HUIS AERDT
Rond 1300 werd op de locatie waar nu Huis Aerdt staat het middeleeuwse slot Ter Cluse gebouwd. Het was eigendom van Sophia van Bylant, vrouwe van kasteel Doornenburg en kasteel Doorwerth. Zij gaf het kasteel in leen aan de broers Ricolt en Gadert van Herwen, Door een huwelijk in 1348 kwamen de bezittingen van de familie Van Bylant terecht bij de leden van Huis Bergh en werd Willem van Rees leenman van het kasteel. Ter Cluse bleef tot 1474 in het bezit van de familie Van Rees, toen Johan van der Horst, een neef van de laatste Van Rees, het kasteel verwierf. Het was op dat moment geen Berghs leen meer, aangezien de Kleefse hertog een jaar eerder alle Bylantse goederen had veroverd. Het kasteel was daarna bijna anderhalve eeuw van de familie Van der Horst. Kort voor 1600 werd het kasteel verwoest door Spaanse troepen tijdens de Tachtigjarige Oorlog, maar daarna door de familie Van der Horst enigszins gerestaureerd. In 1646 verkocht Erasmus van der Horst het kasteel aan Walraven van Steenhuys, de landdrost van het graafschap Bergh. Die besloot het bestaande en waarschijnlijk in verval geraakte kasteel Ter Cluse te slopen en op de locatie een geheel nieuw kasteel te bouwen, Huis Aerdt. In 1657 was dat kasteel gereed. De katholieke Walraven van Steenhuys liet op de bovenverdieping een schuilkerk inrichten, de zogenoemde ‘Altaarkamer’. Het nieuwe kasteel was kleiner dan zijn voorganger, was rechthoekig en had een hoog schilddak. Een galerij verbond het huis met de toren en werd ook een koetshuis gebouwd.
De laatste eigenaar uit de familie Van Steenhuys overleed in 1722 kinderloos en liet het kasteel Aerdt na aan zijn neef Alexander Walraedt Diederich van Hugenpoth (1695-1780). Het slot was op dat moment uitgegroeid tot het centrum van de streek. De heer van Aerdt bezat veel grond in de omgeving, met verschillende pachtboerderijen en ook had hij recht van wind: hij bezat de molenrechten. Zijn macht reikte zelfs tot in Den Haag, waar hij een zetel in de Eerste Kamer had. Heer Godefridus Franciscus baron van Hugenpoth tot Aerdt speelde een belangrijke rol in het beheersbaar maken van de Rijn. Hij ontwikkelde tegen het einde van de 18e eeuw een strategisch plan voor het bedijken van het gebied. De laatste Van Hugenpoth was Maria Francisca Xaveria, de weduwe van de baron Van Dorth tot Medler.
Na haar kwam het kasteel terecht bij de familie De Kuijper. Hierna verloor Huis Aerdt vanaf het einde van de 19e eeuw haar functie in de streek. Tijdens de Tweede Wereldoorlog namen Duitse troepen hun intrek in het kasteel. Het kasteel liep tijdens de oorlogshandelingen grote schade op. In 1961 droeg de laatste jonkheer De Kuijper het vervallen huis voor de symbolische één gulden over aan de Stichting Vrienden der Geldersche Kasteelen, die van 1962 tot 1969 een grootscheepse restauratie uitvoerde om het kasteel in haar oude glorie te herstellen. Van het oude Ter Cluse zijn in en rond Huis Aerdt nog enkele muurresten overgebleven. Ook de grachten schijnen nog uit deze tijd bewaard zijn gebleven. Huis Aerdt heeft de afgelopen decennia verschillende functies gehad, van een kantoor tot een huwelijkslocatie. In het heden wordt het geëxploiteerd als vergader-, trouw- en rouwlocatie door Arthur de Nerée tot Babberich.

