ELLIE HAMME -21
Ellie Hamme werd op 14 juni 1936 in Rotterdam geboren en onder de doopnaam Aaltje Hamme ingeschreven in het gebooorteregister. Ze was de twee dochter van Marcus Hamme (Den Haag, 24 december 1901 – Sobibor, 16 juli 1943) en Keetje Tromp (Groningen, 2 december 1905 – Haifa, 28 maart 1980). Zij waren op 26 augustus 1932 in Den Haag in het huwelijk getreden. Het echtpaar vestigden zich toen in Rotterdam. Daar kregen een jaar later hun eerste dochter, Hanneke (Rotterdam, 12 november 1933 – Karne Shomron, 7 maart 2020). Weer drie jaar later werd Ellie Hammer er geboren.
Marcus Hamme was sinds 1938 docent economische wetenschap aan de HBS in Oud-Beijerland en werkte als boekhouder bij de bank van zijn zwager Hartog Koopman (Oud-Beijerland, 24 november 1889 – Sobibor, 9 juli 1943). De eerste jaren ging Marcus dagelijks met de stoomtrein vanuit Rotterdam naar Oud-Beijerland. Toen het voor Joden verboden werd om nog gebruik te maken van het openbaar vervoer, fietste hij de afstand. Toen iets later zijn fiets in beslag werd genomen, verhuisde het gezin op 23 juni 1941 naar de Steenenstraat 14 in Oud-Beijerland, in een woning die Bastiaan Willem Hollaar enkele weken eerder op een veilig had gekocht.
Op 31 augustus 1941 wordt Marcus Hamme als enige Joodse docent op last van de bezetter ontslagen als docent aan de HBS. Waarschijnlijk heeft na het ontslag zijn zwager, de bankier Hartog Koopman, hem een betrekking bezorgd bij de bank.
Op 5 juni 1942 kondigde de bezetter een compleet reisverbod voor Joden af, waarvan slechts via een stringent systeem van reisvergunningen, dat een jaar eerder alk was ingevoerd, kon worden afgeweken. In juli 1942 probeert Marcus Hamme bij de opperrabbijn voor zijn echtgenote Keetje Hamme-Tromp een reisvergunning te krijgen. Dat is waarschijnlijk niet gelukt, want op 20 juli 1942 richt Keetje zich zelf rechtstreeks met eenzelfde verzoek tot de opperrabbijn. Blijkbaar heeft ze in haar brief iets geschreven waaraan de opperrabbijn zich had gestoord, want op 5 augustus 1942 komt de reactie van hem binnen, waarin hij verwijst naar Deuteronomium 16 vers 19 (een direct gebod om rechtvaardigheid en integriteit te handhaven, met name voor mensen in gezagsposities . Het vers waarschuwt tegen het verdraaien van de rechtvaardigheid, het tonen van favoritisme of het aannemen van steekpenningen. Deze daden worden veroordeeld omdat ze de eerlijkheid in gevaar brengen, onschuldigen schaden en de waarheid verdraaien) en laat weten zo’n reisvergunning niet te kunnen regelen.
Ook het gezin van Marcus Hamme diende zich in Amsterdam te melden in de Hollandsche Schouwburg.
Op 29 oktober 1942 vertrok het gezin naar Amsterdam. Aangekomen bij de Hollandsche Schouwburg, zag Marcus Hamme kans na 1½ dag op enigerlei wijze zijn gezin vrij te krijgen. Het gezin kwam te wonen bij de weduwnaar Aron Kukenheim (Amsterdam, 28 november 1888 – Sobibor, 9 juli 1943) aan de Zuider Amstellaan 75 (na 1946 Rooseveltlaan). Zowel Marcus Hamme als Keetje Tromp wisten een baantje te bemachtigen bij de Joodse Raad in Amsterdam aan de Nieuwe Keizersgracht 58. De gemeente Oud-Beijerland vergoedde de taxikosten van vijftien gulden en declareerde dit bedrag op 15 november 1943 bij de bezetter. Dit gebeurde op basis van circulaire no. 14234, d.d. 22 oktober 1942, die bepaalde dat het voor gemeenten mogelijk was de kosten te declareren bij de bezetter: “voor transport, kosten van bewaring, opslag en bewaking van door Joden achtergelaten inventarissen. En de kosten van ontruiming van door Joden bij hun afvoering achtergelaten woningen over de periode 15 mei 1940- 1 oktober 1943”
Op zondag 20 juni 1943 was er een grote razzia. In december 2011 vertelde Elly Hamme wat er die dag is gebeurd: ‘Mijn moeder heeft ’s ochtends vroeg mijn zusje Hanneke en mij aangekleed, de gele sterren van onze jasjes gehaald en uit wandelen gestuurd. Toen de meisjes later weer thuiskwamen, was vader al opgepakt.’ Bij deze grote razzia werden Marcus Hamme en Aron Kukenheim opgepakt en afgevoerd naar Westerbork. Keetje heeft voorgedaan dat zij ziek was en zou de andere dag met haar dochters door de bezetter worden opgehaald. Zij heeft dit niet afgewacht en duikt samen met haar twee dochters met hulp van de “Trouw Groep” onder en zij overleven alle drie de oorlog. Marcus Hamme komt op 21 juni 1943 in Westerbork aan. Daar aangekomen ontdekt hij dat ook de Oud-Beijerlanders Ernst Ullmann (Haigerloch, 22 augustus 1891 – Sobibor, 11 juni 1943), zijn vrouw Edith Fleischmann (Ebelsbach, 31 oktober 1912 – Birkenau, 9 oktober 1944), hun dochter Ellen Wilhelmina (Oud-Beijerland, 15 september 1939 – Auschwitz, 8 oktober 1944) en pas geboren zoontje Rolf Dirk (Westerbork, 31 maart 1943 – Auschwitz, 8 oktober 1944) al in het kamp zijn. Op 13 juli 1943 is Marcus Hamme vanuit kamp Westerbork op transport gesteld naar Sobibor. Vanuit de rijdende trein gooit hij een brief met een laatste groet aan zijn echtgenote Keetje Hamme -Tromp, die zij ontving op haar onderduikadres in Amsterdam.
Keetje Tromp was met haar twee dochters ondergedoken; zij hebben de oorlog overleefd. Elly Hamme zag in Limburg ondergedoken bij broer en zus Reinders, Keuter in Meerlo, bij Sjang en Truus Reijnders – Schoeber, Hoofdstraat 32 in Meerlo en bij Len en Marie Bartels – Litjens, Kloosterstraat 16 in Tienray. Broer en zus Bartels herinnerde jaren later hun Joodse ‘halfzusje’ als volgt: ‘Elly ging naar school. Ook bezocht ze de katholieke kerkdiensten en speelde met de kinderen Bartels en de kinderen in de buurt. Volgens Sjaak wist Elly precies wat er aan de hand was. Soms verschool ze zich zelf onder het stro als ze onraad rook. Tijdens de razzia heeft Piet Bartels Elly verstopt in het korenveld. Na de razzia is zij in een gierton verstopt en vervoerd. Het paard trok de wagen waarop de gierton stond naar Meterik waar Elly bij andere mensen werd ondergebracht. Dat was meteen het definitieve afscheid van Elly. Ze overleefde de oorlog als een van de weinige kinderen. Elly en haar moeder hebben na de oorlog nooit contact gezocht of gehad met de familie Bartels, laat staan een dank je wel gekregen. Dat heeft de ouders en de kinderen Bartels veel pijn en verdriet gedaan. Waarom geen contact na de oorlog? Lien en Sjaak gissen: “De moeder van Elly had het hoog in haar bol.” De razzia waarover ze spraken vond plaats op 1 augustus 1944. Elly werd toen in een gierton overgebracht naar de familie Jac en Lena Smulders – Bartels in de Schadijk bij Meterik.
Na de oorlog is Keetje Hamme – Tromp met haar twee dochters kort terug in Oud-Beijerland, waar het huis Steenenstraat 14 na hun vertrek naar Amsterdam verder was verhuurd. Op 22 november 1945 ging zij met haar kinderen wonen in de Karel Doormanstraat 20. In het eindverslag van de bewindvoerder van de familie Koopman (20 juni 1950) werd gesteld dat enkele Oud-Beijerlanders goederen van de familie Koopman in bewaring hadden, zoals schilderijen, serviesgoed en een spiegel. Deze goederen werden overgedragen aan Keetje Hamme -Tromp, één van hen vertelde een bontmanteltje en twee zomermantels in bewaring te hebben gehad, het bontmanteltje is door de bezetter in beslag genomen en de twee zomermantels zijn aan Keetje Hamme-Tromp gegeven omdat de dochters niets meer hadden. Keetje Hamme -Tromp vertrok op 2 augustus 1948 uit Oud-Beijerland met haar dochters naar Israël, waar zij in 1980 in Haifa overleed. Hanneke trouwde met Ben Noach (*Deventer 1936). Samen kregen ze drie kinderen, tien kleinkinderen en inmiddels twee achterkleinkinderen. Hanneke overleed in 2020 in Karne Shomron, een illegale Joodse kolonie op de Westbank. Elly trouwde met Shlomo Strul. Zij hebben drie kinderen, vijftien kleinkinderen en zeven achterkleinkinderen.

