ELSJE CHRISTIAENS EN JAN NIEUWKERK – 1
Elsje Christiaans (Jutland, ca. 1646 – Amsterdam, circa 3 mei 1664), afkomstig uit het Deens eilandje Sprouwen dat midden in de Grote Belt lag, de zeestraat die de twee grote Deens eilanden Funen en Seeland van elkaar scheidt. Het heet heden Sprogø en maakt vanaf 1998 deel uit van het Grote Beltbrug, die Funen met weg- en spoorverkeer verbindt met Seeland. Tijdens de bouw groeide het eiland door landwinning van 38 naar 154 hectare, maar vanaf dat moment is het eiland onbewoond. De bewoning moet in 1664 al beperkt zijn geweest en het bestaan karig. Reden voor Elsje haar heil elders te gaan zoeken, naar de rijke handelsstad Amsterdam.
Rond 14 april 1664 kwam Elsje Christiaens aan in Amsterdam en hoopte er snel een betrekking te vinden als dienstbode. Ze huurde een kamer bij een ‘slaapvrouw’. Aan het einde van de maand wilde de hospita de afgesproken daalder slaapgeld hebben, maar omdat Elsje nog steeds geen betrekking had kunnen vinden kon ze de huur niet betalen. De hospita dreigde toen haar bezittingen, een kistje met wat spulletjes, in beslag te nemen. Er volgde een flinke woordenwisseling en daarna een gevecht, waarbij de hospita Elsje sloeg met een bezemstok. Het eindigde ermee dat Elsje de vrouw met een bijl sloeg. De vrouw viel van de keldertrap en bleef daar voor dood liggen. De buren waren intussen op het lawaai uitgekomen en stonden bij de voordeur toen Elsje met bebloede handen de deur opendeed. Zij vroegen haar waarom haar handen onder het bloed zaten, ‘waerop sij seyde dat haar neus hadden gebloet’. Elsje rende daarna de straat op en nam op haar vlucht een mantel van een andere gast mee. De buren hadden al snel in de kelder het levenloze lichaam van de ‘slaapvrouw’ aangetroffen en gingen haar achterna. In een wanhoopspoging te ontsnappen sprong ze in het Damrak, waarna ze opgepakt kon worden.
Ze werd twee keer verhoord en bekende schuldig te zijn aan de dood van de hospita. Op 1 mei 1664 volgde het vonnis: ‘Op’t schavot aan een paal geworgt te werden datter de doodt nae volgt, ende met deselve bijl daar sij de vrouw mede ter dood heeft gebracht eenige slagen door den scherprechter aan haar hooft geslagen, haar lichaam gebracht aen de Voolewijck ende gestelt aan een pael met een bijl boven haar hooft om van de locht ende het gevogelt verteert te werden, met confiscatie van goederen’. Vermoedelijk is twee dagen later, op zaterdag 3 mei 1664, het vonnis uitgevoerd. Op een houten schavot op de Dam, onder het permanent luiden van de stadhuisklokken, werd de achttienjarige ter dood gebracht.
Amsterdam had in die tijd vier galgenvelden (de Volewijk, bij de Omval, in Westpoort en op het huidige Leidseplein), om aan iedereen via een paar opgehangen lijken bij inkomst van de stad duidelijk te maken dat hier tegen misdadigers hard werd opgetreden. De Volewijk was vanaf omstreeks 1360 als galgenveldje in gebruik. Een goede plek, zo in het zicht van de haven. De lichamen van misdadigers die terecht waren gesteld op de Dam of op de Nieuwmarkt (er waren gemiddeld zo’n vier doodvonnissen per jaar), werden hier als afschrikwekkend voorbeeld opgehangen. In de loop der jaren zijn op de Volewijk ongeveer duizend man terechtgekomen en werden hier ook begraven. De galgenput van Volewijk werd in 1795 dichtgegooid maar nooit formeel geruimd. Diep in de grond kunnen dus nog steeds de resten van geëxecuteerden liggen. Overigens, voor de bewoners van de stad had de Volewijk niet alleen maar een afschrikkende werking, maar ook een grote amusementswaarde, zei het een behoorlijk gruwelijk soort vertier. Het was een favoriete plek voor een dagje uit voor het hele gezin. Er stonden zelfs eet- en drinktentjes zodat het de inwendige mens aan niks ontbrak. De laatmiddeleeuwse Amsterdammer was gewend aan een stinkende stad met walmende grachten, dus even een broodje eten tussen de rottende lijken was geen probleem.
Het trieste lot van Elsje Christiaans zou al lang compleet zijn vergeten als Rembrandt van Rijn op die Volewijk niet twee mooie tekeningen had gemaakt van het kleine Deens meisje dat iets eerder aan de paal was vastgebonden, de bijl bungelend naast haar. Rembrandtkenners hadden de tekeningen op grond van de tekentechniek altijd gedateerd op omstreeks 1655. En nog zou het verhaal verder zijn vergeten als de Amsterdamse archivaris Isa van Eeghen niet in de archieven was gedoken om te achterhalen wie toch dat onbekende meisje was op de twee snelle tekeningen van Rembrandt was afgebeeld. Dat was iets wat alle experts maar achterwege hadden gelaten. Ze nam 25 jaar
confessieboeken door en ontdekte dat er maar een persoon was die in aanmerking kwam en ze kon de tekeningen toen exact dateren op de eerste dagen van mei 1664. Ze stelde triomfantelijk vast dat al die kenners er zo’n acht tot tien jaar naast zaten. Ze sprak daarom de hoop uit dat ‘Elsje Christiaens, die eens diende als exempel om anderen van misdaden terug te houden, nu nogmaals als exempel zal dienen en wel voor de kunsthistorici om voorzichtig te zijn met de datering op grond van stijlkritische gronden!’
Rembrandt heeft nog Elsje nog getekend op de dag dat ze op de Volewijk werd opgehangen. Ze hing aan een paal met naast haar de bijl waarmee ze de slaapvrouw had vermoord. Rembrandt maakte twee tekeningen, een vooraanzicht en een zijaanzicht. Tegenwoordig hangen beide tekeningen in het Metropolitan Museum of Art in New York. Ook Rembrandts leerling Anthonie van Borssom bracht een bezoek aan het galgenveld en legde dat op een tekening vast. Geheel rechts is de paal met Elsje te zien en ook de bijl is duidelijk te herkennen. Hij maakte een overzicht van het galgenveld waarop onder meer twee mensen aan de galg bungelen, een persoon boven op een rad is geplaatst met een pistool boven zijn hoofd en ook een jong meisje in een rode rok en een blauw jak die aan een paal hangt. Dit meisje is Elsje en is goed herkenbaar door de bijl die naast haar hangt. Sommigen veronderstellen dat Van Bossom tegelijkertijd met zijn leermeester het galgenveld had bezocht, maar anderen menen dat hij er pas weken later was. Het lichaam van Elsje hing niet langer op dezelfde plek hing. Na een paar weken aan de paal te hebben gehangen was Elsjes lichaam naar beneden verschoven.
In 2016 vernoemde de gemeente Amsterdam een brug in Amsterdam-Noord naar de veroordeelde moordenares, Elsje Christiaensbrug. Best een opmerkelijk besluit. Geert Mak verwerkte het tragische verhaal in zijn bestseller Een kleine geschiedenis van Amsterdam en Margriet de Moor liet zich door deze geschiedenis inspireren zich voor haar roman De schilder en het meisje (2010).

