QUASSIE VAN TIMOTIBO

Quassie van Timotibo (Ghana, 1692 – Paramaribo, 12 maart 1787) werd geboren in West-Afrika en als jonge slaaf overgebracht naar Suriname, waar terecht kwam op de suikerplantage Nieuw-Timotibo aan de rivier de Perica. De omstandigheden op de suikerplantage waren verschrikkelijk. De Nederlands-Schotse militair John Gabriel Stedman, die tegen de Marrons vocht, schreef over een van de plantages: ‘Op de Plantagie Alia, ‘(…) morgens, onder het ontbyt, wierden zeven Negers strengelyk gegeeseld.’ De plantage Nieuw-Timotibo was eigendom van Willem Bedloo, de stamvader van een van de oudste kolonistenfamilies in Suriname. Hij behoorde tot de groep Frans Hugenoten en was vanuit Middelburg met Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck (1637-1688) naar Suriname gekomen. Deze Van Aerssen van Sommelsdijck had ervoor gezorgd dat hij werd gekozen tot onbezoldigd gouverneur van Suriname. Hij en zijn reisgenoten kwamen op 24 november 1683 te Paramaribo aan. Er woonden toen in Suriname ongeveer 1.200 blanken; in Paramaribo stonden niet meer dan zestig huizen, waaronder veel kroegen en herbergen. Het garnizoen soldaten bedroeg driehonderd man. Een van de eerste daden van de gouverneur was het platbranden van dorpen van de inheemse bevolking van Suriname. De volwassen mannen die de gewelddadige overval overleefden liet hij doodknuppelen. Drie jaar later kwam een verdrag tussen de kolonisten en inheemsen tot stand, waarin onder meer werd vastgelegd dat zij niet meer tot slavernij zouden worden gebracht. Van Aerssen vroeg in 1683 ook aan de regenten van het aalmoezeniersweeshuis om tientallen kinderen, die onder de gereformeerde planters zouden worden verdeeld. Bij zijn Amsterdamse opdrachtgevers vroeg hij om goede ambachtslieden, vooral metselaars en timmerlieden naar de kolonie te sturen. In 1688 vroeg hij om honderd Afrikaanse slaven voor de bouw van een fort, plus honderd soldaten om dat fort te bemannen. Voor de aanleg van dijken en sluizen, nodig om de suikerplantages naar behoren te laten werken, werden militairen en veroordeelde misdadigers uit het tuchthuis van Amsterdam gebruikt. Toen dronken soldaten vonden dat ze bij hun harde arbeid aan het Fort Zeelandia niet genoeg te eten en Nieuw Timotibote drinken kregen, ging een deputatie van elf man op 19 juli 1688 naar de gouverneur en eiste betere voeding en minder werk. Het leidde ertoe dat Van Aerssen door de rebellerende militie werd ‘gemassacreerd’. Het geeft een aardig beeld in wat voor omgeving Willem Bedloo opereerde en in welke omgeving Quassie vanuit Afrika terecht kwam.

Willem Bedloo was raadsheer van het Hof van Civiele justitie, en burgerkapitein van de divisie Cottica en Perica. In 1727 leidde hij een expeditie tegen de Marrons in het Cottica-gebied en in 1730 leidde kapitein Willem Bedloo een grote expeditie tegen de Saramacca-marrons. Omdat de Marrons een slimme guerrilla-tactiek hadden, waren de expedities weinig succesvol. De bekendste Marron-jager werd Quassie, die in 1730 aan deze expeditie deelnam en rijkelijk beloond werd voor zijn trouw aan zijn blanke meesters. Vanwege het geringe succes van de provisorische expedities waren Bedloo sr en Willem Bedloo jr. in de daaropvolgende jaren voorstander van het inzetten van de Redi Musu tegen de Marrons, gevluchte Afrikaanse slaven en hun afstammelingen die zich hadden gevestigd in de ontoegankelijke oerwouden in het binnenland. Deze Marrons overvielen met regelmaat de plantages, waarbij ze grote schade aanrichten. De bewoners van de plantages voelden zich daardoor steeds minder veilig en vroegen bescherming. Op 9 juli 1772 werd was in Paramaribo het Neeger Vrijcorps of de Zwarte Jagers opgericht om de Marrons te bestrijden, dat onder de populaire naam Redi Musu berucht werd. In Suriname heeft het nog steeds de betekenis van verraad van de eigen groep of heulen met de vijand. En niet ten onrechte. Het korps werd namelijk bemand met slaven die door het gouvernement van plantagehouders waren gekocht. De leden van het Neeger Vrijkorps werd beloofd dat ze vrij zouden komen als ze hun contract uitdienden. Onmiddellijk na de oprichting werd hert korps ingezet in Boven-Cottica, het gebied waar de Boni-Marrons opereerden.

bitterhoutQuassie was al op jonge leeftijd vanuit Ghana naar Suriname overgebracht. Hij hoorde daardoor tot de zogenaamde zoutwaternegers, de groep slaven die niet in de kolonie waren geboren. Ze waren voor de plantagehouders en lastig te controleren groep omdat ze vaker vluchten. In de achttiende eeuw vluchtte in het toenmalige Nederlands-Guiana ruim 10% van deze groep slaven. Al snel werd duidelijk dat hij veel verstand had van geneeskrachtige kruiden. Hij geldt als de ontdekker van het Quassi-bitter (Quassia amara, kwasi-bita of bitterhout), een koortswerend middel en remedie tegen malaria. De beroemde Zweedse arts-plantkundige Carl Linnaeus deed onderzoek naar dat Quassi-bitter, nadat het naar Zweden was overgebracht door een lid van de Bedloo-familie. Quassie was ook een lukuman, een ziener die zieken kon genezen door communicatie met de geestenwereld. Bovendien had hij veel kennis opgedaan van de talen van de Karaïben en Arowakken, twee inheemse volkeren. Quassie werd echter vooral beroemd-berucht voor zijn inzet bij het opsporen van voortvluchtige slaven. In 1730 werd hij vereerd met een gouden borstplaat met de inscriptie: ‘Quassie, trouw aan de blanken’.

Jan Jacob Maurices (1692-1768), gouverneur in de periode 1942-1746, vond Quassie ‘te hoog van geest’ voor slavenwerk, kocht hem van de familie Bedloo en liet hem overbrengen naar Paramaribo. In 1743 ontdekte Quassie met hulp van inheemsen in Saramacca een dorp van Kwinti-marrons, dat door de marrons halsoverkop was verlaten. Het dorp lag zestig kilometer van de dichtstbijzijnde plantage en bestond uit 33 huizen. Later dat jaar kwam een burgerpatrouille terug die bestond uit negen planters, dertig slaven en een onbekend aantal inheemsen. Ook dit leverde niets op. Quassie was daarna nog betrokken bij meerdere expedities, waarvan een paar wel succesvol waren. Zo af en toe leverden inheemsen bij Quassie afgehakte rechterhanden van gedode marrons bij hem in, waarvoor ze vijftig gulden per stuk ontvingen. In 1755 werd Quassie gemanumitteerd (door zijn eigenaar vrijgelaten) vanwege zijn deelname aan tal van expedities en de door hem gevoerde onderhandelingen met marrons. Na zijn vrijlating vestigde Quassie zich op de plantage Capoerica, de buurplantage van Nieuw-Timotibo. De plantage werd in 1768 en 1771 aangevallen door de Boni-marrons, die vermoedelijk Quassie wilden elimineren. De aanslagen mislukten omdat Quassie beide keren afwezig was. In februari 1776 bracht Quassie een bezoek aan Holland, waar hij door stadhouder Willem V werd ontvangen. John Gabriel Stedman maakte een afbeelding van Quassie in het kostuum dat hij bij dat bezoek als gift kreeg Prins Willem V. Hij was voor dit bezoek uitgenodigd omdat hij bekendheid had gegeven aan de Kwasibita, een naar hem vernoemd kruid met grote geneeskrachtige werking. In september 1776 keerde hij terug naar Paramaribo. Op 12 maart 1787 overleed Quassie daar op minstens 95-jarige leeftijd; hij werd Corps Vrije Mulatten en Neegers begraven. NaMarronar aanleiding van zijn overlijden schreef Paul François Roos een grafschrift, waarin een vergelijking werd getrokken tussen Quassie en de Griekse god Apollo, die de redelijke kant van de mens symboliseert, verbonden is met waarzeggerij en de god van de gezondheid en geneeskunst is: Hier rust een Grysaart, die in’d omkreits van zyn leeven. Aan ’t Land van goed en kwaad veel blyken heeft gegeeven. Die en den Neger, en den woesten Indiaan, Om zyne Tover-Konst, steeds deedt verwondert staan! Indien dit Volk die konst naar waarde wist te roemen, Het zou hem thans Apol in plaats van Quassie noemen.

Ruud Beeldsnijder haalt in het artikel Een weinig bekende brief over de heelmeester, lukuman en slavenjager Quassie dat in 1993 verscheen in OSO. Tijdschrift voor Surinaamse taalkunde, letterkunde en geschiedenis (jaargang 12) de volgende illustratieve anekdote op de manier van optreden van Quassie. Het artikel is gebaseerd op een brief van 8 oktober 1743 van Pierre d’Anglade, directeur van de plantage Nieuw-Timotibo. Het maakt duidelijk dat sommigen zoals Mauricius het gedrag van Quassie, een slaaf die hoewel trouw aan de blanken toch in staat is geweest een aantal van hen de stuipen op het lijf te jagen, konden billijken. Hij was in hun ogen allereerst een intelligente en betrouwbare slaaf. Anderen echter zagen zijn zelfverzekerdheid en/of vrijpostigheid vooral als een besmettingsgevaar voor de slavenmacht als geheel. Het voorval speelt vlak na de patrouille van burgers, indianen en slaven naar een Kwinti-dorp ten westen van Paramaribo in het najaar van 1743. Quassie was als gids bij deze expeditie betrokken.
Stedman-hanging
‘Dan laat d’Anglade verontwaardigd weten dat Quasje door het huis ging, maar zich niet aan hem had gemeld en hem evenmin op de hoogte had gebracht van de ‘vreemde negers’ die bij hem waren: ‘zijn train zoo als u bekend is, is zeer razend’. Alleen daardoor en door de komst van drie Indianen, die langs hem liepen met ‘snaphanen’ (geweren) en musketten kon d’Anglade opmaken dat Quasje terug was. Maar maandagmorgen was Quasje zich wel bij d’Anglade komen presenteren. Over het gezelschap dat hij had meegebracht echter geen woord. Toen Quasje ’s avonds naar zijn huis ging, waren bij de achterdeur, onder de boom die Camijn ook bekend is, de overblijfselen van de maaltijd ‘van de vergadering’ te zien. Hierbij noteert d’Anglade dat dit het middagmaal was geweest. Het was tegen zes uur, er waren twee tafels, stoelen, stapels van schotels en borden, en dit alles toonde genoegzaam de ‘snoeperij dier Heeren’. Omdat d’Anglade niemand zag vroeg hij aan de deur waar Quasje was. De vrouwen waren nog bezig met braden, er was vlees en vis, ‘hier brade een Cabriet, daar een Wild, verder kookte en roosterde men vis, men plukte hoenders’. Zo verdiept waren de vrouwen in het werk dat geen der ondervraagden antwoordde, maar men slechts met de hand naar de savanne wees. Men kan zich het affront voorstellen: de slavinnen van de huishouding, waarvan men in die tijd tenminste ‘onderdanigheid’ wenste te verwachten, vonden het niet eens de moeite waard de blanken een behoorlijk antwoord te geven. d’Anglade ging toch maar op de savanne kijken en vond daar Quasje en zijn gezelschap, geschaard om een palm die zij hadden gekapt. Aan de top was een inkeping waaraan de bottels (flessen) waren gehangen waarin het sap liep. Op de vraag aan Quasje wat hij daar deed, werd alleen maar geantwoord ‘dram’. Bij zijn knipoog toonden de andere negers die bij hem waren een nauw verholen lach. d’Anglade ging maar weg zonder iets te zeggen.
Toen d’Anglade thuis kwam, zag hij twee geklede negers ‘dansende en springende’ op zijn weg en even verder ontmoette hij Quasje. Een gesprek kon toen niet uitblijven.
– ‘Wat negers zijn dat?’ vroeg d’Anglade.
– ‘Het zijn’, verklaarde Quasje, ‘negers die met mij op de tocht [expeditie tegen de weglopers] zijn geweest’.
– ‘Aan wie horen zij?’.
– ‘De eene is van Paramaribo en de andere van Commewine’.
– ‘Wat doen zij hier?’.
– ‘Zij doen mij gezelschap’.
– ‘Hoe’, voer d’Anglade uit, ‘Gy brengt hier vreemde negers en geelt der my geen kennis van’.

– ‘Ik heb het U deze morgen gezegd’, verklaarde Quasje, waarbij d’Anglade opmerkte dat hem wel verteld was dat de tochtgangers terug waren gekomen met andere negers, maar niet dat ze hier waren. Quasje had daarop geantwoord:‘Ik heb het u gezegd, hebt gij ’t niet wel begrepen, dat kan my niet scheelen’. d’Anglade, die waarschijnlijk zijn verontwaardiging met moeite kon bedwingen, merkt in zijn brief op dat een dergelijk antwoord naar hij meende wel enige correctie behoefde. Hij vroeg Quasje dus of die negers wel briefjes van hun meesters hadden.
-‘Wat hebben zy die van nooden, zyn zy niet met my?’, had Quasje gezegd en wel op een vergramde toon. d’Anglade kon niet anders doen dan Quasje te zeggen dat hij deze negers, wanneer hij hen morgenochtend te pakken kreeg aan de ketting zou zetten, en hem zelf ook. Maar Quasje repliceerde:
-‘Wy bennen hier op logt, en gy hebt my niets te commandeeren. Ik ben op ordre van de Gouverneur, en van niemant niet, en ik zal doen alles wat ik wil: maar wagt dog, niet verder als morgen zal ik gaan klagen aan myn Heer Wossink, en hem zeggen hoe dat gy my molesteert, daar ik op uit moet voor myn Heer de Gouverneur; gy zult zien, wat beeld gy u wel in? Ik ben wel een Neger, maar zulken Neger als ik ben, is meer waard als tien blanken’.

In zijn brief besluit d’Anglade dat hij maar heen zal stappen over het gebaar en de vervloekingen van deze ‘schurk’. Dat is dan, constateert hij, op de dag van gisteren, maandag 7 october 1743 gebeurd, d’Anglade heeft inmiddels nagedacht of die brutale neger niet dronken was geweest en nu misschien berouw zou tonen over hetgeen hij gedaan had. De volgende dag laat hij Quasje onverwijld halen. En, zo laat hij Camijn welen: ‘Hy is op een trotse wyze gekomen, het hoofd om hoog houdende, my styf aankijkende, wagtende dat ik samenspraak zou beginnen’. d’Anglade begint dan te vragen:
-‘Bent gy slaaf van deeze Plantagie?’. Geen antwoord. ‘Bent gy Jager van deeze Plantagie?’. Deze vraag werd tweemaal herhaald en Quasje antwoordde ten slotte: ‘Ja’.
-‘Wel’, zei d’Anglade, ‘na twee dagen gerust te hebben zult gy voor my gaan jagen of visvangen’. En het antwoord was: ‘Ik ben hier niet gekomen om te gaan jagen voor u, en ik wil ’t ook niet doen’. d’Anglade repliceerde: ‘Ik zal het u doen doen’.
Hier zette Quasje zijn vuisten op de heupen: ‘Gy bent ‘er niet in staat toe, gy kenne my niet’.
-‘Ja, dog zeer wel’, meende d’Anglade.
-‘Wel hebben de Heeren Camyn u hier aangestelt’, voer Quasje voort, ‘om my te molesteeren?’.
-‘Niet juist om die reden, maar om alle slaven haar pligt te doen doen, en gy gelyk als de andere’. Hier verloor, aldus de lezing van d’Anglade, Quasje zijn geduld en ging over tot vloeken en vervloeken.
-‘Ik en erkenne u nog niemand niet’, klappend met zijn vingers, ‘als myn Heer de Gouverneur en myn Heer Wossink; ik veege myn gat aan u; gy kenne my a… lekken’, d’Anglade greep zijn snaphaan en zou deze beslist op Quasje gelost hebben wanneer niet zijn neger en alle huisslavinnen tussenbeide waren gekomen.
Een half uur later kwam Quasje terug, morrend en kijvend. Toen hij bij het huis kwam verhief hij zijn stem, waarschijnlijk opdat d’Anglade hem goed zou verstaan. ‘Nu zal ik zien’, zei hij, ‘of zoo een blanke zal de couragie hebben my te willen schieten’.
-‘Jongens’, zei hij tegen een groep Indianen die hem omringde, ‘aanstonds naar myn Heer Wossink’, en zich wendend tot d’Anglade die in de galerij was: ‘Gy hebt my niets te zeggen, en gy zal zien wat er van komen zal’ en terwijl hij zijn vuist toonde en schuimbekte van razernnij en met de tanden knarste, ‘ik veege etc…’. Weer greep d’Anglade naar zijn snaphaan, maar zijn neger, op het gevaar af zijn rug te breken, hield deze stevig vast. Daardoor ontkwam Quasje voor de tweede maal.
d’Anglade wil in zijn brief aan één facet van de ‘muiterij’ van deze neger niet voorbij gaan. Gisteren, zoals hij schrijft, toen hij Quasje vertelde dat zijn ‘stoutheid’ om op de plantage vreemde negers mee te brengen en daar te houden zonder hem daarvan kennis te geven alle perken te buiten ging, gebood hij hem deze negers te laten vertrekken; als hij dat niet deed zou hij hem daarover aanspreken. Vanmorgen, zo schrijft d’Anglade, vroeg ik hem of deze negers inderdaad vertrokken waren.
‘Hebt gy een boot voor zie?’, had Quasje gezegd, en dat met een air die niet te beschrijven is.
‘WaQuassie van Timotibonneer zult gy gaan?’, vroeg d’Anglade.
‘Als het tyd is’, antwoordde Quasje, ‘en als mijn kost zal klaar gemaakt hebben, die ik hier neemen moet’.
‘Wat voor kost?’, wilde d’Anglade weten.
‘Plantagie-kosten?’, ‘Wat dan?’, voer Quasje voort, en d’Anglade: ‘En ik moet ‘er niet van weeten?’.
‘En ik hoef u ‘er ook niet van te zeggen, als ik niet wil’ was het brutale antwoord van Quasje,

De hevig verontwaardigde d’Anglade meent dat alles wat er gebeurd is niet valt uit te leggen en hij acht het ook niet nodig de Heren daar verder iets over te vertellen. Hij wil nog wel meedelen dat het deze neger in zijn woede ontvallen is te zeggen dat hij de plantage zou vernielen. Dat hij het zover had gekregen dat zijn broers Palm en Sassibo met hem zouden meegaan en dat zij vrij zouden worden, net als hij. Verder dat hij aan niemand verantwoording over zijn gedrag had af te leggen dan alleen aan de Heer Gouverneur en de Heer Wossink. d’Anglade meent niet te weten hoe de Heren Camijn de redenatie van Quasje zullen opvatten. Hij voor zich heeft half en half de indruk gekregen, door verscheidene zaken, die hem nu ontschoten zijn, dat deze neger opgestookt moet zijn. En wel door iemand die er belang bij heeft de Heren Camijn te benadelen en de plantage te laten mislukken. Hij kan zich niet voorstellen dat Zijne Excellentie, de Heer Mauricius, hierin de hand zou kunnen hebben gehad, zoals deze neger te verstaan wil geven. Of het zou moeten zijn dat men de gouverneur tegen de Heren Camijn had ingenomen, hetzij dat deze door ‘misslag of onbedachtzaamheid’ de gouverneur zouden hebben mishaagt. Hij wil de Heren nu zelf laten oordelen over enige uitspraken die hij zich van Quasje herinnert; ‘Ik zal maken dat myn Heer Gouverneur my vry houw…Ik weet wat ik weet…mijn Heer de Gouverneur kend my wel, en myn Heer Wossink ook…die Heeren weeten beter wat ik ben als alle de blanken van Paramaribo…’

d’ Anglade schiet nog te binnen dat Quasje, Uit alles zeggende, bewegingen maakte als een prediker, en met zijn handen op de leuning van de galerij sloeg…‘Wagt gy nog maar een kleine poos tyd…’t zal wel haast uit wezen met u allen’. Werkelijk, d’Anglade kan niets vinden dat hem zou kunnen laten denken dat de praatjes van deze ‘schurk’ gegrond zouden zijn, zijn kwaadwilligheid doet hem al deze ‘snoodheden’ uitvinden. Niettemin maakt hij andere slaven die hem geloven allerlei zaken wijs, en bij ongeluk ook veel blanken, tot schande van de ‘gezonde reden en hunne doop’ en deze vertrouwen hem, ‘mispryzelyk, als dol en blind’.

Dan vraagt d’Anglade aan zijn opdrachtgevers hoe hij zich zal moeten gedragen wanneer hem wordt opgedragen zijn plantageslaven Palm en Sassibo op bos-expedities mee te laten gaan. Enigszins sarcastisch merkt hij op dat dan veel zaken op zijn beloop zullen worden gelaten; het riet zal verrotten. En tot slot nog een klacht over de gewone wijze van doen van Quasje: ‘Hy gaat, hy komt, hy vervoert, hy brengt meê en brengt weder wat Negers, en zoo veel als hy wil, zonder zig te verwaardigen daar van kennisse te geeven. Waarlyk, daar is geen blanke die eene vryheid geniet gelyk als deeze, het zyn hier geen palen der Slaverny, verre daar van, het is een buitenmatige ongebondentheid etc.’ Zou het niet beter zijn, zo concludeert d’Anglade, dat alle negerkoppen die op Quasje lijken zouden dienen om de toppen van de galgen te voorzien? En dat is dan ook de enige plaats meent hij, behoudens beter weten, waar men ze zou kunnen dulden.

Zijn arrogante en brutale gedrag ten opzichte van de plantagedirecteur zou voor Quassie nog een vervelend staartje krijgen. In januari 1744 werd hij vier maanden gevangen gezet in Fort Zeelandia omdat hij ervan werd beschuldigd zich bezig te houden met illegale handel in goederen, wapens en mensen. Ook beschuldigde men hem ervan dat hij ‘het respect aan blanck verschuldigt verre te buiten was gegaan’. Daar zal de heer d’Anglade wel een rol hebben gespeeld.

Quassie van Timotibo 2

Dit item was geplaatst door Muis.