JURRIAAN JAN MENDELAAR
Jurriaan Jan Mendelaar (Djambi, 8 juni 1924 – Bergen-Belsen, 30 mei 1945) werd geboren op Sumatra waar toen de stad Djambi (tegenwoordig Jambi) de hoofdstad was van de gelijknamige regio. In 1657gaf de toenmalige sultan aan de Nederlander Beschseven toestemming om in het stadje Djambi (Midden-Sumatra) een markt te openen voor de handel in de regio. Djambi was het residentieel centrum en de zetel van de koning, die hier een mooi paleis het, het Tanah Pilih-paleis. Dat paleis werd in 1858 door de sultan zelf platgebrand, toen het Nederlandse leger Djambi aanviel. Dat was een tegenaanval, nadat eerder de sultan het Nederlandse oorlogsschip Van Hauten hadden aangevallen en tot zinken hadden gebracht. Vanuit de ruïnes van het paleis namen de Nederlanders de macht over en gebruikten het als hoofdkwartier voor het Nederlandse leger. In 1904, plaatsten de Nederlanders het koninkrijk Djambi volledig onder het koloniale grondgebied van Nederlands-Indië. Sumatra bleef voor de Nederlandse koloniale macht altijd het lastigste deel van Nederlands-Indië. Men had vooral de handen vol aan Atjeh (Noord-Sumatra) waar voortdurend conflicten uitbraken, maar ook in Djambi was het voortdurend onrustig. Constant moest de regering voorzichtig omgaan met de lokale bestuurders om te zorgen dat het niet uit de hand liep. Dat lukte niet altijd. De bevolking van Djambi maakte niet bepaald de indruk het Nederlands gezag te erkennen. Er waren constant moorden, opstanden en interne conflicten. Het kostte continu enorme moeite het gezag en prestige van het gouvernement overeind te houden, maar dat lukte dus niet altijd. Op 23 mei 1885 werd bijvoorbeeld het gezellig samenzijn in de sociëteit van Djambi ruw verstoord toen twee inheemse mannen binnendrongen en dood en verderf zaaiden. Het gouvernement greep bijzonder hard in, de gebruikelijke koloniale reactie. Naar aanleiding van dit incident berichtte De Javabode op 5 juni 1885: ‘Djambi is altijd geweest en is nog steeds een kwaadaardig broeinest, van muiterij en fanatisme. Handel daar slap en de geheele omstreek staat ter eenige tijd in vuur en vlam. Het Gouvernement moet bedenken, dat in inlanders, in massa genomen, ons niet of weinig meer vreezen, doch integendeel verachten, om dezelfde reden waarom elke Oosterling alle eeuwen door een vreemde macht veracht heeft en steeds verachten zal, n.l. om onze te Atjeh jaren achtereen betoonde zwakheid.’
De vader van Jurriaan Jan Mendelaar maakte deel uit van het gouvernementele gezag in Djambi, levend in een vijandige en gewelddadige omgeving. Zijn vader met de gelijke naam Jurriaan Jan Mendelaar (Arnhem, 1900 – Epe, 1984) was op 23 januari 1923 op 22-jarige leeftijd in het huwelijk getreden met Hermina van Reijn en was daarna op Sumatra aspirant-controleur namens het Binnenlands Bestuur. In 1924 werd hier hun zoon Jurriaan Jan geboren. Iets later moet hij zijn overgeplaatst naar Pangkalan Brandan, een havenstad in Noord-Sumatra, dicht bij de grens met Atjeh. Daar werd in 1885 door de Nederlandse tabaksplanter Aeilko Jans Zijlker aardolie-voorraden gevonden. In juni 1890 richtte Zijlker het Koninklijke Nederlandse bedrijf voor de bewerking van aardoliepompen in Nederlands-Indië op met hoofdkantoor in Pangkalan Brandan en havenfaciliteiten in het nabijgelegen Pangkalan Susu. Dat bedrijf was in februari 1907 een van de twee oprichters van de Bataafse Petroleum Maatschappij, de voorloper van de Koninklijke Shell. In Pangkalan Brandan werd op 20 april 1926 de tweede zoon geboren, Henri Maarten “Nus” Mendelaar (Pangkalan Brandan, 1926 – Breda, 1994). Nog voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog moet het gezin Mendelaar zijn teruggekeerd naar Nederland. Het echtpaar ging op 3 februari 1948 in Den Haag in scheiding. Op 16 augustus 1948 trouwde Jurriaan Jan Mendelaar in Singapore voor de tweede keer, met Gesina Alberdina Schweers, die op 27 juni 1948 in Amsterdam van haar eerste echtgenoot was gescheiden.
Jurriaan Jan Mendelaar werd op 20 december 1944 gearresteerd in Terschuur, een dorp binnen de gemeente Barneveld. Als beroep stond aangegeven dat hij verpleger was en een vals persoonsbewijs bij zich had. Er werd al direct vermoed dat hij ‘politisch’ was ofwel in het verzet actief. Hij was toen twintig jaar oud en waarschijnlijk in Amsterdam als student ingeschreven aan de universiteit. Op 13 augustus 1943 werd hij namelijk in Amsterdam gearresteerd. Hij had fl. 66,87½ op zak, in huidige termen het niet onaardige bedrag van omstreeks € 560,-. Daarbij in het politiedossier de aantekening ‘Kijk Uit, Leuvenhorst’ en ‘Ermelo’, zonder nadere toelichting. Aannemelijk is dat hij toen verbleef in de vakantiewoning Kijk Uit in de omgeving van Leuvenhorst, een landgoed dat deel uitmaakt van de Leuvenumse Bos en gelegen tussen Elspeet en Nutspeet. Over het waarom en de afloop van zijn arrestatie staat verder niets bekend. Het lijkt erop dat hij in december 1944 in Terschuur ondergedoken zat of om niet via de Arbeitseinsatz naar Duitsland te hoeven worden gestuurd óf omdat hij de loyaliteitsverklaring niet had ondertekend en om die reden arrestatie door de bezetter vreesde.
Na zijn arrestatie kwam Jurriaan op 24 januari 1945 als Häflingsnr A 10367 terecht in Kamp Amersfoort. De voorgaande maand had hij vastgezeten in de Willem III-kazerne in Apeldoorn, die toen de kazerne voor de Wehrmacht was. Opnieuw had hij een aardig bedrag op zak, fl. 222,50 (€ 1.600,-) dit keer. Het doet vermoeden dat hij voor het verzet enige koeriersdiensten deed. Op zijn inschrijvingskaart staat dat hij woonachtig was aan de Oude Ermeloscheweg 11 in Hierden (bij Harderwijk) en dat zijn moeder, woonachtig aan De Lairessestraat in Amsterdam, zijn contactpersoon was. De vader was blijkbaar helemaal uit beeld. Van hieruit werd hij op 2 februari 1945 op transport gezet naar het concentratiekamp Neuengamme. Van daaruit werd hij overgebracht naar het buitenkamp Misburg, waar van 26 juni 1944 tot 8 april 1945 zo’n 1.000 tot 1.200 mensen (veelal Fransen, Polen, Russen en een enkele Nederlander) als dwangarbeider tewerkgesteld waren in een olieraffinaderij. Op 15 april 1945 kwam Jurriaan terecht in blok 13 van concentratiekamp Bergen-Belsen.
Daarna werd niets meer over zijn lot vernomen. Op 26 juni 1945 plaatste mevr. M. Mendelaar-van Reijn in Het Parool een advertentie waarin ze vroeg wie inlichtingen kon geven over haar vermiste zoon. Drie dagen later plaatste ook het blad De Zwerver eenzelfde verzoek om inlichtingen: ‘Mendelaar, Jurriaan Jan, geb. 8-6-’24. wonende: Weteringstr. 32, Asd.-C. of Oude Ermeloscheweg 11, gem. Ermelo. Koerier R.R.-afdeling Asd. ± 20 Dec. ’41, opgepikt bij Barneveld. Overgebracht naar Apeldoorn (Willem III kazerne). Half Januari naar Amersfoort (Gev.nr. 10367), 2-2-’45 naar Neuengamme bij Hamburg. Waarschijnlijk later (Maart) naar Buchenwalde.’ Daarin voor het eerst de bevestiging dat hij vanaf zeventienjarige leeftijd al koeriersdiensten verrichte voor het verzet. Pas in 1957 zou officieel door de Oorlogsgravenstichting, afd. Duitsland worden bevestigd dat Jurriaan Jan Mendelaar op 30 mei 1945 in Bergen-Belsen aan de ontberingen van de dwangarbeid was gestorven en er in een massagraf was begraven.

