JACOB SANDERS
Jacob Sanders (Sneek, 23 februari 1887 – Midden-Europa, 28 februari 1945) legde op 19 april 1913 aan de universiteit van Amsterdam zijn artsexamen af. In 1915 was Jacob Sanders als huisarts gevestigd aan de Mathenneserlaan 42 te Rotterdam, een lange en brede laan vanuit het centrum van Rotterdam. De laan was een belangrijk onderdeel van het stedenbouwkundige plan uit 1887 van Gerrit de Jongh, directeur van Gemeentewerken Rotterdam. Vanaf het begin van de twintigste eeuw verrezen langs de Mathenneserlaan de gezichtsbepalende grote herenhuizen van vier en vijf lagen, die zowel als woonruimte, kantoor of praktijkruimte konden worden gebruikt. Er woonden hier voor de oorlog veel Joden en ook waren er diverse Joodse organisaties gevestigd: een Joodse jeugdbeweging (nr. 137), het Israëlitisch Weeshuis (nr. 208), de vereniging Joodse Kindzorg (nr. 220), de Hebrew Immigrant Aid Society (HIAS) (nr. 223) en de Vereniging Israël, afdeling Rotterdam (nr. 451). In 1920 huwde hij met Henriette Hendrika Salomonson (Rotterdam, 18 december 1889), met wie hij twee kinderen zou krijgen: Rolina Regina (Rotterdam, 30 juli 1922) en Leonie Edith (Rotterdam, 31 mei 1925). Na zijn huwelijk verhuisde hij zijn woonadres en huisartsenpraktijk naar de Heemraadsingel 240 in Rotterdam, opnieuw een chique straat met veel welgestelde Joodse bewoners. Tijdens de oorlog zouden de Duitsers er veel van hun organisaties vestigen. Terwijl praktiserend arts in Rotterdam was hij op 6 mei 1918 aan de Universiteit van Amsterdam gepromoveerd op het proefschrift ‘Ziekte en sterfte bij Joden en niet-joden te Amsterdam’. De Joodse huisarts Herman Pinkhof (Rotterdam, 10 mei 1863 – Westerbork, 16 juli 1943), bekend als auteur van een geneeskundig woordenboek, als wijkarts bij het Nederlandsch Israëlitisch Armbestuur, kenner van de Talmoed, schrijver van de medische handleiding voor de ‘mohelim’ (kerkelijke besnijders) en zijn vele artikelen over ‘beroepsbelangen’ )zoals beroepsgeheim, vrije artsenkeuze, inentingsdwang, kindersterfte, homeopathie en farmacotherapie) voor het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde, schreef er een lovende recensie over. Sanders onderzocht op basis van statistische gegevens de verschillen tussen Joden en niet-Joden in gevoeligheid voor verschillende ziekten, waarbij ‘raseigenschappen’ en ‘uitwendige invloeden’ de twee bepalende factoren zijn. Sanders merkte ook op dat de Joodse gezondheid vooral verbeterd kon worden door het bevorderen van een vrij, onafhankelijk leven van het Joodse volk in een eigen land. Bij Sanders ging zijn eugenetische levensvisie dus hand in hand met een zionistische ideologie.
De Rotterdamse huisarts Jacob Sanders hield zich dus bezig met erfelijkheidsonderzoek en studie van de rassenbiologie. Dat lijkt in eerste instantie verbazingwekkend, want juist aan het begin van de twintigste eeuw ontwikkelde in Duitsland de eugenetica zich in een dramatische richting. Van oorsprong was de eugenetica gericht op verbetering van de genetische samenstelling van de menselijke bevolking. De term werd in 1883 In Engeland voor het eerst gebruikt door Francis Galton, een halve neef van Charles Darwin, als verwijzing naar het selectief fokken van dieren of voortplanten van mensen, met als doel in de loop van enkele generaties de erfelijke kenmerken te verbeteren van een bepaalde groep (‘soort’ of ‘ras). Al binnen enkele jaren maakte Galton onderscheid tussen positieve eugenetica (de meest geschikten tot meer voortplanting aanzetten) en negatieve eugenetica (de minder geschikten daartoe ontmoedigen of verhinderen). Om dat idee te promoten werd in 1904 het Galton Laboratory opgericht, dat een theoretisch wetenschappelijk basis voor eugenetica wilde leggen. In 1907 werd de Eugenics Education Society, opgericht om bij de bevolking bewustwording te bewerkstelligen over het bestaan van positieve en negatieve erfelijke kwaliteiten en hen te doordringen van de maatschappelijke verantwoordelijkheid zich hiernaar te gedragen. Vanuit Engeland waaide de beweging over naar de gehele westerse wereld, waarbij – vanuit het besef dat die ‘minder geschikten’ niet bepaald van plan waren de eigen voortplanting te beëindigen – door overheden en organisaties programma’s werden opgezet en uitgevoerd voor gedwongen sterilisatie of huwelijksverboden. In Duitsland werd de rassenleer aan de eugenetica toegevoegd en leidde tot de ‘Vernichtigung lebensunwerten Leben’, tot weerzinwekkende medische experimenten in de concentratiekampen en de moord van zes miljoen Joden (de Holocaust). Hoe groot het gevaar was dat dit ook in andere landen de uiteindelijke consequentie had kunnen zijn, bewijst wel het feit dat Francis Galton ook een raciale hiërarchie aanhield, waarbij het blanke ras verreweg superieur werd beschouwd. Hij zou zelfs een genocide niet eens onrechtvaardig hebben gevonden: ‘There exists a sentiment, for the most part quite unreasonable, against the gradual extinction of an inferior race.’, schreef hij in een van zijn publicaties.
In Nederland waren de eugenetici vooral geïnteresseerd in de ‘psychische hygiëne’. Dat hield in dat eugenetische maatregelen erop gericht moesten zijn de geestelijke volksgezondheid te bevorderen en ‘geestelijke onvolwaardigheid’ te verhinderen. De maatschappij had dan de verplichting goed te zorgen voor deze ‘onvolwaardigen’, maar moest ook maatregelen treffen om structurele ziekten en abnormaliteit te voorkomen door op dit terrein biologische kennis op te doen. Dat kon onder meer betekenen: verbeteren van ziekteverwekkende leefomstandigheden, geneeskundig onderzoek vóór het huwelijk, voorkomen van voortplanting bij zwakzinnigen en psychopaten door
segregatie en opsluiting, gedwongen sterilisatie en abortus. Al in 1897 wees de filosoof Cornelis Johannes Wijnaendts Francken (1863-1944) op het gevaar van de ‘er maar op los fokkende paupers’. Hij pleitte voor een huwelijksverbod voor armoedzaaiers, later gevolgd door dezelfde verboden voor krankzinnigen, tuberculoselijders, doofstommen, dronkaards en criminelen. Hij werd daarbij gesteund door onder meer de socioloog Sebald Steinmetz (1862-1940), die stelde dat ‘de onderklasse, met haar grote gezinnen, haar rampzalig lot aan zichzelf te danken had’ en liet weten er sterk voorstander van te zijn te bevorderen dat vooral de ‘meerwaardigen’ meer kinderen kregen. In 1915 propageerde hij eugenetische maatregelen om de menselijke soort te verbeteren. Daarmee zat hij op dezelfde golflengte als de arts, neomalthusianist en predikant Jan Rutgers (1850-1924), wiens naam voortleeft in de Rutgersstichting, die in 1905 een staatsbeleid verdedigde met een ‘huwelijks- en baringsverbod van de armen en sterilisatie van erfelijk belasten’. De belangrijkste pleitbezorger voor de eugenetica in Nederland werd de Joodse medica Marie Anne van Herwerden (1874-1934), die het radicale Amerikaanse eugenetische gedachtegoed bepleitte dat ze tijdens een studiereis naar de Verenigde Staten had leren kennen en die ze i 1926 vastlegde in haar populairwetenschappelijke boek ‘Erfelijkheid bij den Mensch en Eugenetiek’. In vergelijking met de meeste van haar buitenlandse collega’s was ze vrij gematigd en vrij van raciale sentimenten. Tijdens een congres in Innsbruck in 1924 sprak ze haar afkeuring uit over een anti-Joodse voordracht over rassenhygiëne die er door een Duitse eugeneticus werd uitgesproken. Van Herwerden was tot haar dood actief in bijna alle eugenetische organisaties. Ze was lid van de erfelijkheidscommissie van de in 1913 opgerichte Vereeniging ‘Het Nederlandsche Volk’, voorzitter van de sectie erfelijkheidsleer en eugenetica van het Nederlandsch Nationaal Bureau voor Anthropologie, lid van het hoofdbestuur van de Vereeniging ter Bevordering van Geneeskundig Onderzoek vóór het Huwelijk, dat in 1925 was opgericht door de vooruitstrevende Amsterdamse huisarts Bernard Premsela (1889-1944) en was sinds 1927 vicevoorzitter van de International Federation of Eugenics Organizations, die in 1912 was ongericht maar omstreeks 1935 ophield te bestaan vanwege grote onderlinge verdeeldheid door de inbreng van de Duitse eugenetici met hun ‘negatieve eugenetische leer. In 1930 verenigde zij verschillende eugenetische initiatieven in de Nederlandsche Eugenetische Federatie. In 1933 was ze de initiator voor de oprichting van het Nederlandse Instituut voor Erfelijkheidsonderzoek bij den Mens en voor Rassenbiologie, dat nooit erg succesvol zou worden omdat vanaf het oprichtingsjaar in brede kring steeds duidelijker werd wat de consequenties konden worden van de eugenetische gedachten. De ‘rashygiënische richting’, zoals die bij Galton op de loer lag en in Duitsland werd gekozen, werd dan ook in Nederland afgewezen vanwege de onwetenschappelijke en vaak politiek gemotiveerde bijklank van superioriteit en raszuiverheid.
In 1933 werd het Nederlandsch Instituut voor Erfelijkheidsonderzoek bij den Mensch en voor Rassenbiologie opgericht, waarvan Marie Anne van Herwerden de secretaris werd. Jacob Sanders werd er bij de oprichting benoemd tot directeur van de afdeling Medisch-Statistisch Erfelijkheidsonderzoek van dat Nederlandsch Instituut voor Erfelijkheidsonderzoek bij den Mensch en voor Rassenbiologie, dat in Den Haag was gevestigd. Sanders woonde toen in Den Haag in de Van Alkemadelaan 350.
Op het moment van de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940 telde Nederland 660 Joodse artsen. Al in november 1940 werden de Joodse artsen die werkzaam waren bij universitaire instellingen en gemeentelijke ziekenhuizen ontslagen , net zoals ook alle Joodse ambtenaren dat op dat moment overkwam. Waarschijnlijk toen een eind gekomen aan Sanders betrekking als directeur. Op 5 februari 1941 werd medisch Nederland opgeschrikt door de verordening die Joodse artsen verbood om niet-Joodse patiënten te behandelen. Tienduizenden patiënten moesten zich laten overschrijven van een Joodse naar een niet-Joodse arts, of omgekeerd. Sanders had zich toen al (per 1 juli 1940) gevestigd in de Julianalaan 17 te Pijnacker als rustend geneesheer. Jacob Sanders zou onder de schuilnaam ‘Jan Smit’ hulp hebben verleend aan parachutisten. Hij werd echter in mei 1942 gearresteerd en via Kamp Westerbork naar een van de Duitse concentratiekampen gebracht. In een van deze oorden moet hij op 28 februari 1945 om hert leven zijn gekomen. Zijn echtgenote en twee kinderen overleefden de oorlog.
