ddie op het Noordzeestrand waren aangespoeld, slachtoffers van de strijd tussen Duitsers en Britten bij Dunkerken. Op Ameland probeerden men ook zoveel mogelijk de identiteit van de kijken te achterhalen. Er bleek onder meer een Nederlandse 2e luitenant bij te zijn. In de daarop volgende periode werden door de Wehrmacht een paar bunkers aangelegd die deel uitmaakte van hun Atlantikwall. Langs de kust verscheen prikkeldraad, bunkers, radarposten, kust- en luchtafweerbatterijen. Dat werken aan de Atlantikwall had voor de eilanders het voordeel dat ze niet werden opgeroepen voor tewerkstelling in Duitsland. De lichte bunkers aan de kust waren hoofdzakelijk schuilplaatsen en bergplaatsen. De bunkers ten zuidwesten van Hollum dienden als kustbescherming voor de verdediging van het Borndiep, ook wel het Amelander Gat genoemd, die de Noordzee met de Waddenzee verbond. Zowel de Duitsers als de geallieerden kenden Ameland weinig strategische waarde toe. De Duitse militaire hadden een zeer rustige oorlogsvoering en ook voor de Amelanders ging eigenlijk het gewone leven verder. In de beginjaren van de oorlog waren wel vier Amelanders omgekomen doordat hun schepen, die deel uitmaakte van geallieerde konvooien, door Duitse onderzeeërs werden getorpedeerd. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN NEDERLAND EN BELGIË 12

29 mei 1945 – Terschelling

In de ochtend van 11 mei 1940 verschenen de eerste Duitsers op het geïsoleerde Waddeneiland. Pas op 16 mei 1945 kwam een groep Duitse kwartiermakers aan. Alle Nederlandse militairen op Terschelling werden tot krijgsgevangenen genomen en een maand later naar huis gestuurd. De bezetting had aanvankelijk weinig invloed op het dagelijkse leven op Terschelling. Zoals alle Waddeneilanden kreeg ook Terschelling een Inselkommandant: Kapitein-luitenant ter zee Helmut Klett, die een tamelijk mild regime voerde waardoor zich nauwelijks zichtbare spanningen voordeden op het eiland. Wel moest hij de recreatieondernemers tot de orde roepen, die het gebruikelijke zomerseizoen met veel badgasten weer wilden oppakken. Kett had namelijk grote delen van het eiland aangewezen tot spergebied, daarmee de bewegingsvrijheid van de eilanders flink ingeperkt en kwam echter in augustus 1940 met de verordening dat het eiland alleen bezocht mocht worden als hij daar uitdrukkelijk toestemming voor verleende. Hierdoor kwamen de bewoners van Terschelling in een isolement te verkeren. Op verschillende fronten ondervond Terschelling ook de gevolgen van de strijd op zee. Met enige regelmaat liepen namelijk geallieerde schepen op een mijn. In totaal verloren tijdens de oorlogsjaren 34 Terschellingers hun leven op zee. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN NEDERLAND EN BELGIË 11

20 mei – 31 mei 1945 – Texel en Vlieland

In Nederland waren twee locaties langs de Nederlandse kust voor de Duitsers van groot belang, namelijk de Festung Hoek van Holland aan de monding van de Nieuwe Waterweg met Rotterdam in het achterland en de Festung IJmuiden met in het achterland de haven van Amsterdam. Beide locaties werden uitgebouwd met een groot aantal bunkers, mijnenvelden en versperringen. Verder waren er sterken fortificaties aangebracht bij Den Haag, dat ook onder de Duitse bezetting de regeringsstad bleef. Dwars door de stad werd een tankgracht aangelegd waarvoor duizenden huizen werden gesloopt en honderdduizend Haagse inwoners moesten evacueren. Deze 300 meter brede gracht lag ongeveer anderhalve kilometer landinwaarts, parallel aan het strand. Verder waren Den Helder en Vlissingen voor de Duitsers van belang, maar toch aanzienlijk minder dan Hoek van Holland en IJmuiden. Van nog minder belang waren de verdedigingswerken op de Waddeneilanden, die door de Duitsers slechts werden gezien als een noodzakelijke lichte versterking in de keten die tot in Noorwegen doorliep. Een geallieerde aanval via de Waddenzee was inderdaad erg onwaarschijnlijk. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN NEDERLAND EN BELGIË 10

9 mei 1945 – Veenendaal

Na de bevrijding van de laatste steden en streken in Noord- en Zuid-Holland resteerde op 9 mei 1945 nog maar twee steden op het vasteland die nog steeds in Duitse handen waren: Veenendaal en De Klomp. Treinreizigers kennen het waarschijnlijk vanwege het treinstation Veenendaal-De Klomp op het traject Utrecht-Arnhem. Die naam versluiert dat het dorp De Klomp onderdeel uitmaakt van de gemeente Ede en in de provincie Gelderland ligt, terwijl het slechts een paar kilometer verder gelegen Veenendaal in de provincie ligt. In augustus 1939, in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog, waren vanwege de Nederlandse mobilisatie ongeveer tweeduizend soldaten gelegerd in en om Veenendaal. Na de Duitse inval op 10 mei 1940 werd de bevolking van Veenendaal geëvacueerd, want de stad lag vlakbij de Grebbelinie waar de verwachte grote confrontatie met de Duitse aanvallers zou plaatsvinden. Wat ook zo geschiedde.

Na de Duitse capitulatie bleven in eerste instantie de in Veenendaal gelegerde Nederlandse en Duitse SS’ers er de dienst uitmaken. Vanuit het hele land klonterden vluchtende Nederlandse SS’ers hier samen en terroriseerden de bevolking. Men was blijkbaar niet vergeten dat deze stad zo vlakbij de Grebbeberg voor hen goed verdedigbaar was. De SS’ers wisten dat ze in deze laatste dagen van de oorlog relatief veilig waren in Veenendaal. Niemand deed ze iets, maar ze wisten ook dondersgoed dat het einde naderde. Ze grepen daarom massaal naar de fles en zorgde daarna voor hele nare incidenten in de stad. Zo ging de toenmalige Vaartbrug bij de Kerkewijk op zondag 6 mei 1945 per ongeluk de lucht in. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN NEDERLAND EN BELGIË 9

8 mei 1945 – Schouwen-Duiveland en Goerree-Overflakkee

In de Tweede Wereldoorlog waren de Waddeneilanden onderdeel van de Duitse Atlantikwall, een 5.000 kilometer lange verdedigingslinie, die een geallieerde invasie moest voorkomen. Deze linie, die nooit helemaal werd voltooid, liep van Noorwegen, via Denemarken, Duitsland, Nederland en België naar Frankrijk tot aan de grens met Spanje. In tegendeel met wat de naam suggereert was het geen aaneengesloten muur van verdedigingswerken, maar waren de verdedigings-werken geconcentreerd op strategische punten als riviermondingen, zoals bij Hoek van Holland en IJmuiden. Langs de tussenliggende kust werden op geruime afstand van elkaar verdedigingsposten gebouwd. Feitelijk was het een aaneenschakeling van kustbatterijen, versperringen, ondersteuningsbunkers, artillerie tegen invasieschepen, luchtafweer en antitankgeschut, met bij het antitankgeschut de tankversperringen (tankgrachten, drakentanden, tankmuren en tankvallen). In Nederland en België speelden enkele van deze verdedigingswerken een rol bij de Duitse verdediging van de Westerschelde. Toen de geallieerden eind 1944 het laatste stukje België en Zeeuws-Vlaanderen veroverden, vreesden de Duitsers dat er een aanval op Walcheren zou komen. Het eiland Walcheren had tot dan amper een rol van betekenis gespeeld in de Atlantikwall, werd het direct gepromoveerd tot Fort Walcheren. Lang heeft dat Fort Walcheren niet stand gehouden, want op 1 november 1994 begon de Strijd om Walcheren (de Operatie Infatuate) en slechts enkele weken later was bijna geheel Zeeland bevrijd. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN NEDERLAND EN BELGIË 8

8 mei 1945 – Alkmaar

In het kader van Operatie Chowhound vonden bij vliegveld Bergen voedseldroppings plaats om de hongerende bevolking van Alkmaar en de kop van Noord-Holland van eten te voorzien. Op 2 mei kwam de 452th Bombardment Groep (BG) met 13 vliegtuigen over en op dezelfde dag vloog ook de 490th BG met 7 vliegtuigen over. In totaal werd 161,1 ton voedsel gedropt. Op 3, 5 en 6 mei 1945 kwamen op een hoogte van 120-150 meter respectievelijk 20, 21 en 18 vliegtuigen van de 100th BG over om voedselpakketten af te gooien. Op 7 mei 1945 ten slotte kwam de 390th BG met 10 vliegtuigen om de laatste voedseldroppings te doen.

In april 1945 was het zuiden van Nederland al bevrijd en de geallieerden stonden aan de grenzen van de drie westelijke provincies. Daar was het leven in de steden verschrikkelijk slecht. De echte winter was weliswaar inmiddels achter de rug, maar door een enorm gebrek aan brandstof overheerste een gevoel van grote kou. Bovendien was er nog steeds een voedselschaarste. In de hongerwinter waren ruim 17.000 mensen overleden door honger en kou. Er moest dus snel hulp komen. De verstrekking van het zogenaamde ‘Zweeds wittebrood’ in maart 1945 had weinig verlichting gegeven. Eind januari 1945 werd door het Zweedse Rode Kruis met drie grote schepen (Noreg, Dagmar Bratt en Hallaren) in de haven van Delfzijl 7.700 ton graan aangevoerd, waarvan in Nederland brood werd gebakken en gedistribueerd. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN NEDERLAND EN BELGIË 7

8 mei 1945, Amsterdam

Amsterdam werd in de oorlogsjaren door twee grote rampen getroffen: de deportatie van ruim 60.000 joodse bewoners en de Hongerwinter van 1944-1945 toen 2.300 burgers stierven door het gebrek aan voedsel, brandstof, medicijnen. In de laatste oorlogsdagen kwam daar nog een kleine ramp bij.
Op vrijdagavond 4 mei 1945 werd de officiële capitulatie ondertekend en was de oorlog officieel ten einde, maar het zou nog vier 4 dagen duren voordat de grote troepenmacht van de geallieerden Amsterdam binnen zou trekken en de stad officieel was bevrijd. Op zaterdag 5 mei trokken duizenden Amsterdammers al richting Amstellaan (Vrijheidslaan) en Berlagebrug om feestelijk uitgedost de bevrijders te verwelkomen. Dat was rijkelijk vroeg, want de uitwerking van het capitulatieverdrag werd pas op 5 mei in Wageningen overeengekomen. Een van de afspraken daarbij was dat de geallieerden legers pas op maandag 7 mei 1945 het nog bezette deel van Nederland zouden binnentrekken. Op een enkele geallieerde patrouille na bleef die 5e mei een grote intocht in Amsterdam dus uit en dat zou ook op 6 mei en 7 mei het geval zijn. Daardoor bleef de situatie behoorlijk gevaarlijk, want de bezetter weigerde zich over te geven aan de BS (Binnenlandse Strijdkrachten) en de andere gewapende ondergrondsen. Enerzijds had dat met enig dedain ten opzichte van de BS te maken, maar een andere belangrijke reden was dat men vreesde dat die BS en de verzetsbewegingen zouden overgaan tot represailles. Zij wilden daarom de wapens alleen neerleggen bij de geallieerden van wie men een eerlijkere behandeling verwachten. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN NEDERLAND EN BELGIË 6

8 mei 1945, Den Haag

De Prinses Irene Brigade, die in Nederland eerder al had deelgenomen aan Operatie Market Garden, betrokken was geweest bij zware gevechten in Zeeland en Hedel (Noord-Brabant) en op 25 oktober 1944had meegeholpen Tilburg te heroveren, was begin mei 1945 naar Wageningen vertrokken. Daar kreeg daar de opdracht om als eerste geallieerde eenheid Den Haag binnen te trekken. Op de weg daarnaar toe werd eerst Woerden op 7 mei bevrijd.

Op 8 mei 1945 trok de brigade Den Haag binnen. De stad had aan het eind van de oorlog flink geleden. Op 11 oktober 1944 was de gastoevoer in Den Haag gestopt en op 20 november hield ook de elektriciteitslevering op. Het majo-kachteltje, een zelfgemaakt allesbrandertje, werd bij de meeste Hagenaars het kooktoestel en de enige verwarming. In de winter 1944-1945 leidde de enorme brandstofschaarste ertoe dat een ware jacht begin op alles wat maar brandbaar was. Verkleumde Hagenaars roofden alle Haagse parken en plantsoenen. In het Haagse Bos en de Scheveningse Bosjes kapten mannen, vrouwen en kinderen illegaal bomen om te dienen als brandhout in de kachels. Leegstaande huizen in het voor de Atlantikwall geëvacueerde deel van de stad werden voor het hout gesloopt. Ongeveer 6.000 huizen werden onttakeld, waarvan zo’n 1.700 onherstelbaar. Vanwege de hongersnood en kou stierven alleen al in 1945 ongeveer 2100 mensen. Bij de lanceringen van V-2’s vanuit Den Haag op Londen ging vaak wat mis waardoor de afgevuurde raketten met hun vernietigende lading neerkwamen op Haagse woonwijken. Het gevolg was dat er vele doden te betreuren waren en veel huizen ernstige schade opliepen. In totaal waren vanaf Den Haag 1039 lanceringen, waarvan 87 mislukten. De geallieerden probeerden via precisiebombardementen de lanceringen te stoppen, maar die waren minder precies dan beoogd. Op 3 maart 1945 ging het helemaal mis, toen Engelse bommenwerpers het Bezuidenhout en het Korte Voorhout raakte. In totaal werd 67.000 kilo aan brisantbommen uitgeworpen boven de Haagse wijk. Meer dan 500 mensen werden gedood, ruim 250 mensen raakten zwaargewond. Duizenden mensen werden dakloos en velen huizen, winkels, bedrijven, scholen en kerkgebouwen lagen in puin. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN NEDERLAND EN BELGIË 5

8 mei 1945, Reims

Op 4 mei 1945 tekende Von Friedeburg dus ten overstaan van Montgomery de overgave van de Duitse strijdkrachten in Noord-Duitsland, Nederland, Denemarken en Noorwegen (zie: Bevrijding van Nederland en België 1), die op 5 mei 1945 zou ingaan en waarvoor nog wat practische uitwerkingen moesten worden afgeproken tussen beide partijen (zie: Bevrijding van Nederland en België 2). Daarna zijn er echter nog genoeg gebieden waar de Duitsers nog steeds niet hebben gecapituleerd.

Direct na de ondertekening op 4 mei werd de Duitse delegatie van de Lüneburger Heide overgebracht naar het geallieerde hoofdkwartier in de Franse stad Reims, waar de besprekingen begonnen over een algemene capitulatie. Kolonel-generaal Alfred Jodl voegde zich een dag later bij de Duitse delegatie in een ultieme poging om enkel voor de westerse mogendheden te capituleren. Toen dat niet lukte en de geallieerden dreigden alle Duitsers tegen te houden die voor de Russen op de vlucht waren, gaf Dönitz via de radio toestemming om de geallieerde eis in te willigen. In de vroege ochtend van 7 mei 1945 ondertekende Jodl in Reims een akkoord over de onvoorwaardelijke overgave van alle Duitse strijdkrachten, die de dag daarop zou ingaan. Voor België geldt sindsdien 8 mei 1945 als de dag van bevrijding. België werd vooral bevrijd door het Tweede Britse Leger en het Eerste Amerikaanse Leger, bijgestaan door Britse, Amerikaanse, Canadese en Poolse legeronderdelen, plus de Belgische troepen van de Brigade Piron. België werd hoofdzakelijk bezet door het 15de Duitse Leger, dat zich in versneld tempo terugtrok en slechts één strategisch doel overhield: het blokkeren van de Westerschelde en de toegang tot de haven van Antwerpen. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN NEDERLAND EN BELGIË 4

7 mei 1945, Utrecht en Woerden

Op 7 mei 1945 waren Woerden en Utrecht de twee volgende steden die werden bevrijd en in beiden steden ging dat geheel geruisloos. Woerden lag op de route van de Prinses Irene Brigade, die op 5 mei 1945 in Wageningen de eervolle opdracht had gekregen Den Haag te bevrijden. Worden lag mooi op die route. De dag daarop zou het legeronderdeel ook Leiden en Alphen aan de Rijn bevrijden, ook zonder enige tegenstand. Het meest opvallends was steeds de arrestatie door de Binnenlandse Strijdkrachten van de lokale NSB’ers en het kaalscheren van de net zo lokale ‘moffenmeiden’, een activiteit waar velen jaren later alsnog het schaamrood van op de kaken kregen. Onderweg naar Utrecht was dat kaalscheren ook al gebeurd in Oudewater. Door de lokale kapper werden vrouwen die tijdens de oorlog een relatie hadden gehad met een Duitser, of er zelfs maar van werden verdacht, niet al te vakkundig geknipt en daarna publiekelijk te schande gezet. Het minste was wel dat ze werden uitgescholden voor ‘moffenmeiden’, ‘moffenhoeren’ en ‘moffenkleders’. Vaak werden deze vrouwen en jonge meisjes uit hun huis gesleurd en op een boerenkar door de straten gereden, bespuugd, uitgescholden, besmeurd met hakenkruizen en in het openbaar kaalgeschoren. Soms kwamen er ook nog pek en veren aan te pas. Er werden ook vergissingen gemaakt, waarna aanspraak kon worden gedaan op een compensatie van 200 gulden. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN NEDERLAND EN BELGIË 3

5 mei 1945, Gouda

De bevrijding van de Duitse bezetting in Nederland was al in september 1944 begonnen. Op 11 september 1944 trokken Britse verkenningstroepen voor het eerst de Nederlandse grens over bij Valkenswaard. Het Zuid-Limburgse kerkdorp was op 12 september het eerste dorp dat werd bevrijd, hier door Amerikaanse soldaten van de 30e Infanteriedivisie, beter bekend als The Old Hickory. Een gedenksteen naast de openbare basisschool herdenkt dit begin van de bevrijding. Dezelfde soldaten bevrijden nog dezelfde dag de dorpen Mariadorp, Mheer en Noorbeek, die nu deel uitmaken van de gemeente Eijsden-Margraten. Door de geallieerde legers werd daarna snel het gebied ten zuiden van de grote rivieren bevrijd. Als op 17 september 1944 de operatie Market Garden begint in een wanhopige poging ook het gebied ten noorden van de rivieren te bevrijden en een snelle doorgang naar Duitsland te creëren, worden ook de eerste gemeenten in Noord-Brabant ontzet. Waaronder Valkenswaard dat na een voorzichtige bezoek van verkenningstroepen nu definitief werd bevrijd. Op 20 september kan vanwege Market Garden Nijmegen als eerste stad in Gelderland worden bevrijd. In dezelfde dagen werd ook Zeeuws-Vlaanderen bevrijd. Het mislukken van Market Garden betekende echter dat het gebied ten noorden van de grote rivieren in Duitse handen bleef en dat in West-Nederland een hongerwinter ontstond, die aan zeker 20.000 mensen het leven kostten. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN NEDERLAND EN BELGIË 2

5 mei 1945, Wageningen

Op 4 mei 1945 om half 7 ’s avonds was in het hoofdkwartier van veldmaarschalk Montgomery op de Lüneburger Heide het document getekend dat de onvoorwaardelijke capitulatie inhield van de Duitse legers in Nederland, Noordwest-Duitsland, Sleeswijk-Holstein en Denemarken. De afspraak is dat op 5 mei 1945 alle wapens vanaf 8 uur ’s ochtends zouden zwijgen. Namens Duitsland zette onder meer admiraal Von Friedeburg zijn handtekening onder het document dat geen enkele ruimte liet voor onderhandeling of discussie. Generaal Crerar, de bevelhebber van het Eerste Canadese Leger, had zo’n hekel aan de Duitsers dat hij niet betrokken wilde zijn bij de uitvoering van de capitulatie. Hij belastte daarom zijn twee korpsbevelhebbers en voor Nederland was daardoor luitenant-generaal Charles Foulkes ermee belast alle overgavebevelen en militair-technische bijlagen ter ondertekening voor te leggen aan de gecapituleerde Duitse bevelhebber. De locatiekeuze voor Wageningen kwam doordat de plaats toevallig aan de toegang van de geneutraliseerde zone lag en eerder al was gebruikt bij overleg over voedseltransporten. De dagen voorafgaand aan de capitulatiebespreking vonden al onderhandelingen plaats om voedseltransporten mogelijk te maken voor de hongersnood in het Westen van Nederland. Op woensdag 2 mei 1945 werden in Wageningen de Protocollen van Achterveld ondertekend. Bovendien was de bevolking geëvacueerd en de stad in geallieerde handen. De keuze voor het zwaar beschadigde hotel ‘De Wereld’ lag min of meer voor de hand. (meer…)

DE BEVRIJDING VAN NEDERLAND EN BELGIË 1

4 mei 1945, Lüneburger Heide

Op 20 april vierde Adolf Hitler in de Führerbunker zijn 56e verjaardag, zijn laatste. Slechts een paar laatste getrouwen waren gekomen om hem te feliciteren, om daarna zo snel mogelijk Berlijn te ontvluchten. De stad lag al dagenlang onder aanhoudend Russisch artillerievuur. Het was voor iedereen overduidelijk dat het definitieve einde van de nazi’s nog slechts een kwestie van dagen was. Op die dag overwoog Hitler nog even om Berlijn te ontvluchten en vanuit Zuid-Duitsland dat nog geheel in Duitse handen was de oorlog voort te zetten. Joseph Goebbels overtuigde hem echter om in Berlijn te blijven.
Twee dagen later verklaarde Hitler aan zijn generaals dat de oorlog verloren was, maar Keitel en andere fanatieke nazi’s wilden echter kost wat kost verder vechten. Ze wisten dondersgoed wat er de voorgaande jaren aan oorlogsmisdaden was gepleegd en dat ze zeker van de Russen op geen enkele clementie hoefde te rekenen. Op 28 april waren door allerlei verwikkelingen voormalige kopstukken als Hermann Goering en Heinrich Himmler uit de gratie geraakt.
Op 29 april trouwde Hitler met Eva Braun en maakte zijn testament op. Terwijl in de bunker de resterende manschappen een ware orgie van drank en seks begonnen, raakte Hitler steeds radelozer omdat hij vernam dat zijn Italiaanse strijdmakker Benito Mussolini door zijn landgenoten was vermoord en aan de voeten was opgehangen aan een portaalbalk van een tankstation in Milaan. Zijn levensgezellin Clara Petacci en drie lotgenoten hingen naast hem, waar ze werden bespot en aangevallen door een grote menigte. Op 30 april pleegden Hitler en Eva Braun zelfmoord. Daarna gaf Goebbels de opdracht de beide lichamen met benzine te overgieten en in brand te steken. De lichamen zouden niet geheel verbrand zijn geweest, doordat de SS-lijfwachten die met dit karwei waren belast hun karwei door de constant neerkomende Russische granaten niet konden afmaken. (meer…)

BEIRUT 2

BEIRUT 1

Beirut is een door Zach Condon opgerichte band en heeft als thuisbasis New York. De muziek van Beirut valt in de categorieën indie, folk en pop. Op jonge leeftijd verliet Zach Condon school en vertrok naar Europa. Hij verbleef hoofdzakelijk in Parijs, waar hij in contact komt met traditionele muziek van de Balkan. Bij terugkomst in Amerika schreef hij de nummers voor het eerste album van Beirut. In 2006 werd dit album, Gulag Orkestar, uitgebracht bij Ba Da Bing. In de nummers op dit album klinkt duidelijk de invloed door van Oost-Europese zigeunermuziek. Hetzelfde jaar waarin Gulag Orkestar werd uitgebracht, volgde ook nog een EP, genaamd Lon Gisland. Na een tussen-album, Pompeii EP, met ouder werk van Zach Condon volgde in oktober 2007 het album The Flying Club Cup. Dit album was geïnspireerd op een verblijf van Zach Condon in Parijs. De meest succesvolle single van de band, Nantes, staat op dit album. In 2009 werd “March of the Zapotec/ Holland” uitgebracht, het is een dubbel-ep die bestaat uit twee miniplaten. Op de eerste, “March of the Zapotec”, is er Mexicaanse volksmuziek uit de staat Oaxaca te vinden. Op de tweede, “Holland”, vooral electro. In de zomer van 2011 bracht de groep het derde album The Rip Tide uit, waarvan enkele singles uitkomen. Het meest recente album van de band is Gallipoli, dat is verschenen in februari 2019. Door de jaren heen heeft Beirut regelmatig opgetreden in Europese concertzalen en op festivals. (Bron: Wikipedia) (meer…)

DE GUILLOTINE IN NEDERLAND

Op 1 mei 1813 om kwart voor twaalf ’s middags werd in Den Haag Arijaantje Apersdr Bouwman, op 7 september 1793 in Zevenhuizen geboren, door middel van de guillotine onthoofd. De pas negentienjarige Adriana Bouwman had als dienstmeid gewerkt op een boerderij in Nieuwerkerk aan de IJssel. Er is slechts van haar bekend dat ze op die boerderij had gestolen en daarna de boerderij in brand had gestoken. Of daarbij mensen en/of vee in de brand is omgekomen in nergens vastgelegd. In elk geval werd haar misdrijf ernstig genoeg geacht om haar vanwege brandstichting en diefstal ter dood te veroordelen. Op dat moment leefde Nederland onder de Franse bezetting en was de guillotine het geëigende instrument om deze straf ten uitvoer te leggen. Door het Hof van Assisen van het departement der Monden van de Maas werd de arme dienstmeid  ter dood veroordeeld. Ze ging hiertegen nog wel in beroep bij het Hof van Cassatie in Parijs, maar dat beroep werd dit werd begin april verworpen. Adriana was een van de weinige Nederlanders die door middel van de guillotine terecht werden gesteld: voor zover bekend is zij in Den Haag de tweede en laatste persoon die op deze manier ter dood gebracht werd. In Nederland de guillotine in 1809 ingevoerd door de Fransen, die andere vormen van het ten uitvoer leggen van de doodstraf afschafte. (meer…)

LA GRANDE BOUCLE 33

Josef Fischer (Neukirchen beim Heiligen Blut, 20 januari 1865 – München, 3 maart 1953) was een Duits wielrenner; van beroep was hij eerder smid geweest. Eind van de negentiende eeuw hoorde hij tot de beste wielrenners op de weg, zo niet de beste. Hij kreeg veel bekendheid door de wedstrijd Wenen-Berlijn over 582,5 kilometer te winnen, die van 29 juni tot 30 juni 1893 werd gehouden. Een jaar eerder was als de Distanzritt Berlin–Wien, Wien–Berlin 1892 gehouden, maar die was voor de ruiterij van het Pruisische leger. De beoogde gelijktijdige wielerwedstrijd werd in 1892 door het Ministerie van Oorlog verboden, omdat fietsen in de stad Berlijn en binnen het leger verboden was. Wielrennen gold vooral als de excentrieke hobby van de betere stand. Wat ook meespeelde was dat het leger de concurrentie van de wielrenners vreesde en een afgang van hun paarden wilde voorkomen. Men ging wel direct aan de gang om voor het daarop volgende jaar een aparte wedstrijd voor de wielrenners te organiseren. Deze wedstrijd zou tot aan de Eerste Wereldoorlog binnen Duitsland en Oostenrijk-Hongarije als de belangrijkste wegwedstrijd ooit gereden gelden en in beide landen zorgen voor een grote populariteit van het wielrennen. De vier dagen voor de start werden in Wenen wedstrijden op een stadscircuit georganiseerd en was er in de hele stad een scala aan feesten. Op 29 juni 1893 werd om 6.00 uur ’s morgens in Floridsdorf gestart. De 8.000 toeschouwers zagen 117 renners van start gaan. Steeds in groepjes van vijftien man, met tussenpozen van vijf minuten. Als grote favoriet gold August Lehr, die maar liefst zestien renners bereid had gevonden in zijn dienst te rijden. Hij was echter was overmoedig van start gegaan en moest al snel uitgeput de koers verlaten. Vanaf dat moment lag Josef Fischer aan de leiding. Hij ging in een tijd van 31.00.22 als winnaar over de streep in Berlijn. Ter vergelijking, een jaar eerder waren de ruiters en paarden na ongeveer 72 uur gearriveerd en binnen een week moesten dertig paarden worden afgemaakt omdat de inspanningen hen teveel waren geworden. Wat het leger een jaar eerder al vreesde werd overtuigend bewezen: met de fiets kon een lange afstand sneller worden verreden dan per paard. De fiets was vanaf dat moment een gewaardeerd vervoersmiddel voor iedereen die zich er een kon veroorloven.De anekdote il dat Fischer na zijn aankomst in Berlijn van iemand een stoel aangeboden kreeg, maar het aanbod beleefd afsloeg met de woorden: ‘Danke schön, habe lange genug gesessen, freue mich, mal stehen zu können.’
(meer…)

DE FAMILIE STASTOK (6)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (19)
EERDERE AFLEVERINGEN

Het diakenhuismannetje vertelt zijn historie (1)

Drie dagen had ik bij de familie Stastok vertoefd, en in die tijd was ik grote vrienden met Keesje geworden. Een paar malen had hij mij door de stad vergezeld om mij de weg te wijzen, als ik boodschappen te doen had; en daar hij, als vele oude lieden, praatziek was, en ik in dat gebrek soms met vele oude lieden deel, hadden wij dikwijls tezamen vrij wat afgehandeld. Keesje was een eenvoudig, braaf, goedaardig mannetje. Hij had een flauwe herinnering van zijn vader, die borstelmaker geweest was en grote ‘zulveren’ gespen op zijn schoenen had gedragen. Behalve de gespen, herinnerde hij zich niets meer van hem dan zijn dood, en hoe hij met een grote huilebalk en lange witte das achter zijn lijk gegaan was; en hoe er toen hij thuis kwam, een zwarte doek over de spiegel had ‘gehongen’; en hoe hij, bij die gelegenheid, zo veel geraspte broodjes had mogen eten als hij maar wilde; en dat daar een lange moei was bijgeweest, die zóveel witte wijn gedronken had, dat een dikke oom gezegd had: ‘Je krijgt niet meer.’ Zijne moeder had hij nooit gekend. De dikke oom had hem naar ’t Weeshuis gebracht; hij had er leren spellen, en toen was hij op timmeren gedaan, maar hij was te zwak voor dat werk, weshalve men hem bij een apotheker besteld had, om flesjes te spoelen, en te stampen: een baantje dat juist niet rijk is aan schitterende vooruitzichten. Vijftien jaar had hij er gediend, maar daar hij maar heel weinig lezen kon, en hij dikwijls tegelijk twee halfpintsflessen, drie kinderglazen, een amplet, een likkepot en een pakje poeiers weg moest brengen, was ’t hem eindelijk eens gebeurd dat hij een salepdrank gebracht had bij iemand die obstructies had, en daarentegen de poeiers met jalappeharst bij een dame die aan diarrhee leed, waarop hij, als niet genoeg geletterd, ontslagen werd. Sedert was hij loper voor een kantoor, en daarna huisknecht bij onderscheidene lieden geweest, waarvan sommige dood en andere geruïneerd waren; en daar hij, bij de grote opruiming, te oud was geweest om naar Frederiksoord te worden gezonden, had eindelijk het Weeshuis hem overgedaan aan het Diakoniehuis. En nu werd hij op zijn oude dag nog door mijn oom en een paar lieden van diens slag gebruikt tot het smeren van schoenen, uitkloppen van kleren, wegbrengen van de courant en, in één woord, tot het doen van min gewichtige boodschappen. Hetgeen, volgens de inlichtingen van mijn oom, ’s mans carrière het meest had gedwarsboomd, was zijn verregaande onnozelheid en daaraan geëvenredigde mensenvrees.
(meer…)

HET EERSTE TRANSPORT

Heather Macadam deed twintig jaar lang nauwgezet onderzoek naar de verhalen van de 999 meisjes en vrouwen van het eerste officiële Joodse transport naar Auschwitz. Ze interviewde hun dochters en nichtjes, en sprak met historici, getuigen en overlevenden. Zo ontrukte ze hun verhaal aan de vergetelheid en bracht hun hiermee een laatste eerbetoon. Heather Macadam schreef eerder over dit onderwerp, wat haar nominaties opleverde voor onder meer de National Book Award, de American Jewish Book Award en de National Library Association Award. Voor haar werk aan Het eerste transport ontving ze de Yad Vashem-onderscheiding.

Maar eerst een kort overzicht over het concentratiekamp Auschwitz. In februari 1940 werd Reichsführer-SS Heinrich Himmler ervan op de hoogte gebracht dat iets buiten de stadskern van het dorpje Auschwitz een aantal lege Poolse legerkazernes stonden. Het betrof twintig gebouwen, veertien met één verdieping en zes met twee verdiepingen. Mooi afgeschermd voor nieuwsgierige dorpelingen dus, met bovendien volop uitbreidingsmogelijkheden en goede spoorwegverbindingen. Kortom, een ideale locatie voor een groot concentratiekamp om gevangenen te herbergen die vanuit het hele Duitse Rijk en haar veroverde gebieden zouden worden aangevoerd. Al in april 1940 gaf Himmler het bevel in Auschwitz een kamp in te richten, enerzijds nodig om de overvolle gevangenissen in Silezië te ontlasten, maar vooral om alle nieuwe gevangenen in op te sluiten. Het lag namelijk in de verwachting dat er onder de bevolking in Silezië en de Poolse gebieden binnen het Generalgouvernement nog vele politieke tegenstanders zouden worden gearresteerd. Het nieuwe concentratiekamp had aanvankelijk als taak bij te dragen tot de ‘germanisering van het Oosten’. De gevangenen moesten de zompige gebieden rond het kamp omzetten in vruchtbare akkers, waarna zich hier Duitse kolonisten konden vestigen. Op 4 mei 1940 werd Rudolf Höss benoemd tot de eerste kampcommandant, die er een ‘ordelijk concentratiekamp’ van moest maken. (meer…)

ORANJEBITTER

De oorsprong van oranjebitter is niet echt bekend. In de 16e en 17e eeuw kwamen scheepsmedicijnen op de markt die bedoeld waren als medicijn tegen de beruchte scheurbuik. Dat was vroeger op schepen op de grote vaart een gevreesde ziekte. Zeelieden die lang onderweg waren kregen op een gegeven moment last van zwellingen en bloedingen van het tandvlees, rode of paarse puntvormige huidbloedingen (vooral op onderbenen), slapte, stijve en pijnlijke ledematen en inwendige bloedingen. Hoewel de naam anders doet vermoeden was er geen sprake van een specifieke buikaandoening. Onbehandelde scheurbuik was op lange termijn dodelijk, maar omdat men lang niet wist wat tegen de verschijnselen te doen, was scheurbuik op de verre ontdekkings- en handelsreizen die men na de middeleeuwen de voornaamste doodsoorzaken aan boord. Hoewel sinds de eerste ontdekkingsreizen duidelijk was dat het eten van citrusvruchten (vitamine C) de ziekte binnen enkele dagen deed verdwijnen bleven de geneeskundigen eeuwenlang zoeken naar andere remedies. De geneeskundige en hoogleraar Herman Boerhaave beschreef rond 1700 de ziekte als een probleem van de bloedcirculatie, veroorzaakt door vochtig en koud weer en een tekort aan beweging. Door zijn groot gezag in de Europese geneeskundige wereld bleef deze opvatting nog lang opgeld doen en bleef scheurbuik dus bestaan. De Britse marinearts James Lind (1716-1794) wist na 1747 gedaan te krijgen dat op Engelse marineschepen citroensap werd verstrekt, nadat hij in een klein onderzoekje had aangetoond dat van zes groepen van twee patiënten met een verschillend voedingssupplement de groep die twee sinaasappels en een citroen kreeg binnen zes dagen genazen, terwijl de overigen niet herstelden. In die tijd waren citrusvruchten in Nederland al te krijgen. Vooral naar Nederland gevluchte Portugese joden verhandelden ze vaak, want zij hadden nog veel contacten in Spanje en Portugal. Om het bittere vruchtensap beter naar binnen te krijgen, werd het aangelengd met alcohol. (meer…)

FERRE GRIGNARD 2

FERRE GRIGNARD 1

Ferre Grignard (Antwerpen, 13 maart 1939 – 8 augustus 1982) was een Belgische zanger en gitarist. Hij verwierf faam tijdens de jaren zestig van de vorige met nummers als “Ring, Ring, I’ve Got To Sing”, “Drunken Sailor”, “Captain Disaster” en “My Crucified Jesus”. Ferre werd geboren in een burgerlijk milieu waar hij later weinig mee te maken zou willen hebben. Tijdens zijn jeugd bij de scouts leerde hij gitaar spelen en met zijn broer en een vriend vormde hij een mondharmonicatrio. Hun optredens vonden plaats in echte skifflestijl met het typische wasbord. Toen hij kunstonderwijs ging volgen aan het Stedelijk Instituut voor Sierkunsten en Ambachten in Antwerpen, kreeg hij bekendheid in de Antwerpse artiestenwereld. Niet omdat zijn schilderijen zo goed verkochten, maar omdat hij gitaar speelde en zong als een blanke zwarte. “Hij heeft de blues, al spreekt hij geen woord Engels”, zei men weleens. In 1964 werd in Antwerpen het muziekcafé De Muze geopend en Ferre Grignard mocht er elke donderdag optreden met George Smits op gitaar en mondharmonica en Miel De Somer op wasboard. Zijn song Ring Ring I’ve Got To Sing kende er zoveel succes dat Walter Masselis, een van de eigenaars van De Muze, er een single van liet persen. De eerste 500 exemplaren waren onmiddellijk uitverkocht. Hans Kusters, een talentscout van het Philipslabel, liet een nieuwe opname maken en de single werd een hit. Met zijn hippie-achtige imago, zijn lange haar en nonchalante uiterlijk, werd hij ook weleens de Vlaamse Bob Dylan genoemd. Een hoogtepunt was een optreden in de Olympia in Parijs in april 1966. Kort daarop klaagde hij Johnny Hallyday aan, die een bewerking had gemaakt van zijn tweede hit My Crucified Jesus met als titel “Cheveux longs idées courtes”. Het plagiaat zelf kon hem niet zoveel schelen, wel het feit dat Hallyday er een tekst op had gemaakt, die beledigend was voor hippies in het algemeen en Grignard in het bijzonder. (meer…)

JAN VERLEUN

54e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Jan Verleun (Amsterdam, 13 augustus 1919 – Den Haag, 7 januari 1944) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was als derde van tien kinderen opgegroeid in een vroom rooms-katholiek gezin, dat schuin tegenover de Boomkerk woonde op de Admiraal de Ruyterweg 369 III. Op zijn negende besloot hij priester te worden. Na de zevende klas van de parochieschool van de Jezuïeten in Amsterdam-Zuid kon hij naar het seminarie in St. Oedenrode. Na drie jaar deelde de rector hem echter mee dat hij niet geschikt zou zijn voor het priesterschap. De reden van deze ‘afwijzing zijn onbekend gebleven. Op zijn zestiende was hij weer terug in Amsterdam en studeerde thuis verder voor zijn eindexamen. Hij wilde graag in militaire dienst, maar wist dat hij daar net te klein voor was. Een halve centimeter om precies te zijn. Hij  begon daarom een half jaar voor zijn oproep rekoefeningen te doen om die halve centimeter erbij te krijgen. Met succes. Zijn lichting had een lange diensttijd, want de oorspronkelijke negen maanden werden met een half jaar verlengd, die overging in de frustrerende mobilisatie. Jan nam z’n studieboeken mee naar de kazerne, droeg ze in z’n ransel mee naar de verschillende legerplaatsen en tenslotte naar de kazemat bij de brug van Westervoort, waar hij met een korporaal en zes andere soldaten gelegerd werd. (meer…)

LA GRANDE BOUCLE 32

Rodolfo Müller (Livorno, 12 augustus 1876 – Parijs, 11 september 1947) was een Italiaans wielrenner, die echter in de twintiger jaren de Franse nationaliteit verkreeg. Hij was de broer van de schilder en graficus Alfredo Müller, die vanaf het eind van de negentiende eeuw een goede reputatie opbouwde binnen het Parijse artistieke milieu. De beide broer groeide in een zekere welstand op, totdat in 1890 door het faillisement van de Bank van Livorno het internationale handelshuis van pa Müller ten onderging. Rodolfo Müller had zich toen al meer toegelegd op het wielrennen. In 1897 werd hij derde in de wedstrijd Parijs-Cabourg (Normandië) achter de indertijd bijna ongenaakbare Maurice Garin. Twee jaar later, op 10 april 1898, werd hij zesde in de derde Parijs-Roubaix, met een achterstand van 1.31.31 op (wie anders) Maurice Garin, die de koers over 268 kilomter voor de tweede keer won. Van de gestarte deelnemers zouden slechts achttien man de finish halen. Daarna werd het een paar jaar stil rondom Müller, althans er is in de rangschikkingen niks van hem terug te vinden. Slechts het bericht dat hij in 1901 als enige renner geregistreerd stond van het Italiaanse team Clement, maar opzienbarende resultaten werden er blijkbaar niet gehaald. (meer…)

DRUKTEMAKER DOWN UNDER

Elly Molenaar (1979) schrijft en fotografeert voor verschillende websites, bladen en kranten, waaronder oppad.nl en Kek Mama. Reizen is wat ze het liefste doet. Eerst in haar eentje, maar tegenwoordig samen met haar vriend en dochter. In Druktemaker Down Under reist Elly Molenaar zes maanden lang met vriend Richard en dochter Nika (3) door Nieuw-Zeeland en Australië. Een half jaar vol onvergetelijke belevenissen, dikke pret en bijzondere momenten. Van een aanvaring met een zeehond in Oamaru en een driftbui in de rugdrager op een bergkam in Western Australia tot een heuse ‘kolala’-expeditie in New South Wales. Immers, ook met jonge kinderen kun je de wereld ontdekken. Op reis gaan, verre landen bezoeken en genieten van andere culturen en prachtig natuurschoon hoeft echt niet te stoppen zodra er gezinsuitbreiding plaatsvindt. Juist niet! Bedenk eens wat al die mooie en leerzame avonturen met je kind doen. Druktemaker Down Under neemt je mee langs tal van kindvriendelijke plekken in Nieuw-Zeeland en Australië, beschrijft grappige en ontroerende situaties en geeft massa’s handige tips voor het reizen met kind(eren).
.
. (meer…)

DE FAMILIE STASTOK (5)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (18)
EERDERE AFLEVERINGEN

Hildebrand ziet de stad,
en Pieter verstout zich pot te spelen (2)

Petrus Stastokius Junior moest alzo op het acquit spelen, en hij maakte zich werkelijk tot die arbeid gereed. Te dien einde lei Petrus Stastokius Junior zijn pijp neer; maakte de punt van zijn keu wel een halve voet ver wit; plaatste zijn bal met de linkerhand op drie vierden; drukte de vier vingers van zijn linkerhand op een handbreed afstands van dezelve bal op ’t biljart; krulde de duim bevallig om, zodat hij aan ’t gehele gezelschap zijn tot op ’t leven afgesneden nagel vertoonde, en begon met de rechterhand de keu tussen duim en vinger heen en weder te bewegen op een wijze, die deskundigen ‘zagen’ noemen.
Tot zover ging Petri Stastokiï wetenschap om op het acquit te spelen. Ja, hij had zelfs een flauwe notie van de theorie van halfbal raken; maar daar het hem aan praktijk in het edele potspel haperde, was hij bijna zo wit als zijn bal, en stiet hem eindelijk krampachtig er op los, met dit gevolg dat hij klotste en ‘à faire’ lag voor de rechter hoekzak.
Het zou onmenselijk geweest zijn hem ‘te maken’ en daarom, mijn eigen bal stevig ‘houdende’, bracht ik de zijnen naar onderen, een goed eind voorbij de millieu. Daarop nam de bejaarde luitenant der infanterie zijn pijp tussen zijn grauwe knevels en speelde met de linkerhand op goedaf, maar werd niettemin met ‘een beest’ gesneden door den chirurgijnsleerling; waarop de verlopen student, die onder ons gezegd een grappenmaker was, zei dat die chirurgijns niet leefden of zij moesten wat te snijden hebben. De graankoper verzocht daarop de jongen om acquit voor hem te zetten en bleef met een wijs gezicht en onder het genot van zeker mengsel geestrijk vocht en suiker, ’t welk in ’t gemene leven een sneeuwballetje genoemd wordt, in ’t Handelsblad turen, en de verlopen student, zijn sigaar op den rand van ’t biljart neergelegd hebbende, stiet met veel nonchalance en verschrikkelijk hard op ’t acquit, welk voorbeeld van spelen door de advocaat met gelijke woede werd opgevolgd. Nu was de beurt aan de jongeling van drieëndertig jaren met de leverkleurige pantalon, die, van het beginsel uitgaande dat hij zijn bal voordelig moest trachten te verkopen, nooit op goedaf speelde, als hij zeker wist dat hij een bal maken kon. Hij maakte; en zo gebeurde het dat Petrus Stastokius andermaal op het acquit spelen moest.
(meer…)

DE FAMILIE STASTOK (4)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (17)
EERDERE AFLEVERINGEN

Hildebrand ziet de stad,
en Pieter verstout zich pot te spelen (1)

Ik werd des anderen daags om zeven uren wakker, en toen ik de groene saaien gordijnen openschoof om te zien wat voor weer het was, – welke was mijne ontzetting, te bemerken dat (wij sliepen op dezelfde kamer) Pieter zich reeds geperpendiculariseerd had en bezig was om, met de bril op, een paar schone kousen aan te trekken, waarin zijn moeder de vorige avond plichtmatig hieltjes gemaakt had.

De oudere Stastok was een man van de klok en stond diensvolgens om zes uren op, ten einde om half acht aan het ontbijt te zijn; en daar hij volstrekt niets te doen had, vulde hij die tussentijd met pijpjes roken aan. Opmerkelijk is het, dat naarmate men minder bezigheid heeft, men des te bekrompener over de tijd denkt. Indien men de goede Pieter Stastok Senior het moeilijke vraagstuk omtrent de zetelplaats van de wil had voorgelegd, zou hij, indien hij daartoe genoegzame tegenwoordigheid van geest had gehad, zijn wijsvinger op twee duim afstand van zijn maag hebben moeten leggen, door die beweging datgene zijner ingewanden aanwijzende, ’t welk hij zijn ‘goud horloge’ noemde. En inderdaad, indien ik mij door een goud horloge moest laten regeren, ik zou van zulk een geregeerd willen worden; want een goed, groot, dik en vet uurwerk was het, met twee kasten over elkaar; en daar het iedere morgen, klokke negen, met de torenklok werd gelijkgezet, liep het doorgaans volmaakt.
(meer…)

OLAFUR ARNALDS 2

OLAFUR ARNALDS 1

Ólafur Arnalds (Mosfellsbær, 3 november 1986) is een IJslands multi-instrumentalist, componist en muziekproducent. Hij is de neef van zangeres en muzikante Ólöf Arnalds (Reykjavik, 4 januari 1980), een IJslands folkzangeres en multi-instrumentalist, die werd opgeleid tot klassiek violist aan de Iceland Academy of the Arts. In het begin van haar carrière speelde ze geregeld als sessiemuzikant op albums van IJslandse artiesten, maar vanaf 2003 speelt ze in de experimentele-muziekgroep múm. Ólafur begon zijn carrière als drummer in hardcorepunk- en heavymetalbands, maar maakt tegenwoordig muziek waarin hij strijkinstrumenten, piano, ambient en elektronische muziek mengt. Zijn stijl wordt soms aangeduid als eigentijdse klassieke muziek.  Ook maakt hij muziek voor films en televisieseries zoals Broadchurch. In 2009 vormde Arnalds een experimenteel techno-project, genaamd Kiasmos, samen met Janus Rasmussen van de IJslandse electropopband Bloodgroup. In 2014 werd het debuutalbum van Kiasmos bekendgemaakt. (Bron: Wikipedia).
Zie ook de website van Ólafur Arnalds. (meer…)

FOLKERT POSTHUMA 2

53e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Folkert Evert Posthuma (Leeuwarden, 20 mei 1874 – Vorden, 3 juni 1943) was nadat het het kabinet-Cort van der Linden op 9 september 1918 was afgetreden, als president-directeur teruggekeerd bij ‘Centraal Beheer’; een functie die hij tot zijn pensionering in 1939 aanhield. Waarschijnlijk op dat moment even blij weer snel de politiek te kunnen verlaten na de stortvloed van kritiek en dreigbrieven die hij in die periode en zeker tijdens het Aardappeloproer over zich heen kreeg. Samen met Evert Kupers, de secretaris van het Nederlands Verbond van Vakvereenigingen (NVV), lid van de Tweede Kamer en een vooraanstaand man in de sociaaldemocratische beweging in het midden van de twintigste eeuw, zorgde Posthuma zorgde de verdere uitbouw van de Land- en Tuinbouwongevallenwet, die in 1922 was ingevoerd. Posthuma wist echter ook dat het hoogtepunt van zijn carrière voorbij was. Hij voelde zich miskend, omdat hij na zijn ministerschap niet opnieuw voor een ministerschap werd gevraagd. In de loop der jaren werd hij daar steeds gefrustreerder over en ging hij zich steeds meer overal afficheren de oud-minister van Landbouw. Hij had weliswaar tientallen nevenfuncties om zijn grote werkkracht te kunnen botvieren en talrijke binnen- en buitenlandse onderscheidingen om mee te pronken, maar het gevoel van miskenning bleef. Hij was onder meer voorzitter van de FNZ (1921 – 1933), de Maatschappij voor Nijverheid en Handel (1919-1927), de Nijverheidsraad (1921-1933), het Nationaal Technisch Scheepvaartkundig Museum (1925-1931), van verschillende instellingen op omroepgebied, de voorbereidingscommissie van een Economische Voorlichtingsdienst (1928-1931) en van het Landbouwcrisiscomité (1930-1933). In de jaren dertig was hij vooral werkzaam als lid van Nederlandse delegaties en instellingen op het gebied van het internationale handelsverkeer. (meer…)

FOLKERT POSTHUMA 1

52e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Folkert Evert Posthuma (Leeuwarden, 20 mei 1874 – Vorden, 3 juni 1943) was een Nederlands landbouwkundige en politicus. Na het doorlopen van drie klassen van de RHBS te Leeuwarden studeerde hij in de periode 1890-1893 Nederlandse landbouw aan de Rijks Hoogere Land-, Tuin- en Boschbouwschool te Wageningen. Aangezien het Wageningse einddiploma in die tijd nog niet veel voorstelde, leerde hij door voor de akte MO-school- en huisonderwijs in de landbouw. Na het behalen van deze akte (1896) studeerde hij nog enige semesters aan het landbouwinstituut van de universiteit te Halle an der Saale. Zijn eerste sollicitatie, naar het ambt van rijkslandbouwleraar in Friesland, werd afgewezen, volgens zijn eigen lezing omdat hij te ‘rood’ was in de ogen van een aantal invloedrijke Friese heren. Het is niet onwaarschijnlijk dat hij zijn kansen verspeelde door zich tijdens een voordracht voor het Landhuishoudkundig Congres (1896) meer eerlijk dan diplomatiek uit te laten over het functioneren van de Friese pachtcommissie. De gemankeerde benoeming, waarover hij zich nog in 1940 beklaagde, veroorzaakte een levenslang litteken. In 1898 moest hij zich tevreden stellen met de bescheiden functie van secretaris van de Bond van Coöperatieve Zuivelfabrieken in Friesland, maar daarna maakte hij snel carrière. Het jaar daarop werd hij zuivelconsulent in Drenthe, een functie die voldoende financiële basis bood voor zijn huwelijk op 28 augustus 1899 met Aaltje van den Steen; het echtpaar kreeg twee dochters. (meer…)

EROTIEK IN DE 19E EEUW – 28

DE FAMILIE STASTOK (3)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (16)
EERDERE AFLEVERINGEN

De ontvangst (2)

‘Hoe komt het, Piet! dat je neef Hildebrand misgelopen bent?’ vroeg tante verwonderd.
De student Pieter Stastok keerde zich om, ten einde zijn rotting in een hoek te zetten, en zei dat de diligence verwonderlijk vroeg aangekomen was; een omstandigheid, die zeer zeker verwonderlijk was, aangezien wij op weg een oponthoud gehad hadden van een half uur, door ’t storten van een der paarden. ‘Hij was eerst nog effen bij den boekverkoper geweest, die zijn Instituten inbinden moest, en was toen regelrecht naar de diligence gegaan, maar had tot zijn verbazing gehoord dat die al lang aan was, en dat ik met de knecht was opgewandeld’, enz. enz.
De zaak was dat hij een singeltje had omgelopen, totdat hij zeker wist dat ik reeds lang onder zijn vaders dak goed en wel zou gevestigd zijn, uit vrees de verkeerde persoon voor mij aan te spreken. Nu, indien hij de commissaris van politie getroffen had – hij was voor zes weken een bedorven man geweest!
‘De neven moeten nu maar eens goed kennismaken,’ zei mijn tante, die tot de minzaamste aller schommelige huismoeders behoorde; ‘zij zijn toch allebei student.’
‘Ja maar,’ zei Pieter, nog lang niet gemeenzaam met het denkbeeld van een kennismaking, ‘in verschillende vakken.’
(meer…)

ETIENNE GIRAN (41)

Etienne Giran (Vauvert, 17 augustus 1871 – Buchenwald, 13 september 1944) was een predikant. Van 1900 tot 12 mei 1921 was hij de predikant van de Waalse Gemeente in Amsterdam. In de periode schreef hij een aantal theologische boekjes, die zowel in het oorspronkelijke Frans en in de Engelse vertaling nog steeds herdrukt worden. Enkele van die boeken werden ook in het Nederlands vertaald en kenden toen een meer dan behoorlijke populariteit. Zo verscheen in 1905 van hem ‘De Godsdienstige Waarheid en de Moderne Christenen’ en in 1916 ‘Een onhoudbare leer. Denkbeelden van Jezus over de leer, dat men het kwade niet met geweld te keer mag gaan‘, die nog slechts via het antiquariaat beschikbaar zijn. Na zijn terugkeer naar Parijs bleef hij een goede bekende binnen de Nederlandse gemeenschap in de Franse hoofdstad, althans het christelijke deel daarvan. Een van de vele contacten die hij hier had was Johan Herman Laatsman de Bailleul (Gent, 14 september 1903 – Den Haag, 28 mei 1976), een Nederlandse diplomaat en degenen die in de periode januari 1943 – februari de hoogste leiding zou hebben over Dutch-Paris. Dat was een ondergronds netwerk van het Nederlands, Belgisch en Frans verzet met als doel mensen te redden en belangrijke documenten te smokkelen. De ontsnappingsroute heeft in belangrijke mate bijgedragen aan het Frans verzet en was verantwoordelijk voor de redding van meer dan 1.080 mensen, waaronder 800 Nederlandse Joden en meer dan 112 neergehaalde geallieerde piloten. Er werkte ongeveer 300 man voor het netwerk, waarvan in de bezettingsjaren ongeveer de helft werd gearresteerd. Veertig leden werden gedood of stierven aan de gevolgen van gevangenschap. Het duurde niet al te lang na de Duitse bezetting van Frankrijk dat Etienne Giran en zijn zoon Olivier Giran voor Dutch-Paris gingen werken. (meer…)

TASH SULTANA 2

TASH SULTANA 1

Tash Sultana (Melbourne, 15 juni 1995) is een Australisch singer-songwriter en multi-instrumentalist. Op driejarige leeftijd gaf Sultana’s grootvader een gitaar cadeau. De singer-songwriter raakte verslaafd aan drugs wat resulteerde in een psychose toen Sultana 17 jaar oud was. Het kostte maanden therapie om hiervan te herstellen. Na een onsuccesvolle zoektocht naar een baan begon Sultana te spelen als straatmuzikant. Sinds 2013 publiceert de singer-songwriter muziek op Bandcamp. Sultana speelt zowel live als in de studio alle instrumenten. De artiest is omschreven als one-person-band en one-woman band. Sultana is in 2017 en 2018 genomineerd voor diverse ARIA Awards en won er een, in de categorie Best Blues and Roots Album voor het album Flow state. In 2016 ging een video van het lied Jungle viraal. Een opname werd een miljoen maal bekeken in vijf dagen tijd. Sultana won een J Award in de categorie Unearthed Artist of the Year. De nummers Jungle en Notion belandden in de Triple J Hottest 100, op respectievelijk de derde en 32ste positie. Beide nummers zijn afkomstig van de ep Notion die in 2016 werd uitgebracht op Sultana’s eigen label Lonely Lands Records. De ep behaalde de achtste positie in de Aria Charts. Vanwege het succes van de ep ging de artiest op wereldtournee. Sultana is non-binair en geeft de voorkeur aan de genderneutrale voornaamwoorden ‘they’ en ‘them. Sultana spreekt openlijk over ervaringen met drugs en de daaruit voortgekomen psychose. (Bron: Wikipeida)
Zie ook de website van Tash Sultana. (meer…)

GEORGES-EMILE LEBARQ

Georges-Émile Lebacq (Jemappes, 26 september 1876 – Brugge, 4 augustus 1950) was een Belgisch impressionistisch en postimpressionistisch kunstschilder. Hij begon in 1896 met het schilderen van voornamelijk portretten. Deze zeldzame doeken bevinden zich in het Musée des Beaux-Arts (BAM) van Bergen, België. Hij publiceerde in die periode ook in het jonge tijdschrift Le Coq Rouge, een symbolistisch tijdschrift van de militante schrijver Hubert Krains en dichter-schrijver Emile Verhaeren. Via dit tijdschrift maakte hij kennis met enkele vooraanstaande schrijver, zoals Maurice Maerlinck, en met de schilder James Ensor. In 1899 was Lebacq betrokken bij de oprichting van het tijdschrift Le Thyrse in Brussel, waarvoor hij lid was van het redactiecomité en artikelen schreef over schilderkunst en gedichten. Ook via dit tijdschrift maakte hij kennis met vele schrijvers, dichters, schilders en politici. Na een tijd geaarzeld te hebben tussen een schrijvers- en dichtersloopbaan en die van schilder, verliet Lebacq in 1907 Le Thyrse om zich op 31-jarige leeftijd volledig te wijden aan de schilderkunst. Na zijn klassieke portretten uit de eerste periode ging hij vanaf 1907 steeds meer impressionistisch schilderen. Hij reisde samen met zijn vrouw en kinderen naar Algerije, Italië (vooral Venetië) en het Midden-Oosten. (meer…)

HET AARDAPPELOPROER

51e HINK-STAP-SPRONG DOOR DE TIJD

Het Aardappeloproer was een Amsterdamse volksopstand van 28 juli tot 5 juli 1917 tegen de schaarste, slechte kwaliteit en hoge prijzen van het voedsel tijdens de Eerste Wereldoorlog. Nederland was weliswaar niet betrokken bij de wereldoorlog, maar ondervond daar onvermijdelijk toch de gevolgen van. De in- en uitvoer van allerlei goederen stagneerden, wat onder meer tot gevolg had dat brod en ander voedsel op de bon ging en dat er gaarkeukens werden ingericht. In januari 1917 was al een rantsoen voor brood ingesteld. Op 28 juni 1917 was het niet langer mogelijk aardappels te krijgen. Wethouder Josephus Jitta wilde de toenemende onvrede over het ontbreken van de aardappelen, volksvoedsel nummer één, te pareren met een poging het volk zijn eetgewoontes te laten wijzigen en rijst te gaan eten dat overvloedig voorradig was. In de volkswijken in Amsterdam was men te weten gekomen dat er in de Prinsengracht een schip met aardappelen lag die voor het leger bestemd waren. De vrouwen uit de Jordaan (waar eerder als het Soeploodsoproer en het Jordaanoproer hadden plaatsgevonden) stroomden toe om het schip te plunderen, zodat ze hun gezinnen weer te eten konden geven. Behalve dat het schip werd geplunderd, werden ook treinwagons met aardappelen op de Oostelijke Eilanden vakkundig leeggeroofd. Er was een groot tekort aan aardappelen, volksvoedsel nummer één. (meer…)

DE FAMILIE STASTOK (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (15)
EERDERE AFLEVERINGEN

De ontvangst (1)

Het duurde een minuut of wat alvorens een eigenaardig sloffen in het voorhuis de aankomst van een bejaarde keukenmeid verried, die eerst natuurlijk de aardappel waaraan zij bezig was, had moeten afschillen, daarna de bak van haar schoot en haar beide voeten van haar stoof zetten, om vervolgens haar rode muilen aan te trekken, haar neus met het buitenste van haar hand af te vegen, haar eva in de schuinte op te slaan, en de langen weg te aanvaarden, die van de keukendeur tot bij de barometer twintig, en van de barometer tot de mat, zes stappen vergde. In de tussentijd bekeek ik de voorgevel van de woning.
Het huis was, als mijn oom, burgerlijk, en ofschoon het huis ouder was, was ook deze, zowel als zijn huis, van een vroeger eeuw. Het had een trapgevel, en de bovenste verdieping was met kruiskozijnen in het lood. Het had slechts één zijkamer, met twee schuiframen met middelsoort ruiten, versierd door groene gazen gordijntjes op brede koperen roeden, in het midden een weinigje opengeschoven om het licht vriendelijk uit te nodigen wel te willen beschijnen twee bloempotten van mijn tante, onder streng verbod van iets anders in het vertrek òf op te luisteren òf te verbleken. Ik was nieuwsgierig of ik ooit in die kamer zou toegelaten worden. In allen gevalle werd ik alvast in ’t voorhuis gelaten, en kwam ik spoedig in een achterkamer met een hoog licht, in de onmiddellijke tegenwoordigheid van mijn oom en tante.
(meer…)

LA GRANDE BOUCLE 31

Jules Salès (Brussel, 23 juni 1875 – onbekend) was een Belgisch wielrenner. Hij was beroepsrenner van 1901 tot 1914 en werd in 1904 Belgisch kampioen in Brussel. Ziehier de uiterst karige gegevens die op Wikipedia staan vermeld bij Salès. Er is al direct bevreemding dat blijkbaar niet bekend is waar en wanneer de renner overleden is. Nu is het een terugkerend verschijnsel dat weinig bekend is van de renners van de eerste Tours. Zodra de fiets definitief is opgeborgen, verdwijnt de renner in de ‘mist of time’. Maar dat zelfs plaats en datum van overlijden onbekend zijn, is wel tamelijk uniek. Op een wat obscure pagina staat de mededeling dat hij in 1913 op 37-jarige leeftijd zou zijn overleden, wat betekent dat hij vóór 23 juni 1913 moet zijn overleden. Het verhoudt zich echter niet met de mededeling op Wikipedia en andere websites dat hij tot 1914 beroepsrenner was. En al helemaal niet met zijn deelname aan de Tour de France van 1913. Daarover later meer. 

Salès was een van de vier officiële deelnemers uit België van de allereerste Tour de France die op 1 juli 1903 van start ging bij herberg Au Reveil Matin in Montgeron, een voorstad van Parijs. De drie andere Belgen die aan de start stonden (Maurice Kerff, Aloïs Catteau en Julien Lootens) zijn eerder al besproken. Waarschijnlijk moet Salès een goede sprinter zijn geweest, want in 1903 werd hij in Lille, bij Turnhout op het vlakke Brabantse land, winnaar van een grote koers. Hij zal er denkelijk zijn uitverkiezing voor de Tour aan te danken hebben, maar wellicht is het gewoon overmoed om zich in te schrijven. Salès hoort in de eerste etappe (467 kilometer van Parijs naar Lyon) tot het grote leger uitvallers. (meer…)

OLIVIER GIRAN (40)

Olivier Giran (Sèvres, 14 september 1920 – Angers, 16 april 1943) was een Franse verzetsstrijder met de schuilnaam Monsieur Alain tijdens de Tweede Wereldoorlog. In november 1939 nam hij dienst bij de infanterie om de opleiding tot reserve-officier te gaan volgen. Op het moment in juni 1940 dat de Fransen een wapenstilstand met de Duitse aanvallers overeenkwamen bevond hij zich in Vichy. Aan de gevechten had zijn onderdeel niet deelgenomen. Op 16 juni 1940 begon maarschalk Pétain onderhandelingen met de Duitse bezetters. Charles de Gaulle was lid van het Franse oorlogskabinet tijdens de Duitse invasie en was door voorzitter Paul Reynaud op een diplomatieke missie naar het Verenigd Koninkrijk gestuurd om daar steun te krijgen voor het Franse verzet. Op 18 juni 1940 sprak generaal De Gaulle de Franse bevolking toe in een radio-uitzending van de BBC. De Gaulle deed een hartstochtelijk beroep op de Franse soldaten en burgers de oorlog voort te zetten. Ondanks de oproep van De Gaulle tekende Pétain op 22 juni 1940 toch de overgave met de asmogendheden en werd zo de president van Vichy-Frankrijk. Door het oorlogskabinet, met De Gaulle als belangrijkste woordvoerder, werd daarop de beweging Vrije Fransen of Vrije Franse Strijdkrachten opgericht, die bestonden uit Franse oorlogsstrijders, officieren en burgers die de asmogendheden wilden bevechten. De Vrije Fransen stonden recht tegenover het collaborerende Vichy-regime. (meer…)

HINDI ZAHRA 2

HINDI ZAHRA 1

Hindi Zahra (Khouribga, 1979) is een Marokkaanse in Frankrijk wonende zangeres met een Engels- en Berberstalig repertoire. In 1993 verliet ze samen met haar vader haar geboorteland Marokko en verhuisde ze naar Frankrijk. Nadat ze op achttienjarige leeftijd afstudeerde werkte ze een tijd in het Louvre in Parijs. Tijdens die periode schreef ze haar eigen muziek en was ze aan de slag als achtergrondzangeres. Later zette ze haar carrière verder in de alternatieve muziekscene. In januari 2010 werd haar debuutalbum “Hand made” uitgebracht door Blue Note Records. De eerste single uit het album is het nummer “Beautiful Tango”.(Bron: Wikipedia)
Zie ook de website van Hindi Zahra. (meer…)

VOORNAMELIJK VROUWEN EN VERSJES 1

Jan Wit wordt geboren op 7 juli 1914 te Nijmegen. Zijn vader, Cornelis Wit, geboren 5 juli 1883, is leraar wiskunde aan de kweekschool De Klokkenberg. Op 12 mei 1910 is hij getrouwd met Lijntje Geertruida Kommerina de Baan, geboren 3 augustus 1882. Uit het huwelijk worden twee kinderen geboren: Nelleke, geboren 12 juli 1911 en overleden op 25 november 1973 en Jan. Het echtpaar Wit is lid van de Waalse gemeente. Al spoedig blijkt dat Jans gezichtsvermogen slecht is. In 1957 herinnert hij zich: ‘Ik weet nog dat ik last had van mijn ogen en niet graag wilde kijken. ‘k Herinner me vaag dat ze me dingen lieten zien. Al heel vroeg is al het licht uit mijn ogen verdwenen.’ Medicijnen noch operaties baten. Wit wordt al spoedig helemaal blind en gaat met twee glazen ogen door het leven. Op 27 april 1919, als Jan vier is, overlijdt zijn moeder aan de Spaanse Griep. In zijn gedicht ‘Voornamelijk vrouwen en versjes 1’ legt hij zich rekenschap af van de herinnering aan zijn moeder. Drie jaar na het overlijden van zijn eerste vrouw, hertrouwt zijn vader op 18 juli 1922 met Anna Wilhelmina Götz van der Vet, geboren 25 oktober 1984. Uit dit huwelijk worden twee jongens geboren: Walt in 1924 en Hans in 1928. Aardig is de beschrijving die Jan Wit later geeft van het Nijmegen uit zijn jeugd: ‘Toen ik klein was graasden tegenover ons huis in de Jozef Israëlsstraat nog paarden en als je met de tram, dat goede oude vervoermiddel met zijn twee beugels […] naar het Hengstdal reed, dan was je echt buiten. Alleen het vrolijke hameren van een smid overtuigde je ervan dat er toch nog mensen woonden. […] In onze straat reed nauwelijks een auto en mijn zorgzame ouders hielden hun blinde zoontje in het geheel niet vast, zelfs hun hart niet’. Uitgebreide biografieën van Jan Wit zijn te vinden op Huygens Ing en de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren (DBNL). (meer…)

12 – RACHID TALBI

DE FAMILIE STASTOK (1)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (14)
EERDERE AFLEVERINGEN

De aankomst

In het kleine Stadje D werd op een donderdag in de maand October, des namiddags omtrent één ure, de steile ijzeren trede neergelaten van een gele diligence, rijdende over D, van C tot E en vice versa, en uit dezelve daalde, tot grote bemoddering van degene die hem onmiddellijk volgde, en die niemand anders was dan zijn eigen cloak, uw onderdanige dienaar Hildebrand. Hij had gereisd met een bleke dame, die het roken had verboden en gedurig de kronkelbochten van haar boa had zitten te verschikken, dan eens had gezucht, dan eens ingesluimerd was, dan eens eau de cologne genomen, dan weer eens geslapen had, en altijddoor lelijk was geweest. Op dezelfde bank met deze had een jong juffertje gezeten, in een blauwe geruite mantel niet gedoken, het denkbeeld is te ruim, maar gestoken; een mantel, die, naar een langvergeten mode vatbaar was om van achteren te worden ingehaald door een klein lapje van dezelfde stof, in den vorm van een souspied, op twee paarlemoeren knoopjes uitgespannen; dezelfde juffer had een strohoed op met blauw gaas lint met bruine strepen, in grote lissen met stevig soutien opgemaakt, en een hardgeel sjaaltje om den hals. Zij was zeer bang voor de bleke dame naast haar, en bleef op een schuwen afstand; soms had zij de goede wil haar in ’t verschikken van haar boa te hulp te komen, en eenmaal had zij er werkelijk een dikachtig roodvingerig handje met een ring, die bijzonder veel op tin geleek, voor ontbloot; maar de bleke dame had haar aangeblikt en toen had zij haar neus gesnoten, volgens een in de omgang zeer deugdelijk stelsel, naar ’t welk de neus alle mispassen, voorbarigheden en malle figuren misgelden moet. Dit was het personeel van de achterste bank geweest.
(meer…)

LA GRANDE BOUCLE 30

Julien Lootens (Wevelgem, 2 augustus 1876 – Brussel, 5 augustus 1942) was tussen 1901 en 1921 professioneel wielrenner. De eerste twee jaren reed hij als individueel renner mee in de koersen, waarschijnlijk behoorlijk anoniem want er staan in die jaren geen overwinningen of ereplaatsen geregistreerd. In de archieven duikt slechts twee keer een deelname aan de klassieker Parijs-Roubaix op. In 1902 werd hij 22e op 2.29.31 van Lucien Lesna, die het jaar eerder ook al winnaar was geworden, en in 1903 eindigde hij op de 20e plaats, op 3.29.30 van de krachtpatser Hippolyte Aucouturier, die het daaropvolgende jaar de wedstrijd voor een tweede keer zou winnen.

Herman Chrevolet merkt in zijn boek ‘De Flandriens: opkomst en ondergang van een wielersoort’ op dat rond de eeuwwisseling de wielersport in een laag aanzien stond. Veel vooraanstaande Belgische renners kozen er dan ook voor onder een schuilnaam aan de koersen mee te doen. Jan Olieslagers reed zijn wedstrijden onder de naam ‘John Max’, Ernest Van Hamme is op de uitslagenlijsten terecht te vinden als ‘Fernandez’, Oscar Van Den Eynde gebruikte de naam ‘Maurice’ en Julien Lootens gebruikte in het rennersmilieu de schuilnaam ‘Samson’. In latere jaren zou ene Lucien Mazan de bijnaam Petit-Breton krijgen en onder die naam uiteindelijk de geschiedenisboeken ingaan. Van Lootens wordt daarbij gemeld dat hij als iemand die uit een gegoed milieu kwam niet onder zijn eigen naam in de sportuitslagen teruggevonden wilde worden. Het is dan wel vreemd dat hij maar liefst 19 jaar lang deel uitmaakte van het peloton. Dat valt zo lang onmogelijk anoniem vol te houden. Waarschijnlijk is de andere reden die Chrevolet noemt voor die schuilnamen van toepassing: een vorm van snobisme, zoals dat ook onder schrijvers, kunstenaars en journalisten gebruikelijk was. Ruim honderd jaar later is er op dat punt weinig veranderd. (meer…)

AGNES OBEL 2

AGNES OBEL 1

Agnes Caroline Thaarup Obel (Kopenhagen, 28 oktober 1980) is een Deense singer-songwriter. Obel komt uit een muzikale familie en doorliep het Det frie gymnasium en studeerde aan de Universiteit van Roskilde. Obel speelde in de band Sohio en in oktober 2010 kwam haar eerste solo-cd Philharmonics uit via PIAS. Obel speelt meestal samen met de Duitse celliste Anne Ostsee (Anne Müller). Ze speelde een kleine rol in de korte film Drengen der gik baglæns uit 1995 van Thomas Vinterberg. In 2012 won Agnes Obel een EBBA-award. (Bron: Wikipedia)

Zie ook de website van Agnes Obel. (meer…)

LA GRANDE BOUCLE 29

Aloïs Catteau werd op 11 augustus 1877 geboren in het Noord-Franse grensplaatsje Tourcoing. De industriestad maakt deel uit van een stedelijke agglomeratie met de plaatsen Lille en Roubaix in Frankrijk en Moeskroen en Kortrijk aan de andere kant van de grens. In die tijd zal de plaats door de Vlamingen nog vooral worden aangeduid met de oorspronkelijk naam, Toerkonje. In Kortrijk geeft de Torkonjestraat nog steeds de weg naar Tourcoing aan. Hij maakt deel uit van het kleine groepje Belgische renners, die deelnemen aan de allereerste Tour de France in 1903. Behalve Catteau zijn dat de al 37-jarige Marcel Kerff (1866-1914), Julien Lootens (1876-1942) en Jules Sales (1876-?).

Herman Chrevolet merkt in zijn boek ‘De Flandriens: opkomst en ondergang van een wielersoort’ op dat rond de eeuwwisseling alle Belgische renners aan het euvel leden dat ze blijkbaar buiten hun vertrouwde omgeving alle kracht waren verloren. Ze konden in de eigen streek allemaal goed overweg met slechte wegen, die voor hen platgereden veldwegen zonder kuilen en gevaarlijke stenen randen leken. Allemaal goede renners met een gezonde eerzucht, maar het lukte maar niet. Renners die ze op de Vlaamse steenwegen schouderophalend achter zich lieten, konden ze op de Franse wegen niet klein krijgen. Hij merkt op dat er voor de Vlaamse renners blijkbaar veel moed voor nodig was om vanuit een verloren hoek in het Vlaamse land op eigen gelegenheid, zonder verzekerd te zijn van logies en eten, naar het zuiden af te reizen. Door die provinciale mentaliteit zou het Vlaamse wielrennen een zekere dood zijn gestorven als niet een paar enkelingen zich aan dat provinciale milieu hadden ontworteld om in het waagstuk dat Tour de France heette hun geluk te beproeven. Hier was alles goed geregeld. Fietsenfabrikanten rustten wielerploegen uit met fietsen van eigen merk, er waren auto’s ter begeleiding van de coureurs met een heuse sportbestuurders aan het stuur, er waren bevoorradingsposten, mecaniciens en verzorgers, plus waren de hotelkamers geboekt. De Vlaamse renners die het aandurfden, die niet bang waren voor zweet, vernedering en pijn, waren welkom, mits ze uiteraard zichzelf wel uit de naad reden voor hun Franse koopman. (meer…)

PIET MONDRIAAN 1919-1944

Na zijn gedwongen verblijf in de periode 1914-1919 in Laren keerde Mondriaan in juni 1919 terug naar Parijs, naar het atelier aan de Rue du Départ waar zijn oude spullen nog steeds stonden. Na een kort verblijf elders keerde hij er in 1921 definitief terug. Hij merkte tot zijn teleurstelling dat zijn oude vrienden niet waren verdergegaan in het kubisme, maar allemaal een andere weg hadden gekozen. Waar zij nog steeds een overvloed aan realistische elementen in hun werk hadden opgenomen, was Mondriaan steeds abstracter gaan werken. Wel bouwde hij een nieuwe kennissenkring van dadaïsten en surrealisten op, die sporadisch werk van hem kochten en hem interviews en tentoonstellingen in zowel Europa als Amerika opleverden. Uit pure geldnood schilderde Mondriaan in opdracht, meestal uit Nederland, nog wel eens een bloemstuk in tere kleurstelling of een reproductie van eigen werk uit zijn figuratieve periode. In de twintiger jaren vervolmaakte Mondriaan zijn werkwijze steeds meer, steeds verder weg van zijn experimenten gedurende de Eerste Wereldoorlog en zijn realistische jeugdjaren (1872-1914) in Amsterdam. Hij gebruikte per schilderij nog maar hooguit één primaire kleurvlak, de grijze lijnen maakten plaats voor dikke zwarte lijnen, de kleurvlakken werden naar de rand verschoven en de grijswaarden werden zo subtiel dat ze soms amper van de witte vlakken te onderscheiden waren. (meer…)

HUMORISTEN

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (13)
EERDERE AFLEVERINGEN

Het legher treckt vast in met duizenden, een macht
Zoo groot als Waterlant noch oit te velde bracht,
En Kennemer, en Vries en Zeeu en Hollant t’ zaemen.
Gysbrecht van Aemstel

(Uit een brief van Melchior)

Beste Hildebrand!

Ik verneem met een zeker genoegen, dat er van tijd tot tijd iets van u gedrukt wordt; met een zeker genoegen, zeg ik; want wij hebben nog samen school gegaan. Ik heb toen altijd wel gedacht dat er wat in u zat, maar ik wist niet of er ooit wat uit u komen zou. Mijn vader zegt evenwel dat hij dat altijd voorspeld heeft, ofschoon ik er mij niets van herinner, maar wel weet ik dat ik driemaal een hekel aan u gehad heb, omdat mijn vader u tot een voorbeeld van goed oppassen nam, en ik wist toch dat ge ook wel eens kattekwaad deed, Hildje! Denk maar eens aan de klapdeur van het Bonte Kalfje, die alle morgens om halftien en iedere namiddag om drie uren werd opengetrokken dat de bel rammelde, een kwartier lang, als het Franse gebed al lang op school was voorgelezen. – Maar dat daargelaten, vriend; ik hoor dat gij weer iets op de pers hebt, en gij zult mij, op grond van heel goede kennis, wel vergunnen willen, u enige raadgevingen mede te delen. Ik ken mensen, die dat veel liever doen bij wijze van recensiën; daar zijn er, die de kopij onberispelijk en het gedrukte boek allerdolst vinden; maar ik hou van die methode niet, en kom liever met mijn raad voorop.
(meer…)

PIET MONDRIAAN 1914-1919

Op 25 juli 1914 kwam Piet Mondriaan voor een paar weken terug naar Nederland, dat was althans de bedoeling. Hij wilde er zijn zieke vader bezoeken, langsgaan bij wat vrienden en nog voor de sluiting op 31 juli 1914 zijn solotentoonstelling in kunsthandel Walrecht in Den Haag bezoeken. Op 28 juli 1914 brak echter de Eerste Wereldoorlog uit, met allerlei gevechtshandelingen in België en Noord-Frankrijk die een veilige terugkeer naar Parijs moeilijk en onveilig maakte. Terugreizen via Duitsland of Engeland kon hij zich niet veroorloven, zodat hij besloot voorlopig in Nederland te blijven. De algemene verwachting was immers dat de oorlog weer snel afgelopen zal zijn. Zijn verblijf in Nederland zal echter tot begin 1919 duren. De periode zal voor de ontwikkeling van het kunstenaarschap van Mondriaan cruciaal zijn, omdat hij er de tijd kreeg mijn gedachten over abstracte en non-figuratieve kunst op papier te zetten. Hij ontwikkelde zijn eigen kunsttheorie, die hij Nieuwe Beelding of Neoplasticisme noemde, en maakte een beperkte serie schilderijen waarin die theorie in de praktijk werd gebracht. (meer…)

DRABBLE 8

Adam Twidell maakt overuren. Zijn bedrijf dat de vluchten van privévliegtuigen regelt, heeft veel boekingen uitstaan. Dat was altijd al een lucratieve business, maar nu de paniek rondom het coronavirus echt begint, doen steeds meer superrijken alles om besmetting met het coronavirus te voorkomen. Ze charteren voor een extra tarief een vliegtuig om zo snel mogelijk te vertrekken naar hun vakantiebungalow, ergens op een ver afgelegen plaats. Ver verwijderd van het gewone volk, dat met extra handen wassen, niezen in de elleboog en het hamsteren van een paar armzalig pakken spaghetti en rollen wc-papier moet proberen het onheil te voorkomen.

Ook Robert Vicino werkt zich drie slagen in de rondte. Er zijn er ook genoeg die snel een peperduur ondergronds appartement van zijn bedrijf huren. Die bunkers werden gebouwd om te kunnen overleven als er een atoomoorlog zou uitbreken. Ze waren eigenlijk volstrekt overbodig, maar komen nu ineens mooi van pas. Het coronavirus heeft dezelfde alarmerende status als een atoomoorlog gekregen. Twidell ziet met verbazing gezinnen met zijn vliegtuigen vertrekken, sommigen met eigen arts en verpleegkundigen. Vicino ziet ze met dezelfde verbazing aankomen en snel ondergronds verdwijnen. Ze hebben slechts de vraag of de voorraadruimtes en koelkasten goed gevuld zijn. (meer…)

NEBELUNG 2

NEBELUNG 1

PIET MONDRIAAN 1872-1914

Piet Mondriaan (Amersfoort, 7 maart 1872 – New York, 1 februari 1944) is een van de grote pioniers van de abstracte en non-figuratieve kunst. Vooral zijn latere geometrisch-abstracte werk met de kenmerkende horizontale en verticale zwarte lijnen en primaire kleuren is wereldberoemd. Hij werkte mee aan het tijdschrift De Stijl en ontwikkelde een eigen kunsttheorie, die hij Nieuwe Beelding of Neoplasticisme noemde. Mondriaan had in mei-juni 1890 in Den Haag al een eerste tentoonstelling gehad, die goed werd ontvangen en hem een studiebeurs opleverde. In oktober 1892 schreef hij zich in aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten voor de dagopleiding schilderkunst. In de daaropvolgende tijd nam hij allerlei baantjes aan om in zijn levensonderhoud te voorzien: bacteriologische tekeningen maken, schilderijen kopiëren in musea, les geven, landschapjes schilderen, tegels beschilderen, ex librissen ontwerpen en portretten tekenen.

In 1894 werd hij lid van Amsterdamse kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae, waarmee hij toegang kreeg tot het officiële expositiecircuit. In de jaren 1895 en 1896 bekwaamde hij zich in het maken vaan etsen. In 1897 werd hij lid van Kunstenaarsvereniging Sint Lucas om zijn expositiemogelijkheden te vergroten. Via studiegenoten kwam hij in contact met een groep kunstenaars en vrijgevochten types, die samenkwamen in de ‘molen zonder wieken’ aan de Tolstraat, aan de rand van de stad. Van daaruit maakte hij zijn eerste tochtjes door het omliggende rivier- en polderlandschap. Mondriaans eerste Nederlandse periode, die eindigde met zijn verhuizing in 1912 naar Parijs, werd gekarakteriseerd door hard werken om in zijn onderhoud te kunnen voorzien. (meer…)

011 – DAVID FIGIELEK

EEN ONAANGENAAM MENS IN DE HAARLEMMERHOUT (6)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (12)
EERDERE AFLEVERINGEN

‘Ba; wat is ze lelijk als ze zingt,’ klonk het, dwars door de aandoenlijke woorden der romance heen, uit den heuse mond van Robertus, wie het zeker nooit in ’t hoofd was gekomen dat ook een arme vrouw ijdelheid zou kunnen hebben.
Het lied liep verder zonder stoornis af; zodat de reticule geopend kon worden, om het bekende roodverlakte flessebakje met blinkende rand te voorschijn te brengen. Ik had er een gulden op willen leggen, indien de zangeres Nurks niets gevraagd had. Maar er was geen houden aan; dus gaf ik maar een dubbeltje. Zij kwam tot Nurks.
‘Hoeveel octaven kan jij wel zingen?’ vroeg hij werkelijk grijnslachende, maar tegelijk een vijfje op ’t blaadje leggende; want zoo was hij.
Men moet in de handel ook het vuile geld aannemen.
‘Merci, monsieur,’ zei de harpspeelster, met neergeslagen ogen, en was reeds bij den man met den gescheurde pantalon. De lange procureursklerk was middelerwijl van plaats veranderd, en zat nu toevallig aan een tafeltje, ’t welk de virtuoze alreeds was voorbijgegaan.
De violen hadden ondertussen lustig doorgespeeld; ik weet niet of men er te milder of te kariger om gegeven had. Nu werd er nog een zeer korte, zeer vlugge trio uitgevoerd, waarop al de dames al de ogen nedersloegen, al de lippen bewogen, negen, en vertrokken. Thans zag een eenlopend klarinettist, zonder hoed, de baan schoon om ook zijne talenten te doen horen.
‘Altijd hier in het land een opeenvolging van slechte muziek,’ merkte Nurks aan.
‘Och, ik vind het nog al vrolijk,’ zei ik bemiddelend.
‘Ja maar,’ zei hij, mij strak in de ogen ziende, en een lange teug limonade nemende – ‘ja maar – ik geloof, om je de waarheid te zeggen, niet dat je heel muzikaal bent.’
(meer…)

KOLBERG

Kevin Prenger (1980, hoofdredacteur bij Traces of War) heeft een aantal boeken over de Tweede Wereldoorlog geschreven, waarin vaak Duitse onderwerpen centraal stonden. Zo schreef hij boeken over Kurt Gerstein (‘Een boodschapper uit de hel’), Konrad Morgen (‘Een rechter in Auschwitz’) en Arthur Nebe (‘Het masker van de massamoordenaar’), drie SS’ers die een dubbelrol gespeeld zouden hebben. Enerzijds volop actief in de nazi-machinerie en de massamoord op Joden, socialisten, homoseksuelen, zigeuners, Jehova Getuigen en gehandicapten en anderzijds ook met betrokkenheid in het Duitse verzet. SS-Oberstürmführer Gerstein, die betrokken was bij het euthanasie-programma en Aktion Reinhard en Zyklon-B aan het concentratieprogramma leverde, claimde na de oorlog informatie aan buitenlanders te hebben gegeven over de geheime en gewelddadige operaties in Oost-Europa. Konrad Morgen werkte binnen de juridische sector van de SS en beriep zich na de oorlog op verzetsactiviteiten, omdat hij talrijke SS’ers voor ernstige vergrijpen voor de rechtbank had gebracht. In beide gevallen lijkt het er erg op dat ze heel sluw een ontsnappingsroute voor zichzelf wilden creëren toen men eenmaal inzag dat de oorlog verloren was. Spijt, berouw en pogingen het verhaal naar buiten te brengen zijn natuurlijk sterke verzachtende omstandigheden, maar maakt de schuld niet ongedaan en maakt er zeker geen voorbeeld of held van. Dat geldt nog meer voor de Kriminalpolizeichef Arthur Nebe, die ronduit een oorlogsmisdadiger was, maar op het eind van de oorlog ook betrokken was bij de mislukte aanslag op Hitler van Von Stauffenberg en daardoor op een lijstje verzetshelden terecht kwam. Dat werd door Prenger in het derde deel van de trilogie vakkundig rechtgezet. Tot slot schreef hij een aardig boek over de manieren waarop aan de diverse fronten gedurende de oorlog Kerstmis werd gevierd (‘Kerstmis onder vuur’). (meer…)

DRABBLE 7

Het was 1967, Ellen was twintig jaar en je wilde een wereldreis maken. Maar hoe moest ze dat aanpakken. Reizen was toen ingewikkeld. Geen mobieltjes, geen Tripadvisor, amper geld, alleen als jonge vrouw. Ellen ging samen met een oude schoolvriend uit Canada en met 125 dollar in de portemonnee op stap. Eerst liftend door Europa en daarna met min of meer georganiseerd door het Midden-Oosten. Door Afghanistan en Pakistan, landen die momenteel beter gemeden kunnen worden, maar waar toen de Europese hippies nog met open armen werden verwelkomd. Niet dat het allemaal ongevaarlijk was, maar het was goed te doen.

Ellen genoot van de reis, meestal per bus of vrachtwagen. Ze had er ontmoetingen met anderen die ook op wereldreis zijn. Sommigen betrouwbaar, behulpzaam en beschermend. Met anderen was het oppassen. Hun wereld draaide om de drugs die overal ongeveer gratis beschikbaar lijken. Ze kreeg er huwelijksaanzoeken die ze beleefd wist af te wimpelen. Ze ontdekte dat voor haar het reizen het belangrijkste was, dat ergens verblijven snel saai werd en ze verder wilde, nieuwe dingen ontdekken en weer nieuwe mensen ontmoeten. Ze wist dat te bekostigen door als tekenares werken te verkopen. Tot de heimwee haar parten ging spelen. (meer…)

RAMMSTEIN 2

RAMMSTEIN 1

DE DRIE GRATIËN – 036

De Romeinse familie Borghese bezat destijds een enorme en vooral prachtige collectie van ongeveer 2.200 meesterwerken. Oorspronkelijk was Scipione Borghese, de neef van paus Paulus V, met de collectie begonnen, daarbij ondersteund door Ennio Quirino Visconti die destijds bekend was als de meest deskundige antiekhandelaar.De Borghese-familie kwam oorspronkelijk uit Siena, maar in de 16e eeuw verhuisde de familie naar Rome. In 1605 werd Camillo Borghese verkozen tot paus Paulus V. Hij was een grote aanhanger van het nepotisme. Zo benoemde hij bijvoorbeeld een neefje tot prins van Vivero, waardoor de familie steeds meer groeide in macht en rijkdom. Bij het huwelijk tussen Paulo Borghese en Olimpia Aldobrandini in 1614 eiste de familie de naam en rijkdommen van de Aldobrandini op. Na lange rechtszaken kregen zij uiteindelijk in 1769 gelijk. De Galleria Borghese in Rome herbergt ook vandaag nog de kunstvoorwerpen die in de loop der tijd verzameld werden door de familie. In 1775 renoveerden prins Marcantonio IV Borghese en de architect Antonio Asprucci de woning en het park Villa Borghese. De huidige Galleria werd in 1613 voor de familie Borghese ontworpen door architect Flaminio Ponzio met als voornaamste doel er de alsmaar groeiende kunstcollectie onder te brengen. Sommige Borgheses aarzelden niet om hun macht te misbruiken en op een oneerlijke manier bepaalde kunstwerken waarop ze hun oog hadden laten vallen toch te verwerven. (meer…)

EEN ONAANGENAAM MENS IN DE HAARLEMMERHOUT (5)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (11)
EERDERE AFLEVERINGEN

En zo was het telkens, tot grote ergernis van Boerhave, die evenwel nog al aardig vrijliep, maar wiens horlogesnoer ijselijk door Nurks gefixeerd werd, zodat hij alle ogenblikken dacht dat er iets op komen zou, en eindelijk dan ook zijn rok maar toeknoopte. Ik herinner mij nog slechts twee onaangenaamheden, die Nurks mijn goeden medicus deed doorstaan, doch die even als de aangehaalde zich alleen bij het physionomisch hatelijke bepaalden. De ene was deze. Wij spraken over de ongelukken, die men met zwemmen kan krijgen. Op een warmen zomerse dag is ’t een wellust om over water te handelen. Boerhave verhaalde een treffend geval van schitterende zelfopoffering in een zwemmer, buitengewoon genoeg om al de erepenningen der Maatschappij tot Nut enz. te verdienen, indien deze ’t niet tot regel gesteld had, alleen dezulken te beloonen die niet-zwemmen kunnen, maar althans buitengewoon genoeg om een steenkoud hart te doen ontgloeien. Nurks evenwel hoorde het met de volmaaktste onverschilligheid aan en nam zelfs onder ’t verhaal allerlei bijzaken waar. Nu eens, bijvoorbeeld, scheen hij zich met de borst toe te leggen op het vormen van kunstige kringen van tabaksrook; dan weder blies hij, volmaakt in de houding van] iemand die volstrekt niets anders te doen heeft, de sigarenas van zijn knie, en zelfs van de tafel; dan weder scheen hij al zijn aandacht en belangstelling te wijden aan zijn altijd nog ziekelijke halsboord, die nog telkens nieuwe aanvallen van flauwte had; welke veelzijdigheid van oefening mijn opgewonden vriend, die van geestverrukking gloeide, op den duur weinig streelde.
(meer…)

HET DODELIJKSTE LUCHTBOMBARDEMENT

Iedereen die iets af weet van de vreselijke bombardementen op steden gedurende de Tweede Wereldoorlog kent het bekende rijtje plaatsnamen: Dresden, Hamburg, Berlijn, Londen, Coventry, Hiroshima en Nagasaki. Of om bij Nederland te blijven: Rotterdam en Nijmegen (de laatste plaats pas sinds kort, decennialang wilden men niks weten over dit ‘vergissingsbombardement’, waarbij waarschijnlijk meer doden dan in Rotterdam te betreuren waren). Het zijn slechts enkele namen van steden, die synoniem zijn voor grootschalige verwoesting en de massale vernietiging van mensenlevens door bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Weinigen zullen weten dat Tokio aan dat rijtje moet worden toegevoegd, eigenlijk bovenaan deze lijst moet staan.

In de maanden maart, april en mei 1945 werd Tokio hevig gebombardeerd. De aanvallen op 9-10 maart was de meest vernietigende aanvallen. Er kwamen toen meer dan 100.000 inwoners om het leven. Het wordt algemeen gezien als het dodelijkste luchtbombardement ooit. Op 9 maart 1945 vertrokken 334 hypermoderne B-29 Superfortress bommenwerpers van bases op Saipan, Tinian en Guam voor ‘Operation Meetinghouse’. De architect was Amerikaanse luchtmachtgeneraal Curtis LeMay (1906-1990), die later binnen het Amerikaanse leger werd geroemd vanwege het voorbereiden en uitvoeren van een effectieve, systematische bombardementscampagne in de Stille Oceaan, vanwege zijn leiding bij de Berlijnse Luchtbrug en vanwege het herstructureren van het Strategic Air Commando (SAC) tot een effectieve strijdmacht tijdens een nucleair conflict. Anderen hebben niet geheel ten onrechte een minder positief beeld van LeMay. Zij zien hem als een oorlogszuchtige ruziestoker vanwege ‘Tokio’ en andere bombardementen en zijn agressieve aanpak tijdens de Koude Oorlog, die daardoor enkele keren dreigde te ontvlammen in een echte oorlog met de Sovjet-Unie. Hij was in 1968 bij de presidentsverkiezingen de running-mate van de onafhankelijk kandidaat George Wallace, nog zo’n redneck. (meer…)

MAANDAG-DRABBLE 6

In Nederland krijgen jaarlijks ongeveer 820.000 Nederlanders de griep en gaan tijdens een gemiddelde griepepidemie 250 tot 2.000 personen direct dood aan de griep of de gevolgen ervan. Het eerste kwartaal van 2018 was de griepsterfte zelfs uitzonderlijk hoog in Nederland. Het RIVM schatte dat toen 9.444 overlijdens aan de griep kon worden toegewezen, de hoogste oversterfte ooit gemeten. De slachtoffers vallen vooral in de risicogroepen zoals ouderen (circa 90% van de sterfgevallen is 65 jaar of ouder) of personen met een chronische aandoening. Maar ik herhaal nog maar eens: gemiddeld jaarlijks 250 tot 2.000 doden bij een normale griep.

Volgens de WHO worden jaarlijks 5 tot 10 procent van de populatie geïnfecteerd met influenza. Bij kinderen is dat percentage nog hoger, namelijk 20-30%. Hiervan vertoont de meerderheid geen ernstig ziektebeeld, maar toch veroorzaakt de normale griep jaarlijks 3 tot 5 miljoen ernstige zieken en 250.000 tot 500.000 doden. Ik herhaal: 250.000 tot 500.000 doden! Er zijn op 9 maart 2020 wereldwijd 101.601 besmettingen met het gevreesde coronavirus (3.460 overleden en 55.863 genezen). Nederland telde 265 besmettingen (3 overleden, 0 genezen), België had 200 besmettingen (0 doden, 1 genezen). Het zijn magere cijfers, dus: waarom in hemelsnaam deze enorme paniek? (meer…)

ROME 2

ROME 1

DRUKTEMAKER DOWN UNDER

Elly Molenaar (1979) schrijft en fotografeert voor verschillende websites, bladen en kranten, waaronder oppad.nl en Kek Mama. Reizen is wat ze het liefste doet. Eerst in haar eentje, maar tegenwoordig samen met haar vriend en dochter. In Druktemaker Down Under reist Elly Molenaar zes maanden lang met vriend Richard en dochter Nika (3) door Nieuw-Zeeland en Australië. Een half jaar vol onvergetelijke belevenissen, dikke pret en bijzondere momenten. Van een aanvaring met een zeehond in Oamaru en een driftbui in de rugdrager op een bergkam in Western Australia tot een heuse ‘kolala’-expeditie in New South Wales. Immers, ook met jonge kinderen kun je de wereld ontdekken. Op reis gaan, verre landen bezoeken en genieten van andere culturen en prachtig natuurschoon hoeft echt niet te stoppen zodra er gezinsuitbreiding plaatsvindt. Juist niet! Bedenk eens wat al die mooie en leerzame avonturen met je kind doen. Druktemaker Down Under neemt je mee langs tal van kindvriendelijke plekken in Nieuw-Zeeland en Australië, beschrijft grappige en ontroerende situaties en geeft massa’s handige tips voor het reizen met kind(eren).
.
. (meer…)

HOE OM TE GAAN MET BAUDET

Hendrik Adams (Gasselternijveen, 24 juli 1900 – Velp, 23 december 1980) was een Nederlands landbouwkundige en politicus, die heel kort voor de Boerenpartij in de Eerste Kamer heeft gezeten. Adams, de zoon van de burgemeester van Gasselte, was afgestudeerd aan de Landbouwhogeschool Wageningen en werkte daarna onder meer als rijkspluimveeconsulent voor de provincies Drente en Overijssel en leraar aan de rijkslandbouwwinterschool in Emmen. In de Tweede Wereldoorlog was hij medewerker van het antisemitische sensatieblad De Misthoorn, dat verscheen tussen februari 1937 en september 1942. Het wordt allerwegen gezien als het meest virulente antisemitische scheldperiodiek dat ooit in Nederland verscheen. De Misthoorn trachtte een imitatie te zijn van het Duitse antisemitische scheldblad Der Stürmer; het blad verscheen twee keer per maand, later wekelijks. Op 22 augustus 1940 verklaarde Fritz Schmidt, Generalkommissar zur besonderen Verwendung, dat De Misthoorn stevig gesteund en vergroot diende te worden. Het verscheen sindsdien in een oplage van 20.000 exemplaren, maar het telde weinig abonnees. Het grootste deel van de oplage werd gratis verspreid. Tot medio 1941 ontving De Misthoorn fl. 40.000 (wat vandaag zo’n 3 ton zou zijn) aan financiële steun van Schmidt. Vanaf begin 1942 werd het blad steeds meer de spreekbuis van de Nederlandsche SS en was daarna het middelpunt van de ideologische strijd binnen de nationaalsocialistische beweging, tussen de NSB en Nederlandse SS. In deze strijd, de zogenaamde Misthoorn-affaire, wist de NSB aan het langste eind te trekken. Op aandringen van de NSB werd het blad door de bezettingsautoriteiten verboden. Het laatste nummer verscheen op 26 september 1942. In dat blad had Hendrik Adams een artikel geschreven, waarin hij onder meer schreef over ‘kromneuzige leiders, die ons volk doelbewust offerden op het altaar van de Engels-Joodsche belang’. Adams was ook lid van de aan de SS gelieerde organisatie Saxo-Frisia, een volkenkundige stichting die in januari 1941 werd opgericht door de Groninger hoogleraar oudgermanistiek J.M.N. Kapteyn en tot doel had naspeuringen te doen naar de oorsprong van de ‘Dietse geest’. De stichting had een duidelijk politiek en ideologisch doel. De stichting viel vanaf de oprichting onder toezicht van Der Vaderen Erfdeel, ook wel Volksche Werkgemeenschap genaamd, en was daarmee automatisch ondergeschikt aan de SS-organisatie Ahnenerbe. Vanaf november 1941 viel de stichting onder rechtstreeks gezag van Henk Feldmeijer, de leider van de Nederlandsche SS. Toen Kapteyn na Dolle Dinsdag schielijk Nederland verliet, kwam er een einde aan het bestaan van de stichting. Hendrik Adams werd  na de bevrijding veroordeeld voor collaboratie en verloor voor tien jaar het kiesrecht. (meer…)

EEN ONAANGENAAM MENS IN DE HAARLEMMERHOUT (4)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (10)
EERDERE AFLEVERINGEN

In dezen toestand blijft Den Hout tot elf uren of half twaalf. Alsdan rukt de voorhoede der Haarlemse wandelaars er in. Zij bestaat voornamelijk uit dezulken, die zich de zes overige dagen, aan beroep of nering gebonden, van alle vertreding spenen moeten, en dus des zondags de grootste appetijt hebben. Het zijn de kleine winkeliers met lange roksmouwen; de boekhouders met watten in de oren; ambachtsbazen met hoge hoeden, lange panden, en lange lenden; allen met hun vrouwen één, en met hun dochters drie graden boven haar stand gekleed, en alleen in dit bijzondere geval met hun zonen, wanneer deze het niet zó ver in de wereld hebben gebracht om zich hunner te schamen; want er vallen secretarieklerken, ondermeesters en kleine bloemisten onder voor; maar indien dit het geval niet is, dan ook kunt gij zeker zijn, vader en zoon met gelijke en gelijkvormige rottingen te zien voortschrijden. Voor het overige bemerkt men reeds nu een enkel jong mens uit deftiger stand, hetzij dan een notarisklerk of een surnumerair bij het gouvernement van Noordholland, die, daar hij geen schepsel wist te verzinnen, aan wie hij na kerktijd een bezoek schuldig was, nu maar naar Stoffels stapt en, verbaasd van daar nog niemand van zijn kennis te ontmoeten, zich met de hond van den kastelein behelpt, die door zijn innemende vriendelijkheid bewijst dat mijnheer habitué is.

Hem volgen, tegen halftwee, twee uren, de deftige bewoners uit de stad. De fabrikant met zijn familie, de notaris met zijn familie, de boekhandelaar met zijn familie, en de wereldse kinderen van den geestelijke, zonder hun ouders. Ook komen nu de bloemisten van den Kleinen Houtweg met vrouw en kroost opzetten. Voorts bemerkt men zusters met haar eerste voiles, die met broers met hun eerste rokken gaan wandelen, op hoop van andere zusters met voiles en broers met rokken tegen te komen; en reeds nu en dan een enkel rijtuig, als b.v. de sjees van den dokter, die met zijn beste tuig en zijn vrouw een toertje doet, en het wagentje van den grutter, die geen pleziergeld betaalt, alreeds tegenkomt; voorts de demi-fortune van de kleine rentenier; maar ook reeds het blinkend verlakte rijtuig met de zwarte harddravers met witte koorden leidsels van den welgestelde makelaar, en het rijpaard van de kostschoolhouderszoon; alles doorkruist en voorbijgereden van Amsterdamse char-à-bancs voor twaalf personen, daar er veertien met een kind, en calèches voor drie, daar er vijf met een hoedendoos in zitten, schoon ik zeggen moet dat de meeste dezer laatsten in de stad uitspannen.
(meer…)

MARK LENNON 2

MARK LENNON 1

EEN ONAANGENAAM MENS IN DE HAARLEMMERHOUT (3)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (9)
EERDERE AFLEVERINGEN

Wij gebruikten koffie en brood, welke beide artikelen de eer hadden de volkomen goedkeuring van mijn neef weg te dragen. Wel beweerde hij de nadeligheid van de eerste zonder melk te drinken, waaraan zich de medicus schuldig maakte, en verzekerde hij dat hij ’t altijd aan iemands teint zien kon ‘want het teint werd er lelijk van’; maar toen de medicus er voor uitkwam dat hij medicus was, en in die hoedanigheid daar nooit van gehoord had, veranderde hij van batterij, en begon mijn vriend een verkwikkend tafereel op te hangen van de veelheid der jonge doctoren, die in Amsterdam, zonder brood, op dure kamers woonden en allerlei laagheden doen moesten om een bus te krijgen, en dergelijke opwekkelijke voorstellingen meer, recht geschikt om een medicinae candidatum in zijn studiën aan te moedigen, terwijl hij ze allen bekroonde met de plechtige verklaring ‘dat er niet één medicus in de wereld was, wien hij, Robertus Nurks, wat hèm betrof, zelfs maar over zijn kat vertrouwde’.

Wij gingen Houtwaarts. Het was ruim één ure. Nu, alle welopgevoede dingen hebben hun gestelde tijd. De nachtegalen komen in ’t voorjaar, de vinken en lijsters in ’t najaar; de zon schijnt bij dag, de kaars bij avond, en de maan bij nacht. Zoo is het ook met de mensensoorten. Al wie met de duizend en een species van het genus Haarlemmer bekend is, weet dat zij allen des zondags haar verschillenden wandeltijd hebben; iets, ’t welk zeer natuurlijk wordt, als men aan den verschillenden eettijd denkt, en daarbij in ’t oog houdt dat er veel mensen naar de middagkerk gaan, terwijl een groot gedeelte niet weet dat er een middagkerk is. Als men alle deze speciës rangschikt, en men tevens acht slaat op de vreemde vogelen, die uit andere luchten op een zonnige zondag komen aanwaaien, dan zal men een aaneengeschakelde opvolging hebben, niet ongelijk aan die der elkander, naar de schone vergelijking van Homerus, als boombladeren wegstotende geslachten in het bestaan van het mensdom, of aan die der elkander voortstuwende barbaren van het Europa der vijfde eeuw.
(meer…)

MAANDAG-DRABBLE 5

Het is een goede dag, stukken beter dan gisteren toen de temperatuur opnieuw dik boven de veertig graden uitkwam. Elk jaar wordt het warmer hier in Nederland en dan zijn wij nog goed af. In Zuid-Europa is een zomerse temperatuur van meer dan zestig graden geen uitzondering meer. De mensen trekken op vakantie naar Scandinavië, waar de temperaturen nog draaglijk zijn. Het barst er wel van de muggen en muskieten. Wie verstandig is, blijft gewoon thuis. Binnen, want dan hoef je niet constant een mondkapje te dragen en heb je ook geen last van die warme lucht die je inademt.

Iedereen heeft last van de warme, verontreinigde lucht. Onophoudelijk tranen je ogen en die vervelende kuch schijnt bij niemand meer over te gaan. Echt schone lucht is een zeldzaamheid geworden, op elke stukje aarde. Het is verstandig ’s morgens eerst naar het weerbericht te luisteren om te weten of het verstandig is zonder masker even naar buiten te gaan. De smeltende permafrost stoor al jarenlang grote hoeveelheid oude microben uit. Microben waartegen de mensen geen weerstand hebben. Massaal sterven de mensen in je omgeving, jong en oud. Alle experts vertellen dat de komende decennia de aarde nog warmer gaat worden.

De beide drabbles zijn geïnspireerd op onderstaand verhaal uit The Guardian van 15 februari jl., een fragment uit het boek The Future We Choose en nog wel uit het best case scenario
(meer…)

ADAMO 2

ADAMO 1

EEN ONAANGENAAM MENS IN DE HAARLEMMERHOUT (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (8)
EERDERE AFLEVERINGEN

Het zal nu drie jaren geleden zijn; ik moet zuinig omgaan met jaren, want ik ben nog zo jong; dat mijn neef Nurks mij op zaterdag de 14de Juli – gij kunt de almanak nazien of het uitkomt – weder een steen zond, die mij dan ook als zodanig op het hart viel. Hij zou morgen, na ochtendkerktijd, bij mij komen, en ’s avonds met den wagen van achten weer vertrekken. De uren daartussen zouden wij aan de vriendschap en het genoegen offeren. – Ondertussen had ik plan gemaakt voor een andere vriendschap en een ander genoegen. Ik had een Leidse makker bij mij gelogeerd, met wie ik te Zomerzorg eten zou, om vervolgens over Velzerend naar Velzen te wandelen, waar wij den nacht zouden doorbrengen om ’s morgens naar de Breezaap te gaan en aldaar wat te botaniseren, waarvan wij beide grote liefhebbers zijn. Ik hoop dat niemand van mijne lezers mij daarom verachten zal, naar de gewoonte van vele mensen, die aan de waarde en het gehalte van genoegens twijfelen, die zij niet in staat zijn te beoordelen. Mijn neef Nurks behoorde tot dezulken.

Het opgemelde plan was met grote opgewondenheid en wederzijdse goedkeuring gemaakt. Het was als of onze zielen er in samensmolten. Ik beloofde mijnen medische student; wiens naam omdat hij bang voor recensenten-hatelijkheden is, ik heb moeten beloven te verzwijgen, en wie ik daarom voor ’t gemak Boerhave zal noemen; ik beloofde mijnen medische student, behalve de schatten van de Breezaap, ook nog bloeiende exemplaren van Aristolochia Clematitis, op de weg tussen Zomerzorg en Velzerend en, daar hij ook een verzameling van conchiliën er op nahield, stond hij in lichterlaaie verrukking, toen ik hem verzekerde dat op de hoogte der Blauwe Trappen de wijngaardslakken over uw laarzen kruipen of ’t zo niets is. Maar de steen uit Amsterdam verbrijzelde al die zaligheden, en het ganse plan moest worden uitgesteld onder de voor ons verschrikkelijke gedachte, de gehele dag in Den Hout te zitten; want een fatsoenlijk Amsterdammer komt alleen in Den Hout.
(meer…)

BREXIT-GEDACHTEN 5

MAANDAG-DRABBLE 4

Een nieuwe fase naar Singapore-on-the-Thames. Een waanidee gebaseerd op een overheersende economische rol van Engeland binnen Europa, een eenpartijstaat, minder democratische rechten en inperking van de vrije meningsuiting. Johnson en zijn conservatieve kornuiten hebben al maandenlang kritiek op de BBC, in de wereld gezien als het toonbeeld van onberispelijke en onafhankelijke journalistiek. Het Britse kabinet heeft de aanval ingezet. Men wil af van het kijk- en luistergeld, waarvan de BBC bestaat. De publieke omroep moet een betaalde zender worden, hun website moet worden uitgekleed en het aantal regionale zenders gedecimeerd. Het Britse volk zal dan worden geïnformeerd door de tabloids.

Een tabloid is een ‘krant’ met een beperkter formaat dan vroeger gebruikelijk was, maar allereerst een blaadje dat gericht is op sensationele misdaadverhalen, gossip over beroemdheden, triviale nieuwsfeiten, soms uit de bekende duim gezogen, vaak gelardeerd met vrouwelijk naakt. Aan politiek wordt weinig gedaan, tenzij er onder de categorie gossip wat te melden valt. En als men al aan politiek doet, is het vooral door rechtse politici blindelings te volgen en de linkse hoek aan te vallen. Stel je voor, dat je voor je nieuwsvoorziening geheel afhankelijk zou zijn van De Telegraaf. In Engeland dreigt de nachtmerrie waarheid te worden.

U2

U2

EEN ONAANGENAAM MENS IN DE HAARLEMMERHOUT (1)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (7)
EERDERE AFLEVERINGEN

Onbegrijpelijk veel mensen hebben familiebetrekkingen, vrienden of kennissen te Amsterdam. Het is een verschijnsel, dat ik eenvoudig toeschrijf aan de veelheid der inwoners van die hoofdstad. Ik had er voor een paar jaren nog een verre neef. Waar hij nu is, weet ik niet. Ik geloof dat hij naar de West gegaan is. Misschien heeft de een of ander van mijne lezers hem wel brieven meegegeven. In dat geval hebben zij een nauwgezette, maar onvriendelijke bezorger gehad, als uit den inhoud van deze weinige bladzijden waarschijnlijk duidelijk worden zal. Inderdaad, ik ken vele mensen, die nog al ophebben met hun Amsterdamse neven, vooral als ze tot de ‘Lezers’ in Felix behoren, of als ze rijtuig houden; maar ik heb dikwijls verbaasd gestaan over mijne verregaande koelheid omtrent de persoon van mijn neef Robertus Nurks; en niets verschrikkelijker, dan wanneer hij mij zaterdagmiddag per diligence een steen zond met een brief er aan, inhoudende dat hij (mits het weer goed bleef en er niet, maar dat kwam er nooit, het een of ander in den weg kwam) met mij den dag in den Haarlemmerhout zou komen doorbrengen; niet dat ik iets tegen het gemelde bos heb, maar wel iets tegen ZEd.

En evenwel was hij een beste, eerlijke, trouwe jongen, prompt in zijn zaken, stipt in zijn zeden, godsdienstig, en zelfs in den grond goedhartig. Maar er was iets in hem – ik weet het niet – dat maakte dat ik met hem niet op mijn gemak was; iets lastigs, iets impertinents, in één woord iets volmaakt onaangenaams.
(meer…)

MAANDAG-DRABBLE 3

De aandacht van anderen, vrolijk op weg naar huis of naar de binnenstad, weet ze al heel lang te ontwijken. Ze weet dondersgoed wat die anderen zich afvragen. Wat doet dat mens daar? Ze ziet er keurig uit. Goed verzorgd, make-up op en oorbellen in. Een handtas op schoot en een niet al te grote koffer naast haar op het bankje in de bushalte. Ze zullen wel denken dat ze op vakantie gaat. Of de kinderen een tijdje gaat bezoeken. De meeste mensen zullen haar niet aanzien voor een dakloze zwerver, laat staan voor een junkie zonder huis of haard.

De hele dag door laat ze elke bus aan zich voorbijgaan. Bijna niemand die dat opvalt. Slechts een enkeling die regelmatig bij deze bushalte komt, vindt het vreemd dat zij hier alweer zit. Of nog steeds. Met haar handtasje en koffer. Pas als ze er ’s nachts om twee uur in de kou nog steeds zit, lang nadat de laatste bus langs is geweest en in de meeste woningen het licht al lang is uitgegaan, begint het een enkeling te dagen. Deze bushalte is haar thuis, al maandenlang. Een dakloze, maar wel eentje die haar waardigheid nog helemaal heeft behouden.
. (meer…)

SANDY DENNY 2

SANDY DENNY 1

BREXIT-GEDACHTEN 4

Eind vorig jaar schreef Edward Hayward een interessant boe over de Brexit: Slaying Brexit Unicorns; The truth about our decision to leave the EU. Hayward is studeerde informatica, verbleef na zijn afstuderen vijftien jaren in Japan en richtte zich na terugkeer in Groot-Brittannië op allerlei zaken die verband houden met het internet (beheren van websites, handel in domeinnamen, beveiliging, e.a.) Hij gaf met zijn boek een waarschuwing wat de Britten na de Brexit nog te wachten staat, want de onderhandelingen zijn aanstaande en zullen een aantal onneembare bergen op het pad naar  de ‘control back’ opleveren. Hij geeft ook aan welke geheime agenda er achter de Brexit zat. Hij prikt door de diverse mythes die de hardliners met succes aan de onwetende massa wist te verkopen. Zoals het verhaal dat er snel mooie nieuwe internationale overeenkomsten zullen zijn omdat de buitenlandse handelspartners de Britse producten zo hard nodig hebben. Hij toont aan onder verwijzing naar de handelsovereenkomsten van de EU en van de WTO wat het in werkelijkheid gaat betekenen als de Britten op zichzelf staan. Via een aantal berichten op Twitter deelde hij op 5 februari mee dat hij die nacht een verwarrende droom had, die hem op een lumineus idee bracht: waarom sluit Groot-Brittannië zich niet aan bij de Europese Unie, om vervolgens 72 grote voordelen van zo’n lidmaatschap te geven. Ze staan in onderstaand overzicht.
(meer…)

EEN BEESTENSPEL (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (6)
EERDERE AFLEVERINGEN

Als gij in ’t midden van deze tent staat, tussen staatsiegordijnen en schoorsteenvallen, en ijzeren tralies, en onderstellen van wagens, en wilde dieren; als gij uw oog slaat op al die vernederde schepsels – waan niet dat gij leeuwen, dat gij tijgers, dat gij gieren, arenden, hyena’s, beren ziet. De kinderen der woestijn zouden hun broederen, zoo zij ze hier zagen, verachten en verloochenen. Berg dat zilveren potlood, steek die portefeuille op, gij tekenaar! Maak hier geen schetsen. Gij hebt geen wilde dieren voor; het zijn er slechts de vervallen overblijfsels van; zij zijn naar ziel en lichaam gekraakt. Hun aard drukt zich niet meer uit. De leeuw stierf in den leeuw; de tijger is dood in den tijger. Uwe tekening zou zijn als een portret naar een lijk ontworpen. Gij kunt even zoo goed een petit-maître onzer eeuw tot model voor een zijner Germaanse vaderen stellen, of een mummie afbeelden, en zeggen: zoo is een Egyptenaar! Nauwelijks kunt gij hun vormen, hun omtrekken, hun evenredigheden zien of berekenen onder de slagschaduwen dezer vierkante kooien. Hoe zoudt gij dan het eigenaardige van hun houding kunnen raden? Ze zijn hier als planten in een kelder; zij verkwijnen; zij zijn in een droevige staat van ongevoel, een naren dommel verzonken. Zij sterven sinds maanden. Het licht hindert hen. Ze zien er dom, verstompt uit. Dans la nature ils sont beaucoup moins bêtes.
(meer…)

MAANDAG-DRABBLE 2

Uitbraken zijn dynamisch, maar gelukkig doven sommigen uit. Meestal toevallig. Andere uitbraken exploderen. Het nieuwe dodelijke coronavirus, niet toevallig opgedoken op de Chinese dierenmarkt, verspreidt zich gestaag. De wetenschap staat half-machteloos te kijken naar het nieuwe raadsel. In 2009 doodde het vorige virus (H1N1) 579.000 mensen. Het nieuwe virus is amper ontwaakt, maar de Chinese economie voelt zich al ziek, zwak en misselijk. De export daalt, de koers van de renminbi keldert en op de beursvloer in Sjanghai begint langzaam de paniek toe te slaan. Alles te wijten aan de Chinese veeteelt, vooral van varkens. De natuur slaat terug. Ongenadig.

LEWIS CAPALDI 2

LEWIS CAPALDI 1

 

EEN BEESTENSPEL (1)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (5)
EERDERE AFLEVERINGEN

Les peines infamantes sont:
1⁰. Le carcan;
2⁰. Le bannissement;
3⁰. La dégradation civique.’
Code pénal. L. I. Art. 8

Neen, ik wil niet naar ’t beestenspel! Ik houd er niet van. Zeg mij niet dat het belangrijk is; dat men het gezien moet hebben; dat men in geen gezelschap komen kan of men moet ten minste goed of kwaad zeggen van de lokken, de bakkebaarden en den moed van den eigenaar, van den lama, van de verlichting der tent, en van de twee tijgers in één hok; – herhaal mij niet dat men ten minste één ongeluk heeft moeten zien ‘bijna gebeuren’ en één bijzonder tekenachtige houding van ’t een of ander gedrocht bespied hebben, in een ogenblik, ‘dat er niemand anders naar keek’; zeg mij niet dat men moet gaan kijken hoe de vrucht van ’t zweet en bloed van onvermoeide hengelaars in één ogenblik door den gulzige pelikaan verslonden wordt, en hoe de boa constrictor een Leidse bok met hoornen en al, in een oogwenk tijds verzwelgt; – roep mij niet toe dat men zijne anecdote behoort te hebben op den kasuaris, zijn snakerij op de apen, en zijn woordspeling op de beren. Op dit alles antwoord ik u: ik haat het beestenspel; en ik zal u de reden van mijn afgrijzen uiteenzetten.

Een beestenspel! Weet gij wat het is? – ‘Een verzameling,’ zegt gij, ‘van voorwerpen van natuurlijke geschiedenis, even belangrijk voor den dierkundigen…’ Als voor den beestenvrind, wilt gij zeggen? ‘Neen, als voor ieder mens, die er belang in stelt zijn medeschepselen op dit wijde wereldrond te kennen.’ Gij zegt wèl; maar dan wenste ik mijn medeschepselen te zien, zoo als ik ze op plaat I. van iedere prentenbijbel zie, in aardige groepen door elkander geschikt, allen in hun natuurlijke houding: de leeuw, met een opgeheven voorpoot, als op brullen staande; de kakatoe, van een boomtak nederkijkende, als om te onderzoeken wat voor kleur van haar Adam heeft; en niet, och, ik bid u, niet in die afschuwelijke ijzeren schommels (een soort van grote lijsterbogen) in eeuwige beweging; de boa in ’t verschiet, om den boom in schone verleidelijke bochten gekronkeld, en naar den noodlottige appel opziende; den adelaar, hoog in de lucht zwevende, als een nauwelijks merkbare stip: ja, dan nog veel liever geheel onzichtbaar, dan zó als ik hem in een beestenspel zie… Zoo zou het mij aangenaam en belangrijk zijn. – Maar hier in deze enge, bekrompene hokken, achter die dikke tralies, in die slaafse, weerloze, gedrukte, angstige houding, – o! een beestenspel is een gevangenis, een oudemannenhuis, een klooster vol uitgeteerde bedelmonniken; een hospitaal is het, een bedlam vol stompzinnigen.
(meer…)

MAANDAG-DRABBLE 1

Een drabble? Een drabble is een kort, fictief stuk proza van precies honderd woorden. Niet eentje meer en ook niet eentje minder. Het doel van een drabble is dat een schrijver een kort, maar betekenisvol verhaal vertelt. Bij uitstek dus een mooie uitdaging om interessante ideeën met een beperkt aantal woorden aan de lezers voor te leggen. In februari 2019 schreef ik al eens over het fenomeen, ooit door het fameuze vijftal van Monty Python geïntroduceerd. Dit naar aanleiding van een (gratis) boek van het onvolprezen Belgische weblog De Laatste Vuurtorenwachter. Vanaf heden ga ik wekelijks een actuele maandag-drabble publiceren.

KINDERRAMPEN (3)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (4)
EERDERE AFLEVERINGEN

Wij zijn aan de physieke rampen. Welnu, er zijn er meer dan men denkt. Het groot worden, hoe schoon en voortreffelijk een uitvinding ook, is de oorzaak van vele smarten. Want vooreerst, men steekt lange blote armen uit de mouwen, grote enden kous uit de broek. Daarbij schaamt men zich dan gewoonlijk, dat men nog rijglaarsjes of schoenen met gespen draagt, omdat er altijd enige voorlijke knapen zijn, die al halve-laarzen hebben, en vroegtijdige juffertjes, die zich op schoenen met lange linten verheffen. Ook rekenen vele moeders er naar ’t schijnt niet op, dat niet alleen de benen, maar het gehele lichaam groeit, en dat het diensvolgens op goede natuur- en wiskundige gronden te bewijzen is, dat, al kunnen de broekspijpen worden uitgelegd, het overige gedeelte van dat kledingstuk hetzelfde blijvende, men een niet zeer aangename bekrompenheid in de circumferentie van het lichaam gewaar wordt, die ook al weer de oorzaak is van menig nieuw kruis, in een dubbelen zin, en van ontelbare scheuren. Maar ook dit is een kwade kant van den edelen groei, dat hij bij de individuen verschilt, en zelfs zó, dat bij sommige tegen het geprezene grootworden het verwijtende kleinblijven overstaat. Nu is het niet plezierig, ieder keer als men een boodschap van papa of mama komt doen, of bij Lodewijk of Doortje spelen komt, altijd door mijnheer of mevrouw, of de juffrouw, of de meid somtijds, tegen Lodewijks of Doortjes rug gezet te worden, om met de ververste overtuiging, dat men een hoofd of een half hoofd kleiner en een ware peulschil is, naar huis te gaan. Dat noemt men in het maatschappelijk leven, als men ’t op het morele toepast, taxeren; en die taxatie van ’t physieke is de enige, waarvoor de kinderleeftijd gevoelig, en ook zeer gevoelig is. Neen, ’t is niet aardig van de grote mensen, dat ze ’t de kleinen aandoen, evenmin, als dat altoosdurende uitgillen van: ‘Wat ben je groot geworden!’ op den duur bevallen kan.
(meer…)

KINDERRAMPEN (2)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (3)
EERDERE AFLEVERINGEN

Daarna hebt gij een uur gelezen van het model van een brave jongen, zo braaf, zo zoet, zo gehoorzaam, zo knap en zo goedleers, dat gij hem met plezier een paar blauwe ogen zoudt slaan, als gij hem op straat ontmoette; of, indien gij al wat verder zijt, de levensschets van een onbegrijpelijk groot man, wie na te volgen u pedant en wanhopig toeschijnt, en door welke levensschets kunstiglijk een samenspraak is heen gevlochten van knapen en meisjes, voor wie gij ook al geen de minste sympathie gevoelt, al ‘staan zij ook waarlijk verbaasd over de ontzettende kundigheden van dien man’, daar vader Eelhart of Braafmoed van verhaalt. Het volgende uur hebt gij geschreven; naar een mooi exempel; als bijv., zo gij groot schrijft, het woord wederwaardigheid opmerkelijk door twee moeilijke W’s, zonder aandikken bijna niet goed te krijgen, zevenmaal; of indien gij klein schrijft, vijftien maal, achtmaal op, en zevenmaal tussen de lijn: Voorzichtigheid is de moeder der wijsheid; bij welke gelegenheid gij in twee regels het lidwoord der hebt overgeslagen, wat ten gevolge van de laatste lettergreep van het woord moeder zeer licht gebeuren kon, en eenmaal voorwijzigheid in plaats van voorzichtigheid hebt gezet, welke omstandigheden, zo ieder op zichzelf als in onderling verband, u enigszins angstig doen denken aan het uur, waarop de critiek des meesters haar uitspraak zal komen doen. Om niet te spreken, dat gij gekweld zijt geweest met een linkse pen, ontelbare haren in de inkt, een klad of drie, met kunstenaars achteloosheid over uw schrijfboek verspreid, en de onverbiddelijke wet, dat gij maar tweemaal uw pen op mocht steken om ze te laten vermaken door een ondermeester, die even zo ver is in die kunst als gij in ’t schrijven. Nu komt het rekenboek. Ik heb het lang laten wachten, lieve lezer; maar het was uit wraak, omdat het voor mij zo dikwijls te vroeg is gekomen. (meer…)

KINDERRAMPEN (1)

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (2)
EERDERE AFLEVERINGEN

Ik kom nog eens terug op het versje van Hölty.

Hoe zalig, als de jongenskiel         Niets, niets ter wereld doet hem aan
Nog om de schouders glijdt!          Of baart hem ongemak,
Dan is het hemel in de ziel,             Dan stuiters die te water gaan,
En alles even blijd.                             Of ballen over ’t dak.

Het ontbreekt zeker niet aan dergelijke lofredenen op het geluk van jeugd en kinderjaren. Ik stem er van harte mede in; maar ik neem de vrijheid te mogen opmerken, dat ze alleen door mensen van leeftijd, of ten minste door jongelingen geschreven zijn, van wier standpunt gezien, het kinderlijk geluk bijna geen uitzondering toelaat. En zeker, zeker is dat een droevig bewijs voor den treurige toestand van later dagen. Maar ik weet niet dat er ooit dichtertjes geweest zijn van zeven, acht, of negen jaar, die hun actueel geluk zoo onvoorwaardelijk hebben geprezen. En toch dezulken waren er de naaste toe. Toen ik op de Hollandse school ging, maakten wij in de hoogste klasse, bestaande uit heren van negen tot tien jaar, allen des woensdag-voormiddags een opstel, soms over een gegeven, soms over een door onszelf gekozen en uitgedacht onderwerp. Maar ik roep al de Jannen, Pieten, Willems en Heinen, waarmee ik in de Jacobijnenstraat te H. op de banken zat, tot getuigen, of er ooit iemand is geweest, die zijn lei volgeschreven heeft met een optelling der genoeglijkheden of een uitweiding over ’t ongestoord geluk des kinderleeftijds. (meer…)

ELIZABETH COTTON 2

ELIZABETH COTTON 1

JONGENS

HILDEBRAND – CAMERA OBSCURA (1)
EERDERE AFLEVERINGEN

Jongens2
(meer…)

GELUKKIG NIEUWJAAR 2020