HATERTSE EN OVERASSELTSE VENNEN
De Hatertse en Overasseltse Vennen is een vennengebied van ca. 520 hectare in de Gelders gemeentes Heumen en Wijchen; het ligt ten zuidwesten van Nijmegen. Het gebied is ooit ontstaan door de Maas en Waal, die inmiddels een behoorlijk eind verder liggen, maar door de rivierklei die beide rivieren indertijd achterlieten heeft het gebied nu ongeveer twintig benoemde vennen en een uitgebreid rivierduin-, heide- en bosgebied. Op de voedingsarme en zure bodems groeien planten zoals veenmossen, kleine en ronde zonnedauw. Staatsbosbeheer maakt gebruik van schapen om de vegetatie kort en open te houden. Er leven wilde dieren zoals reeën, eekhoorns, dassen, konijnen, vossen en de zeldzame knoflookpad. Ook zijn er tientallen soorten broedvogels voor.
Vanaf 2010 werd door de provincie Gelderland, het Waterschap Rivierenland en Staatsbosbeheer de verdroging in het vennengebied aangepakt. In eerste instantie wilde men zeventig ha bos kappen, wat neerkwam op elf procent van alle bos. In de periode juni-december 2013 werden grote stukken bos gekapt en omgezet in heide, werden vier dichtgegroeide vennen uitgebaggerd zodat ze opnieuw voldoende water bevatten en werden enkele stukken landbouwgrond omgevormd in natuurgebied. In 2019 was het Vennenproject afgerond: de waterpeilen waren gestegen, de heide had zich goed hersteld en er werd een ruimtelijk verbonden heidegebied verwezenlijkt.
Iets ten noordwesten van de Hatertse en Overasseltse Vennen ligt recreatiegebied de Berendonck. Aan de rand van het gebied ligt de ruïne van de Sint-Walrickkapel, een rijksmonument. De kapel werd in de vijftiende eeuw gebouwd door monniken van de benedictijnerabdij van Saint-Valery-sur-Somme, die in het gebied een priorij hadden. Het was een laatgotische rechthoekige kapel. De kapel was gewijd aan de heilige Walricus (Walrick), de patroon van zieken en specifiek van koortslijders. In de kapel werd gebeden voor de mensen met koorts, wat vroeger een ernstige ziekte was waaraan veel mensen overleden. Halverwege de zeventiende eeuw werd de kapel particulier bezit. Daarna bleef slechts een deel van de oostelijke wand met rondbogige vensters en een deel van de lange muren als ruïne bewaard. Halverwege werd de ruïne bezit van de stichting De Algemeene Armen uit Overasselt. Er werden daarna verschillende restauraties uitgevoerd, waarna omstreeks 1953 de ruïne het huidige aanzien kreeg. Bij de restauraties werd rekening gehouden met het historische feit dat bij de oude kapel een offerblok voor de armen stond. Bij de laatste restauratie werd in opdracht van de Lourdesgroep van de Katholieke Verkenners een beeld van Peter Roovers geplaatst van Onze Lieve Vrouw met kind. Dit ter herdenking van de terugkeer honderd jaar eerder van het beeld van de Zoete Lieve Moeder van Brussel naar Den Bosch bij het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland. De onder het beeld ingemetselde steen kwam uit Lourdes. Door de diverse restauraties heeft de kapelruïne een ander uiterlijk dan de oorspronkelijke kapel van de kloosterboerderij. In 1986 droeg Staatsbosbeheer het gebied rond de ruïne over aan de stichting Baet en Borgh.
Aan het eind van de negentiende eeuw was de kapel van St. Walrick helemaal in de vergetelheid geraakt. Toen echter in de Katholieke Illustratie een verhaal werd gepubliceerd over een zieke dochter van een leider van lokale heidenen (de zgn. Hoemannen), die echter
wonderbaarlijk genas nadat ze op aanwijzing van Sint Willibrord een haarband in een struik had gehangen. Dochter en haar vader bekeerden zich daarna tot het christendom, maar werden vervolgens door de andere Hoemannen vermoord door hun hut in brand te steken. Er werd later een kruis op deze plek geplaatst. Na deze publicatie werd de St. Walrickkapel een pelgrimsoord voor zieken. Tot omstreeks 1960 werden vanaf deze plaats pelgrimstochten gehouden op de vrijdagen in de vasten en op tweede Paas- en Pinksterdag.
Een andere anekdote verteld dat Karel de Grote in 777 de geneeskrachtige werking van de kapel had ervaren na lapjes in de bomen te hebben gehangen. Hij liet daarna een aan Sint Willibrord gewijde kapel bouwen bij de zomereik. Dat de kapel aan Sint Willibrord was gewijd is echter een verzinsel, hij is altijd gewijd geweest aan Sint Walrick. De gerestaureerde rechthoekige ruïne van de Sint-Walrickkapel staat nog altijd bij die boom.
Pas vanaf ongeveer 1990 werd het gebruik van de koortsboom populair en werden lappen gehangen aan een eik naast de ruïne. Opnieuw gingen mensen lapjes in de bomen hangen om te genezen. Het geloof rondom dit soort koortsbomen wil dat je zou genezen als je na het ophangen zonder omkijken zou weglopen, maar als ze toch terug zou keren naar de boom ziek zou blijven.
