GEDACHTEN UIT DE GEVANGENIS
In De Zwerver, het blad van de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers, nummer 47 van 3 juni 1945 verscheen onderstaand verhaal van ene ‘vV’. Gezien de samenstelling van de redactie moet dit Teus van Vliet (Harmelen, 15 mei 1913 – Den Haag, 3 maart 1986) zijn geweest. Van Vliet was een van de oprichters van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). Van Vliet was toen de oorlog uitbrak bestuurslid van de Christelijke Korfbalbond in Den Haag. Via zijn vele contacten probeerde hij adressen te regelen voor onderduikers. Hij moest in februari 1943 zelf onderduiken in Eemnes. Hij was in de tijd dat hij daar verbleef betrokken bij de oprichting van de LO-afdeling in Het Gooi, hoofd van het Centraal Bureau en namens de LO bestuurslid van Stichting 1940-1944. Hij werd in januari 1945 door de Sicherheitsdienst opgepakt, maar sloeg daarna door zodat diverse kopstukken uit het verzet, waaronder Walraven van Hall, konden worden opgepakt. Deze werden allemaal na hun arrestatie geëxecuteerd. Van Vliet zat tot het einde van de oorlog vast in het Oranjehotel in Scheveningen. Hij werd actief in de kringen van het naoorlogs verzet. Zo was hij redactielid van het LO-blad De Zwerver. Pas toen de weduwe van Walraven van Hall eind 1945 een klacht tegen hem indiende legde Van Vliet zijn functies neer. Hij moest voor de Ereraad van het verzet verschijnen, die hem voor vijf jaar een publicatieverbod oplegde. Alle voormalige verzetsvrienden keerden zich van hem af. Op 10 mei 1949, vier jaar na de bevrijding, verscheen Teus van Vliet voor de rechters van het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam en werd veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van 500 gulden met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast mocht hij geen functie meer in een oud-verzetsbeweging uitoefenen, waaronder ook de Stichting 1940-1945. Onderstaand artikel werd dus gepubliceerd voor zijn verzwegen verraad aan de Duitsers bekend was. Neemt niet weg dat het best een indrukwekkend verhaal was.
Ik hoor de stem van een kind, een licht geluid in een stille straat. Als ik nu ga staan op het puntje van mijn tenen, zou ik dan het kind kunnen zien? Zal ik het nog eens proberen? Nee, ik heb het al zo vaak gepoogd, vooral de eerste dagen. Ik kan alleen maar héél stil zitten en luisteren. Weer hoor ik de hoge stem van het kind. Misschien is het blond en heeft het twee lange vlechten met een vlammend rode strik. Misschien heeft het blauwe ogen. van dat diepe blauw, waar je stil van wordt. Waarom denk ik toch zo aan dat ene kind in die stille straat? Houd ik dan zo veel van kinderen? Stond ik dan vroeger stil bij ieder spelend kind? Vroeger – ja vroeger. Ik heb ook zelf een kind, ’t zal nu misschien al lopen, ’t zal misschien al woordjes stamelen. Heeft het nog zijn blonde kuif met die ene parmantige krul. Wie weet, of het kan al …….. Ik zou daar toch vanavond niet aan denken, dat had ik toch met mezelf afgesproken. Ik wil er niet aan denken, ik wil het niet, zo vlak voor het slapengaan.
Dat is niet goed voor me, dan ga ik weer lopen in mijn cel, twee pas uit en twee pas terug. Dan ga ik weer mijn vuisten ballen ……. Een klok …….. één, twee ……. zeven uur. Zeven uur. Dan haalde mijn vrouw de baby uit de rose wieg. Dan greep hij met zijn vlugge vingertjes de zilveren ketting, die ik haar op haar verjaardag gaf. Zou mijn vrouw nu bij haar ouders zijn, in het stille dorp bij de heuvelrand ? Zou ze ……. Ik zou daar toch vanavond niet aan denken, dat had ik toch met mezelf afgesproken. Ik wil er niet aan denken, ik wil het niet, zo vlak voor het slapengaan.
Zie, daar komt de late zonnestraal, die iedere avond even door mijn celraam glijdt. Ze is lichter vandaag, men zegt, dat het nu voorjaar is. Ik denk, dat in mijn kleine tuin, de crocus met wijdopen hart te bloeien staat en er zal een gonzend insect over de eerste parelwitte perebloesems dwalen. Ik moet er aan denken, dit jaar de rozenstruiken …. Ik zou daar niet aan denken, ik wil er niet aan denken, zo vlak voor het slapengaan.
Kijk, nu heeft de zonnestraal een rode gloed. Rood met goud. Toen ik klein was, ging ik met mijn vader mee en wandelden we langs de wijde plas. Ver achter het ritselende riet zonk de zon in een gloed van goud. Een dunne rook spiraalde uit een turfschuit en in de verte tjoekte een watervogel. Mijn vader, hij zal nu ouder zijn en grijzer en zijn handen zullen beven. Zou hij nog iedere avond ……. Ik zou daar niet aan denken, ik wil er niet aan denken, zo vlak voor het slapengaan.
Ik ga wat op mijn bed zitten, dat mag wel niet, maar ik zal goed luisteren of ik soms stappen hoor. Fijn dat ik verleden jaar die rustbank heb gekocht. Die winteravonden, in het eerste jaar, dat we getrouwd waren, haar lief gezicht onder het licht van de leeslamp, de kleine schemerlamp tegen het schilderij met de wit-roze boomgaard, mijn boeken rug aan rug in de boekenkast en buiten de sneeuw te weten, In dikke dotten tegen het raamkozijn. Ik zou daar niet aan denken, ik wil er niet aan denken, zo vlak voor het slapengaan.
Wèg is nu de zonnestraal, nu komt de schemering langzaam en traag. Hoor, er roept een stem: ,.Heleentje, Heleen-tje”. Nu wordt zeker het blonde kind geroepen. Nu zal het terug roepen: ,,Hè, nu al”. Dat deed ik vroeger ook. En: ,,We waren net zo lekker aan het spelen, de anderen mogen ook nog blijven, ik mag nooit niks” Dan zal de moeder haar hand op het warme meisjeshoofd leggen en zeggen: ,,Is moeder dan zó slecht voor je”? Moeders handen, ik zie ze over de toetsen glijden van het oude orgel en ik hoor haar stem: ,.Mijne moedertaal, is de schoonste taal”. Nu is mijn moeder oud en het orgel zingt niet meer. Ik zou daar niet meer aan denken, ik wil er niet aan denken, zo vlak voor het slapengaan.
Zie je wel, daar hoor ik al de stem van het kind: Ja moe, nog ééé-ventjes”. Gezellig, die kinderen. Ik had toch een leuke klas. Vooral zo in de donkere winterdagen, als vlok na vlok, de sneeuw neerdwarrelde. ,,Blijft het liggen, meester”? Die glanzende ogen en de stille gebaren van verrukking, als ik vertellen ging. Hoe zou het nu met ze gaan? De meesten zijn nu op de H.B.S. Dat donkere Indische kind zal wel ……. Ik zou daar’ niet meer aan denken, ik wil er niet aan denken, zo vlak voor het slapengaan.
Ja maar, mijn God, waar moet ik dán aan dénken. Niet aan mijn lieve vrouw, niet aan mijn lachende jongen, niet aan mijn oude vader, niet aan mijn grijzende moeder, niet aan mijn zonnige tuin, niet aan mijn gezellig huis, niet aan mijn leuke klas, niet aan kinderen, niet aan ouders, niet ……. Mijn God, ik moet toch denken, ik moet toch ergens aan denken. Als ik niet denk, word ik gek. Dan bijt ik in mijn strozak, dan sla ik tegen de muur, dan ga ik gillen en roepen, dat het dof weerkaatst tegen de vochtige muur. Ik wil denken, ik zál denken.
Als ik maar een Bijbel had, dan zou ik erin lezen Maar ik heb geen Bijbel. Ik mag geen Bijbel hebben. Ik ben een Joods-Bolsjewistisch individu, daar past geen Bijbel bij. Als ik er één had, zou ik lezen uit de wonderbare spreuken van de Prediker, of uit de schone gelijkenissen. Ik zou lezen: ,, Werp al Uw bekommernissen op Mij” en ik heb zo veel bekommernissen, Heere. Of ik zou lezen: ,,Weest niet bezorgd over de dag van morgen” en ik ben zo bezorgd, Heere. Ik ben nog zo jong en het leven was zo goed, het was voor mij geen tranendal, het was vreugde, liefde, geluk.
Ik heb veel brieven gelezen, die vrienden schreven, vlak voor hun gang naar de binnenplaats, waar straks de salvo’s zouden klinken, kort en fel. Die brieven spraken van bereidheid. Ik bén niet bereid, ik wil verder leven, verder werken, verder studeren. En als nu toch ……. Als nu vannacht de celdeur opengaat en een grimmig gezicht kijkt me aan en mijn voetstappen klinken hol door de donkere gang en bij het eerste vage morgenklaren sta ik tegen de muur ……. O mijn God, nu nog niet, nu nog niet.
Ik kan het niet, ik houd zo van het leven, ik verlang naar het leven. Ik verlang naar het zilveren geluid van een merel in een hoge greppel, naar de dansende vlucht van een bonte vlinder, naar de lichte geur van een lindenlaan in een lenteavond. Ik zou stil willen staan en kijken in een verlichte kamer, waar kinderen onder het lamplicht gebogen zitten over een gezellig spel! Ik zou willen zitten in een restaurant, met de feestelijke twinkeling van licht op de glazen. Ik zou willen luisteren naar de machtige dreun van het orgel in een cathedraal. Ik zou willen lopen in de trage regen langs de dorrende bomen van een verlaten gracht. Ik zou ……. .
Mijn God, als ik hier uit kom, zal mijn leven goed en mooi zijn. Ik weet het wel, ik weet wel, mijn gedachten zijn niet die van een dapper man, mijn houding is niet die van een held. Vroeger, ja, ik bewonderde hem, die stierf voor het Vaderland, maar ik wil liever leven voor mijn Vaderland. Ik sla mijn handen om mijn hoofd. Mijn hoofd doet pijn van al dat denken, het bonst als een loden klok. Ik heb al zo lang gedacht, ik heb nu al acht maanden gedacht. En misschien moet ik morgen weer voor de rechters staan. Dan moet ik dubbel denken, waakzaam en arglistig. Misschien zullen ze vriendelijk zijn en op mijn schouder kloppen en zeggen: ,.Jongeman, je kunt je leven redden, zeg ons de namen van je vrienden”. Misschien zullen ze langzaam en treiterend mijn armen omdraaien en zeggen: .,Zeg ons de namen van je vrienden”. En ik moet zwijgen, steeds maar zwijgen, omdat ze van mij toch al alles weten. Soms denk ik dan: Nu ga ik het zeggen, nu kan ik niet langer, nu begeeft me alle moed. Maar dan zie ik mijn vrienden voor me, ik zie ze zitten, gebogen over hun papieren, ik zie ze lopen, ernstig en fier, ik hoor hun forse stemmen, ik zie hun houding van vrije mannen en ik voel het goede en schone van ons werk. Dan bijt ik mijn lippen tot bloedens, dan klemmen zich mijn kaken.
Sla me dan maar, beesten, sla me dan maar, maar dit Hollandse hart is niet te breken. Spuw je venijn maar over me uit, maar deze Hollandse geest is niet te slaan. Scheld maar, treiter maar, beledig maar, spreek maar van bonkaarten stelen ten eigen bate, praat maar van zedeschandalen met een koerierster .. Klets maar van omkoperij, het laat me koud, het glijdt langs me heen als een koude regen. En als ik dan weer terug kom in mijn cel en op mijn bed wankel, dan kan ik alleen maar mijn handen, mijn gestriemde handen vouwen en stamelen: ,,
Vader, ik dank U voor de kracht, die Gij me gaf”. En mijn ogen richt ik naar de woorden, die iemand eens in mijn cel kerfde: Gerechtigheid zal wederkeren. Dat zal een schone tijd zijn, ik zal dat niet beleven, maar dan zullen vrije mensen wonen onder de vrije Hollandse hemel. Nu moet ik weer mijn handen vouwen en vragen: ,,Vader, geef ons volk dan diepe dankbaarheid, geef het eenheid”. Dan pas is ons offer niet vergeefs.
In de nazomer van het jaar 1943 ontving zijn vrouw zijn laatste brief: ‘Mijn lieveling. Ik weet, dat ik, als je deze regels leest, niet meer zal leven. Wees niet al te verdrietig over mij. Ik heb veel geleden, mijn weg ging door een dichte duisternis, maar aan het eind ging ik in het volle, rijke licht. Mijn sterven is me slechts gewin. Zoek jij, mijn alles, alleen je troost bij Hem, die ’t al regeert. Mijn jongen, als je groot bent, zul je deze regels lezen, die moeder zo zorgvuldig zal bewaren. Bewaar een plekje in je hart voor je vader, die stierf, omdat hij zijn plicht deed. Wees een lieve jongen voor je moeder, wees een ferme Hollandse jongen met openeerlijke ogen. Mijn vrouwtje, groet mijn ouders, zeg, dat ik veel aan ze gedacht heb. Groet mijn vrienden, groet mijn bekenden, zeg hen allen dat mijn heengaan vrede was.’
Ergens, in een duinpan, waar ’s zomers de wind in de wilde roos woelt is hij begraven. Boven zijn onbekend graf, kantelt een bonte vlinder. Eens zullen daar hoge kinderstemmen door de duinen schallen en kleine voeten zich reppen naar het blonde strand, want Nederland zal weer vrij zijn.
