ANTON DE KOM IN PARAMARIBO – 1933 (deel 2)
Deel 2- Het tragische leven van Louis Doedel
Over de activiteiten van De Kom in Suriname wordt in de delen 4, 5 en 6 ingegaan. Eerst echter het tragische verhaal van hoe het Louis Doedel vanaf het vertrek van Anton de Kom in mei 1933 is vergaan.
In 1933 zette Louis Doedel een ‘Kantoor voor Algemene Zaken’, dat een vakliedenbeurs kende om beter zicht te krijgen op de omvang van de werkloosheid en om te bemiddelen bij werk. In de jaren daarna gaf hij een hele serie pamfletten, manifesten en kranten uit, waaronder De Banier, De Meidoorn en Jong Suriname. Hierin vroeg hij voortdurend aandacht voor de problemen waarmee arbeiders, kleine boeren en werklozen in Suriname te kampen hadden. In alle publicaties verweet hij consequent het koloniaal bewind een krachteloos beleid te voeren tijdens de jarenlange economische crisis. Door zijn politieke activiteiten en geprononceerde stellingname raakte Doedel onvermijdelijk in conflict met de koloniale autoriteiten. In 1934 raakte Doedel in conflict met procureur-generaal Frans van Haaren over het artikel ‘Welk parool?’ in zijn maandblad ‘Jong Suriname’, met een heftige aanval op de Nederlandse kruidenierspolitiek ten aanzien van Suriname. In 1935 publiceerde hij crisismanifesten, waarin hij twee jaar ‘laissez-faire-bestuursbeleid’ van gouverneur Johannes Kielstra (die in oktober 1933 gouverneur Rutgers had opgevolgd) onder de loep nam. In he
tzelfde jaar publiceerde hij een ‘1 mei-manifest’ over de internationale dag van arbeiderssolidariteit en bepleitte daarin eenheid en organisatie onder de arbeidende klasse om te komen ‘tot het werpen van een dam tegen het thans feller aan den dag getreden koloniaal systeem, dat in de gekleurden iets minderwaardigs wil zien’. In 1937 was Doedel betrokken bij het door de studieclub ‘Ovagis’ (Organisatie tot vorming van Arbeiders-Groepen in Suriname) georganiseerde ‘Meicongres’, waar in een resolutie een hele serie eisen wordt aangenomen om het lot van de arbeiders te verbeteren. De nadruk lag op het invoeren van werkverschaffingsprojecten, op dat moment in Nederland zelf een populair gegeven om de heftige economische crisis het hoofd te bieden. Met werd de laatste opvallende activiteit van Louis Doedel.
Toen hij op 29 mei 1937 een bezoek wilde brengen aan gouverneur Johannes Kielstra om een petitie aan te bieden over de situatie van de Surinaamse arbeiders, werd hij gearresteerd en ter observat
ie overgebracht naar de psychiatrische inrichting Wolfenbüttel. Procureur-generaal Mr. De Niet gaf hiervoor als reden dat Doedel ‘lastig is geweest voor de buren’. Volgens de krant ‘Suriname’ had hij zijn gezicht zwart gemaakt en vervolgens bij mensen aangebeld. Hij zou zelfs hebben geprobeerd zo een bezoek te brengen aan de gouverneur. De pers maakte ook melding van andere ‘vreemde gedragingen’ de voorgaande tijd bij de vakbondsleider. Volgens ‘Suriname’ maakte Doedel een overspannen indruk en was hij sterk vermagerd. Wellicht heeft Doedel dit soort berichten zelf in de hand gewerkt. Hij kreeg namelijk op 29 mei geen toegang tot het paleis, terwijl allerlei blanken ongehinderd in en uit konden lopen. Hij zou woedend hebben uitgeroepen ‘Wanneer alleen blanken toegang hebben, dan zal ik ze een blanke Doedel geven’ en maakte zich daarna helemaal wit door zich in te smeren met pemba doti, een witte kleisoort. Toen de bewakers hem daarna opnieuw wegstuurde, liet Doedel zijn broek zakken en toonde zijn blote billen aan gouverneur Kielstra. Doedel werd direct gearresteerd vanwege het verstoren van de openbare orde. Als het verhaal klopt niet geheel onlogisch.
Hugo van Vliet,
samen met Doedel een van de organisatoren van het Hongeroproer in 1931, kwam door ingrijpen van Anton de Kom snel vrij, maar in 1937 ontbrak deze machtige vriend en ook andere in Suriname konden op dat moment iets voor hem doen. Zijn ‘observatie’ werd nooit opgeheven en vervolgens werd de belangrijkste Surinaamse strijder tegen armoede en onrecht bewust kapotgemaakt. In 1938 verzocht hij gouverneur Kielstra schriftelijk om na een spoedig te verwachten ontslag uit de inrichting in het district Saramanca een stuk grond te mogen gaan bewerken. Hij kreeg nooit antwoord. De brief werd door het bestuur bewust genegeerd omdat Doel als ‘handelingsonbekwaam’ werd behandeld. Hij zou de rest van zijn leven in totale vergetelheid doorbrengen in de psychiatrische inrichting. Hij zat er vanaf mei 1937 opgesloten tot zijn overlijden op 10 januari 1980, bijna 43 jaar later. Pas een paar dagen voor zijn overlijden werd hij vrijgelaten, een oude, vermagerde en verward kijkende man. Volgens onderzoeker Nizaar Makdoembaks in haar goed gedocumenteerde boek ‘Journalist Louis Doedel kaltgestellt in Wolffenbuttel’ was Doedel volkomen gezond toen hij werd opgesloten, maar was
hij door de levenslange opsluiting langzamerhand krankzinnig geworden. Over de soort behandeling die hij in Wolfenbüttel kreeg is niks bekend.
De journalist en latere diplomaat Henk Herrenberg zorgde voor een waardige begrafenis op de rooms-katholieke begraafplaats aan de Tourtonnelaan in Paramaribo. Na zijn dood werd het Comité ‘Eerherstel Louis Doedel’ opgericht, dat zich ten doel stelt het geschiedenisonderwijs met betrekking tot Doedel te herzien en zijn naam te laten voortleven. Op 10 januari 2013 werd in Paramaribo een bronzen beeld van Louis Doedel onthuld. Oud-parlementsvoorzitter, Emile Wijntuin, publiceerde in hetzelfde jaar het boek ‘Louis Doedel, martelaar voor het Surinaamse volk’.

