HET HUIS WAAR IK GEBOREN BEN
Van 1739 tot 1856 was in Dordrecht de eerste synagoge gevestigd in de kerk van het vroegere klooster Mariënborn, dat stond tussen de Mariënbornstraat en de Weeshuisstraat. Toen de economische toestand verbeterde, verhuisde de synagoge in 1856 naar de Varkenmarkt. Het gebouw was voorzien van twee wachthuisjes aan de straatzijde, die niet bij de synagoge hoorden, maar eigendom van de gemeente waren. Tussen de huisjes bevond zich wel het toegangshek tot de synagoge. Twee jaar eerder werd daar een afgedankte vleeshal aangekocht en verbouwd om als synagoge te kunnen fungeren. In het gebouw was tevens een school gevestigd en een ruimte voor andere activiteiten. De joodse gemeente in Dordrecht was klein, dus was ook het inkomen van de rabbijn karig. In 1812 telde de gemeente 120 leden, in 1940 was dat opgelopen tot 300 leden. Vooral tussen 1900 en 130 liep het ledental terug doordat veel Joden naar het steeds uitbreidende Rotterdam trokken. Van de 300 leden van de Joodse gemeente in 1940 zouden slechts 15 personen de oorlog overleven.
Er waren in de periode 1856 tot 1940 drie rabbijnen aan de Varkenmarkt geïnstalleerd. Van 1856 tot 1894 was dat Aäron Salomon Norden, die op 15 februari 1894 onverwachts hij op 64-jarige leeftijd overleed. Hij werd opgevolgd door Samuel Dasberg, die op 31 augustus 1894 werd hij benoemd en met zijn gezin de ambtswoning aan de Varkenmarkt 7, schuin tegenover de synagoge, betrok. Zijn broer Eli Dasberg (1904-1989), die concentratiekamp Bergen-Belsen overleefde, schreef later onderstaand gedicht ‘Het huis waar ik geboren ben’. Bij de vijf kinderen van Samuel Dasberg, waaronder Nathan Dasberg die rabbi was in Hilversum (zie het bericht over hem en twee van zijn kinderen, Mirjam en Alexander Dasberg), bleef Dordrecht altijd weemoed blijven oproepen. Zij koesterden hun geboortestad, maar voornamelijk in vooroorlogse staat, als een herinnering. Na de oorlog keerden zij er niet terug. De Dasbergen trokken bijna allemaal naar Israël, naar ‘het land van de joodse toekomst. Het naoorlogse Dordrecht bezochten ze nog maar af en toe. Dordrecht was voor hen ‘een dode stad’ geworden. Op 1 mei 1932 naam Barend Katan (Rotterdam, 20 januari 1905 – Auschwitz, 30 april 1943) de functie van Dasberg officieel over. Hij bleef de rabbijn tot het moment waarop het merendeel van de Dordtse Joden op transport was gesteld. Tijdens de oorlog probeerde Katan spullen te r
edden uit de synagoge, waar de vernielingen al gaande waren. Toen de bezetter dit ontdekte, moest Katan als represaille mee op het eerste transport naar Kamp Westerbork. Op 30 april 1943 werd hij vergast in Auschwitz. Zijn vrouw en hun kinderen werden daar al eerder, op 23 november 1942, vermoord. Hun pleegkind, die in 1939 Duitsland was ontvlucht en bij hen was ingetrokken, volgde op 28 februari 1943. Ter nagedachtenis van Katan en zijn gezin werden op 18 april 2017 zes Stolpersteine geplaatst voor hun woning in het Rozenhof in Dordrecht. Op 20 januari 2023 werd op De Essenhof, de algemene begraafplaats in Dordrecht, het Barend Katanpad onthuld.
Ondanks het feit dat het interieur door de Duitse bezetter werd geplunderd en het meubilair tijdens de hongerwinter als brandstof werd gebruikt, werd de synagoge na de oorlog weer in gebruik genomen. In 1947 voelde de Nederlands Israëlitische Kerk zich echter genoodzaakt het gebouw te verkopen. De firma Van Twist kocht het en maakte er een autogarage van. Op 8 februari 1965 werd de synagoge afgebroken om plaats te maken voor een parkeerterrein en marktplaats. Met het afbreken van de synagoge verdween ook het ernaast gelegen steegje, de Ciboriestraat. In hetzelfde jaar verhuisde de synagoge naar een hoekpand op het Vrieseplein. Aan het pand werd een gedenkplaats gehangen waar men kan lezen dat de Nederlands Israëlitische Gemeente hier van 1965 tot 1987 gevestigd was. Nadat de gemeente ophield te bestaan, ging het op in de liberaal joodse gemeente in Rotterdam. Aan de Grote Markt, dat grenst aan de Varkenmarkt, herinnert een plaquette aan hoe de Joodse buurt eruitzag en waar de synagoge heeft gestaan. In de directe omgeving was ook het mikwe, het joodse badhuis, gevestigd. De plaquette herdenkt de vrijwel verdwenen joodse gemeenschap van Dordrecht.

