HET GODDELOZE TOLHEK
Er zijn in Friesland minstens twee plaatsen met de naam Het Goddeloze Tolhek/Tolhuis. De eerste ligt iets ten noordoosten van Feanwâlden (Veenwouden), bij het ruige moerasgebied De Houtwiel. Er waren tal van fantastische volksverhalen in omloop over het Goddeloze Tolhuis, gelegen bij de Goddeloze Singel en de Skilige Pijp (de Schele Pijp), zoals de Goddeloze Brug ook werd genoemd. Dat kan helaas niet gezegd worden over het Goddeloze Tolhek tussen Gorredijk en Beetsterzwaag. Daar bevindt zich het terrein De Sweach. De weg die daar loopt, de Sweachterwei, is nu een bosrijke weg, met in de zomer veel ooievaarsnesten en later in het jaar prachtige herfstkleuren. Over die Sweachterwei reed vanaf 1882 een tramlijn, met halverwege een oud tolhuisje met en houten tolpoort voor de boeren die daar met paard en wagen passeerden. Het heeft pas tamelijk recent de naam gekregen Goddeloze Tolhek, denkbaar geïnspireerd op de ook hier bekende volksverhalen uit Feanwâlden of wellicht uit het nabijgelegen Hardegarijp, waar het Goddeloze Hek dat nooit dicht kon blijven. Ook in Olterterp, iets ten noordoosten van Beetsterzwaag, bestond zo’n Goddeloze Tolhek, dat steeds vanzelf open ging. Ook al maakte men die hekken nog zo goed vast, het gaat altijd vanzelf weer open. De tolpoort bij De Sweach kreeg op een geven moment ook de naam Goddeloze Tolhek omdat er in de directe omgeving steeds ongelukken gebeurden. Op een gegeven moment brandde een huis voor de tweede keer in korte tijd af, waarna de man van het tolpoortje zou hebben uitgeroepen: ‘Dat goddeloze tolpoortje!’. De twee mannen die bij de brand waren omgekomen, werden door de tolgaarder bij het tolhuisje begraven. Later is op de plaats waar het graf had gelegen een cementen steen neergelegd, met een jaaraanduiding. Het paadje naar het hek bleef voor de omwonenden altijd een onheilspellende plaats. Op een gegeven moment kwamen hier twee mannen onder de tram, maar daarover later meer.
Op 24 april 1880 werd in Utrecht de Nederlandsche Tramweg Maatschappij (NTM) opgericht, die de ambitie had in heel Nederland tramlijnen aan te leggen. Uiteindelijk werden voornamelijk in Friesland tramlijnen aangelegd, geëxploiteerd en onderhouden, met enkele noodzakelijke uitlopers naar steden in de aangrenzende provincies Groningen, Drenthe en Overijssel. In 1956 stopte de werkzaamheden van NTM wat betreft de tramlijnen; tot 1971 bleef men nog actief als streekbusbedrijf.
Toen NTM van start ging was het vervoer in het algemeen in Nederland nog maar amper ontwikkeld. Dat blijkt bijvoorbeeld als gekeken wordt naar de situatie in Gorredijk, gelegen in een streek met bittere armoede. Toen de schrijver-politicus Jacob van Lennep (1802-1868) in 1823 met zijn studiegenoot Dirk van Hogendorp (1797-1845) een voetreis maakte door de (protestantse) Noordelijke Nederlanden, passeerde hij op de route van Heerenveen naar Joure ook Gorredijk, waarover hij slechts drie, weinig vleiende regeltjes wijdt: ‘Iets westelijker dan het Heereveen ligt de Gordijcke, waar nog eenige halve wilden of holbewoners woonen, wier huizen half onder den grond zijn en die van roof en bedelarij leven. Van de drie misdadigers welke in Friesland gevonnisd worden is er één uit die plaats.’ Gorredijk hoorde niet tot de traditionele Friese elf steden, want had geen stadsrechten, maar was ook geen dorp meer. Het was een van de zogenaamde ‘Vlecke’, plaatsen met stedelijke kenmerken maar zonder stadsrechten. De stad was begin zeventiende eeuw ontstaan door de turfwinning in de uitgestrekte hoogveengebieden van Zuidoost-Friesland. Gorredijk was de handelsplaats waar spullen werden ingevoerd, opgeslagen en verhandeld. Door het centrum van de stad liep de Opsterlandse Compagnonsvaart, dat deel uitmaakt van de Turfroute. Het kanaal van 34 kilometer loopt van de Nieuwe Vaart bij Gorredijk naar de Drentse Hoofdvaart bij Smilde. Behalve de mogelijkheid van vervoer te voet en per turfboot, was er vanaf 1850 ook de mogelijkheid met de postkoets te reizen op het traject Heerenveen – Groningen, waarvoor zich in Gorredijk een hulpkantoor bevond. In 1883 begonnen de broers Rein en Berend Zijlstra vanaf de Molenwal in Gorredijk met een beurtvaart-bootdienst op Amsterdam. Er lag een motor in het schip, maar bij gunstige wind werd er gezeild. Deze primitieve vorm van openbaar vervoer was toen al min of meer ‘een gepasseerd station’.
In Gorredijk stond op de hoek bij de Hoofdbrug de Korenbeurs, dat rond 1860 werd geëxploiteerd door Frans van der Wal. In het boek ‘Uit vier dorpen één streek’ over Aengwirden staat over hem vermeld: ‘22 juni 1833 woont in Terbandsterschans logementhouder Frans van der Wal, die met zijn koets een postdienst onderhoudt van Lemmer via Gorredijk en Tolbert naar Groningen’. De postdienst verliep toen nog langs de Tjalleberderweg. Later ging Frans wonen in de Korenbeurs te Gorredijk. Hij was ondernemer van personen- en vrachtvervoer, wat betekende dat de Korenbeurs naast de ‘horeca-acttiviteiten ook diende als ‘station’, ofwel stopplaats was voor diligences/postwagens. Toen omstreeks 1850 de nieuwe verbindingsstraatweg Heerenveen-Gorredijk-Bergum werd aangelegd, was het kilometers minder rijden. Vanaf 1866 reed de trein het traject Leeuwarden – Groningen, met Veenwouden als een tussentijdse halteplaats, dus richtte de diligence van Van der Wal zich daarop. Toen twee jaar later ook de trein Zwolle -Heerenveen een feit werd, paste Van der Wal de dienstregeling ook aan op dat spoor. Door die ‘externe activiteiten’ nam de bedrijvigheid in Gorredijk fors toe. In 1874 vraagt Angenietje Elzinga, weduwe van kastelein Frans van der Wal, vergunning voor het gaan exploiteren van een omnibusdienst Gorredijk-Heerenveen, maar de NTM deed kort daarop haar intrede.
In hetzelfde jaar van de oprichting van de NTM werd in Gorredijk op 22 november 1880 de organisatie Plaatselijk Belang opgericht, met onder meer als doel te zorgen dat Gorredijk een aansluiting kreeg op het teamlijnennet. Ze hebben daarbij snel succes, want op 23 augustus 1882 vind de opening plaats van de tramlijn Heerenveen-Gorredijk. De ‘Vlecke’ was nu aangesloten op het grote, moderne verkeer. Omnibusdiensten werden vanaf dat moment gericht op ‘het spoor’. Op 18 augustus 1884 volgde de tramlijn Gorredijk-Drachten. Toen in 1886 het traject Joure-Sneek kon worden geopend, was er de doorgaande tramlijn Harlingen–Bolsward–Sneek–Joure– Heerenveen–Gorredijk–Drachten compleet. Tussen 1882 en 1907 stopten in het centrum van Gorredijk de trams voor de Korenbeurs. Later werd de halteplaats nadien overgebracht naar de overkant van de brug voor Hotel Poppes, later Van der Zee en het café van Fokkema. Laatstgenoemde zag er wel brood in, gelet op plaatsing van een plank met de geschreven tekst: Hier stoppen alle trammen.
Toen de tram eenmaal was ingeburgerd was, ontdekten bezitters van hondenkarren al snel dat het rijden op zulke gladde staven veel beter ging dan op de vaak slechte wegen. Iemand moet op het idee zijn gekomen om de wielen van de hondenkar op deze breedte te maken als de het spoorbreedte van de tram. Dat was natuurlijk niet zonder gevaar. In Hepkema’s Courant verscheen op 25 februari 1893 hert volgende bericht: ‘Johannes KL., vroeger tramconducteur, later karrijder reed met een zwaar beladen kar van Gorredijk naar Beetsterzwaag. Onder de kar, waarvan de voorwielen van flenzen waren voorzien, liepen de twee honden. Op de kar was een vracht van 600 pond koffiebonen, een vat frambozen van 285 kilo, een vat petroleum, 4 kisten met suikerwerk en velerlei kleingoed. Even aan ”deze” kant van Gorredijk zag K. op vrij grote afstand het licht van de Drachtster tram naderen. Hij wilde de kar van de rails halen, doch het ene wiel viel aan de buitenkant van de rail omlaag en nu was in de zwaarbeladen kar geen beweging te krijgen. K. liep de tram 40 tot 50 meter tegemoet en schreeuwde toen, met de tram meelopend, zo luid hij kon. Pas op 15 tot 20 m
eter afstand zag machinist Kornelis Boonstra hem. Remmen…. te laat… een botsing en een van de honden op slag dood.’ Tegen K. werd later f 25,- boete of 20 dagen hechtenis geëist.
Op nevenstaande foto uit 1884 bij het Goddeloze Tolhek tijdens de opening van de lijn Gorredijk – Drachten zijn rechts twee hondenkarren te zien.
Ernstiger was het ongeluk van 9 september 1897 bij Beetsterzwaag, halverwege het traject Gorredijk-Drachten. Vanaf Beets waren twee mannen uit Lippenhuizen op weg naar huis. Ze hadden in het hooi gewerkt en een lange dag gehad. Ze waren oververmoeid en hadden waarschijnlijk ook een slokje teveel gedronken. Ze waren zo ‘slim’ om even tussen de tramrails te liggen. Ze sliepen als een roos en werden dus niet wakker van de aankomende tram. Beide mannen werden door de tram overreden en kwamen zo op een verschrikkelijke manier om het leven. Een vreselijk drama voor de nabestaanden. Veel mensen weten het ongeluk aan de machinist die niet goed zou hebben uitgekeken. Het was immers heldere maan geweest en men kon zeker honderd meter er kijken. De chef van de politie uit Beetsterzwaag liet daarom direct de stoomlocomotief terugrijden naar de plek van het ongeval. Hij ging zelf voorop staan en liet iemand tussen de rails plaatsnemen. Toen de tram steeds dichterbij kwam en zelfs tot op vijf meter was genaderd, kon hij nog steeds niet zien of er iemand op de rails lag. Daarmee was het bewijs geleverd dat het trampersoneel geen schuld had. Aan beide kanten van de weg stonden grote bomen en die zorgden voor grote schaduwen over de rails zodat het trampersoneel niets kon waarnemen. Ze werden dan ook niet schuldig bevonden aan het ongeval.
Het tramverkeer bleef gevaarlijk. Op 3 januari 1900 reed een locomotief bijna de woning in van horlogemaker Zandstra, maar hield de stoep dat ternauwernood tegen. Op 18 december 1900 ontspoorde de passagierswagon van de tram van Gorredijk die op weg was naar Heerenveen door een onbekende oorzaak bij Langezwaag. De passagiers konden geschrokken maar ongedeerd in een goederenwagon naar het station in Heerenveen worden vervoerd. Op 18 februari 1901 verongelukte de tram op de Hogedijk, iets buiten Gorredijk. Machinist Tuinstra raakte gewond. Op 15 maart 1901 kwam de tram in botsing met rijtuig en paard tussen Gorredijk en Langezwaag, waarbij het paard gewond rakte en moest worden afgemaakt.
Het ernstigste ongeluk vond plaats op donderdag 28 februari 1907 toen de stoomtram ontspoorde bij het Goddeloze Tolhek bij Lippenhuizen, waardoor drie mannen door de stoom om het leven kwamen.
Johannes Roorda, werkmeester bij de NTM, vertrok ’s morgens vroeg in de maand februari met een goederentram van de Nederlandsche Tramweg Maatschappij uit Heerenveen naar Gorredijk. Een medicus uit Heerenveen reed met de tram mee om sneller op de plek van bestemming te zijn. Het doel van de rit was om een rijtuig van een paardentram op te halen uit Suameer. Toen ze in Gorredijk aankwamen gingen Jan van der Wal en Hendrik van der Zwaag Gorredijk de reis te vervolgen op de lorrie zitten die achter de locomotief gekoppeld was. De mannen zochten een plekje bovenop zakken meel en kisten spek, wat achteraf hun redding zou worden. Ze moesten in de kou zitten, de vijf anderen namen plaats in de locomotief waar niet veel ruimte was. Men stond in de nauwe ruimte tussen de ketel en vuurhaard, kop aan kont. Maar dat deerde de mannen niet, als ze maar warm stonden. Dat het uitzicht van de machinist daardoor belemmerd werd, daar dachten ze toen niet over na. De vijf mannen waren: werkmeester Roorda, de assistent-machinist Reijenga, de schilders van der Meer, Wesseling en Comello.
De t
ocht ging als een speer en omdat het verder geen vracht vervoerde, kon men de gang er goed inhouden. Maar toch gebeurde er wat men voor onmogelijk had gehouden. Op het rechte stuk tussen Lippenhuizen en Beetsterzwaag ging het op onverklaarbare oorzaak ernstig mis. Vlakbij het Goddeloze Tolhek schoot de tram met volle vaart uit de rails, botste tegen een dikke eikenboom, die geheel door midden brak, waarna hij over de locomotief heen sloeg en de kruin helemaal over de weg kwam te liggen. De locomotief kantelde en sloeg om. De veiligheidsklep is waarschijnlijk gebroken en ineens spatte het hete water alle kanten op. Door de stoom was de situatie haast niet te overzien. Assistent-machinist Reijenga raakte lichtgewond (een brandwond aan de linkerarm) en kwam gelijk in actie om zijn zwaar verbrande collega’s te redden. Roorda was aan de voorzijde tussen de ketel en de buitenwand gevallen. Reijenga trapte het voorruit in en wist ondanks de stoom en het hete water Roorda uit de locomotief door het ingetrapte voorruit te trekken. De schilders Van der Meer en Wesseling waren aan de kant gevallen en werden met hulp van de anderen ook bij de briesende machine weggetrokken. Toen waren ze Comello nog kwijt. Hij was door de stoom eerst niet te zien en lag op de bodem. Ook hij werd naar buiten gebracht. Het was een afgrijselijk gezicht hoe de vier mannen er uit zagen. Alle mannen zaten onder de brand- en schroeiplekken, vooral aan hoofd en handen. Van der Zwaag en Van der Wal hadden geluk. De een had een stijve nek door een vallende meelzak en de ander mistte slechts een schoenzool.
De meest kordate omstanders was boer Ids Hilverda. Het ongeluk gebeurde vlak voor zijn boerderij terwijl hij rustig aan de koffietafel zat. Toen hij zag dat er geen dokters in de buurt waren, ondernam hij zelf actie. Hij molk snel een koe om met de melk de brandwonden van de slachtoffers te verzachten. Bakker Wolter Hoogeveen uit Lippenhuizen was ook een van de getuigen. Toen hij de slachtoffers bloedend en kermend van de pijn naast de gecrashte locomotief zag liggen, rende hij naar de tapperij bij het tolhuis. Gewapend met een fles brandewijn snelde hij terug naar de gewonden om de pijn te verzachten.
Direct werd de hulp ingeroepen van de dokters Ebbinge en De Groot uit Gorredijk en Beetsterzwaag. De gewonden werden als eerst in het verband gewikkeld door de dokter en de pleegzusters. Met de tram gingen ze toen naar Heerenveen waar drie dokters aanwezig waren. Familie van de mannen huilden toen de gewonden de woning van dokter van Schouwen voetje voor voetje binnengebracht werden. Comello die niet lopen kon, moest naar binnen worden gedragen. Comello en van der Meer waren er het ernstigst aan toe. De familie mocht er bij en al hoewel beide families zeiden dat het wat meeviel, dachten de artsen daar anders over. Van beide waren de handen en voeten en het gelaat ernstig verbrand. Roorda mocht, na opnieuw verbonden te zijn naar huis worden gedragen. Wesseling werd in een bootje naar huis gebracht. Hij had wonden aan zijn hoofd, handen en voeten.
Brigadier Luite Duursma rapporteerde dat hij op de plek van het ongeluk een ‘afgekookte huid van een hand’ had gevonden. Hij bracht het lapje vel naar de griffier van de arrondissementsrechtbank in Heerenveen. Comello (46) en Van der Meer (34) bezweken de volgende dag aan hun verwondingen. Roorda (39) overleed twee weken na het drama. Wesseling was lange tijd blind, maar kon na een tijdje toch weer lezen.
De tram ontspoorde waarschijnlijk doordat Roorda te snel reed. Maar uit de rapportages bleek dat ook de toestand van de rails niet al te best was. Er zou zijn waargenomen dat er losse stukken rails waren, die konden bewegen als er een tram met volle vaart overheen rijdt. Er werd opgemerkt dat direct na het ongeluk met man en macht overal losse stukken rails weer werden vastgeslagen en aangestampt. Er bleven veel vragen over, maar een eenduidig antwoord is er nooit gekomen. Het ongeluk zorgde in heel Friesland voor veel beroering. Koningin Wilhelmina gaf f 50,- aan de nabestaanden en er werd zelfs op 27 maart 1907 inzamelactie gehouden, die een bedrag van f. 104,02 opleverde, dat onder de slachtoffers werd verdeeld.
Tolgaarder Roel van der Schaaf maakte na het ongeluk een gedenkteken in de vorm van een ijzeren hoepel met zwarte stenen. In 1983 kwam er op initiatief van Geart van der Zwaag, een kleinzoon van Hendrik, een nieuw kunstwerk met vier gebogen rails naar een ontwerp van Hans Snoek ter herinnering aan het tramdrama van 1907. Voor meer mooie foto’s van dit monument: www.afanje.com.
Stoomtramrit 1936-1947 Groningen – Oosterwolde – Gorredijk – Drachten – Heerenveen – Sneek.
