LILLY KETTNER – 22
Lilly Kettner werd op 2 april 1923 geboren in Floridsdorf, dat in 1904 tegelijkertijd met enkele omliggende dorpen door Wenen werd ingelijfd en sindsdien het 21 district van Wenen is. Samen met Donaustadt, het 22e district, vormen ze het deel van de stad Wenen op de linkeroever van de Donau. Lilly was het enig kind van haar ouders Ludwig Kettner (Wenen, 13 juli 1888) en Franzi Winkler (Wenen, 20 april 1889). Haar vader en zijn broer diende tijdens de Eerste Wereldoorlog als soldaat in het Oostenrijkse leger en werden aan het Russische front krijgsgevangene gemaakt. Haar vader overleefde die gevangenschap, zijn broer echter niet. Toen haar vader echter terugkwam in Wenen, ontdekte hij dat gedurende de oorlog zijn ouders waren overleden. Lilly werd in haar jeugdjaren vooral opgevoed door de grootmoeder van haar moeder, waarbij ze ook inwoonde.
Na de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland in maart 1938 werd de situatie voor de Joodse bevolking nog ernstiger dan die in de voorgaande jaren al was geworden. In december 1938 werd Lilly daarom naar Nederland gestuurd als onderdeel van de kindertransporten van de Joodse gemeenschap in Wenen. Haar ouders immigreerden illegaal met het schip Odyssee naar Palestina. In Nederland verbleef ze in verschillende kindertehuizen. Op 11 december 1938 zat ze eerst in quarantaine in de Copernicusstraat 159 in Den Haag, op 10 januari 1939 verhuisde ze naar Huize Overvoorde aan de Van Vredenburchweg 174 te Rijswijk en vanaf 13 september 1939 was ze woonachtig in Huis ten Vijver aan de Dwarsweg 3 in Scheveningen. Best wel aardige optrekjes om te verblijven.
Op 2 februari 1940 komt ze terecht bij het Jeugd Alijah Centrum Loosdrecht, een groep grotendeels Duitssprekende Joodse jongeren die van 1939 tot 1942 in het Paviljoen Loosdrechtse Rade in Loosdrecht woonde. Het was aanvankelijk een opleidingscentrum voor Joodse jongeren die naar Palestina wilden emigreren. Onder haar leraren daar waren Leo Schwarzschild (Keulen, 28 juli 1882 – Vught, 5 oktober 1943), Joachim Schuschu Simon (Berlijn, 12 november 1912 – Breda, 27 januari 1943) en Menachem Pinkhoff (Amsterdam, 13 maart 1920 – Haifa, 15 juli 1969). In een na de oorlog opgemaakt verslag noemt Lilly ook de madrichim Lodi Cohn, Hannah Asher en haar echtgenoot Naftali, Betty Britz later Stern, Erika Blüth, de secretaris van de Jeugd Aliyah in Nederland en Uri Kochba, de afgezant van Kibboets Na’an in Rehovot. Lilly stond eigenlijk op de lijst om in juni 1940 naar Palestina te emigreren, waar haar ouders al verbleven, maar de Duitse inval in mei 1940 maakte dat onmogelijk. Omdat ze inmiddels ouder dan zeventien jaar oud was, kon ze ook niet langer lid blijven van de Jeugd Alijah. Vanaf augustus 1942 doken de bewoners collectief onder met hulp van de Westerweelgroep; ongeveer zeventig procent van de bewoners overleefde op die manier de Tweede Wereldoorlog.
Ze vertrok toen naar Amsterdam om een opleiding tot kleuterleidster te gaan volgen. Ze ging wonen aan de Herculesstraat 15 in de hoofdstad. Ze werd aangenomen voor een opleiding bij de crèche op de Plantage Middenlaan 31, tegenover de Hollandsche Schouwburg, waar directrice Henriëtte Pimentel en de Amsterdamse econoom Felix Halverstad, een methode op zouden zetten iom zoveel mogelijk Joodse kinderen in veiligheid te brengen. Een Joods gezin nodigde haar uit om bij hen te komen wonen in ruil voor huishoudelijke hulp en
de zorg voor een pasgeborene. Later verhuisde ze naar het kindertehuis. Daar kwam Lilly in contact met leden van de ondergrondse en hielp ze kinderen naar onderduikadressen te smokkelen.
Lilly kreeg een oproep voor deportatie naar Westerbork, maar kan in eerste instantie via Erika Blüth, die werkte voor de Joodse Raad van Amsterdam, op 8 juli 1942 een vrijstelling van deportatie krijgen vanwege haar rol in het kinderdagverblijf. Via haar ouders in Palestina had de twintigjarige Lily Kettner al een certificaat, de zogenaamde Arbeitsheimverklaring, en werd ze op een lijst gezet die bestemd was voor uitwisseling met Duitse burgers. Op zondag 20 juni 1943 was er al een grote razzia geweest in Amsterdam, waarbij 5.542 Joden werden opgepakt en naar Westerbork werden overgebracht. Een voorbode wat er allemaal te wachten stond. Op 14 juli 1943 was er een Duitse inval in het kinderdagverblijf, waarna alle bewoners van het kindertehuis naar kamp Westerbork werden gedeporteerd. Ook Lilly Kettner werd naar kamp Westerbork gestuurd, waar Rolf Rosenthal (Berlijn, 3 januari 1915 – Auschwitz, 9 april 1945), een van de Loosdrechtse chalutzim, zorgt ervoor dat ze in Barak 69 wordt geplaatst. Ze reisde toen dagelijks met een groep per trein via Assen naar Meppel om in een jamfabriek te werken, later in een wasserij. In september 1943 slaagde Lilly erin contact te leggen met Mirjam Waterman (Loosdrecht, 5 december 1916 – Haifa, 16 februari 2011), de latere echtgenote van Menachem Pinkhoff, die ervoor zorgde dat ze onder de naam Aafje van Hoving kon ontsnappen naar Hilversum.
Van daaruit kwam Lilly terecht in Sevenum in Limburg, waar ze de bijnaam Joopie kreeg. Ze verbleef eerst een paar dagen bij Pieter Verreith en zijn echtgenote Jo Verreith-van de Ven, een ouder stel dat in het centrum van het dorp een herberg bezat. Ze hadden dertien kinderen, waarvan er twee ( Pieter en Stiena Verreith) veel hand- en spandiensten deden voor verzetsman Piet Arts (‘Piet met de baard’), die zorgde dat Joodse kinderen in Sevenum op betrouwbare plaatsen werden ondergebracht. Stiena (later Christina Theodora Wilhelmina Barten-Verreith) fungeerde als contactpersoon die de Joden bezocht en voor al hun persoonlijke behoeften zorgde. Lilly Kettner verbleef enkele dagen in de herberg, daarna nam Piet Verreith haar tijdelijk mee naar zijn eigen huis totdat ze door Piet Arts werd geplaatst bij de Jan en Nelli van Enckevoort, ook woonachtig in Sevenum. Daar bleef ze ongeveer anderhalf jaar, tot de bevrijding in november 1944. Ze zou in Sevenum ook nog korte tijd hebben verbleven bij Sjeng en Dina Achten en in Tienray bij Sjaak en To Naus, maar daarover is geen nadere informatie te vinden. In deze periode bezochten leden van de ondergrondse, zoals Elli Waterman (de zus van Miriam), Michiel ‘Chiel’ Salomé en Frans Gerritsen, haar en ook Joop Westerweel bracht een speciaal bezoek aan het dorp om elke onderduiker persoonlijk te ontmoeten.
Sevenum was een dorp met maar ongeveer driehonderd families die in totaal ruim driehonderd Joden, piloten en studenten verborgen hielden. De Duitsers vermoedden dit, maar slaagden er nooit in iemand te vinden. Gefrustreerd stonden ze op zondagochtend 8 oktober 1944 bij de ingang van de kerk en dreven zevenhonderd mannen uit Sevenum en omliggende dorpen bijeen voor dwangarbeid in Duitsland. O
p 9 maart 1978 herkende Yad Vashem Pieter Verreith en zijn zus Stiena Barten-Verreith als Rechtvaardige onder de Volkeren. Piet Arts en Jan en Nelli van Enckevoort ontvingen deze onderscheiding op 22 maart 1977 en op 16 juni 1964 hadden Michiel Salomé, Frans Gerritsen en Joop Westerweel deze eer al gehad. De meeste onderscheidingen waren het gevolg van een getuigenis van Lilly Kettner.
Direct na de bevrijding van Sevenum in november 1944 richtte Lilly zich, samen met een aantal vrienden die ook in het dorp ondergedoken zaten, op het opsporen van Joodse kinderen die in omliggende dorpen ondergedoken zaten, om hen zo snel mogelijk met hun familie te herenigen. Samen met een Joodse vriend maakten ze een klein kindertijdschrift, dat ze elke twee tot drie weken onder de kinderen verspreidden. Ze werkten samen met JV Amerongen en E. De Jong in Eindhoven, twee vooraanstaande zionisten die hun werk financierden. In de herfst van 1945 verhuisde Lilly met hulp van de Joodse Brigade naar Frankrijk. Verkleed als soldaat ging ze in een militaire vrachtwagen van de Joodse Brigade illegaal de grens over en werd via Parijs naar Marseille gesmokkeld.
Op Rosj Hasjana 1945 arriveerde zij als een van de zeshonderd illegale immigranten met het immigrantenschip SS Mataroa in Palestina. De opvarenden werden door de Britten overgebracht naar Athlit, iets ten zuiden van Haifa, naar een Britse interneringskamp lopen. Onderweg w
eten Lilly Kettner en enkele anderen in de duisternis te ontsnappen, wat werd georganiseerd door Kibboets Ma’ajan Zvi waar Lilly’s ouders verbleven. De kibboets was in 1938 opgericht en gevestigd op land dat tot dan had toebehoord tot het Palestijnse dorp Kabera. In 1948 zou de bevolking van dat dorp worden gedeporteerd.
Op 10 januari trouwde ze er met Josef Aharon Paul Ticho (1918-2005), met wie ze twee kinderen kreeg waaronder in november 1950 Vardit Ticho. Na haar scheiding in 1980 van Ticho huwde ze met Chaim Ofek (1911-1990), die penningmeester was van de kibboet Netzer Sereni, en verhuisde ook naar deze kibboets. Die kibboets was in 1948 opgericht door overlevenden van het concentratiekamp Buchenwald. De kibboets werd als kibboet Buchenwald gevestigd op het land van het Palestijnse dorp Bir Salim, dat in 1948 op bevel van de autoriteiten werd geëvacueerd. Daarbij werden verzoeken van de lokale mukhtar aan de Haganah genegeerd om te zorgen voor bescherming van de Palestijnse bevolking. Later werd de naam aangepast en vernoemd naar Enzo Sereni, een Joodse Italiaanse intellectueel, zionistische leider en Joodse Brigadeofficier, die op 18 november 1944 in het concentratiekamp Dachau was geëxecuteerd. Lilly Kettner overleed in 2011 in kibboet Netzer Sereni.
