011 – DE VERNIETIGING VAN HET DORP WAVERVEEN 2

Andries Schoemaker - WaverveenWaverveen is een klein dorp in de polder Groot-Mijdrecht, het gebied en voormalige waterschap bij de plaatsen Mijdrecht en Wilnis, ten westen van de Vinkeveens Plassen. Al in de middeleeuwen stond de heerlijkheid Waverveen op de kaart, midden in een agrarisch gebied. De heerlijkheid hoorde bij het graafschap Holland en het baljuwschap Amstelland. Het heerlijkheidswapen was dan ook nauw verbonden met de wapens van onder meer Amsterdam, Amstelveen, Ouder-Amstel en Nieuwer-Amstel. Allemaal wapens die zijn afgeleid van het wapen van Jan van Persijn, met zijn kenmerkende andreaskruizen als zinnebeeld van goddelijke kracht en bescherming tegen het kwade geesten, demonen en onheil. Het teken werd om die reden ook vaak gebruikt bij muurankers als bescherming tegen blikseminslag. Het Wapen van Waverveen had een rood schild met daarop een zwarte horizontale balk waarop twee zilveren andreaskruizen. Vanaf begin zeventiende eeuw werd het landbouwgebied steeds meer gebruikt voor de winning van turf. Tijdelijk erg winstgevend, maar door de grote plassen die ontstonden, verarmde het gebied langzaam. In 1731 verkochten de Staten van Holland de heerlijkheid Waverveen. In 1795 werd Waverveen na de Bataafse Omwenteling met de drie aangrenzende heerlijkheden Waveren, Botshol en Ruige Wilnis samengevoegd tot één gemeente. Het waren inmiddels sterk verarmde gebieden die voor het grootste deel uit water bestonden. Op 1 januari 1819 ging de gemeente van de provincie Noord-Holland over naar de provincie Utrecht. Op 1 januari 1841 werd de gemeente toegevoegd aan de gemeente Vinkeveen en Waverveen, die op 1 januari 1989 opging in de gemeente De Ronde Venen.

Waverveen in kaart 1696Op een kaart uit 1696 is nog duidelijk zichtbaar dat Waverveen toen min of meer het centrale punt was waar veel van de afwateringskanalen samenkwamen. Het was dus niet verwonderlijk dat het in de verdedigingslijn van de Oude Hollandse Waterlinie een niet onbetekenende locatie was. De verdedigings-tactiek bestond eruit dat polderland onderwater werd gezet, waarbij alleen de rivierdijken boven water bleven en deze belangrijke toegangswegen (accessen) door verdedigingswerken moest worden beschermd. Dat waren vestigingen en forten die met een tamelijk klein leger beschermd konden worden. In het geïnundeerde gebied waren de sloten voor de vijand onzichtbaar geworden en was het grasland veranderd in modder. In theorie zou in het gebied ook niet kunnen worden gevaren, maar in de praktijk was het beheersen van de inundaties zo moeilijk dat scheepvaart in beperkte mate soms toch mogelijk was. Al in 1589 hadden de provincies Holland en Utrecht onderzocht of door inundaties langs de Utrechtse Vecht of in de Grebbevallei beide provincies konden worden beschermd. Omdat de Tachtigjarige Oorlog voorspoedig verliep, hoefde deze plannen niet verder te worden uitgewerkt. Slechts in 1629 waren er kleinschalige inundaties langs de Utrechtse Vecht om een mogelijke Spaanse tegenaanval tijdens het Beleg van ’s-Hertogenbosch te verhinderen. Na de vrede met Spanje in 1648 verdwenen de plannen definitief van tafel.

Op 24 juli 1672 schreef Ds. Henricus Selijns, predikant te Waverveen van 1666 tot 1682, in zijn kerkboek dat de mis, die ‘om de bedroefde staet en oververwachte tijdt van oorlogen’ al enige malen was uitgesteld, nu toch doorgang kon vinden. Er waren enkele vluchtelingen in het dorp die ook werden toegelaten: de schoenmaker Pieter Bosch en echtgenote Emmetje Jans van Cockengen, Metje Jeuriaens van Zuylen, Teunis Woutersz en sijn huysvrouwe Elsje Gerrits van Hermelen, Cornelia Gerrits van Hermelen, Marritje Pieters, de echtgenote van Gerrit Jorisz., allen afkomstig van ’t Woerderverlaet en Gijsbert Pietersz. en echtgenote Elsje Arents en mitsgaders (bovendien) Anneken Cornelis en Willemtje Rijckerts, beiden uit de Nieuwe Loosdrecht.

Op 9 oktober 1672 noteerde hij dat niet alleen verschillende vluchtelingen, maar ook dat ‘Hendrick Gosens, Claes Cornelisz. en Claes Pietersz., matrosen van d’uytlegger genaemt d’ Amstelsche Galije, en leggende t’onser bescherminge omtrent de Bijleveltsche Brug’ aanwezig waren bij de mis.

Half november berichtte Selijns: ‘Den 5 november wiert, helaes’, ons dorp Waverveen en Botsholl voor een groot gedeelte door de Franschen afgebrandt. Om meer oopeninge voor de nakoomende eeuwe te geeven, sodanig was de saecke: eerst zijn wij door de Fransche gouverneur, gelegen op Nieurode, en daerna door Marquis de Geulis (de brief gedateert den 5 september 1672) gebrandtschat om binnen 4 dagen tijdts 10 scheepen hoy, elck van 20 voeder, tot Uytrecht te leeveren, op bijgevoegde straffen, dat de schout gevangen en ’t gantsche dorp geplundert en gebrandt soude worden. Maer daer ’t ongeoorloft was den vijandt toevoer te zenden, en wij versterckt wierden door de bovengemelte uytlegger, genaemt d’ Amstelsche Galije, sterck 27 man, en gecommandeert door capiteyn Spelt, daer was geen beter raedt, als wel te waecken, en nauwe sorge dragen, om door geen Fransche overvallen te werden, gelijck door 2 compagnieën onser huyslieden ten voorschreven eynde gewaeckt wierdt.
Middelerwijle d’omleggende dorpen, Meydrecht, Wilnis en Vinckenveen, lagen met Fransche savogarden, en ’t was onmogelijck den clock te roeren, of ’t wiert door de Fransche gehoort. Maer wij hebben noch sondagen, noch beêdagen versuymt, oft onder Godts segen wiert de dienst waergenomen tergewoonelijcke uure, wijse en plaetse. Doch de Fransche, door quaedtwillige gehaelt en aengeport, zijn ten laesten 400 sterck door Breuckelen gekomen ende hebben te d’ Emmerick n Wilnis comende, sig voor een gedeelte verspreyt na Vinckeveen, daer veel vierballen toebereydt zijn, en voor een gedeelte na de Meydrecht, om Waverveen en Botsholl van ’t oosten en westen te gelijck aen te doen. Als een blixem wiert ’t alles uytgevoert, en boeren, naer wat tegenstandt, verdreeven uyt haer posten en cortugarde. ’t Voornaemste was de voorschreven uytlegger te veroveren, die sig met 17 schoten vol gruys, en meer dan een gants uur seer wel gequeeten heeft. Maer vastraeckende en allomme door de Fransche omcingelt, die seer fel geschoten, en met granaten geworpen hebben, wiert [dit schip] de vijandt tot een proye overgelaten, niet sonder groot verlies, want 15 der voorschreven uytlegger zijn dootgeschooten, capteyn en luytenant met noch eenige gevangen en d’ overige weggeswommen.

Hoe ’t schreuwen, pionderen en branden begost na dit alles, is met geen penne uyt te drucken. 59 huysen zijn verbrant, doch onse kerck, predicantsen schoolhuys, hoewel ’t predicantshuys op verscheyde plaetsen aengestoocken, zijn tot groot geluck blijven staen. Ettelijcke huyslieden zijn dootgeschooten, een vrouw verdroncken, een oft twee gevangen en verscheyden gequest, als blijckt bij dit navolgende:
dootgeschoten: Claes Albertsz., oudt diacon; Willem Jansz. Spring, ledemaet; Jaep Albertsz., Aert Gerritje Chielen, Cornelis Martensz., gereformeerde; Cornelis Corsz., Claes Hillisz., armmeester[en] Pleun Dammen, paepsche;
verdroncken: Cniertje Pieters, paeps zijnde;
gequesten: Willem Jansz. d’oude, schepen, en sijn huysvrouwe; Trijntje Abrahams, Marritie Teunis Dierten, Sijmon de Wit [en] Albert Claesz. van Vliet, ledematen; Leuntie Dierten, aen de wondt den 28 november gestorven; Crijn Huybertsz., poldermeester, Cees Hendricksz., aen de wont gestorven, Trijn Jacobsz., geestelijcke weduwe, papisten;
gevangen: Simon Jape, paeps zijnde.

Kaart_van_de_Oude_Hollandse_WaterlinieSelijns merkt op dat uit het overzicht duidelijk blijkt dat de roomgsgezinden van Frans kant niet op meer medelijden hoeven te rekenen dan de gereformeerden en dat ze door de branden zelfs meer schade hebben geleden. Hij memoreerde verder het gedenkwaardige lot van Leuntie Chielen, die een uur voor de komst van de Fransen van een zoon beviel. Toen in het dorp paniek ontstond omdat de vijand naderde, zag haar man Cornelis Martensz bij thuiskomst, dat ze zich van het kraambed had opgehesen en zich op zolder had verstopt. Hij hielp vervolgens vrouw en baby in een ‘bock’ (een ondiepe platboomde vaartuig zonder dak, voor vervoer van hooi, bagger en andere stoffen) om te vluchten. Terwijl Leuntie probeert droge kleren aan te trekken, vallen de Fransen haar aan. Cornelis, die probeert haar de verdedigen, werd in de buik geschoten, maar slaagde erin, met één hand roeiend en heftig bloedend, toch verder te vluchten. Omdat de zwaargewonde al snel te zwak werd, nam de pas bevallen Leuntie het over en roeit met de zware schuit een uur lang tot de Rijke Waveren werd bereikt. Daar kon ze een bed krijgen om uit te rusten, zorgde ondertussen zo goed mogelijk voor haar stervende man en zag er tegelijkertijd strikt op toe dat geen Paap bij haar gereformeerde man zou komen om hem te verzorgen. Kort daarna werden ze naar Amsterdam overgebracht, waar twaalf dagen later hun zoontje Marten in de Zuiderkerk kon worden gedoopt.

Op 20 december 1672 schreef hij dat ‘terwijl alle ingeseetenen van ons Waverveen en Botsholl verjaegt en verdreeven waren door de voorgemelde Fransche tyrannie, en sig terneergeslagen hadden, sommige tot Aelsmeer, sommige tot Amsterveen, eenige in Watertandt, en ’t meestendeel tot Amsterdam, so heeft ons, plichtshalven, geraden gedacht om door alle middelen te trachten, dat de verdrevelingen mochten nu en dan te samen komen, om Godts Woordt te hooren en H. Sacramenten t’ ontfangen, ende hebben van nu af begost te preedicken aen de Nes, op de Hoeck van Bijlevelt ten huyse van Neeltje Hans, weduwe van Bouwen Janszen Kievit, daer een seer groote uytlegger lag, wekkers matrosen mitsgaders de militie daeromtrent leggende streckte tot vermeerderinge van ons gehoor.’

In 1674 beschreef boekverkoper en schrijver Ian Claesz ten Hooren de gebeurtenissen van twee jaar eerder rond de dorpen langs de Hollandse waterlinie, waarbij hij uitvoerig stilstond bij de aanval op Waverveen en waarschijnlijk flink citeerde hij de opmerkingen van dominee Selijns. Hij liet weten dat toen Loenen in Franse handen was gevallen, zij toen via de Geuzensloot (nu ten zuiden van de Vinkeveense Plassen, tussen Vinkeveen en Loenersloot) en de Demmerikse zuwe (een looppad door een moerassig gebied) konden optrekken naar Waverveen en Botshol. Beide dorpen waren slecht verdedigd, de eerste Staatse soldaten lagen pas bij Uithoorn en bij Nes, zodat Waverveen geheel op zichzelf was aangewezen. De inwoners hadden van de schout verlof gekregen om ‘Op ’s Lands kosten tot hun eige bescherming en velliqheidt te waken en door naeuwe wachthouding den vijant te beletten veerder daer deur in de Provintie van Hollandt in te breecken’. Ter versterking lag er wel een bewakingsschip met 27 manschappen en een paar stukken geschut. Het schip ‘d Amstelsche Galije’ lag afgemeerd bij de Bijleveldse brug. Op de eerste brandbrief van de Franse commandant, waarin de dorpen werden beschuldigd van hulp aan de vijand, werd door de bewoners van Waverveen en Botshol niet gereageerd. Op 5 september 1672 ontvangen de beide dorpen een tweede brandbrief met het bevel om binnen vier dagen tien schepen met hooi, ieder twintig voer groot, in Utrecht af te leveren. Zo niet dan zou de schout gevangen worden genomen en de plaats worden afgebrand. Er was echter geen hooi, zodat de eis onmogelijk kon worden ingewilligd. De Fransen lieten die termijn van vier dagen ruimschoots verstrijken, maar op 5 november 1672 stonden ze toch bij Waverveen. Ten Hooren: ‘De Franschen dan, om hun tyrannie en wreetheit op het Treurtoneel van Waverveen en Bolshol te vertoonen, trokken vol vreucht met vierhondert mannen uit Uytrecht en door Breukelen en terAa trekkende, vervoegden sich tot Demmerik, daer sy sich verdeelden en sich voor een gedeelte naer Vinkeveen en voor een gedeelte Naer Meydrecht begaven om Waverveen en Botshol van ‘t oosten en westen gelijkelijk aen te tasten.’

De sauvegarde, de vrijstelling van Franse gewelddadigheden, liep slechts tot Vinkeveen, zodat de Amstellandse dorpen Waverveen en Botshol niet over de komende aanval werden geïnformeerd. De opgehaalde wipbrug bij Botshol bleek voor de Fransen geen belemmering. De soldaten sprongen te water, lieten de brug neer en renden naar de Bijleveldse brug. De schrik en consternatie is groot: ‘‘t Geroep en geschreeuw was soo naer en schrikkelijk, dat des menschen hart scheen te barsten en dat de hairen tot bergen reesen. Hoe t ‘kermen en gheschreeuw, met een schrikkelijcke weerqalm, tot aen d’Amstel klonck; dit is met geen pennen te beschrijven, ‘t en zij men deselfde in een vloet van tranen doopt’, meldt de sJOUT_1979-01_4-7chrijver. De bevolking was intussen in paniek op de vlucht geslagen. Waverveen werd door de Fransen in brand gezet. Er brandden 59 huizen brandden volledig af, tweederde deel van alle huizen. Het huis van de predikant bleef wonderwel gespaard hoewel het op drie plaatsen was aangestoken. Ook de kerk bleef intact, alleen het offerblok bleek te zijn leeggehaald. Van de gewapende Fransen kwamen tien tot twaalf man om het leven. Er werd niet vermeld hoeveel bewoners om het leven kwamen, maar het aantal moet aanzienlijk zijn geweest.

De Fransen wilden het bewakingsschip veroveren dat moest verhinderen dat turf uit de Ronde Venen naar Utrecht zou worden vervoerd. Een uur lang wist de bemanning zich te verdedigen, maar toen de Fransen met handgranaten begonnen te gooien, moest men de strijd staken.  De commandant, zijn luitenant en nog twee of drie anderen werden gevangengenomen, vijftien manschappen werden gedood, de rest wist zich zwemmend te redden. De Fransen probeerden het buitgemaakte schip af te voeren, maar het was te groot voor de Wilnisse brug. Toen ze terugvoeren om via de Geuzensloot naar een andere sluis te varen, bleek ook deze sluis te klein. De op het dek tentoongestelde lijken van de vijftien Staatse soldaten werden toen zonder pardon in de Geuzensloot geworpen en het schip werd in brand gestoken. Het geschut en de buitgemaakte goederen werden later door de Fransen naar Utrecht afgevoerd.

Het zou nog de nodige jaren kosten voordat de verdrevenen konden terugkeren en het stadje in redelijke mate was hersteld zoals uit de bovenstaande gravure van Waverveen in 1736 door J. C. Philips. De graveur, etser en kunstschilder Isaac Sorious maakte later een reeks van dertien etsen van de verwoestingen in 1672 door Franse troepen in de provincie Utrecht, waaronder onderstaande van de verwoesting van Waverveen.

Waverveen,_verwoest_door_de_Fransen_in_1672

Dit item was geplaatst door Muis.