WALTHER FREIHERR VON LÜTTWITZ
Na de Eerste Wereldoorlog was Duitsland een zeer instabiele democratie. In de periode 1919-1993 had de Weimarrepubliek herhaaldelijk te maken met opstanden en couppogingen van zowel extreem-linkse als extreem-rechtse partijen. Een van de pogingen tot staatsgreep die het meest in de herinnering is blijven hangen van de coup van Wolfgang Kapp en Walther von Lüttwitz op 13 maart 1920, die officieel de Kapp-Lüttwitz-Putsch heet, maar als de Kapp-Putsch de geschiedenisboeken is ingegaan. Die staatsgreep werd zeer snel de kop ingedrukt en stelde in wezen dus minder voor dan vaak wordt verondersteld, maar deze Kapp-putsch bleef in de herinnering omdat de gevolgen erg groot waren. Wie waren deze twee leiders van de staatsgreep en wat stond hen voor ogen.
Walther Freiherr von Lüttwitz (Bodland, 2 februari 1859 – Breslau, 20 september 1942) Hij was de zoon van Ernst Freiherr von Lüttwitz (1823–1892), een gepensioneerde Pruisische kapitein , hoofdboswachter en dijkkapitein, en zijn vrouw Cecile, geboren gravin Strachwitz von Groß-Zauche und Camminetz (1835–1910). Lüttwitz trad op 15 april 1878 als tweede luitenant toe tot het 38e Silezische Fusiliersregiment van het Pruisische leger, na zijn opleiding aan het cadetkorps. Op 27 januari 1911 kreeg hij als generaal-majoor het commando over de 39e Infanteriebrigade in Hannover en vanaf 20 maart 1911 leidde hij de 2e Garde-infanteriebrigade in Potsdam. Op 1 januari 1914 werd hij bevorderd tot luitenant-generaal en kreeg hij het commando over de Hessische 25e Divisie in Darmstadt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bekleedde hij een aantal hoge militaire functies. Vanaf 2 augustus 1914 was hij chef van de generale staf van het 4e leger aan het westfront . Vanaf 26 september 1914 voerde hij het bevel over de 33e divisie en van 28 juni tot 28 september 1915 over de 2e gardedivisie. Van 22 december 1915 tot 20 augustus 1916 was
hij bevelhebber van het 10e legerkorps . Op 21 augustus 1916 werd hij chef van de staf van het 5e leger en bekleedde dezelfde functie bij legergroep ‘Kroonprins Wilhelm’ van 27 oktober tot 24 november 1916. Ten slotte was hij vanaf 25 november 1916 tot het einde van de oorlog bevelhebber van het 3e legerkorps. In maart 1918 nam zijn korps deel aan het Duitse lenteoffensief aan de Somme in het gebied rond St. Quentin. Op 24 augustus 1916 ontving hij de Pour le Mérite, de hoogste Pruisische onderscheiding voor moed. Op 26 maart 1918 ontving hij tijdens de Kaiserschlacht ook de Eikenbladeren bij deze orde.
Na de Novemberrevolutie in 1918 (de overgang van het Duitse Keizerrijk naar de Weimarrepubliek, met in het begin de afzetting van keizer Wilhelm II en de uitroeping van de republiek op 9 november 1918) en de Weihnachtskämpfe van december 1918 (militaire confrontaties in Berlijn tussen de Volksmarinedivisie en reguliere troepen, die werden aangewakkerd door onbetaalde lonen en vermeende diefstallen door matrozen die gelegerd waren in het Stadspaleis en de Nieuwe Stallen van Berlijn. Ze waren de directe aanleiding voor de val van de coalitie tussen de twee sociaaldemocratische partijen MSPD en USPD in de Rat der Volksbeauftragten)werd hij door de revolutionaire voorlopige regering, de Rat der Volksbeauftragten, benoemd tot opvolger van Arnold Lequis als opperbevelhebber van de voorlopige Reichswehr in Berlijn en omgeving. Deze Reichswehr was samengesteld uit vrijwilligers en uit regimenten van het oude leger die nog niet waren gedemobiliseerd. Lüttwitz leidde door deze functie de onderdrukking van de Spartacusopstand in januari 1919. Na de vorming van het overgangsleger werd Lüttwitz op 1 oktober 1919 benoemd tot chef van Groepscommando 1.
Net als veel andere leden van de Reichswehr was Lüttwitz een fervent tegenstander van het Verdrag van Versailles. Hij was met name gekant tegen de eisen om het leger te reduceren tot 100.000 man, het Freikorps te ontbinden en ongeveer 900 Duitse militairen uit te leveren die door de overwinnaars van oorlogsmisdaden werden beschuldigd . Lüttwitz was van plan zich tegen deze eisen te verzetten. Na een ultimatum dat hij Friedrich Ebert in een privégesprek op de avond van 10 maart 1920 had gesteld, ontsloeg Reichswehr-minister Gustav Noske hem op 11 maart wegens insubordinatie jegens de burgerlijke autoriteiten Lüttwitz besloot toen tot actie over te gaan: in de nacht van 12 op 13 maart marcheerde de Ehrhardt Marinebrigade, die tot voor kort onder zijn bevel had gestaan en ook op de lijst stond om te worden ontbonden, naar het regeringsdistrict in Berlijn om de legitieme regering te arresteren. In tegenstelling tot Wolfgang Kapp, met wie hij contact had, riep Lüttwitz niet op tot een fundamentele herstructurering van de staat, maar stelde hij slechts een aantal specifieke eisen: (1) introductie van een kabinet van deskundigen in plaats van partijministers; (2) stop de ontbinding van de Marinebrigade; (3) de oprichting van een opperbevel van de Reichswehr met hem als leider; (4) nieuwe verkiezingen voor de Rijksdag en verkiezing van de Rijkspresident door het volk; (5) amnestie voor degenen die betrokken waren bij de staatsgreep.
De Kapp-putsch duurde echter maar een paar dagen. Hij mislukte door een gebrek aan steun van de regeringsbureaucratie en de bevolking, die was opgeroepen tot een algemene staking. Lüttwitz, die korte tijd minister van de Reichswehr was in de putschregering, vluchtte op 17 maart naar het buitenland. Hij keerde terug na de zogenaamde Hindenburg-amnestie in augustus vanuit Hongarije terug naar Duitsland en leefde tot zijn dood in 1942 in afzondering, zonder zich ooit nog met politieke of militaire activiteiten bezig te houden.

