ADELE STÜRZL
Adele Stürzl (Wenen, 23 november 1892 – München, in de periode 30 juni 1944) werd geboren in de dichtbevolkte volkswijk Favoriten, als dochter van Maria en Johann Sturz. Haar ouders kwamen oorspronkelijk uit Znaim in Zuid-Bohemen. Ze verloor haar moeder toen ze tien jaar oud was en werd toen naar Zuid-Moravië gestuurd, als pleegkind bij familie van haar ouders. Ze werkte daar onder meer een tijdje als dienstmeisje op een boerderij, keerde op een gegeven moment toch weer terug naar Wenen en werkte later in Boedapest. Daar leerde ze de kleermaker Hans Stürzl kennen, met wie ze later trouwde. Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog verhuisde het echtpaar naar Kufstein (Tirol). Adele Stürzl sloot zich aan bij de Sozialdemokratischen Partei en richtte onder andere de welzijnsorganisatie Hilfsbereitschaft (Compassie) op, waarbinnen ze zich vooral bezighield met de strijd voor vrouwenemancipatie en de bestrijding van armoede. In Kufstein kwam haar revolutionaire geest al snel naar voren toen ze een loonsverhoging voor de vrouwelijke arbeiders in de munitiefabriek wist te bewerkstelligen. In 1932 brak Stürzl met de Sociaal-Democratische Partij en sloot ze zich aan bij de Kommunistische Partei Österreichs (KPÖ). Al in 1921 had een grote groep ‘Neuen Linken’ onder leiding van Jozef Frey vanuit de Sozialdemokratischen Partei overstapte naar de KPÖ, maar Stürzl bleef de SPÖ nog lang trouw. Toch bleef ook de KPÖ gedurende de Eerste Republiek in Oostenrijk een vrijwel machteloze partij, onder meer door allerlei interne conflicten. De partij won geen enkele zetel bij verkiezingen voor de Nationale Raad of het deelstaatparlement. Slechts in enkele gemeenten in Neder-Oostenrijk, Opper-Oostenrijk, Salzburg, Karinthië, Stiermarken en Burgenland wist ze vertegenwoordiging in de gemeenteraden te verkrijgen. De KPÖ speelde wel een belangrijkere rol in de werkloosheidsbeweging en in de strijd tegen de opkomst van het fascisme. Voordat de nationaalsocialisten de macht grepen in het Duitse Rijk, verzette de KPÖ zich ook tegen het verbod op de Anschluss met Duitsland, tenzij het een aansluiting bij Duitsland zou zijn nadat daar een succesvolle revolutie had plaatsgevonden en een Sovjet-Duitsland was ontstaan. Adele Stürzl maakte in 1932 of 1933 de overstap naar de KPÖ.
Op 26 mei 1933 werd de KPÖ bij nooddecreet door de Oostenrijks-fascistische regering onder Engelbert Dollfuss verboden en zette haar activiteiten ondergronds voort, iets waar de partij zich sinds eind jaren twintig al op had voorbereid. Stürzl zette haar activisme voort en werd ze voor het eerst kort gearresteerd in de zomer van 1933; in 1934 zat nog een keer zes maanden vast en opnieuw voor twee maanden in 1935. Omdat ze in Kufstein te bekend stond als communist, ze had er de bijnaam De Rosa Luxemburg van Kufstein gekregen, staakte
daarna haar openlijke partijactiviteiten. De KPÖ nam actief deel aan de Februarirevolutie (12-15 februari 1934) die werd geleid door de Republikanischer Schutzbund, maar kon in de gevechten geen doorslaggevende rol spelen. Na de onderdrukking van de Februarirevolutie stelde de KPÖ zich open voor de toestroom van gedesillusioneerde sociaaldemocraten. De KPÖ groeide hierna snel van 4.000 naar 16.000 leden. Toen Oostenrijk op 12 maart 1938 door het Duitse Rijk werd geannexeerd, sprak de KPÖ zich openlijk uit voor de heroprichting van een onafhankelijk Oostenrijk. Geen enkele andere politieke partij reageerde met een vergelijkbare heftigheid en mobilisatie voor de verzetsstrijd op de annexatie.
Al voor de annexatie van Oostenrijk was de nationaalsocialistische beweging in Kufstein al sterk vertegenwoordigd. Al in 1933 zaten er twee nationaalsocialisten in de gemeenteraad van Kufstein. In 1933 en 1934 pleegden nationaalsocialisten minstens vijf moorden in de omgeving van Kufstein, waaronder op twee grenswachten, een hulppolitieman, een douanebeambte en een nazi-overloper. Op 13 maart 1938 om 10:30 uur marcheerden Wehrmacht-troepen Kufstein binnen via de grensovergang Kiefersfelden. Ze werden ceremonieel ontvangen door de bevolking, terwijl de hakenkruisvlag aan de Kaisertoren van de vesting Kufstein wapperde. Kufstein werd de districtshoofdstad van de Gau Tirol-Vorarlberg en tijdens het naziregime werd het stadje vanwege zijn ligging aan de grens een belangrijke basis voor de nationaalsocialistische beweging. Het kasteel in Kufstein diende jarenlang als een buitenkamp voor het concentratiekamp Dachau. In de stad was echter ook een communistische verzetsgroep actief onder leiding van Adele Stürzl. In de KPÖ-verzetsgroep waren verder Georg Gruber (spoorwegmedewerker), Adalbert Horejs (metaaldrukker), Hans Vogl (directeur in Zell am Ziller), Thomas Salvenmoser (spoorwegwerker) en Alois Ehrenstrasser (opziener bij een telegraafdienst) actief. Over hen later meer. Deze groep had connecties met het Brixental, Kitzbühel en tot in Berlijn, namelijk met de communistische verzetsgroep Uhrig-Römer-Gruppe.
Toen de groep in juni 1942 probeerde een deserteur te helpen ontsnappen, werd de verzetsgroep door de Gestapo ontmaskerd en gearresteerd. Stürzl werd beschuldigd van een hele reeks verzetsdaden: een deserteur helpen ontsnappen naar Zwitserland, een poging op 1 mei 1942 om een hongerdemonstratie te organiseren waarbij huisvrouwen met lege boodschappenmanden op het stadsplein van Kufstein zouden samenkomen en het lidmaatschap van een communistische verzetsgroep. Sterker nog, zelfs vóór de komst van Robert Uhrig uit Berlijn had Stürzl al geld ingezameld voor terugkerende veteranen van de Spaanse Burgeroorlog. Er vonden ook illegale communistische bij
eenkomsten plaats in haar huis, maar deze werden georganiseerd door haar huisgenoot, Georg Faé. Tijdens Robert Uhrigs eerste bezoek aan Tirol werd er een bijeenkomst georganiseerd in Stürzls huis. Hoewel Stürzl zich binnen deze groep niet bezighield met organisatorische taken, speelde ze een leidende rol in andere verzetsdaden.
Op 11 november 1942 veroordeelde het speciale gerechtshof van Innsbruck Adele Stürzl tot vier jaar gevangenisstraf wegens poging tot ontsnapping van een deserteur. Ze bleef echter in de staatsgevangenis van Innsbruck, waar ze een cel deelde met verzetsstrijdster Carmella Flöck. Ze bleef er tot kort voor het begin van het proces tegen de Roby-groep. In maart 1944 werden Stürzl en enkele andere leden van haar groep overgebracht naar München. Volgens een ooggetuige beschuldigde de voorzittende rechter van de 6e Senaat van het Volksgerechtshof haar ervan ‘een oude, fanatieke communist te zijn wiens enige doel het was om de arbeiders op te hitsen en te ontstellen. Het motief achter haar politieke activiteiten was haat tegen orde en eigendom.’ Adele Stürzl pareerde dit door te wijzen op ‘haar sociaal geweten, want haar hele streven was gericht op het helpen van de armen en de allerarmsten.’ Het Volksgerechtshof veroordeelde Adele Stürzl op 14 april 1944 ter dood. Dezelfde ooggetuige vervolgde: ‘Het grote lijden vertroebelde haar geest tijdens haar gevangenschap, desondanks werd ze niet gespaard van de galg in Stadelheim.’ Ze werd op 30 juni 1944 (een enkele bron spreekt over 16 augustus) werden zij in de gevangenis van München-Stadelheim met de guillotine geëxecuteerd. In haar voormalige woonplaats Kufstein is de Adele Stürzlweg naar haar vernoemd. In 2024 werd een sculptuur met de titel Het licht van het verzet schijnt op de Franz-Josef-Platz in Innsbruck geplaatst waar zes mensen worden herdacht, die met banden hadden met Kufstein en die zich tegen het nazisme verzetten en werden vermoord: Walter Caldonazzi, Georg Gruber, Ernst Ortner, Thomas Salvenmoser, Adele Stürzl en Franz Wurzenrainer. In het boek Mit Offenen Augen van Rosmarie Thüminger wordt haar onwrikbare inzet in de strijd tegen het fascisme en het nationaalsocialisme beschreven. Adelé Stürzl werd begraven in Kufstein, waar vanaf 1987 op de begraafplaats een gedenksteen voor haar is geplaatst.

