DE REIS VAN ALBRECHT DÜRER NAAR DE NEDERLANDEN – 3

deel 3: november 1520 – ’t Tolhuys in Lobith?

In het Musée Condé in Chantilly bevindt zich een zilverstift-tekening (127 bij 189 mm) van de Duitse schilder Albrecht Dürer (Neurenberg, 21 mei 1471-Neurenberg, 6 april 1528). Die zilverstift is de voorloper van het potlood die vanaf de vijftiende eeuw werd gebruikt voor het maken van schetsen. De zilverstift had een punt van bijna 100% zilver, wat heel zacht is en een lijn afgeeft op een met krijt of marmerstof geprepareerde ondergrond. Heel kleine metaaldeeltjes worden door de grondlaag afgeschuurd. Doordat het zilver een beetje gaat oxideren, wordt de dunne, zilvergrijze lijn, die niet kan worden uitgegumd, na verloop van tijd iets donkerder. Deze zilverstifttekening uit het schetsboek van Dürer toont ene Kaspar Sturm, een man met blijkbaar wat ruige maar toch geen on sympathieke trekken. Zijn hoofd is bedekt met een leren kap en een deel van zijn bovenkleding is zichtbaar. Bovenaan de tekening staat de tekst ‘1520 Caspar Sturm alt 45 Jor zw ach gemacht’. In het dagboek van zijn reis naar de Lage Landen noemde Dürer de tekening en zette erbij: ‘Ich hob den Sturm conterfet’, ofwel ‘Ik heb een tekening van Sturm gemaakt’. Kaspar Sturm moet dus voor Albrecht Dürer al een bekende, indrukwekkende en eerbiedige persoonlijkheid zijn geweest. Het portret diende overigens ook om het geboortejaar van Sturm vast te stellen, wat uit andere bronnen nooit duidelijk naar voren was gekomen.

Kaspar Sturm (Oppenheim, 1475 – Neurenberg, 4 juni 1552) was vanaf juli 1515 ‘de levenslange dienaar’ van de aartsbisschop en keurvorst Albrecht von Brandenburg (1490-1545). Die was al als 23-jarige aartsbisschop geworden, wat volgens de regels helemaal niet kon, maar een flink pak smeergeld doet wonderen. De grote leningen die hij hiervoor had afgesloten met kooplui uit Augsburg en Neurenberg, kon hij terugverdienen doordat de paus hem de bevoegdheid had gegeven aflaten te verkopen. Wel met de voorwaarde dat de helft van deze lucratieve handel zou terugvloeien in de staatskas in Rome. Toen Maarten Luther in 1517 met zijn beroemde 95 stellingen deze aflatenhandel aan de kaak stelden, probeerde aartsbisschop Albrecht eerst nog een bemiddelende rol te spelen tussen de rebelse Luther en de Romeinse Curie. Kasper Sturm was daarbij de aangewezen figuur om namens de aartsbisschop de gesprekken te voeren.
Hij werkte ook voor de stad Neurenberg als bezorger van nieuws over politieke gebeurtenissen en gebeurtenissen in binnen- en buitenland. De stad had namelijk zeer omvangrijke handelsbelangen: grondstoffenbronnen in Zuid-Amerika, specerijenhandel met het Verre Oosten, winstgevende handel in goud, parels, kleurstoffen zoals indigo, kostbare houtsoorten, medicijnen, belangen in de slavenhandel voor de TielSpaanse koloniën in Zuid-Amerika, nam deel aan de import en distributie van geneesmiddelen tegen syfilis. Kortom, men had nogal wat behoefte aan informatie over politieke bedoelingen en aanstaande imperiale beslissingen om alle handelsbelangen veilig te stellen. Kasper Sturm was blijkbaar dé man om alle nieuws te selecteren en te interpreteren.

In oktober 1520 vergezelde Kaspar Sturm de aartsbisschop naar Aken, waar de kroning van Karel V tot Romeins-Duitse koning zou plaatsvinden. Daar werd Sturm op 27 oktober 1520 op voordracht van Albrecht benoemd tot keizerlijke heraut Tolhuysals onderdeel van de kroningsvieringen. Dat was een soort diplomatieke functie, die gepaard ging met onschendbaarheid en belastingvrijstellingen. Ook Albrecht Dürer was aanwezig bij de kroningsvieringen in Aken. In de herfst van 1520 was hij in Antwerpen geweest om de levenslange lijfrente die hem door de inmiddels overleden keizer Maximiliaan I (1459-1519) was verleend als erkenning voor zijn artistieke prestaties te laten bevestigen door de nieuwgekozen keizer Karel V.  Niet onbelangrijk dus voor Dürer om in Aken bij de officiële kroning acte de présence te geven. Beide mannen zullen elkaar daar hebben ontmoet en in die dagen noteerde Dürer in zijn dagboek: ‘Ich hob den Sturm conterfet’. Het is echter de vraag of beiden elkaar daarna nog ontmoet hebben.

Papier was in die tijd erg duur, dus maakte kunstenaars optimaal gebruik van het beschikbare materiaal. In Aken tekende Dürer bijvoorbeeld op de ene zijde van het papier het stadhuis van Aken en op de andere kant het portret van Kasper Sturm. In juli 1520 was Albrecht Dürer vanuit zijn woonplaats Neurenberg vertrokken naar Antwerpen, een reis die een jaar duurde en kort werd onderbroken om de kroningplechtigheid in Aken bij te wonen. Na een paar dagen bezoek in Keulen bij vrienden, werd op 14 november 1520 de reis naar Antwerpen hervat. De eerste keer was hij via Sittard en de heidevelden in de Zuidelijke Nederlanden naar Antwerpen gegaan. Nu maakte hij een flinke omweg om ook iets van de Noordelijke Nederlanden te zien. De tocht ging nu over Düsseldorf, Wesel, Emmerich, Nijmegen, Tiel, ’s Hertogenbosch, Zaltbommel, Oosterwijk, Tilburg en Baarle. Op 22 november 1520 was hij weer in Antwerpen. Onderweg maakte hij één rivierlandschap dat hij tekende op de vrije ruimte op het papier waarop hij het portret van Kasper Sturm had getekend. In het landschap staat links een kasteel met twee ronde torens en een flink corps de logis, een centraal; hoofd- en woongebouw. Iets verderop bevindt zich een kleiner, ook wat kasteelachtig gebouw waarvan het dak lijkt te ontbreken. Op de voorgrond aan het water staat een huis met struiken. Met enkele lijnen aan de rechterkant wordt verder een heuvelrij aangeduid.
Over de plaats waar dit landschap nu moet worden gesitueerd is enige discussie. Hier en daar wordt gesuggereerd dat de gehele tekening in Aken zou zijn gemaakt. ‘This is a leaf from the sketchbook of the trip to the Lowlands. The legend reads: “1520 Caspar Sturm alt 45 Jor zw ach gemacht” (1520, Caspar Sturm, 45 years old, done at Aix-la-Chapelle [Aachen]). The lighting is peculiar, the landscape is related to the portrait. It is conjectured that the word “toll” indicates a tollhouse. The drawing is mentioned in the journal of the trip to the Lowlands: “Ich hob den Sturm conterfet” (I did a portrait of Sturm).’
Elders wordt vermeld dat de tekening van het rivierenlandschap in de omgeving van Tiel moet zijn gemaakt. Wat een wat vreemde aanname is indien men bedenkt dat in Tiel en omgeving geen landschap met heuvels te ontdekken valt. Ooit in Tiel een burcht gestaan die al in 1202 grondig was vernield. Nu kan slechts bij extreem laag water nog iets worden gezien van de fundamenten van de burcht.  Bij die oude burcht werd halverwege de veertiende eeuw een nieuwe burcht gebouwd, die ook diende als tolhuis voor de scheepvaart op de Waal. Deze burcht had algemeen ook de naam het Tolhuis.
Streek-historicus Wim van Heugten roept sinds enkele jaren dat dat alle kunsthistorici zich met hun toewijzing aan Tiel helemaal vergissen, waarbij zijn sterkste argument is dat, bijna onleesbaar, op Dürer’s tekening boven het kasteel het woord ‘toll’ is gebrabbeld en dat dit alleen maar bij het ons zo bekende Tolhuys in Lobith kan worden geplaatst. Het zou dan ook direct de oudst bekende tekening van het Tolhuys zijn. Van Heugten wijst zelf al op het ontbreken van de Dikke Toren, die in 1520 toch onmogelijk over het hoofd kon worden gezien.

Conclusie
Albrecht Dürer in eind november 1520 als passagier op een schip inderdaad langs Lobith gevaren. Of hij veel gezien zal hebben is de vraag, want in zijn dagboek meldde hij dat het na Emmerich slecht weer was, dus van tekenen zal niet al te veel zijn gekomen. Niet onwaarschijnlijk dat toen hij het tweede Nederlandse tolhuis passeerde, hij wel snel wat op papier zette. Het heuveltje rechts is waarschijnlijk niet meer dan wat artistieke vrijheid.

Albrecht Dürer - Casper Sturm

Dit item was geplaatst door Muis.