GREETJE FRIEDMANN – 011
Greetje Friedmann werd op 21 oktober 1933 geboren, maar het is onbekend in welke plaats of welk land. De kans is namelijk best groot dat ze oorspronkelijk uit Duitsland of Polen kwam. Er is een grote lijst van mannen en vrouwen met de naam Friedmann op de lijst oorlogsvermisten, maar nadere gegevens over hen zijn er niet. Er is slechts bekend dat ze op 1 mei 1943 via een zekere familie Goldfeder naar de familie Weerstra in het Friese IJlst is gebracht. Nu is er in Nederland maar één familie Goldfeder te vinden, namelijk de uit Rusland stammende Daniël Goldfeder (Kalisch, 2 januari 1910 – Sobibor, 16 juli 1943), zijn echtgenote Rachla Goldfeder-Hendeles (Kozminek, 26 april 1909 – Sobibor, 16 juli 1943) en hun dochtertje Ilenka Goldfeder (Amsterdam, 28 februari 1938 – ?, 28 april 1996). Daniël Goldfeder had vanaf 1941 in de Nieuwe Kerkstraat 9 in Amsterdam de besteldienst DAGO. Het is logisch te veronderstellen dat Goldfeder kennis had van een familie Friedmann in zijn directe omgeving. Op de hoek van de Nieuwe Kerkstraat – Amstel woonde bijvoorbeeld Martin Friedmann (Leipzig, 3 januari 1895 – Sobibor, 9 april 1943), een musicus en dirigent die voor de oorlog onder meer samenwerkte met René Sleeswijk en Willy Walden. Er is echter geen enkele aanwijzing dat Martin Friedmann gehuwd was of was geweest. Iets verderop, op Oosteinde 6 bovenhuis, woonde een gezin Friedmann, bestaande uit de vier broers Arthur (Masgrabowa, 14 oktober 1895 – Sobibor, 23 april 1943), Walter (Treuburg, 30 mei 1897 – Sobibor, 23 april 1943), Julius (Insterburg, 14 juli 1900 – Sobibor, 30 april 1943) en Berthold (Königsberg, 16 september 1905 – Sobibor, 9 april 1943), allemaal koopmannen en zover na te zoeken geen van allen gehuwd. De familie van Greetje Friedmann blijft dus onbekend.
De tienjarige Greetje kwam dus op 1 mei 1943 terecht bij de familie Weerstra in IJlst (foto rechts), bestaande uit Marten Weerstra (Wons, 23 mei 1907) en zijn echtgenote Taetske Weerstra-Poepjes (Wijckel, 1908). Het gezin emigreerde in 1930 naar Chicago. Omdat Marten er geen werk kon vinden, niet onbegrijpelijk zo kort na de Beurskrach en enorme werkeloosheid in de Verenigde Staten, keerde het gezin al weer snel terug naar Friesland. In IJlst kreeg hij een baan bij Nooitgedagt, een fabrikant van houtbewerkingsgereed-schap, houten speelgoed en schaatsen (waarmee ze het bekendst zijn geworden). Het kinderrijke gezin vestigde zich in een kleine woning aan de Galamagracht 55. Het huis telde weinig kamers en veel geïmproviseerde kleine bedsteden. In 1941 worden de Weerstra’s betrokken bij het werk van de ondergrondse, waarvoor Marten Weerstra de schuilnaam ‘van der Berg’ gebruikt. Het verzetswerk begint met de vraag of het gezin het vierjarige Joods meisje Leah onderdak willen geven. Bij een razzia door de Duitsers was de vader doodgeschoten, de moeder opgepakt en naar Westerbork afgevoerd en wist het meisje te ontkomen door zich op de wc te verstoppen. In het gezin Weerstra moest Leah doorgaan voor een nichtje uit het gebombardeerde Rotterdam. Een poosje later kwam Greetje Friedmann bij hen in huis.
Het gezin Weerstra, met haar krappe woning, vele kinderen en al een onderduikstertje, stuurde Greetje na enige tijd door naar een familie Hoekstra in Abbega. Dat verblijf verliep echter niet zonder problemen, waarbij werd opgemerkt dat ze waarschijnlijk door de boer werd verkracht. Op de website van Yad Vashem staat gemeld dat Greetje in een strikt orthodox-joods gezin was opgegroeid en dat ze vanaf 1 mei 1943 werd gedwongen varkensvlees te eten. Het lijkt onwaarschijnlijk dat dit binnen het gezin Weerstra is gebeurd, eerder bij het zin in Abbega. Op 25 of 26 oktober 1943 kwam Greetje geheel overstuur weer terug bij de familie Weerstra. Vanwege dezelfde reden moeten de Weerstra opnieuw uitzien naar een ander onderduikadres, ditmaal bij de weduwe Terpstra in Wons. Door haar gedrag was ze daar echter niet te handhaven en kwam ze voor de derde maal terecht bij de Weerstra’s, waar het steeds goed gaat. Ze speelt er met de kinderen van het gezin, maar omdat ze zoveel praat, durfde Maarten en Taetske Weerstra haar nooit alleen te laten. In het voorjaar van 1944 besloten de Weerstra’s nogmaals dat de onderduik van Greetje te belastend voor hen werd.
Begin 1944 verhuisde Greetje Friedmann vanuit Friesland naar Limburg en ging daarbij eerst langs verschillende onderduikadressen. Ze verbleef tijdelijk in het klooster in Tienray, daarna op een zolderkamertje van de pastorie in Swolgen, zonder dat pastoor Eggelen er iets van wist, kort bij Cisca Beuijssen in Swolgen en daarna bij de familie Reijnders in Melderslo. Een tijdlang at ze gewoon mee aan tafel met het gezin, soms zelfs met de ingekwartierde Duitsers. Na een razzia eind 1944 mocht ze niet meer buitenkomen. In maart 1944 bracht Johanna van de Voort haar onder bij Leonardus Jacobus Reinders (1915-1991) en Maria Johanna Berta Reinders-van Rens (1915-1981) in Tienray. Leo en Marie waren allebei 29 jaar oud en ouders van twee meisjes, beiden jonger dan twee jaar. Ze noemden hun pleegdochter Greetje Faber, die een nichtje van Marie uit Rotterdam was. Greetje bracht haar tijd door met het helpen van de kinderen en het doen van huishoudelijk werk, zoals inmaken en eten bereiden. Een tijdlang, toen het front dichtbij was en de Duitsers het grootste deel van het huis van de Reinders voor zichzelf opeisten, waren de kinderen gedwongen het grootste deel van hun tijd in de kelder door te brengen. Bij een andere gelegenheid deden geruchten de ronde dat er een huiszoeking naar Joodse kinderen op handen was en daarom werd ze midden in de nacht in veiligheid gebracht. Greetje was wanhopig ongelukkig op haar nieuwe schuilplaats en dus namen de Reinders haar terug zodra het gevaar geweken was. Greetje bleef bij hen tot juni 1945. Gedurende haar verblijf bij hen accepteerden ze geen financiële hulp, maar omdat ze het hun plicht vonden om mensen in nood te helpen. Tijdens de oorlog raakte Greetje erg gehecht aan haar pleegouders en begon hen zelfs ‘tante’ en ‘oom’ te noemen. Na de oorlog begon ze hen ‘mama’ en ‘papa’ te noemen. Margareta werd later röntgenologe en toen ze later, inmiddels mevrouw Horen, kinderen kreeg, leerde ze hen Leo en Marie ‘opa’ en ‘oma’ te noemen. Op 28 maart 1988 erkende Yad Vashem Leo en Maria Reinders als Rechtvaardigen onder de Volkeren, nadat Margareta de onderscheiding voor haar pleegouders had aangevraagd.
