GASPER GALESTIN

Gasper John Alfred Galestin (Batavia, 15 december 1905 – Vught, 5 september 1944) werd in Nederlands-Indië geboren als zoon van de koopman Moses Nazareth Galestin. De roots van de familie liggen is Isfahan, maar ook wordt gewezen op Armeense oorsprong van de familie. Hij had een broer, Theodoor Astvatzattur Paul Galestin (1907-1980), die na de oorlog aan de universiteit van Leiden hoogleraar archeologie en kunstgeschiedenis werd en een zus, Johanna Martha Galestin. In allerlei documenten werd Gaspers naam foutief vermeld als Casper ter Galestin, waar die ‘toegevoegde ‘ter’ vandaan komt is onduidelijk, net als de verbastering van zijn voornaam in ‘Casper’. Zijn roepnaam was trouwens Freddy. Net als zijn broer Theo ging Freddy al op jonge leeftijd naar Nederland om te studeren. In Delft studeerde hij af als scheikundig ingenieur en was daarna als ambtenaar werkzaam bij het Rijksbureau voor Chemische Producten. In 1934 trouwde hij in Den Haag met Johanna Adrienne Thole, net als hij met Indische roots, Semarang.

Toen de oorlog uitbrak ging Galestin in Den Haag in het verzet. Hij richtte een inlichtingendienst op, die over een zender beschikte, bediend door Herman Kropff, om berichten naar Londen te kunnen doorseinen. Andere leden van de verzetsgroep waren onder meer Barend Klaas Keuter, diens vader dominee Albert Keuter, Leo Voogd, Wouter Brave en Jan Michiel Hillenius. Ook zorgde de groep ervoor dat via Parijs berichten naar Spanje kunnen worden gestuurd. Via contacten met een chemische fabrikant van surrogaatzeep kwam Freddy in aanraking met een pilotenlijn. Wekelijks begeleidde hij drie tot vier piloten vanuit Friesland eerst naar Amsterdam, waar ze werden voorzien van valse identiteitspapieren en daarna werden overgedragen aan de verzetsgroep Luctor et Emergo, later omgedoopt tot Fiat Libertas, die ze verder brachten naar Weert, de woonplaats van Charles Brummans (1909-1964) (zie foto). Dat is een priesterleraar aardrijkskunde aan het Bisschoppelijk College te Weer, charles brummansdie vanaf het eerste oorlogsjaar iedereen wil helpen die door de Duitse bezetting in de problemen kwam. Brummans was in contact gekomen met Luctor et Emergo via de timmerman Mathieu Beelen uit Tungelroy en diaken Reinier Kloeg uit Rotterdam. Kloeg was een van de grote drijvende krachten achter het verzet in Limburg, zo sterk dat een bisschop ooit opmerkte dat de priester Kloeg ‘beter met een revolver kon omgaan dan met een rozenkrans.’ Die twee hadden begin 1942 een eigen ontsnappingsroute voor krijgsgevangenen, vliegtuigbemanningen en Joden opgezet en waren vervolgens lid geworden van Luctor et Emergo. In april 1943 werden Beelen, Kloeg en een derde verzetsman uit Weert, Jacques Bergmans gearresteerd. Omdat Kloeg alle verantwoordelijkheid op zich nam en werd gefusilleerd, konden beiden anderen overleven. Bergmans kwam snel vrij en hield zich de rest van de oorlog gedeinsd, Beelen zat gevangen in Haaren, Scheveningen en Utrecht, kwam in mei 1944 vrij en dook onder. Brummans besloot zich niet bij Luctor et Emergo aan te sluiten, maar besloot na de arrestatie van het drietal een nieuwe vluchtroute op te zetten naar het neutrale Spanje. Deze zogenaamde St-Johns ontsnappingslijn was gebaseerd op al bestaande vluchtroutes. Brummans weet twee keer op wonderbaarlijke manier aan de Sicherheitsdienst te ontsnappen.

Begin november 1943 moet Brummans toch hals over kop uit Weert vluchten en dook hij tot de bevrijding onder in Leiden. De reden van dat Wouter Bravegedwongen haastige vertrek is waarschijnlijk omdat de verzetsgroep De Galestin in de loop van 1943 geïnfiltreerd is door verschillende SD-agenten, waaronder de gevreesde 53-jarige Amsterdamse koopman Herman Rouwendaal. Begin 1944 werden veel leden van de verzetsgroep gearresteerde, waaronder Freddy Galestin die al op 12 december 1943 in het Belgische Mons was gearresteerd. Hij werd op 3 juli 1944 overgebracht naar Kamp Vught en daar op 5 september 1944 (Dolle Dinsdag) gefusilleerd. Na de oorlog ontving Ter Galestin postuum van de Amerikaanse regering voor zijn pilotenhulp de Medal of Freedom.

Wouter Frederik Brave (Amsterdam, 11 september 1918 – Den Haag, 12 april 1984) (onderste foto) legde in 1982 vast hoe hij als 22-jarige in het verzet belandde, daarbij onder meer onder meer Jons Keuter, ir. Freddy ter Galestin en Herman Kropff ontmoette en hoe het de diverse verzetsmensen gedurende de oorlog verging. Vanuit een colportageploeg van de Nederlandse Unie werd door chef Ton van Schenkel een inlichtingengroep gevormd, die radioverbindingen met Engeland had en werkte voor de Ordedienst. Brave en Van Schenkel werden gearresteerd en samen een tijdje gevangen in het Tuchthuis Lüttringhausen in Duitsland. In de loop van 1943 werd Brave in Oss te werk gesteld als controleur van de Centrale Crisis Controledienst (CCD), die namens de Duitsers de zwarte handel moest tegengaan. Samen met zijn collega’s Jan Faber en Wim Hoogendoorn werden contacten gelegd met de Dienst Wim, een spionagenetwerk dat in 1942 was opgezet en begin 1943 via het Englandspiel werd opgerold, waardoor onder meer Jan Faber en Wim Hoogendoorn werden gearresteerd. Daardoor vervielen voor Brave zijn contacten. Hij wist nu ook dat bij zijn huis werd gepost en dat hij werd geschaduwd. Hij dook onder en probeerde via zijn oude vrienden uit het studentenverzet nieuwe verzetscontacten te leggen.

Brave vervolgd zijn relaas dan: ‘Door mijn contacten met het studentenverzet w.o. Leo Voogd en Jons (Barend Klaas) Keuter, beiden oud schoolvrienden van het Haganum, kwam ik in contact met Ir. Freddy ter Galestin en Dr. Daan Weijs, chemici bij een Rijksbureau en Herman Kropff. Samen met hen ontstond een ‘Coördinatiegroep’ later genoemd Groep ‘ter Galestin’. We waren in bezit van een eigen zender. Onze hoofdzaken bestonden uit inlichtingenwerk, economische sabotage (vooral chemische industrie) en ontsnappingswerk (escape-line). De adressen van Nans Anderson en Jo Vis speelden daarbij een grote rol. Engelse Australische en Amerikaanse vliegers kwamen bij tientallen in onze handen. een groot aantal werd ons ‘overhandigd’ door een koerierster Mien Bakker (Hermance van den Wall Bake). Waar ze vandaan kwamen is mij niet bekend. Ze werden door alle leden van de groep beurtelings overgebracht naar Rotterdam, Utrecht en later naar Amsterdam. De Groep ‘ter Galestin’ werd geïnfiltreerd door de Duitse Abwehr, later blijken dat te zijn Rouwendal en Ge van Bree en Anton Damen. Later bleek dat Freddy ter Galestin en Herman Kropff gearresteerd waren. Eind ’43 werd ons gemeld dat de gevestigde ‘Escape-line’ gevaar liep. Daan Weijs, (Jons) Barend Klaas Keuter en ik worden voor een bespreking daarover, genoemd ‘Zaak Arno’, uitgenodigd in Amsterdam. Arno is de alias van dubbelagent R.W.L. Christmann. Het adres, waar we bijeenkwamen werd op 4 jan 1944 overvallen door een S.D.-commando (Mollis, Ölschlagel en Kuiper). Heel snel bleek dat onze ‘Escape-line’ door de Duitsers was geïnfiltreerd o.a. door genoemde Rouwendal en van Bree.

Na de arrestatie van Brave werd hij overgebracht naar het Huis van Bewaring Weteringschans, Amsterdam (4 januari 1944), volgde een eerste verhoor in Den Haag, Binnenhof (5 januari 1944), daarna werd hij overgebracht naar het Oranjehotel te Scheveningen (5 januari 1944) waar hij vanaf 6 januari 1944 in ‘Einzelhaft’ werd opgesloten. Vervolgens volgde reeks van gevangenissen en kampen. Over zijn vrienden en verzetsmedewerkers meldde hij dat Ton van Schendel, Leo Voogd, Daniël Weijs, Jons Keuter, Albert Keuter, Herman Kropff, Nans Anderson en Jo Vis na hun arrestaties in het Oranjehotel in Scheveningen werden opgesloten en verhoord. Behalve Ton van Schendel werden ze overgebracht naar verschillende Duitse concentratiekampen (Neuengamme, Bergen-Belsen, Ravensbrück), waar ze werden vermoord. Freddy Galestin en Leo Voogd werden overgebracht naar Vught en daar geëxecuteerd. Slechts een paar van de omvangrijke groep zouden de oorlog overleven.

Galestin Vught

Dit item was geplaatst door Muis.